Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 35

Chapter 354,041 wordsPublic domain

„Dat weet ik nog niet,” antwoordde hij. „Ik heb dit plekje lief gekregen. Hoe het zij, ik heb een schuit gekocht—baas Peggotty zegt dat het een klipper is en hij zal er mee uitgaan, als ik er niet ben.”

„Aha, nu begrijp ik u, Steerforth!” riep ik opgetogen uit. „Gij hebt gedaan alsof gij die schuit voor u zelven kocht, maar eigenlijk wilt gij er hem gelukkig mede maken. Ik had dat terstond moeten begrijpen, omdat ik u zoo goed ken! Wat zijt gij toch edelmoedig!”

„Tut, tut, tut!” zei hij met een kleur. „Hoe minder gij er van zegt, hoe beter!”

„Wist ik het niet?” riep ik uit, „zeide ik niet dat de vreugde, het verdriet, de aandoening van zulke brave lieden u niet onverschillig kunnen zijn?”

„Zoo, zoo,” antwoordde hij, „meent gij dat? Welnu laat ons er verder over zwijgen, wij hebben er nu lang genoeg over gepraat.”

Huiverig om hem boos te maken, indien ik dit onderwerp, waarvan hij zich op zulk een luchtigen toon afmaakte, nog langer besprak, bleef ik er in gedachten mede bezig, terwijl wij nog sneller voortstapten dan zoo even.

„De schuit moet geheel nieuw opgetuigd worden,” zei Steerforth; „ik zal Littimer hier laten, om er een oogje op te houden. Heb ik u al verteld dat Littimer hier is?”

„Neen.”

„Ja, hij kwam van morgen met een brief van mijne moeder.”

Toen onze blikken elkander ontmoetten, zag ik dat hij zeer bleek was, al keek hij mij opgeruimd aan. Ik vreesde dat een geschil met zijne mama hem in de sombere stemming gebracht mocht hebben, waarin ik hem, eenzaam bij den haard zittende, gevonden had, en vroeg hem dit terloops.

„O, neen!” zei hij hoofdschuddend en met een eenigszins gedwongen lach. „Niets van dat alles! Ja, hij is hierheen gekomen, de brave Littimer.”

„Nog altijd dezelfde?” vroeg ik.

„Ja, nog altijd dezelfde,” antwoordde Steerforth, „zwijgend en stil als de Noordpool. Hij zal toezien dat het scheepje een nieuwen naam krijgt. Het heet nu ‚Stormzwaluw’. Waarom hecht baas Peggotty zooveel aan stormzwaluwen? Ik heb het herdoopt.”

„En hoe zal dit heeten?”

„De kleine Emily.”

Aangezien hij mij strak bleef aankijken begreep ik dat hij volstrekt niet geprezen wilde worden voor zijne edelmoedigheid, maar ik kon niet voorkomen dat mijn gelaat verried hoe ingenomen ik er mede was; ik zei echter niets en langzamerhand verscheen de oude glimlach weder om zijn mond, alsof mijne stilzwijgendheid hem gerust stelde.

„Kijk eens!” riep hij plotseling, „daar komt de echte Emily aan! En Ham is bij haar! Nu, hij is een trouw ridder! Hij laat haar geen oogenblik alleen!”

Ham, die altijd grooten aanleg getoond had voor scheepstimmerman, was langzamerhand een knap werkman geworden. Hij was in zijn werkpak en zag er wel is waar ruig genoeg maar tevens heel flink uit, als een waardige beschermer voor het kleine schepseltje, dat hij geleidde. Zijn open, eerlijk gelaat, dat blonk van trots op zijne kleine Emily en waarop duidelijk te lezen stond hoe lief hij haar had, maakte op mij een indruk als een mooie schilderij. Toen zij naderbij kwamen vond ik zelfs dat zij zeer goed bij elkaar pasten.

Toen wij bleven stilstaan om haar aan te spreken, trok zij haar arm uit dien van Ham en bloosde, terwijl zij Steerforth en mij de hand gaf. Nadat wij eenige woorden gewisseld hadden, gingen wij ieder onzen weg, maar zij legde hare hand niet meer op den arm van haar verloofde en scheen een weinig gedwongen naast hem voort te wandelen. Ik vond dat alles aardig en lief en Steerforth scheen van dezelfde meening te zijn, toen wij hen nakeken en zij in het licht der opkomende maan verdwenen.

