Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 34
„Wat zou deze gelukkige pikbroek nu anders doen,” ging baas Peggotty voort met een glans van genoegen op het gelaat, „dan datzelfde hart aan de kleine Emily verliezen? Hij loopt haar overal na, maakt zich zoo goed als tot haar knecht, verliest grootendeels zijn eetlust en eindelijk wordt het mij duidelijk waar de schoen hem wringt. Gij begrijpt dat ik niets liever wensch dan de kleine Emily goed getrouwd te zien. In de eerste plaats wensch ik haar getrouwd te zien met een braaf en eerlijk man, die haar houw en trouw zal zijn. Ik weet niet hoelang ik nog zal leven of hoe spoedig ik zal sterven, maar ik weet wel dat als ik eens op een nacht hier, in de baai van Yarmouth omsla en voor het laatst de lichten van de stad boven de branding zie glinsteren, ik geruster naar den grond zal gaan als ik weet dat daar een man is, zoo trouw als staal voor de kleine Emily, God zegene haar! en niemand mijn Emily kan deren, zoolang die man leeft.”
De eenvoudige, ernstige man wuifde met zijn rechterarm, als zag hij op dit oogenblik de lichten van de stad voor het laatst boven de branding uitsteken en ging toen voort, na met Ham een knikje van verstandhouding gewisseld te hebben:
„Welnu, ik raad hem aan met Emily te spreken. Hij is groot en zwaar genoeg, maar nog bedeesder dan een kleine jongen; hij durft niet. Ik spreek daarom zelf met haar. ‚Wat? _Hem_?’ zegt Emily. ‚_Hem_, dien ik zooveel jaren van nabij gekend heb en van wien ik zooveel houd? O, neen, oom, hem krijg ik nooit! Hij is veel te goed voor mij!’ Ik geef haar een kus en zeg niets meer dan: ‚Mijn lieveling, gij moogt uw eigen hart laten spreken, gij kunt zelve kiezen en zijt zoo vrij als een klein vogeltje.’ Ik ga naar hem en zeg: ‚Ik wilde dat het zoo had kunnen zijn, maar het kan niet. Gij kunt beiden blijven wat ge zijt en wat ik u heb te zeggen is: wees voor haar wat gij altijd voor haar zijt geweest en wees een man!’ Hij schudde mij de hand en zei: ‚dat zal ik!’ En hij heeft zijn woord gehouden, eerlijk, als een man, want het is nu twee jaar geleden en wij zijn allen voor elkander gebleven, wat wij voor dien tijd waren.”
Het gezicht van baas Peggotty dat gedurende dit verhaal tallooze veranderingen had ondergaan, nam nu dezelfde triomfantelijke uitdrukking weder aan, terwijl hij de eene hand op mijne knie en de andere op Steerforth's knie legde of liever er op sloeg, ten einde hetgeen volgen zou meer kracht bij te zetten.
„Op het onverwachtst komt Emily op zekeren avond—en dat wel dezen avond—van den winkel thuis... met hem! Dat beteekent nu wel niet veel, zult ge wellicht zeggen, omdat hij altijd als een broeder op haar past, zoowel bij donker als bij helder weer. Maar die pikbroek heeft hare hand in de zijne en roept mij vol blijdschap toe: ‚Kijk nu eens. Dit wordt mijn kleine vrouwtje!’ En zij zegt half trotsch, half bedeesd, lachend en schreiend te gelijk: ‚Ja, oom, als het u goed is.’—Of het mij goed is!” riep baas Peggotty in eene uitbarsting van opgewondenheid het hoofd heen en weer schuddende. „Goede Hemel, alsof ik ooit iets anders zou willen!—‚Als het u goed is; ik heb er nog eens over nagedacht en zal een beste, trouwe vrouw voor hem zijn, want hij is een beste trouwe jongen!’ Juffrouw Gummidge begon in haar handen te klappen van blijdschap en toen kwaamt gij binnen. Dat was hetgeen hier plaats had toen gij binnenkwaamt en daar staat de man, die met haar zal trouwen, zoodra haar leertijd om is.”
