Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 38
„Wel, tante!” riep ik uit, „dat is juist wat wij zoeken!” Ik kreeg een kleur van blijdschap bij de gedachte, alleen op kamers te zullen wonen.
„Kom dan,” antwoordde tante, terwijl zij onmiddellijk den hoed opzette, dien zij eene minuut te voren had weggelegd. „Wij zullen ze eens gaan bekijken.”
De advertentie verwees ons om inlichtingen naar eene zekere juffrouw Crupp; wij schelden daarom aan het onderhuis, waar wij vermoedden, dat juffrouw Crupp hare tenten had opgeslagen. Eerst na drie of vier malen gescheld te hebben konden wij er in slagen die dame te bewegen ons te woord te staan; eindelijk verscheen zij echter. Zij was eene forschgebouwde vrouw en droeg een nankingsche japon, waaronder een flanellen onderrok uitkwam.
„Kunnen wij de kamers ook zien, die gij te huur aanbiedt, juffrouw?” vroeg tante.
„Voor dezen heer?” zei juffrouw Crupp, terwijl zij in haar zak naar de sleutels zocht.
„Ja, voor mijn neef,” antwoordde tante.
„Ze zullen voor u geknipt zijn!” verklaarde juffrouw Crupp. Daarna gingen wij naar boven.
De kamers waren op de bovenste verdieping—eene groote geruststelling voor mijne tante, want ik was nu dicht bij het dak—en bestonden uit een klein portaaltje, waar men bijna niets zien kon, een provisiekamertje, waar volslagen duisternis heerschte, een zitkamer en een slaapkamer. De meubels waren oud, maar goed genoeg voor mij en waarlijk, men kon de rivier zien. Toen ik mijne ingenomenheid betuigd had, gingen tante en juffrouw Crupp naar het provisiekamertje om de voorwaarden te bespreken, terwijl ik op de sofa in de zitkamer plaats nam en mij nauwelijks kon voorstellen, dat ik voortaan in zulk een paleis zou wonen. Na een woordenstrijd, die nog al eenigen tijd duurde, keerden de dames terug en ik zag tot mijne groote blijdschap, zoowel op juffrouw Crupp's gezicht als op dat van mijne tante, dat zij het eens waren geworden.
„Zijn dit de meubels van den laatsten bewoner?” vroeg tante.
„Ja, mevrouw,” antwoordde juffrouw Crupp.
„Waar is hij gebleven?”
Juffrouw Crupp begon vreeselijk te hoesten en bracht intusschen met veel moeite uit:
„Hij is hier ziek geworden, mevrouw en..... uhu!.... uhu!.... uhu!.... groote Goedheid, hij is hier gestorven!”
„Hé, wat? waaraan?” vroeg tante.
„Wel, mevrouw, hij dronk te veel,” zei juffrouw Crupp op vertrouwelijken toon. „En rooken!”
„Rooken? Gij bedoelt toch niet dat de schoorsteenen rooken?” viel tante in.
„Neen, mevrouw, sigaren en pijpen.”
„Dat is in elk geval niet aanstekelijk, Trot,” zei tante, tot mij gewend.
„Neen, zeker niet,” antwoordde ik.
Kortom, toen tante zag hoe zeer ik ingenomen was met mijn nieuw verblijf, huurde zij de kamers voor een maand, om ze, indien ik na het einde daarvan tevreden was, voor een jaar in te huren. Juffrouw Crupp zou voor mijn linnengoed zorgen en voor mij koken en zei met nadruk, dat zij voor mij zorgen zou alsof ik haar eigen kind was. Twee dagen later zou ik mijn nieuw verblijf in bezit nemen en juffrouw Crupp verklaarde bij het afscheid den Hemel te danken, omdat zij nu iemand had, voor wien zij zorgen kon.
