Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 36

Chapter 364,084 wordsPublic domain

„O! En is dat alles wat gij van haar te zeggen hebt?” riep zij uit, terwijl zij met een klein schaartje, dat met bliksemsnelheid om zijn hoofd flikkerde, zijne bakkebaarden aanpuntte. „Heel aardig! Heel aardig! Een lang verhaal! Dat behoort te eindigen: ‚en zij leefden heel gelukkig te zamen’, is 't niet? Hoe is dat pandspel ook weer? Alles begint dan met V. Ik bemin haar omdat zij zoo verrukkelijk is; ik haat haar omdat zij verloofd is; ik schaak haar omdat... ja, ik ken het niet meer. Ha, ha, ha! Vindt gij mij geen kluchtig schepsel, mijnheer Copperfield?”

Zij bleef mij voortdurend met een ondeugend gezicht aankijken en zonder een antwoord af te wachten, ging zij voort:

„Ziezoo, als er ooit een deugniet netjes gekapt is geweest, zijt gij het, Steerforth. Als ik één bol op de wereld ken, dan is het de uwe. Hoort gij wel wat ik zeg, lieve jongen? Ik weet precies wat er in dat bolletje omgaat! En nu moogt gij verdwijnen, ventje, dan kan mijnheer Copperfield op den stoel plaats nemen om dezelfde operatie te ondergaan.”

„Wel, Groentje?” vroeg Steerforth lachend en zijn stoel afstaande: „Wilt gij u ook laten adoniseeren?”

„Dank u, juffrouw Mowcher, van avond niet.”

„Zeg toch niet neen,” sprak het kleine vrouwtje, terwijl zij mij met een kennersblik opnam, „als wij alleen de wenkbrauwen eens wat langer maakten?”

„Dank u,” antwoorde ik, „bij eene andere gelegenheid.”

„Ze moeten ongeveer een vierde van een duim meer naar de slapen gebracht worden,” ging juffrouw Mowcher voort, „binnen veertien dagen zijn wij daarmede gereed.”

„Neen, dank u, voorloopig niet.”

„Niet? Welnu, laat ons dan het begin maken voor een paar nette bakkebaarden. Kom, neem plaats!”

Ik kon niet nalaten te blozen toen ik ook dit afwees, want zij had mij hiermede in mijn zwak getast. Maar, juffrouw Mowcher zag, dat ik mij voorloopig niet van hare kunst wilde bedienen en bestand bleef voor de verleiding, zelfs toen zij den inhoud van, het fleschje tegen het licht hield, teneinde hare overredingskracht te hulp te komen; zij zeide dat ik binnenkort wel tot haar zou komen en verzocht daarop den steun van mijne hand, om vlug van haar verheven standplaats af te komen.

„En hoeveel ben ik u schuldig?” vroeg Steerforth.

„Vijf shilling,” antwoordde juffrouw Mowcher, „is 't niet schandekoop, mijn hartje? Vindt gij mij niet kluchtig, mijnheer Copperfield.”

Heel beleefd antwoordde ik: „Volstrekt niet.” Ik meende echter het tegendeel en werd daarin nog versterkt door de wijze, waarop zij de beide halve kronen aannam, in de hoogte wierp, opving en in den zak stak, waarna zij een luiden klap er op gaf.

„Dit is mijn geldlaadje!” zei juffrouw Mowcher, toen zij weer bij haar stoel stond en haar zak inpakte. „Heb ik nu alles? Ik geloof het wel. Ik zou niet graag Ned Beadwood navolgen, die, toen men hem afhaalde om te trouwen, in de kerk verscheen zonder bruid. Ha, ha, ha! Een ondeugende schelm, die Ned!—En nu weet ik dat ik uw hart zal breken, maar ik ben genoodzaakt u te verlaten. Gij moet al uwe standvastigheid maar verzamelen, en trachten het te dragen. Vaarwel, mijnheer Copperfield! Wat heb ik gebabbeld! Dat is uwe schuld, gij deugnieten! Ik vergeef het u! „Bob _swore_!” (Bob vloekte,) zei zekere Engelschman, die pas Fransch leerde, voor „Bonsoir”. „Bob swore, beste jongens!””