Ham wankelde ten gevolge van den stomp, dien baas Peggotty hem in zijne uitbundige blijdschap als een bewijs van zijne hartelijkheid en vriendschap toebracht; maar aangezien hij zich verplicht achtte ook iets tot ons te zeggen, begon hij, stotterend en hakkelend:
„Zij was niet grooter dan gij zelf, jongeheer Davy.... toen gij voor 't eerst hier waart,... toen dacht ik al, hoe zij er zou uitzien, als zij groot was.... Ik zag haar opgroeien.... heeren.... als een bloempje. Ik zou gaarne mijn leven voor haar gegeven hebben, jongeheer Davy.... O, met liefde.... Zij is meer voor mij, heeren.... dan.... zij is alles voor mij, wat ik ooit wenschen.... en meer dan ik ooit.... dan ik ooit zeggen kan. Ik.... ik heb haar lief met.... met mijn geheele hart. Er is geen man in het gansche land.... en er vaart er geen op al de zeeën te zamen.... die meer van zijn meisje houden kan dan ik van haar.... al is er menig oneerlijk man, die beter kan zeggen, wat hij bedoelt.... dan ik.”
Het was treffend zulk een stoeren kerel, als Ham was, te zien beven van aandoening bij de gedachte aan hetgeen hij voelde voor het lieve, kleine meisje, dat hij zijn hart geschonken had. Zelfs in het vertrouwen, dat baas Peggotty en hij ons schonken, vond ik iets aandoenlijks. De geheele geschiedenis had mij aangedaan. In hoever mijne gewaarwordingen nog den invloed ondervonden van de herinneringen uit mijne jeugd, durf ik niet zeggen. Ik weet alleen dat hetgeen ik hoorde en zag mij met blijdschap vervulde; in het eerste oogenblik echter met eene soort weemoedige blijdschap, die door een kleinigheid in smart had kunnen overgaan. Zou er nog een vonkje van de liefde uit mijne jeugd in mijn hart zijn achtergebleven?
Ware het daarom mijne taak geweest de snaar, die thans in de harten van deze menschen trilde, met vaardige hand in dezelfde stemming te houden, dan zou mij dit zeker niet gelukt zijn. Steerforth nam echter deze taak op zich en hij deed het met zulk eene vaardigheid, dat wij binnen eenige oogenblikken allen zoo kalm en zoo gelukkig bijeenzaten als mogelijk was.
„Baas Peggotty,” zei hij, „gij zijt een door en door brave man en verdient zoo gelukkig te zijn, als heden avond het geval is. Ik geef u mijn hand daarop! Ik wensch u geluk, Ham, brave jongen! Mijn hand daarop! Groentje, stook het vuur wat op en laat het helder vlammen en baas Peggotty, zoo gij uw nichtje, voor wie deze plaats aan den haard bestemd is, niet bewegen kunt, terug te komen, ga ik heen. Op zulk een avond mag er geen ledige plaats zijn aan den haard—voor al de schatten van Indië zou ik hier geen ledige plaats willen zien!”
Baas Peggotty ging dan naar het kleine kamertje om Emily te halen en toen zij niet wilde komen, ging Ham. Hij bracht haar mede naar den haard, wel in den aanvang een weinig beschroomd en verlegen; maar toen hij bemerkte, hoe aardig en beleefd Steerforth tot haar sprak; hoe behendig hij alles wist te vermijden, dat haar verlegen zou kunnen maken; hoe hij met baas Peggotty over de boot sprak; hoe hij het bezoek van baas Peggotty en Ham op Salem-House in herinnering bracht; hoeveel belangstelling hij toonde voor de boot en voor alles wat er in was; hoe los en gemakkelijk hij zoo voortging, ons allen als het ware betooverend...... toen was hare beschroomdheid spoedig verdwenen.