Op den weg naar huis vertelde tante mij, hoe zij vertrouwde, dat het leven, dat ik nu te gemoet ging, mij flinkheid en zelfvertrouwen zou geven, hetgeen alles was, dat ik noodig had. Zij herhaalde dit den volgenden dag meermalen, terwijl wij maatregelen beraamden om mijne kleederen en boeken van mijnheer Wickfield naar Londen te doen overzenden. Naar aanleiding daarvan schreef ik een langen brief met al de wederwaardigheden, op mijn uitstapje ondervonden, aan Agnes, en toen tante den volgenden dag heenging, nam zij dien brief mede. Ten einde niet al te lang over al deze bijzonderheden uit te weiden, voeg ik er nog slechts bij, dat zij met milde hand zorgde voor alles wat ik gedurende mijne proefmaand noodig had; dat Steerforth tot mijne groote teleurstelling en ook tot die van tante niet verscheen, en dat ik tante veilig zag zitten in de diligence op Dover, met Janet naast zich, blijde dat het goede leven van de ezels en hunne drijvers nu weer uit was. Toen de diligence uit het gezicht was, bleef ik een oogenblik in gepeins verzonken staan. Mijne gedachten dwaalden af naar den tijd, toen ik ook alleen in Londen was achtergelaten, en met een dankbaar hart sloeg ik den weg in naar Buckingham-street.
XXIV.
Mijn eerste buitensporigheid.
O, welk een heerlijke gedachte was het, heer en meester te zijn op zulk een paleis! Als ik de deur achter mij sloot had ik een gevoel, zooals Robinson Crusoë moet gehad hebben, als hij zijn versterkte hut was binnengegaan en de ladder achter zich opgetrokken had. Heerlijke gedachte, om daar door de stad te wandelen met de sleutels van mijn eigen woning in den zak; te weten, dat ik iemand vragen kon met mij naar mijn kamer te gaan en zeker te zijn, dat ik daarmede niemand overlast aandeed, tenzij aan mij zelven. Heerlijke gedachte, om mij zelven in en uit te kunnen laten, te komen en te gaan zonder iemand iets te vragen, juffrouw Crupp te schellen, wanneer ik haar noodig had, en haar uit de ingewanden der aarde te doen oprijzen—indien zij, dat spreekt van zelf, genegen was om te komen. Dit alles, ik herhaal het, was heerlijk, maar ik moet er bijvoegen, dat er ook wel tijden waren, waarin ik het alles behalve aangenaam vond.
Des morgens, vooral bij mooi weder, was het heerlijk. Als de zon scheen, genoot ik van het vrije leven en hoe hooger zij steeg, hoe vrijer en opgewekter ik mij gevoelde, maar tegen het vallen van den avond begon dat gevoel te kwijnen. Hoe het kwam weet ik niet, maar bij lamplicht vond ik mijn leven niet zoo heerlijk. Ik miste iemand om mede te praten. Ik miste Agnes vooral. Een akelig ledig was in de plaats getreden van die lieve bewaarster mijner geheimen. De afstand tusschen mij en juffrouw Crupp scheen dagelijks grooter te worden. Ik dacht aan mijn voorganger, die gestorven was tengevolge van veel drinken en rooken, en de wensch kwam in mij op, dat hij ware blijven leven, dan zou hij daar waarschijnlijk op mijne plaats gezeten hebben.
Toen ik er twee dagen en twee nachten had doorgebracht, scheen het mij toe of ik er reeds een jaar was en toch voelde ik mij geen uur ouder en werd meer dan ooit geplaagd door mijn eigen jeugdigheid.