Eensklaps kwam ons eene jonge vrouw voorbij, die blijkbaar het tweetal volgde; wij hadden haar niet zien aankomen, maar in het voorbijgaan meende ik mij hare gelaatstrekken te herinneren. Zij was licht gekleed, in het oog vallend opgeschikt, had holle wangen en glinsterende oogen, die onbeschaamd rondkeken, voor het oogenblik scheen zij aan niets anders te denken dan aan degenen, die voor haar uitliepen en zelfs de hevige wind scheen haar niet te deren. Evenals de duistere vlakte achter ons Ham en de kleine Emily als 't ware scheen te hebben verzwolgen, zoo verdween ook hare gestalte.

„Welk een zwarte schaduw volgt het meisje daar,” zei Steerforth, terwijl hij stil bleef staan. „Wat zou dat beteekenen?”

Hij sprak op fluisterenden toon, die mij zelfs vreemd in de ooren klonk.

„Zij zal willen bedelen, naar het mij voorkomt,” antwoordde ik.

„Een bedelaarster zou hier geen vreemd verschijnsel zijn,” hernam Steerforth, „maar het is wel vreemd dat eene bedelaarster juist zulk een donkeren avond kiest.”

„Waarom?”

„Om geen andere reden dan die, waaraan ik dacht toen zij daar op eenmaal verscheen. Wat duivel, ik zou wel eens willen weten, waar zij zoo opeens vandaan is gekomen?”

„Ik vermoed dat zij in de schaduw van dezen muur gestaan heeft,” antwoordde ik, toen wij juist aan een weg kwamen, die aan eene zijde door een muur werd begrensd.

„Zij is nu weg!” hernam hij, achterom kijkend. „Kom, het eten wacht ons.”

Maar hij keek nog eens achterom en nog eens en praatte op onze verdere wandeling over niets anders dan over deze zonderlinge ontmoeting; zelfs toen wij warm en gezellig aan tafel zaten, scheen hij die nog niet vergeten te hebben. Wij vonden Littimer in het hôtel en hij maakte weer juist denzelfden indruk op mij. Toen ik zeide te hopen dat mevrouw Steerforth en juffrouw Dartle wel waren, antwoordde hij op hoogst eerbiedigen en—natuurlijk hoogst fatsoenlijken toon, dat beiden zeer wel waren en hare groeten verzocht hadden; waarna hij mij fatsoenlijk bedankte. Dat was alles en toch scheen hij, zoo duidelijk als iemand het maar doen kon, te zeggen: „Wat zijt gij toch nog bitter jong!”

Wij hadden ons maal bijna geëindigd, toen hij eenige schreden in de richting van de tafel deed uit het hoekje, waarin hij ons—of liever mij—had staan gadeslaan, en zeide: „Neem mij niet kwalijk, mijnheer, maar juffrouw Mowcher is hier.”

„Wie?” riep Steerforth, ten hoogste verbaasd.

„Juffrouw Mowcher, mijnheer.”

„Wat moet die in 's Hemels naam hier doen?” vroeg Steerforth.

„Zij schijnt hier ergens geboren te zijn, mijnheer, en vertelde mij dat zij elk jaar eenmaal voor zaken hier komt. Ik kwam haar van avond op straat tegen en zij wenschte te weten of zij de eer mocht hebben u een bezoek te brengen, mijnheer.”

„Kent gij de reuzin, waarover Littimer spreekt, Groentje?” vroeg Steerforth.

Ik was verplicht te bekennen—ik schaamde mij voor Littimer—dat die dame en ik elkaar geheel onbekend waren.

„Dan zult gij haar leeren kennen,” antwoordde Steerforth, „want zij behoort tot de zeven wonderen der wereld. Laat juffrouw Mowcher binnenkomen zoodra zij zich aanmeldt.”