Emily sprak weinig dien avond; zij keek rond en luisterde en haar gezichtje straalde van opgeruimdheid—zij was in één woord bekoorlijk. Steerforth deed een verhaal van eene allerakeligste schipbreuk, waartoe zijn gesprekken met baas Peggotty hem aanleiding gaven, alsof hij er bij tegenwoordig was geweest en de oogen van de kleine Emily waren al dien tijd op hem gevestigd en er lag eene uitdrukking in alsof zij het zag gebeuren. Tot afwisseling vertelde hij een grappig avontuur van zich zelven, zoo vroolijk en opgewekt alsof het verhaal even nieuw was voor hem als voor ons, en de kleine Emily lachte en lachte zoodat hare welluidende stem door de boot weergalmde en wij allen, Steerforth ook, medelachten. Hij haalde baas Peggotty over te zingen of liever te brullen: ‚Als de stormwind blaast!’ en hij zong zelf een matrozenlied, zoo mooi en aandoenlijk, dat ik mij bijna begon te verbeelden dat de wind, die klagend om de boot suisde, ophield om er naar te luisteren.
En juffrouw Gummidge! Wel, hij bracht dit slachtoffer van zwaarmoedigheid in zulk eene opgewekte stemming, als nog aan niemand sinds den dood van haar echtgenoot gelukt was volgens het oordeel van baas Peggotty. Hij liet haar zoo weinig tijd om ellendig te zijn, dat zij den volgenden dag verklaarde betooverd te zijn geweest.
Hij legde echter niet voortdurend beslag op de algemeene aandacht of het gesprek. Toen de kleine Emily wat meer moed begon te krijgen, en, hoewel nog bedeesd, langs den haard heen een gesprek met mij aanknoopte over onze vroegere wandelingen langs het strand en onze kiezelsteenen- en schelpenverzameling en ik haar vroeg of zij zich nog wel herinnerde hoe verliefd ik toen op haar was geweest en wij beiden lachten en een kleur kregen, werd hij stil en sloeg ons peinzend en oplettend gade. Den geheelen avond zat zij op het oude bankje in haar oude hoekje bij den haard, terwijl Ham naast haar zat—op mijn oude plaats. Ik weet niet of het haar oude zucht om te plagen of hare maagdelijke schroomvalligheid was, die haar zoo ver mogelijk van hem af deed schuiven, maar ik zag dat zij het deed—den geheelen avond.
Indien ik het mij goed herinner was het ongeveer middernacht toen wij scheidden. Wij hadden beschuit gehad met gedroogde visch voor ons souper en Steerforth had uit zijn zak een volle flesch punch te voorschijn gehaald, die wij, mannen—ik zeg nu, wij mannen, zonder te blozen—hadden geledigd. Wij namen in de vroolijkste stemming afscheid en toen zij allen in de deur stonden om ons pad zoo ver mogelijk te verlichten, zag ik hoe Emily's zachte blauwe oogen ons, achter den rug van Ham om, nakeken en hoorde ik hare lieve stem ons naroepen, dat wij voorzichtig moesten zijn.
„Wat een allerliefst, mooi meisje!” zei Steerforth, mijn arm nemende. „En wat een alleraardigst gezelschap en wat een alleraardigst huis! Dat is nu weder eens eene geheel nieuwe ondervinding.”
„Maar wat troffen wij het ook,” antwoordde ik, „dat wij juist getuige konden zijn van hunne blijdschap over dat aanstaande huwelijk. Ik zag nooit vier menschen zoo gelukkig bijeen. Hoe heerlijk om zoo iets bij te wonen en getuige te mogen zijn van zooveel onvermengde vreugde!”
„Hij is toch eigenlijk een ongelikte beer, zooals hij daar naast dat verrukkelijke meisje zat!” zei Steerforth.