Aangezien Steerforth nog niet verscheen, begon ik te vreezen, dat hij ziek was; ik verliet daarom het kantoor den derden dag wat vroeger dan gewoonlijk en wandelde naar Highgate. Mevrouw Steerforth was zeer blijde mij te zien en vertelde mij, dat haar zoon met een vriend uit Oxford naar een anderen vriend te St. Alban's was gegaan en den volgenden dag werd terugverwacht. Ik hield zooveel van Steerforth, dat ik jaloersch was op die beide vrienden. Mevrouw Steerforth noodigde mij uit om te blijven eten, hetgeen ik deed; maar ik geloof, dat wij den geheelen avond over niets spraken dan over hem. Ik vertelde haar, hoe de menschen in Yarmouth met hem dweepten en welk een aangenaam reisgenoot hij voor mij geweest was. Juffrouw Dartle deed allerlei geheimzinnige vragen, maar stelde toch ook veel belang in al ons doen en laten. Zij zeide zoo dikwijls: „Was het waarlijk zoo?” dat zij alles uit mij perste wat zij verlangde te weten. Zij zag er nog juist zoo uit als ik haar beschreven heb, maar het gezelschap van de twee dames deed mij zoo goed en viel zoo in mijn smaak, dat ik werkelijk een weinig verliefd op haar begon te worden. Ik kon niet nalaten dien avond en ook op mijne wandeling naar huis verscheidene malen te denken, welk een aangenaam gezelschap zij zijn zou in Buckinghamstreet.
Den volgenden morgen zat ik te ontbijten—het was verbazend hoeveel koffie juffrouw Crupp gebruikt en hoe slap die toch was—toen Steerforth tot mijne onbeschrijfelijke vreugde binnentrad.
„Beste Steerforth!” riep ik uit, „ik begon te denken dat ik u nimmer terug zou zien!”
„Ik ben den morgen, nadat ik thuiskwam, met geweld weggehaald!” antwoordde hij. „Wel, Groentje, wat leidt gij hier een prachtig oude-jongeheerenleven!”
Ik liet hem, niet zonder eenigen trots, mijne appartementen—de provisiekamer incluis—zien en hij prees alles zeer. „Luister eens, Groentje,” voegde hij er bij, „ik zal mij hier inkwartieren, tenzij gij mij wegjaagt.”
Dat was een heerlijk bericht. Ik zei dan ook, dat, als hij daarop wilde wachten, hij nog langen tijd zou kunnen blijven. „Maar wilt gij niet ontbijten?” vroeg ik met de hand aan het schelkoord. „Juffrouw Crupp zal versche koffie voor u zetten en ik wat spek bakken op mijn kachel.”
„Neen, dank u!” zei Steerforth. „Schel maar niet! Ik kan niet! Ik moet ontbijten bij een van mijne vrienden, die in het Piazza-hôtel logeert in Covent Garden.”
„Maar dan komt gij toch bij mij eten?” vroeg ik.
„Ik kan niet, ik kan waarlijk niet! Niets zou ik liever doen, maar ik moet bij mijn beide vrienden blijven. Wij scheiden morgen reeds.”
„Breng hen dan mede, dan eten wij met ons vieren,” hernam ik. „Zouden zij willen komen?”
„O, zij zullen gaarne willen komen,” antwoordde Steerforth, „maar wij zullen u overlast aandoen. Gij zoudt beter doen met ons ergens te komen eten.”