Met den grooten zak aan den arm trippelde zij naar de deur en de gang in, al voortbabbelende; toen ik meende dat zij al weg was, keerde zij nog eens terug en vroeg: „Zal ik ook een lok van mijn haar voor u achterlaten? Vindt gij mij niet kluchtig?” voegde zij er bij en ging toen, met den vinger tegen den neus en het hoofd op zijde, heen. Steerforth barstte in zulk een schaterlach uit, dat ik niet kon nalaten mede te lachen, hoewel ik daartoe, naar ik meen, zonder die opwekking niet zou zijn overgegaan. Toen wij na eenigen tijd tot bedaren waren gekomen, hetgeen vrij lang duurde, vertelde Steerforth mij, dat juffrouw Mowcher zich jegens verschillende soorten van menschen op verscheidene wijzen verdienstelijk maakte. „Sommigen vermaken zich slechts met hare zonderlinge manieren,” vertelde hij, „maar zij is zulk eene sluwe, fijne opmerkster als ik ooit iemand ontmoet heb; haar verstand is in dezelfde mate ontwikkeld als hare armpjes klein gebleven zijn.”

Hij zei, dat hetgeen zij omtrent hare bezoeken bij deze en die verteld had, de waarheid was; dat zij gedurig op het platteland kwam, overal klanten scheen te vinden en iedereen kende. Ik vroeg hem naar haar karakter; of zij nooit onheil stichtte en altijd wel het goede voorstond; maar na twee of drie malen te vergeefs getracht te hebben zijne aandacht op deze vragen te vestigen, zag ik van eene herhaling af. Daarentegen vertelde hij mij met radde tong, dat zij zeer bekwaam was in haar vak, veel geld verdiende en ook heel goed koppen kon zetten, hetgeen hij mij aanried te onthouden voor het geval ik die eens mocht noodig hebben. Zij bleef dien geheelen avond het voornaamste onderwerp uitmaken van ons gesprek en toen wij afscheid namen, riep Steerforth mij nog over de leuning van de trap na:

„Bob swore, Groentje!”

Toen ik de woning van Barkis naderde, was ik zeer verbaasd Ham daar voor te zien op en neerloopen; maar mijne verbazing werd nog grooter, toen hij mij vertelde, dat Emily binnen was. Ik vroeg natuurlijk, waarom hij ook niet binnen was gegaan in plaats van daar voor het huis op en neer te loopen?

„Ziet ge, jongeheer Davy,” antwoordde hij op aarzelenden toon, „Emily moet daar met iemand spreken.”

„Ik zou meenen,” hernam ik glimlachend, „dat dit een reden te meer voor u moest zijn om binnen te gaan, Ham.”

„Ja, jongeheer Davy, over het algemeen zou het dat ook zijn,” antwoordde hij, „maar ziet ge, jongeheer Davy”—hij liet zijne stem dalen en zijn toon werd ernstiger—„er is een meisje binnen.... een meisje, dat Emily vroeger gekend heeft en nu niet meer behoort te kennen.”

Toen ik dit vernam, ging mij een licht op over de gestalte, die ik hem eenige uren geleden had zien volgen.

„Zij is een ongelukkig schepsel, jongeheer Davy,” ging Ham voort, „de geheele stad werpt met steenen naar haar. Overal! Er ligt op het gansche kerkhof niets onder den grond, waarvan de menschen meer gruwen dan van haar.”

„Kan ik haar van avond op het strand ontmoet hebben, nadat wij u waren tegengekomen?”

„Dat is wel mogelijk, jongeheer Davy,” antwoordde Ham. „Ik wist niet, dat zij ons volgde, maar korten tijd daarna kwam zij onder het venster van Emily's kamertje, waar zij licht had gezien, en fluisterde: ‚Emily, Emily, toon toch in Jezus' naam, dat gij medelijden hebt met eene ongelukkige vrouw; ik ben eenmaal ook zoo geweest als gij.’ Dat waren hartverscheurende woorden, jongeheer Davy.”