Hij was zoo vriendelijk jegens hem en jegens allen geweest, dat dit onverwachte en onheusche gezegde mij angst aanjoeg. Ik keerde mij om en toen ik een lach in zijne oogen bespeurde, antwoordde ik:
„O, Steerforth, gij kunt gemakkelijk met zulke eenvoudige lieden den spot drijven. Gij moogt vrij met juffrouw Dartle schermutselen en uw gevoel voor mij verbergen—ik weet wel beter. Als ik zie hoe volmaakt gij hen begrijpt, hoe hartelijk gij in een geluk als dat van dien eenvoudigen visscher kunt deelen, hoe gij een liefde als die van mijne oude kindermeid voor mij op prijs weet te stellen, dan weet ik ook dat geen vreugde of verdriet of aandoening van dergelijke menschen u koud zal laten. En ik bewonder u daarom en houd daarom van u—nog twintigmaal meer dan vroeger.”
Hij bleef staan en keek mij aan. „Groentje,” zei hij, „ik geloof dat gij een goede jongen zijt en het ernstig meent. Waren wij allen maar zooals gij!” In het volgende oogenblik zong hij vroolijk baas Peggotty's lied, terwijl wij in een flinken pas naar Yarmouth terugkeerden.
XXII.
Oude tooneelen en nieuwe menschen.
Steerforth en ik bleven langer dan veertien dagen te Yarmouth. Wij waren meestal bij elkaar, dat behoef ik eigenlijk niet eens te zeggen; maar er waren toch ook wel uren waarin wij ieder onzen eigen weg gingen. Hij hield veel van zeilen en ik niet, gewoonlijk bleef ik dus aan wal, wanneer hij met de boot van baas Peggotty uitging. Bovendien was ik in zekere mate gebonden, omdat ik bij Peggotty logeerde, want daar ik wist, dat zij den geheelen dag aan het ziekbed van Barkis doorbracht, kon ik des avonds niet zoo laat thuiskomen, terwijl Steerforth, die in het logement zijn intrek had genomen, alleen aan zichzelven behoefde te denken. Dit was dan ook de oorzaak, dat ik niet tegenwoordig was bij zijne bezoeken in de herberg ‚Het trouwe Hart’, waar baas Peggotty gewoonlijk kwam en waar Steerforth nu de visschers tracteerde, terwijl ik reeds in bed lag, dat ik eerst later vernam hoe hij soms heele nachten, in een visscherspak uitgedost, op zee rondzwalkte en eerst 's morgens, bij het opkomen van den vloed, terugkwam. Ik wist echter toen reeds dat zijne rustelooze natuur en zijn woelige geest zich gaarne lucht verschaften in ruwen arbeid en guur weder, zoowel als in alles wat nieuw en vreemd voor hem was, ik verbaasde mij daarom volstrekt niet over hetgeen hij deed.
Een andere oorzaak, die onze wegen nu en dan uit elkander deed loopen, was dat ik mij natuurlijk aangetrokken voelde tot Blunderstone en tot de oude plekjes uit mijn jeugd; terwijl Steerforth, na eenmaal met mij daar een bezoek gebracht te hebben, geen lust had dit te herhalen. Zoo gebeurde het drie of vier malen, dat wij, na vroeg ontbeten te hebben, afscheid namen en elkaar niet eerder dan aan het middagmaal terugzagen. Ik kon volstrekt niet vermoeden, hoe hij al dien tijd besteedde; alleen vernam ik, dat hij in de stad zeer bemind was en twintig middelen had om zich te verstrooien, waar een ander er wellicht één had gevonden.
Wat mij aangaat, ik hield mij op mijne pelgrimstochten onledig met de herinneringen, die bij elken voetstap voor mij opdoemden; en het opzoeken van alle oude plekjes werd ik nooit moede. Ik zocht ze alle weder op, zooals ik zoo menigmaal in gedachten gedaan had en toefde langen tijd bij het graf onder den grooten boom, waar mijne ouders begraven lagen en waarop ik zoo menig uur had gestaard, toen het nog alleen mijns vaders graf was en waarbij ik in doffe wanhoop had gestaan, toen het geopend was om mijn lieve moeder en haar kind te ontvangen—het graf, dat door Peggotty's trouwe zorg al dien tijd keurig was onderhouden, zoodat het een tuintje leek, waarbij ik uren achtereen verwijlde, verdiept in herinneringen aan mijne kinderjaren.