Onder geen voorwendsel wilde ik dat aannemen, te meer niet, omdat het mij voorkwam, dat ik mijne kamers toch ook eens moest inwijden en zich daarvoor geen betere gelegenheid zou opdoen dan deze. Ik was trotscher dan ooit op mijne kamers, nu Steerforth ze had geprezen, en brandde van verlangen om te toonen wat ze al zoo konden opleveren. Toen Steerforth weg was schelde ik juffrouw Crupp en maakte haar met mijn wanhopend voornemen bekend. Juffrouw Crupp begon te zeggen, dat ik natuurlijk niet van haar verwachten kon, dat zij aan tafel zou bedienen; zij kende echter een handig jongmensch, die het waarschijnlijk wel voor vijf shillings zou willen doen. Of ik dat goed vond? Het spreekt van zelf, dat ik daartegen niets kon inbrengen. Vervolgens zei juffrouw Crupp, dat zij natuurlijk niet op twee plaatsen te gelijk zijn kon—daar was evenmin iets tegen te zeggen—en dat dus een klein meisje met een kaars in de provisiekamer onmisbaar was, ten einde onafgebroken borden te wasschen. Ik vroeg wat zulk een meisje daarvoor hebben moest en juffrouw Crupp antwoordde dat ik, naar zij meende, van achttien stuivers niet armer zou worden. Ik zei, dat ik het ook niet dacht en alzoo was ook dit vastgesteld. „En nu,” vervolgde juffrouw Crupp, „wat moet er zijn?” De smid, die juffrouw Crupp's kachelplaat gemaakt had, moet wel een voorbeeld geweest zijn van iemand met weinig overleg, want er konden niets dan ossenlappen en gestoofde aardappelen op gereed worden gemaakt. En wat de vischketel betrof..... „wil mijnheer de ruimte eens komen bekijken?” vroeg juffrouw Crupp. Nu, oprechter kon het goede mensch niet spreken! Alsof ik daardoor iets wijzer zou zijn geworden! Ik bedankte daarom voor het vriendelijk aanbod en zei: „Welnu dan, geen visch!” Maar juffrouw Crupp hernam: „Zeg dat nu niet, het is de tijd van de oesters, waarom geen oesters?”—Dus.... oesters! Daarna ging juffrouw Crupp voort: „Indien ik u een raad schuldig ben, is het deze: Een paar gebraden hoentjes.... van den kok; een schotel gestoofd rundvleesch met groente.... van den kok; twee kleinigheden om te flankeeren, b. v. pasteitjes of nierenbroodjes.... van den kok een taart en—indien ik daarvan hield—wat rhum- of andere gelei.... van den kok. Op deze wijze,” ging juffrouw Crupp voort, „stelt gij mij in de gelegenheid, om al mijne aandacht aan de aardappelen te wijden en de kaas en de selderij zoo voor te dienen, als ik wenschte dat het altijd gedaan werd.”
Ik volgde juffrouw Crupp's raad op en deed in hoogst eigen persoon de bestellingen bij den kok. Later op den dag langs een vleeschwinkel komende, zag ik daar een gespikkelde zelfstandigheid voor het raam liggen, die op marmer geleek en van een etiquette voorzien was, waarop te lezen stond: „Schildpadsoep.” Ik ging den winkel binnen en kocht er een stuk van, dat, naar ik later vernam, voor vijftien personen genoeg zou zijn geweest. Na veel tegenstribbelen nam juffrouw Crupp op zich, dit preparaat op te warmen, maar eenmaal in vloeibaren toestand gebracht, scheen het zoo weg te slinken, dat Steerforth het een „mondterging” vond voor vier personen.
Nadat alles zoo ver in orde was gebracht, kocht ik in Covent Garden een klein dessert en deed bij een wijnkooper in die buurt eene vrij aanzienlijke bestelling. Toen ik in den namiddag thuis kwam en de flesschen in een vierkant op de provisiekamer zag staan, schrikte ik van het groote aantal—niettegenstaande er twee te weinig waren, tot groote ontsteltenis van juffrouw Crupp.
De vrienden van Steerforth heetten Grainger en Markham. Beiden waren vroolijke, levenslustige knapen; Grainger was iets ouder dan Steerforth; Markham zag er jonger uit—ik schatte hem twintig jaar. Ik merkte op, dat laatstgenoemde altijd van zich zelven sprak als van „iemand” en nooit de eerste persoon enkelvoud gebruikte.
„Iemand voelt zich hier zeer op zijn gemak, mijnheer Copperfield,” zei hij, van zich zelven sprekende.
„De stand is niet slecht,” antwoordde ik, „en de kamers zijn inderdaad heel gezellig.”
„Ik hoop, dat gij beiden een goeden eetlust hebt meegebracht,” zei Steerforth.
„Waarlijk,” antwoordde Markham, „het stadsleven schijnt den eetlust op te wekken. Men heeft den geheelen dag honger, men eet onophoudelijk.”
