Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 33
„Juist.... ja.... juist!” zei mijnheer Omer, terwijl hij den wijsvinger tegen mijn vest zette, „en was er geen kind ook? Juist twee dooden! Ze zijn samen in één kist begraven! In Blunderstone.... zeker, nu herinner ik het mij heel goed! En hoe is het u sinds dien tijd gegaan?”
„O, heel goed, dank u; ik hoop dat gij ook altijd wel zijt geweest?”
„O, ik mag niet klagen, begrijpt ge,” antwoordde mijnheer Omer. „Mijn adem wordt wel korter, maar die wordt nooit langer als men ouder wordt. Ik schik er mij in en behoud er mijne opgeruimdheid bij. Dat is het best, is 't niet?”
Mijnheer Omer lachte en begon dientengevolge weer te hoesten en te hijgen, zoodat zijne dochter hem moest helpen; zij stond nu vlak naast ons en haar kleinste kind zat op de toonbank.
„Goede Hemel!” zei mijnheer Omer. „Ja zeker, er waren twee dooden! Wel, op dienzelfden rit—gij zult het niet willen gelooven—is de dag bepaald voor het huwelijk van Minnie en Joram. „Noem dan toch een dag, mijnheer!” zei Joram. „Ja, doe dat, vader,” zei Minnie. En nu is hij in de zaak en... dit is de jongste!”
Minnie lachte en streek met de hand langs de slapen, terwijl haar vader zijn vinger in het handje van het kind stak, dat op de toonbank zat te dansen.
„Twee tegelijk!” herhaalde mijnheer Omer, „juist, juist! En Joram is op het oogenblik weer bezig zilveren spijkertjes in een kistje te slaan, op twee duim na zoo groot als dit”—hij wees op het dansende kind—. „Wilt gij ook iets gebruiken?”
Ik sloeg dat aanbod dankend af.
„Laat eens zien,” hernam mijnheer Omer. „De vrouw van Barkis, den vrachtrijder.... de zuster van Peggotty, den visscher.... die staat met uwe familie in verband, nietwaar? Zij heeft bij uwe moeder gediend, zeker, zeker!”
Mijn bevestigend antwoord deed hem zichtbaar genoegen. „Ik vermoed, dat mijn adem weer langer zal worden, want mijn geheugen wordt ook langer,” zei hij. „Wel, mijnheer, wij hebben een jeugdig lid van de familie in onze zaak gekregen; zij heeft een smaak bij het maken van toiletten, dat geen hertogin in geheel Engeland het haar verbeteren zou.... dat verzeker ik u.”
„De kleine Emily toch niet?” riep ik onwillekeurig uit.
„Jawel, zij heet Emily,” antwoordde mijnheer Omer, „en zij is ook klein. En gij moogt het gelooven of niet, zij heeft zulk een mooi gezichtje, dat de helft van de vrouwen in het stadje woedend op haar zijn.”
„Dwaasheid, vader!” riep Minnie.
„Lieve,” zei Mijnheer Omer, „ik zeg niet dat gij tot die helft behoort, maar”—hij gaf mij een wenk—„maar ik zeg dat de helft van de vrouwen in Yarmouth, o, en vijf mijlen in het rond! woedend op het ding zijn.”
„Dan had zij in haar eigen stand moeten blijven, vader,” zei Minnie, „en geen aanleiding moeten geven tot praatjes, dan konden zij niet boos op haar zijn.”
„Niet kunnen!” riep mijnheer Omer uit. „Niet kunnen! Hebt _gij_ nog niet meer ondervinding opgedaan in het leven? Wat zou eene vrouw niet kunnen en niet willen ook—wanneer het om het mooie gezicht van eene andere te doen is?”
Ik meende werkelijk, dat het met mijnheer Omer gedaan was, toen hij deze lasterlijke aantijging had uitgesproken. Hij hoestte zoo hevig en deed zulke wanhopende pogingen om zijn adem meester te worden, dat ik niet anders dacht of ik zou in het volgende oogenblik zijn hoofd achter de toonbank zien verdwijnen en zijn kleine kuitebeentjes met de verschoten linten aan de knieën in een laatste stuiptrekking zien te voorschijn komen. Eindelijk bedaarde de aanval, maar hij was zoo afgemat, dat hij hijgend moest plaats nemen op het kantoorstoeltje, achter den lessenaar.