Het lag op eenigen afstand van het kerkpad in een rustig hoekje, niet zoo ver, of ik kon de namen op den steen lezen, terwijl ik op- en neerwandelde en telkens werd opgeschrikt door het geluid van de klok, die de uren aangaf, hetgeen mij in de ooren klonk als een verwijderde stem. Meermalen dwaalden mijne gedachten af naar de rol, die ik in mijn verder leven spelen, en de wijze, waarop ik mij onderscheiden zou. Het scheen mij toe, alsof ik naar huis gekomen was om luchtkasteelen te bouwen aan de zijde van eene levende moeder.
Het ouderlijke huis had groote veranderingen ondergaan. De verlaten kraaiennesten waren verdwenen en de boomen waren zoo gesnoeid en gekapt, dat ze den ouden vorm geheel verloren hadden. De tuin was geheel verwilderd en de meeste vensters waren gesloten. Het werd bewoond door een armen krankzinnige en diens oppassers. De ongelukkige zat den geheelen dag bij het kleine venster van mijn oude kamertje naar het kerkhof te kijken en ik zou gaarne geweten hebben of zijn dwalende geest zich ooit bezig hield met dezelfde beelden, die mij verschenen waren, wanneer ik des morgens bij het opgaan van de zon in nachttoilet naar buiten gluurde en de schapen zag weiden in het malsche gras.
Onze oude buren, mijnheer en mevrouw Grayper, waren naar Zuid-Amerika verhuisd en de regen had een weg gevonden door het dak van hun verlaten woning en de muren aan alle kanten doen uitslaan. Dr. Chillip was hertrouwd met een lange, magere vrouw met een wipneus en zij hadden één kind; een nietig kind met een waterhoofd, dat veel te zwaar voor het wicht was, en twee flauw starende oogjes, waarmede het altijd scheen te vragen, waarom het eigenlijk geboren was.
Een gemengd gevoel van droefheid en genot doorstroomde mij, terwijl ik daar zoo eenzaam in mijne geboorteplaats ronddoolde tot de roode winterzon mij herinnerde, dat het tijd werd om naar huis terug te keeren. Maar wanneer ik het dorpje weer achter den rug had en voornamelijk, wanneer ik met Steerforth, weder aan den gezelligen disch zat bij een knappend haardvuur, dan voelde ik mij gelukkig omdat ik er geweest was. En datzelfde gelukkige gevoel maakte zich van mij meester, wanneer ik des avonds mijn kleine kamertje opzocht en het krokodillenboek opsloeg, dat altijd open op tafel lag, en mij met een dankbaar hart herinnerde hoe heerlijk het voor mij was, dat ik zulk een vriend bezat als Steerforth, zulk eene vriendin als Peggotty en zulk eene plaatsvervangster voor al wat ik verloren had, als mijne brave, grootmoedige tante.
Wilde ik den kortsten weg teruggaan van Blunderstone naar Yarmouth dan moest ik mij laten overzetten. Ik kwam dan aan op eene vlakte tusschen de stad en de zee, die ik dwars kon oversteken, waardoor ik mij een grooten omweg bespaarde, en aangezien de woning van baas Peggotty dan geen honderd el buiten mijn weg lag, ging ik er altijd even binnen. Ik was bijna zeker Steerforth daar te vinden, mij wachtende, en dan stapten wij te zamen door den scherpen wind en den opkomenden nevel op de flikkerende lichten van de stad aan.
Op zekeren donkeren avond, dat ik later dan gewoonlijk stadwaarts keerde,—ik had dien dag eenige bezoeken afgelegd te Blunderstone, omdat wij voornemens waren spoedig te vertrekken—vond ik Steerforth geheel alleen en in gepeins verzonken bij den haard zitten in Peggotty's woning. Hij was zoo in zijn gedachten verdiept, dat hij niets bespeurd had van mijne aankomst. Nu zou dat ook mogelijk geweest zijn al was hij minder met zijn eigen gedachten vervuld geweest, want in het zand waren de voetstappen bijna onhoorbaar; maar ook mijne binnenkomst deed hem niet ontwaken uit zijne droomerijen. Ik stond vlak bij hem en keek hem aan, maar nog ontwaakte hij niet.