Ik was wel wat nieuwsgierig naar de bedoelde dame, vooral omdat Steerforth telkens wanneer ik haar naam noemde, in lachen uitbarstte en op stelligen toon weigerde op elke vraag, die ik aangaande haar deed, antwoord te geven. Ik bleef daarom in gespannen verwachting zitten tot de tafel al ongeveer een half uur was afgenomen en wij ons, met eene flesch wijn tusschen ons in, bij den haard hadden opgesteld.—Eensklaps kondigde Littimer met zijne gewone deftige kalmte de komst van de lang verbeide dame aan:

„Mejuffrouw Mowcher!”

Ik keek naar de deur en zag niets en nog steeds keek ik naar de geopende deur; meenende dat het lang duurde, eer juffrouw Mowcher zich vertoonde, toen er eensklaps tot mijne groote verbazing om de sofa, die tusschen mij en de deur stond, een klein gedrocht kwam aandribbelen, van veertig of vijfenveertig jaar, met een groot hoofd en een lang gezicht, een paar ondeugende, grijze oogjes en zulke in het oog vallend kleine armen, dat toen zij, Steerforth met een lach begroetend, haar vinger tegen haar stompen neus wilde brengen, zij dien halverwege te gemoet moest komen door haar hoofd voorover te buigen. Haar kin, die voorzien was van een zware onderkin, was zoo vet, dat de linten van haar hoed er door bedekt werden. Een hals had zij niet; een middel had zij niet; beenen had zij niet noemenswaard; want hoewel zij boven haar middel—als zij er namelijk een gehad had—van de gewone grootte was, en hoewel zij evenals alle stervelingen in een paar voeten eindigde, was zij zoo klein dat zij bij een gewonen stoel stond als een mensch van middelmatige grootte bij een tafel, en een zak, dien zij had medegebracht, op de zitting neerlegde. Zij was losjes en gemakkelijk gekleed en terwijl zij haar voorvinger op de bovenbeschreven wijze tegen den neus bracht en, met het hoofd een weinig op zijde, Steerforth met hare schalksche oogen toelonkte, brak zij in den volgenden woordenstroom los:

„Wat! Mijn bloempje!” begon zij schertsend, terwijl zij haar groot hoofd schudde. „Zijt gij daar, gij daar! O, gij ondeugd, gij moest u schamen, wat doet gij zoo ver van huis? Gij hebt zeker wat in den zin, dat wil ik wedden! Ja, ja, Steerforth, gij zijt een lief kind en ik ook! Ha! ha! ha! Gij zoudt nu zeker wel honderd pond hebben durven zetten tegen vijf, dat gij mij hier niet zien zoudt, nietwaar? Maar, och Heere, ik ben overal! Ik ben hier en daar en waar niet, evenals de halve kroon van den goochelaar in een dameszakdoek. Maar, van zakdoeken gesproken en van dames gesproken, wat zijt gij toch een troost voor uwe beste moeder, mijn lieve jongen, nietwaar... wij begrijpen elkander!”

Juffrouw Mowcher maakte nu haar hoed los, wierp de linten naar achteren en nam, vermoeid van het praten op een voetenbankje bij den haard plaats, waarbij de tafel een soort afdak vormde boven haar hoofd.

„O, maan en sterren!” riep zij, terwijl zij met beide handen op hare knietjes sloeg en mij met een schelmschen blik aankeek. „Weet gij, wat mijn ongeluk is, Steerforth? Ik word te dik. Als ik een trap ben opgegaan, heb ik groote moeite om op adem te komen en hijg als een stoommachine. Als gij mij uit een bovenraam ziet kijken, zoudt gij mij voor een knap vrouwtje aanzien, nietwaar?”

„Maar dat doe ik, waar ik u ook zie,” antwoordde Steerforth.

„Och, loop toch heen, ondeugd!” riep het kleine menschje, terwijl zij met den zakdoek, waarmede zij haar gelaat afwischte, naar hem sloeg, „wilt gij wel eens wat minder brutaal zijn! Maar ik geef u mijn woord van eer dat ik verleden week bij Lady Mithers geweest ben—dat is eerst een vrouw! Die draagt haar jaren met eere! Ik zat op haar te wachten en toen kwam mijnheer Mithers binnen—dat is eerst een man! Die draagt zijn jaren met eere. En zijn pruik ook! Hij heeft al tien jaar een pruik—en hij was zoo beleefd en maakte mij zooveel complimentjes, dat ik meende genoodzaakt te zullen zijn eens aan de schel te trekken. Ha, ha, ha! Hij is een aardige man, maar een man zonder beginselen.”