In het eerst was ik een weinig verlegen en voelde ik mij veel te jong om aan het hoofd van de tafel plaats te nemen, waarom ik Steerforth verzocht op de eereplaats te gaan zitten en zelf tegenover hem plaats nam. Alles was goed, uitmuntend zelfs; wij dronken een stevig glas wijn en Steerforth deed zoo zijn best om den gang er in te houden, dat de feestelijke stemming geen oogenblik verbroken werd. Ik zelf was niet zoo spraakzaam gedurende den maaltijd, als ik wel gewenscht had te zijn; want mijne plaats was vlak tegenover de deur en telkens wanneer het „handige jonge mensch” de kamer uitging, zag ik een oogenblik later zijn schaduw op den muur afgeteekend, met een flesch voor den mond. Ook het meisje verschafte mij eenige onrust, niet omdat zij verzuimde de borden te wasschen, maar door ze te breken. Zij was nieuwsgierig van aard en wilde zij die ondeugd botvieren, dan kon zij niet, zooals haar stellig bevolen was, in het provisiekamertje blijven; zij kwam daarom telkens om een hoekje kijken en als zij dan bemerkte dat zij betrapt werd, richtte zij in haar angst eene groote verwoesting aan onder de borden, die zij op den grond had geplaatst. Dit waren echter kleine onaangenaamheden, die, zoodra het tafellaken weggenomen en het dessert gereed gezet was, vergeten waren; op hetzelfde tijdstip ontdekte ik, dat het „handige jongmensch” stomdronken was. Ik gaf hem heimelijk het bevel, om juffrouw Crupp verder met zijn gezelschap te vereeren en het kleine meisje mede naar de kelderverdieping te nemen, waarna ik mij ongestoord aan de vreugde kon wijden.
Ik begon bijzonder vroolijk en opgeruimd te worden; allerlei half-vergeten voorvallen kwamen mij in de gedachten, zoodat ik buitengewoon spraakzaam werd; ik lachte hartelijk om mijne eigen grappen en om die van de anderen; riep Steerforth tot de orde, omdat hij niet vlug genoeg inschonk als de glazen ledig waren; nam uitnoodigingen aan om in Oxford te komen; gaf als mijn voornemen te kennen elke week zulk een diner op mijne kamer te zullen geven, zonder dat daartoe uitnoodigingen voor behoefden te worden rondgezonden; en nam eindelijk zooveel snuif uit een doos van Grainger, dat ik genoodzaakt was naar de provisiekamer te gaan, waar ik ongeveer tien minuten, niezende doorbracht. Al sneller en sneller liet ik de flesschen rondgaan en telkens sprong ik op met den kurketrekker in de hand om nieuwe open te trekken, lang voordat het noodig was.
Ik stelde een dronk in op Steerforth's gezondheid, zeide dat hij mijn beste vriend was, de beschermer van mijne jeugd, de metgezel in mijne eerste jongelingsjaren. Ik zeide blijde te zijn op zijne gezondheid te mogen drinken. Ik zeide dat ik meer verplichting aan hem had dan ik hem ooit vergelden kon en hem meer achting toedroeg dan ik in woorden kon uitdrukken. En eindelijk: „Ad fundum, op Steerforth! Lang zal hij leven! Hoezee!” En wij dronken driemalen ad fundum en eindelijk nog een vol glas ad fundum. Ik brak mijn glas toen ik opstond om hem de hand te schudden en zei in twee woorden: „Steerforth, gij-zijt-de-poolstar-op-mijn-levensweg.”
Ik merkte eensklaps op, dat er iemand aan het zingen was; het was Markham, die ten beste gaf: „Als de zorgen soms u kwellen,” en zoo voort. Hij beloofde ons daarna een toost te zullen instellen: Op „de meisjes!” Ik verzette mij daartegen en wilde het niet toestaan. Ik zeide dat het niet fatsoenlijk was zulk een toost in te stellen, dat ik op mijn eigen kamer niet zou toestaan anders dan op de „dames” te drinken. Ik kreeg hooge woorden met hem, voornamelijk omdat ik Steerforth en Grainger zag lachen om mij—of om hem—of om ons beiden. Hij zei dat men iemand niet zoo de wet moest stellen. Ik zeide dat het wel degelijk moest. Hij zeide dat men iemand niet behoefde te beleedigen. Ik zeide dat hij daarin gelijk had—dat onder mijn dak, waar de wetten der gastvrijheid werden geëerbiedigd, nooit iemand beleedigd mocht worden. Hij zeide dat het niet met iemand's waardigheid streed te zeggen, dat ik een duivelsche beste jongen was. Ik stelde onmiddellijk een dronk op hem in.