„Gij moet weten,” ging hij daarna met moeite ademhalende voort, „zij heeft nooit vriendinnetjes gehad, en nooit kennisjes of vriendjes willen opzoeken, veel minder zich met aanbidders opgehouden. Natuurlijk heeft dit aanleiding gegeven tot het boosaardige praatje, dat Emily een dame worden wil. Naar mijne overtuiging is dit praatje ontstaan uit de omstandigheid, dat zij op school wel eens gezegd heeft: „als ik een dame ben, zal ik dit en dat voor mijn oom doen en dit en dat moois voor hem koopen”, begrijpt ge?”
„Ik verzeker u, mijnheer Omer, dat zij dit meermalen tegen mij heeft gezegd, toen wij nog kinderen waren,” antwoordde ik met vuur.
Mijnheer Omer knikte met het hoofd en wreef zijn kin. „Juist, juist! En dan had zij den slag om zich van weinig geld veel sierlijker te kleeden dan anderen van veel geld—dat wekte de jaloezie op. Bovendien had zij wel eens kuren—ik wil zelfs zoo ver gaan om te zeggen wat ik kuren noem—zij wist soms niet goed wat zij wilde en was een weinig verwend en kon zich in het begin niet goed naar anderen schikken. Meer heeft men toch nooit van haar verteld, nietwaar Minnie?”
„Neen, vader,” antwoordde juffrouw Joram. „Dat was het ergste, als ik het wel heb.”
„Eerst ging zij in eene conditie, tot gezelschap van eene oude dame,” vervolgde mijnheer Omer, „maar zij konden niet goed met elkaar overweg en daarom bleef zij er niet lang. Eindelijk kwam zij hier voor drie jaar in de leer. Er zijn er nu bijna twee van om en zij heeft zoo goed haar best gedaan als ik maar wenschen kan. Zij is zooveel waard als zes andere. Is zij dat tegenwoordig niet, Minnie?”
„Ja, vader,” antwoordde Minnie. „Ge kunt ook niet zeggen dat ik ooit kwaad van haar heb gesproken.”
„Heel goed,” hernam Mijnheer Omer. „Juist zoo! En nu, jongeheer,” voegde hij er bij, terwijl hij voortging zijn kin te wrijven, „opdat gij mij niet voor even langdradig zoudt houden als ik kortademig ben, verklaar ik dit onderwerp afgehandeld.”
Aangezien zij zacht gesproken hadden, begreep ik dat Emily in de nabijheid moest zijn. Op mijne vraag waar zij was, knikte mijnheer Omer met het hoofd in de richting van de achterkamer. Ik verzocht en verkreeg de toestemming om even naar binnen te mogen kijken, en toen ik door de ruiten keek, zag ik haar aan haar werk bezig. O, wat was zij een heerlijk klein schepseltje geworden! Met dezelfde schitterende, blauwe oogen, waarmede zij in mijn kinderhart een eerste vonkje had ontstoken, keek zij nu naar een van Minnie's kinderen, dat naast haar op den grond zat te spelen; daar lag eigenzinnigheid genoeg in haar lief gezichtje om hetgeen ik zoo even vernomen had te rechtvaardigen, terwijl ook de oude nukkigheid en schuwheid nog niet verdwenen scheen te zijn; maar overigens was er niets in haar gelaat te ontdekken, dat aanleiding zou kunnen gegeven hebben tot eenige bezorgdheid voor hare toekomst of tot twijfel aan hare deugdzaamheid.
Het deuntje, dat nooit scheen opgehouden te hebben—helaas, het _zal_ nimmer ophouden!—klonk mij al dien tijd zacht in de ooren.
„Wilt gij niet binnengaan?” vroeg mijnheer Omer, „en haar eens aanspreken? Ga binnen en maak een praatje met haar, mijnheer! Doe alsof gij thuis waart.”