„Wat moest gij bij Lady Mithers doen?” vroeg Steerforth.

„Oho, jongenlief, dat zou uit de school klappen zijn!” antwoordde zij, terwijl zij weder tegen haar neus tikte, haar gezicht in een ernstigen plooi zette en met haar oogen knipte, alsof zij een kaboutertje was, met een bovennatuurlijk verstand. „Wat zou het u ook aangaan! Gij zoudt niet willen weten of ik haar een middel heb gegeven tegen het uitvallen van het haar of om ze voor grijs worden te bewaren of een verfje voor haar wenkbrauwen, nietwaar? Eenmaal zult gij het weten, mijn beste—als ik het u vertel. Weet gij wel, hoe mijn overgrootvader heette?”

„Neen.”

„Walker, lieve jongen,” ging juffrouw Mowcher voort, „hij stamde van eene lange rij voorvaderen af, die allen Walker heetten, zoodat ik al de Hoockey-landerijen erfde.”

Ik heb nooit iets gezien, dat met juffrouw Mowcher's lonkjes te vergelijken was, behalve juffrouw Mowcher's koelbloedigheid. Zij had ook eene eigenaardige manier om te luisteren naar iets, dat tot haar gezegd werd, of naar een antwoord op iets dat zij zelve gezegd had; zij draaide dan haar hoofd op zijde en had schijnbaar maar één oog open, op de wijze als een ekster doet. Kortom, ik was een en al verbazing en zat haar aan te kijken, zonder mij, naar ik vrees, ook maar eenigszins te storen aan de wetten der wellevendheid.

Zij had intusschen den stoel naar zich toegetrokken en was bezig met uit haar zak—waarin zij telkens haar korte armpje tot aan den schouder instak—een aantal kleine fleschjes, sponzen, kammen, borstels, stukjes flanel, friseerijzers en andere instrumenten te voorschijn te halen, die zij alle op de zitting uitstalde. Eensklaps staakte zij deze bezigheid en vroeg tot mijne groote verlegenheid:

„Hoe heet uw vriend, Steerforth?”

„Mijnheer Copperfield,” antwoordde Steerforth, „hij verlangde zeer kennis met u te maken.”

„Welnu, daartoe is hij in de gelegenheid. Ik meende al aan zijn gezicht te zien dat hij er naar verlangde,” sprak zij en kwam te gelijkertijd met haar zak in de hand naar mij toe dribbelen. Zij lachte en zei: „Een gezichtje als een perzik!” waarbij zij op haar teenen ging staan om mij in de wangen te knijpen. „Verleidelijk! Ik ben verzot op perziken! Ik ben heel blijde kennis met u te maken, mijnheer Copperfield, dat kan ik u verzekeren.”

Ik verklaarde mij zelven geluk te wenschen met de eer van onze kennismaking; de blijdschap was dus wederzijdsch.

„O, groote goedheid! Wat zijt gij beleefd!” riep juffrouw Mowcher uit, terwijl zij eene wanhopige poging deed om haar groot gelaat met haar kleine handje te bedekken. „Wat is de wereld toch vol bedrog! Is ze niet?”

Deze uitriep was tot ons beiden gericht, want het kleine handje ging van het gelaat af en verdween opnieuw, met den arm in den zak.

„Hoe bedoelt gij dat, juffrouw Mowcher?” vroeg Steerforth.

„Ha, ha, ha! Wat zijn wij toch eene aardige verzameling humbug-verkoopers, is 't niet, mijn beste jongen? Zijn wij dat niet?” vroeg het kleine vrouwtje op hare beurt, terwijl zij met het hoofd op zijde en met één oog open in den zak loerde. „Kijk eens!” riep zij. „Hier hebt gij afgeknipte nagels van een Russischen prins! Ik noem hem altijd „de Prins met het onderste boven gekeerde alphabet”, want in zijn naam staan alle letters kris en kras door elkander.”