Iemand stak een sigaar op en wij volgden zijn voorbeeld. Ik rookte en deed mijn best om eene opkomende neiging tot huiveren te bedwingen. Steerforth had een toost op mij ingesteld, die mij bijna tot tranen toe bewogen had. Ik bedankte hem en sprak de hoop uit, dat de heeren den volgenden dag en den daarop volgenden dag bij mij zouden komen dineeren—telkens te 5 uur, zoodat wij een langen avond voor ons hadden om van elkanders gezelschap te genieten. Ik had behoefte op nog iemand's gezondheid te drinken en stelde een toost in op mijne tante, op Betsey Trotwood, de beste van haar geslacht!
Er lag iemand uit het raam van mijn slaapkamer, ten einde zijn voorhoofd tegen de kouden steenen te drukken en den avondwind in zijn gezicht te laten spelen. Die iemand was ik zelf. Ik zei tegen mij zelf: „Copperfield, waarom hebt gij gerookt? Gij wist dat gij het niet kunt verdragen.” Toen bekeek iemand zich met onzekere oogen in den spiegel. Die iemand was ik weer. Wat was ik bleek! Er lag een wezenlooze uitdrukking in mijne oogen, en mijn haar .... alleen mijn haar, niets anders—zag er uit of het dronken was.
Iemand zei: „laat ons naar de comedie gaan, Copperfield!” Nu was ik niet meer in de slaapkamer, maar zat aan de rinkelende, met glazen bedekte tafel; de lamp en Grainger aan mijne rechter, Markham aan mijne linkerzij, en Steerforth tegenover mij—allen in de mist en heel ver weg. De comedie? Zeker! Uitstekend! Ga mede! Maar gij moet mij niet kwalijk nemen als ik het laatst naar beneden ga en de lamp uitblaas—er moest eens brand komen.
Vermoedelijk was het aan de duisternis toe te schrijven, maar ik kon de deur niet vinden, ik tastte in het rond en zocht in de venstergordijnen, toen Steerforth mij lachend bij een arm nam en buiten bracht. Wij daalden de trap af vlak achter elkander. Toen wij bijna beneden waren viel er iemand; iemand anders zei dat het Copperfield was. Deze valsche aantijging maakte mij boos, maar toen ik mij zelven op den rug in de gang vond liggen, begreep ik toch, dat er wel eenigen grond voor zijn kon.
Een mistige avond met groote kringen om de lantarens op de straat. Ik hoorde iemand van ons duidelijk zeggen, dat het vochtig was, maar ik meende, dat het vriezend weer was. Steerforth nam mij mede onder een lantaren, sloeg mijn kleeren af en zette mijn hoed recht—zonderling! Ik weet nog niet waar die hoed vandaan was gekomen, want ik had dien eerst niet opgehad.
Een man, in een hokje zittend met een opening als in een duiventil, keek in de mist en nam van iemand geld aan, vragende of ik die heer was, voor wien betaald werd; hij scheen te aarzelen—als ik het mij tenminste goed herinner, want ik zag bijna niets meer van hem, dan het puntje van zijn neus—of hij wel geld voor mij zou aannemen. Korten tijd daarna zaten wij heel hoog in een gloeiende zaal en keken naar beneden in het parterre; het scheen mij toe dat het daar rookte, zoo onduidelijk zag ik de menschen, die daar zaten. Er was ook een groot tooneel, dat er, in vergelijking met de straat, heel helder en zindelijk uitzag; er liepen menschen op heen en weer, die met elkander praatten over allerlei dingen, maar volkomen onverstaanbaar. Er was eene schitterende verlichting en er was muziek en in de loges zaten dames en ik weet niet wat er al meer was. Het geheel maakte op mij den indruk, alsof het gebouw, met alles wat er in was, leerde zwemmen, zoo wonderlijk dwarrelde alles dooreen, wanneer ik trachtte het te doen stilstaan.