„Dat waren ze wel, Ham. En wat deed Emily?”

„Emily vroeg: ‚Zijt gij het, Martha? O, Martha, hoe is het mogelijk!’—Zij hadden menigen dag samen zitten werken bij Omer.”

„Ik herinner mij haar nu zeer goed!” riep ik uit en dacht daarbij aan een der meisjes, die ik bij mijn eerste bezoek daar ontmoet had.

„Martha Endell,” zei Ham. „Zij is twee of drie jaar ouder dan Emily, maar was met haar op dezelfde school.”

„Ik heb haar naam nooit gehoord,” zei ik. „Maar .... ik had u niet in de rede moeten vallen.”

„Wat haar betreft, alles is eigenlijk gezegd in die woorden: ‚Emily, toon toch in Jezus' naam, dat gij medelijden hebt met eene ongelukkige vrouw; ik ben ook eenmaal geweest als gij.’ Zij wenschte Emily te spreken. Maar Emily kon niet met haar spreken, want haar beste oom was thuis en haar oom zou het niet willen hebben—neen, jongeheer David,” zei Ham met den grootsten ernst, „hij zou het niet willen hebben, hoe goedhartig en teergevoelig hij is; hij zou die twee niet bij elkander kunnen zien—voor alle schatten, die de zee reeds heeft verslonden, niet!”

Ik voelde dat hij gelijk had; ik wist het op dit oogenblik even zeker als Ham.

„Emily schreef daarom een paar woorden op een stukje papier,” ging hij voort, „en gaf het haar om het hier heen te brengen. ‚Breng dit aan mijne tante, aan juffrouw Barkis,’ sprak zij, ‚zij zal u wel een plaatsje aan den haard geven uit liefde voor mij, tot oom uit is en ik bij u komen kan.’ Naderhand vertelde zij mij wat ik u nu vertel, jongeheer Davy, en vroeg mij haar hier heen te brengen. Wat kon ik doen? Zij behoort zulke meisjes niet meer te kennen, maar als ik tranen in hare oogen zie—hoe zou ik haar dan iets kunnen weigeren?”

Hij stak de hand in den borstzak van zijn ruig buis en haalde een aardig klein beursje te voorschijn.

„En al kon ik haar iets weigeren, wanneer ik tranen in hare oogen zie, jongeheer Davy,” ging hij voort, terwijl hij het beursje met zijne ruwe hand omklemde, „hoe kon ik het haar weigeren toen zij mij dit te dragen gaf,... wetende waarvoor zij het wenscht te gebruiken. Kijk eens, hoe mooi! En dan zulk een beetje geld! 't Is zeker alles wat het lieve kind heeft kunnen besparen!”

Toen hij het beursje weder in den zak had gestoken, schudde ik hem met warmte de hand—ik voelde daaraan meer behoefte dan om iets te zeggen—waarna wij eenigen tijd zwijgend op en neer bleven wandelen. De deur werd geopend en Peggotty kwam buiten, Ham wenkende om binnen te komen. Ik wilde mij achteraf houden, maar zij verzocht mij ook naar binnen te gaan. Ik zou echter geweigerd hebben in de kamer te komen, waar zij allen bijeen waren, indien men niet van de straat onmiddellijk in de zindelijke, met tegels bevloerde keuken had gestaan. Ik was dus, eer ik er zelf aan dacht, midden in het gezelschap.

Het meisje—hetzelfde, dat wij op het strand ontmoet hadden—zat bij den haard op den grond, met het hoofd op den arm, die op een stoel lag. Uit deze houding maakte ik op, dat Emily even te voren van dezen stoel was opgestaan en dat het ongelukkige schepsel met het hoofd op Emily's schoot had gelegen. Ik zag slechts een klein gedeelte van haar gezicht, want de haren hingen er over heen alsof zij ze zelve had losgemaakt; ik zag echter wel dat zij nog jong was en een fraai teint had. Peggotty had geschreid en Emily ook. Toen wij binnen kwamen werd er in de eerste oogenblikken geen woord gesproken, en de Friesche klok, bij het aanrecht, scheen in die stilte tweemaal zoo hard te slaan als gewoonlijk.