Ik was te bevreesd om aan die uitnoodiging gevolg te geven, te bang om haar te storen; maar ik verzocht het uur te mogen weten, waarop zij des avonds naar huis ging, ten einde het tijdstip van ons bezoek daarnaar te regelen; daarna nam ik afscheid van mijnheer Omer en zijne knappe dochter en mooie kleinkinderen en sloeg den weg in naar de woning van mijne lieve, oude Peggotty.
Toen ik aankwam was zij bezig in de met tegels bevloerde keuken het middagmaal gereed te maken. Ik klopte aan de deur en toen zij opendeed, vroeg zij wat er van mijn dienst was. Ik keek haar glimlachend aan, maar zij beantwoordde dien glimlach niet. Ik had de briefwisseling altijd aangehouden, maar er waren zeven jaar verloopen sinds wij elkaar voor de laatste maal gezien hadden.
„Is Barkis thuis, juffrouw?” vroeg ik, mijn uiterste best doende om met een grove stem te spreken.
„Jawel, mijnheer, Barkis is thuis,” antwoordde Peggotty, „maar hij lijdt erg aan de rheumatiek.”
„Rijdt hij nog op Blunderstone?”
„Ja, als hij gezond is, wel.”
„Gaat gij daar nog wel eens heen, juffrouw Barkis?” Zij bekeek mij nu wat aandachtiger en ik zag dat zij eene trekking had in hare handen alsof zij ze ineen wilde slaan.
„Ik wenschte eenige inlichtingen te vragen omtrent een huis te Blunderstone, dat men.... ja, hoe is 't ook weer?.... het Kraaiennest noemt,” zei ik.
Zij deed een stap achteruit en stak een weinig angstig de handen uit, alsof zij mij wilde tegenhouden.
„Peggotty!” riep ik nu.
„Mijn beste jongen!” riep zij terug en daar lagen wij in elkaars armen, terwijl haar de tranen langs de wangen stroomden.
O, o, welk een buitensporigheden beging zij! Nu eens begon zij te lachen dan weder te schreien; wat was zij trotsch op mij en blijde mij te zien en wat speet het haar, dat zij, wier vreugde en trots ik had kunnen zijn, mij nooit in de armen zou kunnen sluiten.... ik kan dat alles niet beschrijven. Geen oogenblik werd ik gekweld door de vraag of het ook al te jongensachtig van mij was, dat ik aangedaan werd. Ik durf zeggen, dat ik in mijn geheele leven niet zoo dikwijls gelachen en geschreid heb als dien morgen bij Peggotty.
„Wat zal Barkis blij zijn!” zei Peggotty, terwijl zij hare oogen afwischte met de punt van haar boezelaar, „dat zal hem meer goed doen dan een pond smeersel. Mag ik hem gaan vertellen dat gij hier zijt? Gaat gij met mij mede naar boven, beste jongen, om hem te zien?”
Natuurlijk wilde ik dat gaarne doen, maar Peggotty kon niet zoo gemakkelijk de kamer uitkomen, als zij gedacht had, want telkens wanneer zij bij de deur was, keek zij weder naar mij om en viel zij mij lachend en schreiend om den hals. Eindelijk ging ik, ten einde het haar gemakkelijker te maken, de trap op en na een oogenblik buiten de deur gewacht te hebben, tot zij Barkis een weinig op mijne komst had voorbereid, stond ik voor den invalide. Hij ontving mij met ongehuichelde opgewondenheid. Wel was hij te pijnlijk om mij de hand te geven, maar hij verzocht mij de pluim van zijne muts te schudden, hetgeen ik met de grootste bereidvaardigheid deed. Toen ik naast zijn bed zat, zeide hij, dat het hem onuitsprekelijk veel goed deed het gevoel te hebben of hij met mij langs den weg naar Blunderstone reed. Zooals hij daar in bed lag met niets onbedekt dan zijn gezicht—als een plafondengeltje—maakte hij een wonderlijken indruk.