Toen ik mijne hand op zijn schouder legde ontstelde hij zoo, dat ik zelf ook ontstelde.
„Gij komt tot mij,” zei hij, bijna boos, „als een dreigend spook!”
„Ik was wel verplicht mij op de eene of andere wijze aan te melden,” antwoordde ik. „Heb ik u uit den zevenden hemel opgeroepen?”
„Neen,” zeide hij. „O, neen!”
„Waaruit dan?” vroeg ik, terwijl ik naast hem plaats nam.
„Ik keek naar de grillige figuren in de vlammen.”
„En nu verstoort gij ze voor mij!” zei ik, toen hij er met een brandend stuk hout doorheen woelde, zoodat een groote zwerm vonken den schoorsteen instoof.
„Gij zoudt ze niet gezien hebben,” antwoordde hij. „Ik haat dien tijd tusschen licht en donker. Hoe laat is het? Waar zijt gij geweest?”
„Ik heb voor het laatst mijn gewone wandeling gedaan,” zei ik.
„En ik,” hernam Steerforth, de kamer rondkijkende; „heb hier zitten bedenken, dat al de menschen, die wij op den avond van onze aankomst zoo vroolijk bijeen vonden, nu wel over de aarde verspreid of dood of ongelukkig kunnen zijn—zoo verlaten vond ik de woning. O, David, had ik toch maar een verstandigen vader gehad!”
„Maar, beste Steerforth, wat scheelt u?”
„Ik zou ik weet zelf niet wat geven, als ik eene betere opvoeding had gehad!” riep hij uit, „en als ik mij zelven beter kon leiden!”
De toon, waarop hij sprak, was zoowel hartstochtelijk als zwaarmoedig, zoodat ik mij over hem verbaasde. Hij was zoo weinig zichzelf, dat ik hem bijna niet herkende.
„Het zou beter zijn iemand te wezen als deze arme Peggotty of als die lummelachtige Ham,” zei hij, opstaande en bleef in eene neerslachtige houding tegen den schoorsteenmantel leunen met het gezicht naar het vuur. „Dat zou veel beter wezen dan wat ik nu ben, twintig maal rijker en twintig maal geleerder, maar mij zelven tot last, zooals ik gedurende dit laatste half uur in deze duivelsche schuit ben geweest.”
Ik was zoo getroffen door de verandering, die in hem had plaats gegrepen, dat ik in het eerst niets doen kon dan hem in stilte gadeslaan, zooals hij daar met het hoofd op de hand geleund in het vuur stond te staren. Eindelijk smeekte ik hem met al den ernst, die in mij was, mij te vertellen wat tot deze ongewone stemming had aanleiding gegeven en mij in de gelegenheid te stellen medelijden met hem te hebben, indien ik hem al geen raad kon geven. Eer ik echter had uitgesproken begon hij reeds te lachen—eerst gemelijk maar weldra uit volle borst.
„Och, kom, het is niets, Groentje! Niets, hoor!” zei hij. „Ik vertelde u reeds in het hotel te Londen, dat ik somtijds lastig gezelschap ben voor mij zelven. Ik ben mijn eigen nachtmerrie geweest zoo even .... ik moet er zeker een gehad hebben. Wanneer ik zoo somber gestemd ben, komen mij allerlei bakersprookjes in het geheugen, zonder dat ik ze herken. Ik geloof dat ik mij zelven zooeven gehouden heb voor dien ondeugenden jongen, die nergens bang voor was en eindelijk door leeuwen werd opgegeten—wat met andere woorden zeggen wil, dat er niets van hem terecht kwam. Ik heb, zooals oude vrouwen zeggen, een rilling gehad over mijn geheele lichaam. Ik was bang voor mijzelven.”
„Anders zijt gij voor niets bang geloof ik,” antwoordde ik.