„Martha wil naar Londen gaan,” zei Emily eindelijk tegen Ham.

„Waarom naar Londen?” vroeg Ham.

Hij stond tusschen beiden in en ik zal nimmer den blik vergeten, dien hij op het ongelukkige schepsel wierp, een blik, waarin zoowel medelijden met haar lot als bezorgdheid over de nauwe aanraking met het liefste, dat hij op de wereld kende, waren te lezen. Zij spraken over haar, alsof zij ziek was, op zachten, medelijdenden toon, dien men nauwelijks verstaan kon, ofschoon zij toch volstrekt niet fluisterden.

„Beter daar dan hier,” klonk een derde stem vrij luid. Het was die van Martha, ofschoon zij zich in het geheel niet bewoog. „Niemand kent mij daar. Hier kent mij iedereen.”

„En wat wilt gij daar doen?” vroeg Ham.

Zij lichtte het hoofd op en keek een oogenblik met een somberen blik in het rond; daarna legde zij haar hoofd weder neer en sloeg den rechterarm om haar hals, zooals eene vrouw zich zou wringen in hevige pijn of in doodsangst.

„Zij wil trachten beter te worden,” zei de kleine Emily. „Gij weet niet wat zij ons verteld heeft. Is 't wel, tante.... weten zij dat wel?”

Peggotty schudde medelijdend het hoofd.

„Ik zal trachten beter te worden,” zei Martha, „indien gij mij wilt helpen. Ik kan niet slechter worden dan ik geweest ben. Ik zal beter worden. O!”—zij huiverde—„help mij om deze stad te verlaten, waar iedereen mij gekend heeft als kind.”

Toen Emily hare hand voor Ham ophield, zag ik dat hij er een klein linnen zakje in stopte. Zij nam het aan, meenende dat 't haar beursje was, en deed twee schreden naar voren; toen zag zij pas, dat zij zich vergist had, kwam bij hem terug en liet het hem zien.

„Dat is voor u, Emily,” hoorde ik hem zeggen. „Ik bezit niets op de wereld dat niet van u is, liefste. Wat zou ik er aan hebben, als gij het niet gebruiktet?”

De tranen sprongen haar in de oogen, maar zij stond op en ging naar Martha. Ik weet niet wat zij haar gaf. Ik zag hoe zij zich over haar heen bukte en eenig geld tusschen de plooien van hare japon liet glijden; waarop zij eenige woorden tot haar sprak en vroeg of het genoeg was?—„Meer dan genoeg,” zei de andere en kuste hare hand.

Toen stond Martha op, sloeg haar doek om haar hoofd en half over haar gezicht, en ging langzaam naar de deur. Eer zij de woning verliet bleef zij staan, alsof zij iets wilde zeggen of wilde terugkeeren, maar er kwam geen woord over hare lippen. Achter den omslagdoek vernam ik echter hetzelfde kermende geluid, en toen ging zij heen.

Nadat de deur gesloten was, keek Emily ons drieën een voor een aan, en begon toen luid te snikken met de handen voor 't gelaat.

„Doe dat niet, Emily!” zei Ham, haar teeder op den schouder kloppende. „Doe dat niet! Gij moogt niet zoo schreien liefste.”

„O, Ham!” riep zij uit, nog steeds snikkend. „Ik ben niet zulk een braaf meisje als ik behoorde te zijn! Ik weet dat ik niet altijd zoo dankbaar ben, als ik behoorde te zijn!”

„Ja, ja, dat zijt gij wel, zeker,” zoo stelde Ham haar gerust.

„Neen, neen!” riep zij, snikkend en hoofdschuddend. „Ik ben niet zoo braaf als ik behoorde te zijn. O, lang niet, lang niet!” Zoo bleef zij voortschreien alsof haar het hart zou breken.