„Dus is die Russische prins een klant van u?” vroeg Steerforth.

„Nu, dat zou ik denken, mijn ventje. Ik houd zijn nagels in orde. Tweemaal 's weeks! Vingers en teenen!”

„En ik hoop, dat hij u goed betaalt?”

„Hij betaalt zooals hij spreekt, beste jongen—dat wil zeggen: grof,” antwoordde juffrouw Mowcher. „Neen, de prins behoort niet tot de kalen! Gij moest zijn knevels maar eens zien! Van nature rood, maar zwart door de kunst!”

„Door uwe kunst, natuurlijk?” zei Steerforth.

Juffrouw Mowcher knikte toestemmend. „Hij _moest_ wel om mij sturen. Er was niets aan te doen. Het klimaat deed zijn knevel verkleuren; in Rusland hield de kleur zich goed, maar hier was het mis. Nooit in uw leven zaagt gij zulk een roestigen prins als hij toen was. Precies oud ijzer.”

„Noemdet gij hem daarom zoo straks een humbug-verkooper?” vroeg Steerforth.

„O, wat zijt gij toch een slimmerd!” zei juffrouw Mowcher, hevig het hoofd schuddend. „Ik zei, dat wij zulk een aardige verzameling humbug-verkoopers zijn en liet u de nagels van den prins zien om dat te bewijzen. Die nagels doen mij in het gewone leven meer voordeel dan al mijn talenten te zamen. Ik draag ze altijd bij mij. Ze zijn de beste introductie voor mij. Als juffrouw Mowcher de nagels knipt van een prins, _moet_ zij wel overal welkom zijn. Ik geef ze aan de jonge dames, die ze in hare albums leggen, als ik mij niet bedrieg. Ha, ha, ha! de geheele sociale quaestie—zooals de heeren in het Parlement zeggen in hunne hoogdravende redevoeringen—is niets dan een quaestie van prinselijke nagels!” zei het dwergje, terwijl zij hare armen over elkander trachtte te slaan en haar groote hoofd schudde.

Steerforth lachte hartelijk en ik deed mede. Juffrouw Mowcher bleef al dien tijd het hoofd schudden, dat erg naar ééne zijde overhing, terwijl zij met één oog in de lucht keek en met het andere knipte.

„Maar kom,” sprak zij, terwijl zij met beide handen op hare knietjes klopte en tegelijkertijd opsprong, „dat is geen zaken doen. Kom, Steerforth, laat mij de poolstreken eens inspecteeren!”

Zij nam toen van de uitstalling op den stoel twee of drie instrumenten benevens een klein fleschje, en vroeg tot mijne groote verbazing of de tafel haar zou kunnen dragen. Op Steerforth's bevestigend antwoord zette zij er een stoel tegen, vroeg mijne hand te hulp en klom er tamelijk vlug op, met een air alsof zij een tooneel beklom.

„Indien een van u beiden mijn enkels gezien heeft,” sprak zij, toen zij veilig was aangeland, „zeg het, dan ga ik naar huis en maak mij van kant.”

„Ik niet,” zei Steerforth.

„Ik ook niet,” zei ik.

„Welaan dan!” riep zij, „dan zal ik in het leven blijven. En nu, eendjelief, eendjelief, kom bij juffrouw Bond en laat u slachten.”

Dit was eene uitnoodiging voor Steerforth om zich aan hare handen over te geven; hij ging dan ook met den rug naar de tafel zitten, terwijl zijn lachend gezicht naar mij toegekeerd was, en liet zijn hoofd door haar inspecteeren, vermoedelijk met geen ander doel dan om ons eens te laten lachen. Het was een vermakelijk schouwspel, zooals juffrouw Mowcher daar op de tafel stond, en met een groot, rond vergrootglas zijn weelderigen haardos bekeek.