„Misschien niet, maar er kan toch nog genoeg opdagen, waarvoor ik wel bang zou zijn. Maar het is nu voorbij en ik ben niet meer van plan mij spoedig nogmaals zoo te laten beetnemen, David; maar ik zeg u, beste kerel, nog eens, dat het goed voor mij—voor meer anderen ook—zou zijn als ik een flinken, verstandigen vader gehad had!”
Er lag gewoonlijk veel uitdrukking in zijn gelaat, maar ik zag er nooit zooveel somberen ernst in dan toen hij deze woorden sprak, terwijl hij nog steeds in het vuur staarde.
„Dat geef ik er voor!” zei hij, terwijl hij met de vingers knipte. „Het is voorbij, nu ben ik weer een man,” haalde hij uit Macbeth aan. „En nu gaan wij eten! Tenminste als ik niet—evenals Macbeth—het middagmaal danig in de war heb gestuurd, Groentje.”
„Ik zou toch wel eens willen weten waar zij allen zijn!” zei ik.
„Dat weet de Hemel!” antwoordde Steerforth. „Nadat ik eenigen tijd op het strand op u had staan wachten, wandelde ik hierheen en vond de kooi ledig. Dat gaf mij te denken, en zoo vondt gij mij hier zitten peinzen.”
De komst van juffrouw Gummidge met een mandje aan den arm, helderde de zaak op. Zij had haastig eenige boodschappen gedaan eer baas Peggotty terugkwam met den vloed, en de deur opengelaten, opdat Ham en Emily, die haar vrijen avond had, het huis zouden kunnen binnenkomen. Nadat Steerforth met een deftigen groet en eene omhelzing haar in eene vroolijke stemming gebracht had, nam hij mijn arm en trok mij haastig mede. Hij was zelf in een niet minder vroolijke stemming geraakt dan juffrouw Gummidge, en praatte onderweg onophoudelijk door.
„En dus,” zei hij schertsend, „zeggen wij morgen dit zwerversleven vaarwel, nietwaar?”
„Dat was onze afspraak,” antwoordde ik. „En zooals ge weet zijn de plaatsen op de diligence genomen.”
„Dus er is niets meer aan te veranderen, bedoelt gij? Ik zou haast vergeten dat er nog andere dingen op de wereld te doen zijn, dan hier op de zee rond te zwalken. Was het maar zoo!”
„Zoolang het een nieuwtje bleef, zou het wel aardig zijn,” antwoordde ik lachend.
„Dat is wel mogelijk,” hernam Steerforth, „hoewel deze opmerking al zeer sarcastisch klinkt uit den mond van zulk een Groentje. Ik wil wel bekennen dat ik wat wispelturig ben, David; ik weet dat ik het ben, maar zoolang het ijzer heet is, wil ik het smeden ook. Ik zou al vrij goed als loods kunnen dienen in dit gedeelte van het vaarwater.”
„Baas Peggotty zegt, dat gij een wonder zijt.”
„Een zeemirakel, nietwaar?” vroeg hij lachend.
„Waarlijk, hij zei het en gij weet, hoe oprecht hij is; bovendien weet gij, hoe spoedig gij u iets eigen kunt maken en hoe gemakkelijk u alles afgaat. Daarom verbaast het mij, Steerforth, dat gij tevreden zoudt zijn met zulk een luttel gebruik van uwe vermogens.”
„Tevreden?” antwoordde hij opgeruimd. „Ik ben nooit tevreden dan wanneer ik mij maar verheugen kan in uwe onnoozelheid, mijn best Groentje. En wat nu het gebruik van mijn vermogens aangaat, ik ben niet van plan mij op een rad te laten binden, zooals de moderne Ixions doen, en mij maar in het rond te laten draaien. Gij weet dat ik hier een boot gekocht heb?”
„Wat zijt gij toch een zonderling wezen, Steerforth!” riep ik uit, terwijl ik verbaasd bleef staan—ik had er nog niets van vernomen. „En als gij nu nooit meer hierheen komt?”