Op iemand's voorstel besloten wij naar beneden te gaan, naar de loges, waar de dames zaten. Ik zag in het voorbijgaan een heer languit op een sofa liggen met een tooneelkijker voor de oogen, en ik zag ook mij zelven, ten voeten uit in een spiegel. Daarna werd ik een van de loges binnengeduwd en scheen iets gezegd te hebben, terwijl ik was gaan zitten, want de menschen om mij heen riepen: „Stilte!” en de dames wierpen mij verontwaardigde blikken toe en.... wat zag ik daar? Ja! Agnes zat vlak voor mij in dezelfde loge tusschen een heer en eene dame, die ik niet kende. Ik zie haar gezicht nu voor mij, beter dan ik het op dat oogenblik zag; zij keek mij verbaasd en verwijtend aan.
„Agnes!” zei ik met een dikke tong. „Goede Hemel! Agnes!”
„Stil! smeek ik u!” antwoordde zij, maar ik begreep volstrekt niet waarom. „Gij hindert de menschen! Kijk liever naar het tooneel!”
Ik volgde haar bevel op en trachtte mijn oogen op het tooneel gevestigd te houden en iets te verstaan van hetgeen er gesproken werd, maar te vergeefs. Een oogenblik later keek ik weder naar haar en zag ik haar wegkruipen in een hoekje en haar hand naar het voorhoofd brengen.
„Agnes!” zei ik. „Ik vrees dat gij niet wel zijt.”
„O, jawel. Maak u over mij niet ongerust, Trotwood,” antwoordde zij. „Luister eens! Gaat gij spoedig heen?”
„Of ik spoedig weer heenga?” herhaalde ik.
„Ja.”
Een oogenblik kwam de dwaze gedachte in mij op om haar te antwoorden, dat ik wachten zou om haar naar beneden te geleiden. Ik onderstel, dat ik ook wel zoo iets gezegd zal hebben, want zij keek mij eenige oogenblikken doordringend aan en scheen mij te begrijpen. Zachtjes sprak zij:
„Ik weet wel dat gij doen wilt wat ik u verzoek, als ik u zeg dat ik het ernstig meen. Ga nu heen, Trotwood, om mij genoegen te doen; vraag aan uwe vrienden of zij u naar huis willen brengen.”
Zij had mij voor een oogenblik tot het besef van mijn toestand gebracht en hoewel ik natuurlijk boos op haar was, schaamde ik mij toch ook en met een kort: ‚Goenach!’—hetgeen voor goeden nacht! moest doorgaan—stond ik op en ging heen. De vrienden volgden mij en ik stapte in eens uit de loge in mijn slaapkamer, waar Steerforth alleen bij mij was en mij hielp bij het ontkleeden en waar ik hem met horten en stooten vertelde, dat Agnes mijne zuster was, en hem bezwoer den kurketrekker op te zoeken om een flesch open te trekken.
Ik zal maar niet beschrijven, hoe daar iemand in mijn bed lag, die al het voorgevallene, kris en kras door elkander, als in een koortsachtigen droom herhaalde en doorleefde, terwijl het bed op de baren van de zee scheen te drijven en geen oogenblik stil stond! Hoe ik, toen die iemand langzaam in mij begon over te gaan, een keel zoo droog en een tong zoo hard had als perkament, ja, meende, dat mijne tong de bodem was van een ledigen ketel, door langdurig gebruik versleten, die boven een zacht vuur hing, en de binnenvlakten van mijne handen gloeiende ijzeren platen, die zelfs met geen ijs waren te verkoelen.....