„Welken naam schreef ik ook weer op de kar?” vroeg hij met een glimlach, die hem pijn scheen te doen, ten gevolge van de rheumatiek.
„Ja, ja, Barkis,” zei ik, „wij hebben over die zaak heel wat samen gesproken.”
„Ik was al lang klaar, nietwaar, mijnheer?” zei Barkis.
„Al lang,” antwoordde ik.
„En ik heb er geen berouw van,” hernam Barkis. „Herinnert gij u nog wat gij mij verteld hebt van de appeltaarten, die zij zoo lekker bakken kon?”
„Ja, ja; heel goed,” zei ik.
„En dat was waar,” vervolgde Barkis met zijn pluimmuts knikkende—het eenige middel om zijne gewaarwordingen te kennen te geven—„dat was zoo waar als dat ik belasting moet betalen. En niets is meer waar dan dat.”
Barkis wendde zijne oogen naar mij toe, alsof hij verwachtte, dat ik deze bed-bespiegeling zou bevestigen, en ik deed het.
„Niets is zoo waar als dat,” herhaalde Barkis; „zulk een arm man als ik ondervind dat dubbel, wanneer hij niet werken kan. Ik ben heel arm, mijnheer.”
„Het spijt mij dat te hooren, Barkis.”
„Werkelijk heel arm,” herhaalde hij.
Nu kwam zijn rechterhand langzaam en aarzelend onder de dekens uit en tastte onzeker in het rond naar een stok, die met een touwtje losjes aan den rand van het bed was vastgebonden. Na er eenige oogenblikken mede rondgetast te hebben, waarbij zijn gelaat de grootste verscheidenheid vertoonde van ingehouden gewaarwordingen, stootte de stok tegen een kist, waarvan de punt gedurende al dien tijd zichtbaar voor mij was geweest. Toen eerst scheen hij gerust te zijn.
„Oude kleeren,” zeide hij.
„O!” zei ik.
„Was het maar geld, Mijnheer!”
„Nu, dat zou ik voor u ook wenschen,” zei ik.
„Maar het is geen geld,” verzekerde hij, terwijl hij beide oogen zoo wijd mogelijk opende.
Ik zeide daarvan overtuigd te wezen en nu vestigde hij zijne oogen met wat meer teederheid op zijne vrouw, zeggende:
„Die C. P. Barkis is de knapste en beste aller vrouwen. Al den lof, dien men haar mocht toezwaaien, verdient zij dubbel en dwars. Zult gij zorgen dat er wat lekkers te eten en te drinken is van middag?”
Ik wilde mij verzetten tegen dezen onnoodigen omslag te mijner eer, maar aangezien ik opmerkte hoe angstig Peggotty mij achter het hoofdeneind van het bed stond aan te kijken, hield ik mijne woorden binnen.
„Ik heb hier of daar nog wat geld, vrouw,” zei Barkis, „maar ik ben nu te vermoeid om er naar te zoeken; als gij en mijnheer David nu naar beneden zoudt willen gaan, dan kon ik eerst wat gaan slapen en daarna trachten het te vinden.”
Ingevolge dit verzoek verlieten wij de ziekenkamer. Toen wij buiten de deur waren, verzekerde Peggotty mij, dat Barkis tegenwoordig nog schrieler was dan vroeger, altijd tot dezelfde list zijne toevlucht nam, eer hij een halve kroon uit zijne kist te voorschijn haalde en dat hij onduldbare pijnen leed als hij uit zijn bed kroop, om een greep te doen in die noodlottige kist. Werkelijk hoorden wij hem onderdrukte kreten uiten, want deze eksterachtige manoeuvre bezorgde hem helsche pijn in al zijn leden. Peggotty's oogen stonden vol tranen van medelijden, maar zij zeide dat deze edelmoedige opwelling hem goed zou doen en het dus beter was hem niet te storen. Zoo kreunde hij voort tot hij weder in bed was—het was een ware marteling voor hem geweest—toen riep hij ons, verzekerde dat hij juist ontwaakt was uit een verfrisschende slaap en haalde onder zijn hoofdkussen een guinje te voorschijn. De zelfvoldoening, dat hij ons met zulk een goeden uitslag had misleid en dat het geheim van de kist bewaard was gebleven, scheen voldoende vergoeding te zijn voor de doorstane marteling.