„Gij zijt een knappe jongen,” zei juffrouw Mowcher na eene kortstondige inspectie. „Als ik er niet was zoudt gij spoedig een kruin hebben zoo kaal als een monnik. Heb een halve minuut geduld, mijn jonge vriend, dan zullen wij u een zalfje geven, dat uw haren voor de eerste tien jaren bewaren zal.” Na deze woorden goot zij iets van den inhoud van het kleine fleschje op een lapje flanel, en nam met een borsteltje iets daarvan af; daarna begon zij hiermede over Steerforth's hoofd te wrijven met een ijver, als ik zelden iemand heb zien betoonen, terwijl zij voortdurend praatte.

„Daar hebt gij Charley Pyegrave, de zoon van den hertog,” sprak zij. „Gij kent Charley immers?” Bij deze vraag boog zij zich langs hem heen om hem aan te kijken.

„Een weinig,” antwoordde Steerforth.

„Wat een man! En wat heeft die prachtige bakkebaarden! En zijn beenen, wel, als ze maar een paar vormden—dat ze niet doen—dan zouden er geen mooiere beenen op de wereld zijn. Wilt gij wel gelooven, dat hij getracht heeft het zonder mij te stellen.... toen hij bij de Life-Guards was?”

„Hij is gek,” zei Steerforth.

„Het heeft er veel van. Evenwel, gek of niet, hij heeft het beproefd,” ging juffrouw Mowcher voort. „Wat doet hij? Hij gaat een parfumeriewinkel binnen en wil een fleschje Madagascar-tinctuur koopen.”

„Deed Charley dat?”

„Dat deed Charley. Maar zij verkoopen daar geen Madagascar-tinctuur.”

„Wat is dat? Kan men dat drinken?” vroeg Steerforth.

„Drinken?” herhaalde juffrouw Mowcher, terwijl zij ophield om hem een tikje op de wang te geven. „Om zelf zijn knevel mede te onderhouden; begrijpt gij het nu? Daar was een vrouw in den winkel,... al op jaren.... een echte draak die het nooit had hooren noemen. ‚Neem mij niet kwalijk, mijnheer,’ zei de draak tegen Charley, ‚bedoelt gij ook...... ook..... _rouge_?’ ‚Rouge?’ herhaalde Charley. ‚Dat men fatsoenlijke lippen nooit hoort uitspreken? Meent gij dat ik _rouge_ noodig heb?’ ‚Houd het mij ten goede, mijnheer,’ zei de draak, ‚dat wordt ons onder zooveel namen gevraagd; ik meende dus dat gij _rouge_ bedoeldet’. Welnu, mijn jongen,” ging juffrouw Mowcher al wrijvende voort, „is dat nu ook geen humbug? Ik doe er ook wel een beetje aan.... misschien veel.... misschien weinig.... pas maar op, beste jongen.... en hiermee basta.”

„Waaraan doet gij mee? Aan _rouge_?” vroeg Steerforth.

„Ja, dat zijn geheimen, zooals ze in elk beroep bestaan, mijn ijverige leerling,” zei de voorzichtige juffrouw Mowcher. „Ik zeg dat ik er ook aan meedoe. Eene zekere douairière noemt het lippenzalf. Eene andere noemt het handschoenen. Eene derde noemt het een ruche. Weer een ander een waaier. En ik noem het zooals _zij_ het noemen. Ik bezorg het haar en wij houden ons tegenover elkander zoo goed en trekken er zulk een ernstig gezicht bij, dat zij het evenmin in mijne tegenwoordigheid zouden aanwenden als in een salon vol vriendinnen. En wanneer ik op haar wacht, vragen zij soms—met een dikke laag op de wangen—‚Hoe zie ik er uit, Mowcher? Ben ik niet bleek?’ Ha! ha! ha! Is dat nu niet kostelijk, mijn jonge vriend?”

Nooit in mijn leven aanschouwde ik iets, dat met dit tooneeltje te vergelijken was: juffrouw Mowcher, op de tafel staande, hartelijk lachend over haar ‚kostelijke grap’ en steeds met den grootsten ijver Steerforth's hoofd wrijvend, terwijl zij mij daar overheen lonkjes toewierp.

„Maar,” hernam zij, „naar zulke dingen wordt hier niet gevraagd. Ik keer dus spoedig terug. Ik heb geen een mooi meisje gezien sinds ik hier ben.”