„Ik verg te veel van uwe liefde! Dat weet ik!” riep zij snikkend. „Ik ben menigmaal bits tegen u en nukkig, terwijl ik heel anders zijn moest. Gij zijt nooit zoo tegen mij. Hoe zou ik zoo tegen u kunnen zijn, terwijl ik aan niets anders denk dan aan de wijze waarop ik u mijne dankbaarheid zou kunnen toonen en u gelukkig maken!”

„Gij maakt mij altijd gelukkig,” zei Ham. „Ik ben al gelukkig als ik u maar zie. Ik ben den geheelen dag gelukkig, want ik denk altijd aan u.”

„Maar dat is niet genoeg!” riep zij. „Dat is, omdat gij braaf zijt, maar niet omdat ik het ben! O, lieve Ham, het zou veel beter geweest zijn, als gij verliefd waart geworden op een ander meisje, op een, die standvastiger en uwer meer waard was, die altijd aan u dacht en nooit ijdel en onstandvastig was zooals ik.”

„Arme, kleine lieveling,” zei Ham met zachte stem. „Martha heeft u geheel van streek gebracht.”

„Och, tante,” zei Emily nog steeds snikkend, „kom eens hier en laat mij tegen u aanliggen. O, ik voel mij zoo ongelukkig van avond, tante. Ik ben niet zulk een braaf meisje als ik behoorde te zijn! Ik weet dat ik niet ben zooals ik zijn moest!”

Peggotty was haastig naar den stoel bij den haard gegaan en Emily knielde, met de handen om haar hals geslagen, voor haar neer en keek haar ernstig aan.

„O, tante, ik smeek u, tracht mij te helpen! En Ham, beste, gij moet mij ook helpen! En mijnheer David zal, indien hij aan vroegere dagen terugdenkt, mij ook wel helpen! Ik moet een beter meisje worden dan ik ben. Ik moest u allen honderdmaal dankbaarder zijn dan ik ben. Ik moest het meer voelen, welk een zegen het is de vrouw te worden van zulk een besten man en een vredige toekomst te hebben. O! hoe bonst mijn arm hart!”

Na deze jammerklachten, die door den angstigen toon, waarop ze werden uitgesproken, nu eens aan eene vrouw dan weder aan een kind deden denken—trouwens dezen indruk kreeg men van alles wat zij deed; dat was juist hare aantrekkelijkheid en paste zoo goed bij hare schoonheid—wierp zij zich aan de borst van hare tante en schreide bittere tranen, terwijl Peggotty haar suste als een kind. Langzamerhand werd zij kalmer, en toen brachten wij haar verder tot bedaren door haar bemoedigend toe te spreken, ook wel door met haar te schertsen, tot zij eindelijk het hoofd oprichtte en ons begon te antwoorden. Zoo gingen wij voort tot zij weder een glimlach ten beste gaf en eindelijk, half beschaamd, begon te lachen; terwijl Peggotty hare krullen naar achteren streek, hare oogen afdroogde en haar weer opknapte, opdat haar oom niet zou vragen waarom zijn lieveling geschreid had.

Ik zag haar dien zelfden avond iets doen wat ik nog nooit gezien had. Ik zag haar een onschuldigen kus drukken op Ham's wang, terwijl zij zich tegen zijne forsche gestalte aan vleide, alsof die haar beste steun was. Toen zij te zamen in het witte maanlicht verdwenen, en ik, hen nastarende, de wijze van hun vertrek vergeleek bij Martha's haastige verdwijning, zag ik dat zij met beide handen op zijn arm steunde en zich dicht tegen haar aanstaanden echtgenoot aandrukte.

XXIII.

Ik kies een beroep.