Ik bereidde intusschen Peggotty voor op de komst van Steerforth en het duurde niet lang, of hij meldde zich aan. Ik ben overtuigd dat zij eigenlijk niet goed wist of hij een weldoener van haar zelve of een goede vriend van mij was geweest; maar in beide gevallen zou zij hem met dezelfde dankbare vereering hebben ontvangen. Zijne ongedwongen manieren, zijne geestigheid, zijn knap uiterlijk en zijne aangeboren handigheid om terstond in der menschen zwak te tasten, hadden haar binnen vijf minuten geheel voor hem ingenomen. Trouwens, zijne vriendschap voor mij zou voldoende geweest zijn om hem in hare gunst te brengen. Al deze redenen te zamen echter waren oorzaak, dat zij, voor hij des avonds heenging, in eene soort van aanbidding tot hem opzag.
Hij bleef met mij bij juffrouw Barkis eten—indien ik zeg „gaarne” dan druk ik slechts ten halve uit met hoeveel bereidwilligheid en opgewektheid hij de uitnoodiging aannam. Toen hij de kamer van Barkis binnentrad scheen het of er met hem licht en lucht binnenstroomden, als ware hij het mooie, frissche weer in eigen persoon. Daar was geen gedruisch, geen gemaaktheid bij hetgeen hij deed; hij wist zelf niet wat hij deed; alles geschiedde ongedwongen; blijkbaar was het onmogelijk dat hij iets op eene andere of betere wijze deed dan zooals hij alles gewoon was te doen, zoo bevallig, zoo natuurlijk en gemakkelijk, dat ik er zelfs, als ik het mij nu weer in het geheugen roep, nog over verwonderd ben.
Wij zaten vroolijk bijeen in het voorkamertje, waar het Martelaarsboek, waarin sinds ik er uit had voorgelezen, niemand een oog had geslagen, als van ouds op den lessenaar lag; nogmaals sloeg ik al de akeligheden op, die mij herinnerden aan tallooze aandoeningen, zonder die echter weder op te wekken.
Toen Peggotty begon te spreken over het kleine hokje, zooals zij mijn kamertje noemde, en vertelde dat het gereed was om mij te ontvangen, terwijl zij de hoop uitsprak dat ik er gebruik van zou maken, had Steerforth, nog eer ik hem aarzelend had kunnen aanzien, de geheele zaak reeds begrepen.
„Het spreekt van zelf,” zei hij, „dat gij hier blijft slapen en dat ik in het logement mijn intrek neem.”
„Dat is een mooie kameraadschap,” antwoordde ik; „eerst breng ik u hier heen Steerforth, en dan zouden wij niet bij elkaar blijven!”
„Maar, in 's Hemels naam, waar behoort gij thuis?” vroeg hij. „Wat beteekent kameraadschap bij hetgeen gij hier vindt?” Het was ineens uitgemaakt.
Tot acht uur, toen wij naar baas Peggotty's schuit gingen, bleef hij dezelfde aangename innemende gast. Zijne vele goede eigenschappen kwamen zelfs hoe langer hoe meer uit, naarmate de tijd verstreek, en thans twijfel ik er niet meer aan, dat de bewustheid van den goeden uitslag op zijne pogingen om te behagen zijn vernuft op dit punt scherpte, zoodat het hem hoe langer hoe gemakkelijker begon te vallen. Indien iemand mij verteld had dat hij slechts een verraderlijk spel speelde om aan een oogenblikkelijke opwelling te voldoen, om gedachteloos zijn zucht tot uitblinken te bevredigen, eenvoudig om iets te veroveren, dat waardeloos voor hem was en zoo straks zou worden weggeworpen—ik zeg, indien iemand mij toen zulk een leugen had opgedischt, zou ik niet geweten hebben hoe ik aan mijne verontwaardiging lucht had moeten geven. Waarschijnlijk zou dat mijne eenigszins romantische vriendschap en trouw voor hem nog versterkt hebben, terwijl ik naast hem voortwandelde over het donkere strand naar de oude schuit; de wind blies en huilde nog veel akeliger en onstuimiger om ons heen dan in den eersten nacht, dien ik in de schuit had doorgebracht.