„Niet?” vroeg Steerforth.

„Zelfs geen schim van een mooi meisje,” antwoordde juffrouw Mowcher.

„Nu, wij zouden er haar een kunnen laten zien in levenden lijve, niet waar Groentje?” zei Steerforth, terwijl hij mijne oogen opzocht.

„Ja, zeker,” zei ik.

„Aha!” riep het kleine vrouwtje, mij scherp aankijkende en toen weder om Steerforth's hoofd heenbuigend om hem in het gezicht te zien. „Hm! Hm!”

De eerste uitroep scheen ons beiden te gelden, maar de laatste was blijkbaar alleen tot Steerforth gericht. Zij scheen noch op Steerforth's noch op mijn gelaat een antwoord te lezen en ging voort met wrijven, met haar hoofd op zijde en één oog wijd geopend, alsof zij een antwoord in de lucht zocht en zeker geloofde het daar spoedig te zullen vinden.

„Is zij eene zuster van u, mijnheer Copperfield?” riep zij na eene kleine pauze en nog steeds in de lucht kijkende. „Wel, Wel!”

„Neen,” antwoordde Steerforth nog eer ik het doen kon. „Volstrekt niet. Integendeel, mijnheer Copperfield was—of ik heb het mis—altijd een en al bewondering voor haar.”

„En is hij dat nu niet meer?” vroeg juffrouw Mowcher. „Is hij wispelturig? O, foei! Heeft hij elk bloempje gekust, is hij elk uur veranderd tot Polly eindelijk zijne liefde beantwoordde?—Heet zij niet Polly?”

Deze onverwachte vraag, die zij op guitigen toon deed, en de onderzoekende blik, waarmede zij mij aankeek, brachten mij een oogenblik in verlegenheid. „Neen, juffrouw Mowcher,” zei ik. „Haar naam is Emily.”

„Aha!” riep zij, precies op denzelfden toon als zooeven. „Hm! Hm! Wat ben ik toch aan het doorslaan! Vindt gij mij niet een kluchtig schepsel, mijnheer Copperfield?”

Haar toon en haar blik wekte eene onaangename gewaarwording bij mij op in verband met het onderwerp van ons gesprek. Op ernstiger toon dan een van ons nog had aangeslagen, zei ik daarom: „Zij is even deugdzaam als mooi. Zij is verloofd met een braven, werkzamen man uit haar stand. Ik acht haar evenzeer om haar verstand als ik haar bewonder om hare bevalligheid.”

„Goed gezegd!” riep Steerforth. „Hoor, hoor, hoor! Nu zal ik aan de nieuwsgierigheid van deze kleine Fatima maar in eens voldoen door haar alles te vertellen wat zij weten mag. Zij is tegenwoordig op den winkel, juffrouw Mowcher, of in de leer, als gij het zoo noemen wilt, bij Omer en Joram, lakenhandelaars, heeren- en dameskleedermakers, enz. Let gij wel op? Omer en Joram. De verloving, waarvan mijn vriend spreekt, is aangegaan met haar neef; doopnaam: Ham; familienaam: Peggotty; beroep: scheepstimmerman; bij gevolg: hier woonachtig. Zij woont bij een bloedverwant; doopnaam: onbekend; familienaam: Peggotty; beroep: visscher; bij gevolg: ook hier woonachtig. Zij is het mooiste, liefste schepseltje van de wereld. Ik bewonder haar—evenals mijn vriend—in hooge mate. Indien het niet zou schijnen, dat ik haar verloofde minachtte, hetgeen mijn vriend zou spijten, zou ik er wel willen bijvoegen dat zij zich, naar mijn oordeel, weggooit, dat zij veel betere partij zou kunnen doen en, volgens mijne overtuiging, geboren is om eene dame te worden.”

Juffrouw Mowcher luisterde naar deze langzaam en duidelijk uitgesproken woorden met het hoofd op zijde en haar oog in de lucht, alsof zij weder een antwoord zocht. Toen hij ophield, werd zij in een oogenblik weer levendig en praatte met verbazende radheid een geheelen tijd door.