Toen ik den volgenden morgen wakker werd, moest ik terstond aan de kleine Emily denken en aan hare ontroering, nadat Martha was heengegaan. Ik had een gevoel alsof ik toevallig getuige geweest was van een tooneeltje, dat alleen voor de naaste familieleden bestemd was geweest; alsof ik in een heilig vertrouwen genomen was, dat ik zelfs tegenover Steerforth niet mocht schenden. Er was toen niemand op de wereld aan wie ik met meer teederheid dacht dan aan het lieve, mooie schepseltje, aan het speelmakkertje uit de dagen mijner jeugd, dat ik, daarvan ben ik overtuigd en zal ik altijd overtuigd blijven, toenmaals innig liefhad. Voor iemand—zelfs voor Steerforth—te herhalen, hetgeen zij niet had kunnen binnenhouden, toen zij toevallig in mijne tegenwoordigheid haar hart uitstortte, zou onedel zijn geweest, mijner onwaardig; zou den lichtkrans, die sinds de dagen onzer jeugd steeds haar hoofd had omstraald, verduisterd hebben. Ik besloot daarom alles wat ik had bijgewoond in mijn hart op te sluiten en dáár schonk het haar beeld nieuwe bekoorlijkheid.

Terwijl wij aan het ontbijt zaten, ontving ik een brief van mijne tante. Ik meende dat Steerforth mij omtrent den inhoud goeden raad zou kunnen geven, beter zelfs dan iemand anders; en aangezien ik er mij op verheugde zijn raad in te winnen, scheen het mij het geschiktst toe den brief te bewaren tot ons vertrek en dien gedurende onze terugreis tot het onderwerp van ons gesprek te maken. Voor het oogenblik hadden wij genoeg te doen met afscheid te nemen van onze vrienden. Barkis betreurde ons vertrek zeker niet het minst en zou, daarvan ben ik overtuigd, gaarne nogmaals een guinje uit zijn kist te voorschijn gehaald hebben, indien hij ons daarmede nog twee dagen in Yarmouth had kunnen houden. Peggotty en de geheele familie, allen betreurden het dat wij heengingen. Bij Omer en Joram liep alles uit om ons vaarwel te zeggen en toen onze valiezen naar de diligence gebracht moesten worden, boden zich zooveel handen aan, dat, al hadden wij de bagage van een regiment gehad, er geen gebrek aan dragers zou geweest zijn. In één woord, wij vertrokken betreurd en bewonderd door allen, met wie wij in aanraking geweest waren en lieten een aantal menschen achter, die ons niet dan noode zagen vertrekken.

„Denkt gij nog lang hier te blijven, Littimer?” vroeg ik hem. Hij stond te kijken naar het inladen.

„Neen, mijnheer,” antwoordde hij, „waarschijnlijk niet heel lang, mijnheer.”

„Hij kan dat moeielijk juist bepalen,” zei Steerforth op onverschilligen toon. „Hij weet wat hij te doen heeft en dat zal hij doen.”

„O, daarvan ben ik overtuigd,” voegde ik er bij. Littimer raakte even aan zijn hoed als bewijs van erkentelijkheid voor de goede opinie, die ik van hem had, en ik had een gevoel alsof ik ongeveer acht jaar oud was. Hij raakte er nogmaals aan om ons goede reis te wenschen en wij lieten hem op het plaveisel staan, even deftig en geheimzinnig als de geheimzinnigste pyramide in Egypte.

Gedurende korten tijd bleven wij zwijgen; Steerforth was gewoonlijk niet zeer spraakzaam en ik had genoeg te doen met te denken aan mij zelven en aan de oude plekjes, die wij voorbij zouden rijden, en aan de veranderingen, die zij en ik zouden hebben ondergaan. Eindelijk werd Steerforth plotseling spraakzaam en opgeruimd—hij kon alles plotseling worden—en trok mij aan de mouw van mijne jas.

„Spreek op, David,” zei hij. „Wat hebt gij mij uit den brief te vertellen, dien gij aan het ontbijt ontvangen hebt?”

„O!” zei ik, den brief te voorschijn halende. „Hij is van mijne tante.”

„En waarover wenscht gij mij te raadplegen?”

„Wel, Steerforth,” zei ik, „zij herinnert er mij aan, dat ik op reis ging om eens wat in de wereld rond te kijken en eens na te denken over mijne toekomst.”