„Wat is het hier woest, hè, Steerforth?” zei ik.
„Onheilspellend genoeg in de duisternis,” antwoordde hij, „en de zee huilt alsof ze ons zou willen inslikken. Is dat de boot, ginds, waar ik dat licht zie?”
„Dat is de boot.”
„Dan is het dezelfde, die ik vanmorgen reeds heb gezien,” antwoordde Steerforth. „Ik onderstel dat mijn instinct mij er heen heeft gedreven.”
Toen wij het licht genaderd waren, spraken wij niet meer, doch openden zachtkens de deur. Met de hand aan de klink fluisterde ik Steerforth in, vlak achter mij aan te komen en ging binnen. Een gemompel van stemmen was buiten hoorbaar geweest en op het oogenblik, dat wij binnentraden, hoorden wij in de handen klappen; tot mijne groote verbazing zag ik dat dit laatste gedruisch door de gewoonlijk zoo verdrietige juffrouw Gummidge veroorzaakt werd. Maar juffrouw Gummidge was niet de eenige persoon, die zoo buitengewoon vroolijk scheen. Baas Peggotty, wiens gelaat van buitengewone voldoening straalde en die zat te schudden van het lachen, had zijne sterke armen wijd geopend alsof hij de kleine Emily uitnoodigde er in te snellen; Ham, op wiens gelaat een gemengde uitdrukking lag van bewondering, verrukking en bedeesdheid, die hem bij zijn logge beweging heel goed stond, had de kleine Emily bij de hand alsof hij haar aan baas Peggotty wilde voorstellen; eindelijk kleine Emily zelve, blozend en beschroomd, doch vergenoegd, omdat baas Peggotty zoo vergenoegd was, hetgeen duidelijk in hare van opgeruimdheid stralende oogen te lezen was, zij zag ons het eerst en werd door onze binnenkomst gestoord in haar voornemen, om zich van Ham los te rukken en zich in de armen van baas Peggotty te nestelen. Bij ons binnentreden uit den kouden, donkeren nacht in het warme, verlichte vertrek vonden wij hen in den bovenbeschreven toestand, terwijl juffrouw Gummidge achter de tafel in de handen stond te klappen, alsof zij van haar verstand was beroofd.
Deze kleine schilderij werd door onze binnenkomst zoo plotseling uitgewischt, dat er twijfel bij mij oprees of ik wel goed gezien had. Ik stond in het midden van de verwonderde familie, vlak tegenover baas Peggotty, met uitgestoken hand, toen Ham plotseling riep:
„Het is jongeheer Davy! 't Is jongeheer Davy!” In het volgende oogenblik waren wij allen onder elkander aan het handen schudden en aan het vragen hoe wij 't maakten en aan het betuigen hoe blijde wij waren elkander te zien—allen praatten tegelijk. Baas Peggotty was zoo vereerd en zoo blijde ons bij zich te zien dat hij niet wist wat hij zeggen of doen zou; hij deed niets dan ons om beurten de handen schudden en zijn ruige haren over zijn hoofd strijken; hij was zoo uitgelaten en lachte zoo triomfantelijk, dat het een lust was hem aan te zien.
„Wel, wel, dat gij daar met u beiden... heeren, ja, waarlijk, heeren, in den avond hierheen komt, nu, juist dezen avond!” zei baas Peggotty, „dat had ik nooit durven droomen zelfs! Emily, schatje, kom eens hier! Kom eens hier, kleine heks! Hier is een vriend van jongeheer Davy! Hier is die heer van wien Ham en ik u wel verteld hebben, Emily! Hij komt kennis met u maken en daar is jongeheer Davy ook! En dat op den gelukkigsten avond, dien uw oom ooit gehad heeft of hebben zal. Lang zullen zij leven!”
Na deze woorden in één adem te hebben uitgesproken, waarbij hij buitengewone geestdrift en vroolijkheid aan den dag had gelegd, nam baas Peggotty het gezichtje van zijn nichtje tusschen zijne beide grove handen, kuste haar wel twaalf maal, drukte het met innige teederheid tegen zijne breede borst en streelde het alsof hij een dameshandje had. Daarna liet hij haar los en toen zij het kleine kamertje, waar ik geslapen had was binnengevlucht, keek hij naar ons, gloeiend en buiten adem ten gevolge van zijne buitengewone opgewondenheid en blijdschap.
„Indien gij beiden, heeren, ja waarlijk, heeren en zulke heeren....” zei baas Peggotty.
„Dat zijn zij, dat zijn zij!” riep Ham. „Goed gezegd! Dat zijn zij. Jongeheer Davy..... een echte heer..... dat zijn zij!”
„Indien gij beiden, heeren, ja, waarlijk heeren,” begon baas Peggotty weder, „mij nog niet zult kunnen vergeven dat ik zoo opgewonden ben, als gij verneemt wat daartoe de aanleiding is, zal ik u vergeving vragen. Emily, schatje! Ja, zij weet wel dat ik het zal vertellen”.... opnieuw barstte hij in lachen uit—„en daarom is zij weggeloopen. Wilt gij eens kijken waar zij gebleven is, moedertje?”
Juffrouw Gummidge knikte en verdween.
„Als dit niet de gelukkigste avond van mijn leven is,” hernam baas Peggotty, tusschen ons in bij den haard plaats nemende, „mag ik een schelvisch worden. De kleine Emily, mijnheer,” voegde hij er op fluisterenden toon tegen Steerforth bij: „de kleine, die zoo straks zulk een kleur kreeg.”
Steerforth knikte even met het hoofd, maar hij deed dit met zooveel vriendelijke belangstelling, dat baas Peggotty hem antwoordde alsof hij iets gezegd had.
„Gij kunt er zeker van zijn,” zei baas Peggotty. „Dat is zij en zoo is zij. Wel bedankt, mijnheer.”
Ham knikte mij verscheidene malen toe, alsof hij hetzelfde zou gezegd hebben.
„Deze kleine Emily van ons,” vervolgde baas Peggotty, „is in dit huis geweest, wat ik vermoed—ik ben geen geleerd man, maar ik vermoed het toch—wat zulk een lief schepseltje met zulke schitterende oogjes in een huis zijn _kan_. Zij is mijn kind niet; ik heb nooit kinderen gehad; maar ik zou van mijn eigen kinderen niet meer kunnen houden. Begrijpt gij? Ik zou het niet kunnen!”
„Ik begrijp het zeer goed,” zei Steerforth.
„Ik weet dat ge het begrijpt, mijnheer,” hernam baas Peggotty, „en ben u zeer verplicht. Jongeheer Davy zal zich herinneren wat zij voor ons was; gij kunt zelf oordeelen wat zij is; maar geen van u beiden kunt weten wat zij geweest is, is en worden zal. Ik ben maar een eenvoudig man, mijnheer, en zoo ruw als een zee-egel, maar niemand, tenzij misschien eene vrouw, kan begrijpen, wat zij voor mij geweest is. Maar... dit tusschen ons”—hij liet zijne stem een weinig dalen—„die vrouw heet niet juffrouw Gummidge, al heeft deze een ware schat van goede eigenschappen.”
Baas Peggotty streek weder met beide handen zijne haren naar achteren, als inleiding tot hetgeen hij nog verder te zeggen had en ging toen voort met de handen op de knieën.
„Er was zeker iemand, die Emily gekend heeft sinds haar vader verdronken is, haar voortdurend heeft gezien als kind, als jong meisje en volwassen. Zoo op het oog was hij niet veel bijzonders, zoowat van mijn soort, ruw, een echte zeebonk, maar een brave, eerlijke jongen, die zijn hart op de rechte plaats heeft.”
Ik geloof dat ik Ham nooit zoo heb zien grinniken als hij op dit oogenblik tegen ons deed.