„En dat hebt gij natuurlijk gedaan?”

„Ik kan werkelijk niet zeggen dat ik het gedaan heb. Om u de waarheid te zeggen, ik geloof, dat ik het vergeten heb.”

„Welnu, kijk dan rond en doe boete voor uwe achteloosheid,” zei Steerforth. „Kijk rechts en gij ziet een vlak land, tamelijk moerassig; kijk links en gij ziet hetzelfde. Kijk recht vooruit en gij vindt geen verschil; kijk achter u en gij zult hetzelfde ontwaren.”

Ik lachte en zei dat ik in hetgeen ik in het rond aanschouwde geen passende betrekking zag; waarschijnlijk was de vlakheid van het omringende landschap daarvan wel de oorzaak.

„En wat zegt uwe tante dienaangaande?” vroeg Steerforth, op den brief wijzende, dien ik in de hand had. „Raadt zij u iets aan?”

„O ja,” antwoordde ik. „Zij vraagt mij hoe ik er over zou denken ‚proctor’ te worden? Wat is uw oordeel daaromtrent?”

„Ja, dat weet ik niet,” zei Steerforth langzaam. „Mij dunkt, gij kunt dat even goed worden als wat anders.”

Ik kon niet nalaten te lachen omdat hij weder bezig was alle ambten en betrekkingen over één kam te scheren en ik zei hem dat ook.

„Wat is eigenlijk een proctor?” vroeg ik.

„Een proctor is een soort procureur,” antwoordde Steerforth. „Zij bestaan nog bij enkele ouderwetsche rechtbanken in Doctors' Commons—in een oud, vergeten hoekje van het St. Paulskerkhof—en komen het meest overeen met de procureurs bij de gerechtshoven. Het zijn ambtenaren, die, volgens den gewonen loop der dingen, al voor twee eeuwen hadden moeten zijn uitgestorven. Ik kan u zijne functiën het best doen begrijpen, als ik u vertel, wat Doctors' Commons is. Dat is een afgelegen gebouw, waar men de kerkelijke wetten napluist en allerlei kunstgrepen verricht met verouderde parlementsakten, waarvan drie vierden van het menschdom niets meer weet en het andere vierde in de meening verkeert, dat ze in de dagen van de Edwards zijn opgegraven. Men heeft daar het monopolie van de processen over testamenten en huwelijken en van de geschillen tusschen schepen en booten.”

„Maar, Steerforth, welk een dwaasheid!” riep ik uit. „Gij bedoelt toch niet, dat er eenige verwantschap zou bestaan tusschen zeezaken en kerkelijke zaken?”

„Dat bedoel ik ook niet, beste jongen,” hernam hij; „ik zei alleen, dat ze behandeld en nagepluisd worden door datzelfde troepje menschen in diezelfde Doctors' Commons. Ga daar eens heen, dan zult gij hen bezig vinden te snuffelen in de zeetermen van Young's woordenboek naar aanleiding van eene aanvaring tusschen de ‚Nancy’ en de ‚Sarah Jane’; of hen hooren voorlezen, dat baas Peggotty en eenige visschers van Yarmouth in een storm zijn uitgevaren om hulp te bieden aan den in nood verkeerenden Oostindievaarder ‚Nelson’. Komt gij er op een anderen dag, dan zult gij hen de getuigen à charge en à décharge in zake een geestelijke, die uit den band is gesprongen, zien verhooren en bevinden, dat de rechter in het maritieme proces advocaat is in het kerkelijke of omgekeerd. Zij doen mij altijd aan acteurs denken: vandaag is de een rechter, morgen niet; nu eens zijn zij dit, dan dat, morgen weder wat anders; maar het zijn altijd kleine, voordeelige zaakjes, die op de wijze van een liefhebberij-comedie voor een uitgelezen publiek worden afgespeeld.”

„Maar advocaten en proctors zijn toch niet een en hetzelfde?” vroeg ik een weinig van mijn stuk gebracht. „Is 't wel?”