Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 32
„Waarlijk!” riep juffrouw Dartle. „Wel ik weet niet dat mij ooit iets meer genoegen heeft gedaan dan dit te hooren. Het is mij bepaald een troost te weten, dat al moeten zij lijden, zij het niet zoo voelen. Ik heb mij menigmaal ongerust gemaakt over zulk soort van menschen, maar voortaan zal ik met een kalmer gevoel aan hen kunnen denken. Men kan toch zijn geheele leven door leeren. Ik moet bekennen dat ik twijfelde, maar thans is mijn twijfel opgeheven. Ik weet nu wat ik niet wist, waaruit men weder zien kan hoe goed het is te vragen .... is 't niet zoo?”
Ik verkeerde in de meening, dat Steerforth in scherts gesproken had of om juffrouw Dartle aan het praten te brengen, en verwachtte dat hij mij dit zou zeggen, toen de dames waren heengegaan en wij te zamen bij den haard zaten. Hij vroeg mij echter alleen maar hoe ik juffrouw Dartle vond.
„Zij is heel schrander, is zij niet?” vroeg ik.
„Schrander! Zij gebruikt bij alles een slijpsteen,” zei Steerforth, „en slijpt alles even scherp als haar gelaat en haar figuur in de laatste jaren geworden is. Door het vele slijpen is zij zelve versleten. Zij is nu aan alle kanten zoo scherp als een vlijm.”
„Wat heeft zij een zonderling litteeken op hare lip!” zei ik.
Steerforth's gezicht betrok en hij bleef een oogenblik zwijgen.
„Dat heb ik gedaan”, antwoordde hij eindelijk.
„Bij ongeluk?”
„Neen, ik was nog een jongen en toen heb ik haar met een hamer gegooid, omdat zij mij boos maakte. Ik moet een veelbelovend jong engeltje geweest zijn!”
Het speet mij zulk een pijnlijk onderwerp te hebben aangeroerd, maar er was niets meer aan te doen.
„Zooals gij ziet,” ging Steerforth voort, „heeft zij sinds dien tijd dat merkteeken gedragen en zij zal het blijven dragen tot in het graf,—indien zij ooit in een graf rusten zal; ik betwijfel het of zij wel ooit ergens rust zal vinden. Zij was eene weeze, een kind van een neef van mijn vader en toen haar vader stierf, nam mijne moeder, die toen ook weduwe was, haar bij zich om haar wat gezelligheid aan te brengen. Zij bezit een paar duizend pond sterling en voegt elk jaar weder de rente bij het kapitaal. Dat is de geschiedenis van juffrouw Rosa Dartle.”
„En ik twijfel er niet aan of zij heeft u lief als een broeder?” vroeg ik.
„Hm!” zei Steerforth, in het vuur kijkende. „Er zijn broeders, die men niet zoo heel lief heeft en andere.... maar schenk u nog eens in, Copperfield. Laat ons op het groene gras drinken als een complimentje aan u en op de leliën des velds, die niet arbeiden en niet spinnen, als een compliment aan mij—waarover ik mij behoor te schamen.” Toen hij dit gezegd had helderde zijn gelaat weer op en werd hij weder even vroolijk en opgeruimd als altijd.
Ik kon niet nalaten eens naar het litteeken te kijken toen wij om de theetafel zaten. Het duurde niet lang of ik merkte op dat het litteeken het gevoeligste plekje van haar gelaat was, want als zij verbleekte, veranderde dit het eerst van kleur en werd een doffe, leikleurige streep gelijk; het werd dan geheel zichtbaar evenals een merkteeken, dat, met onzichtbaren inkt geschreven, voor het vuur moet gehouden worden om leesbaar te zijn. Steerforth en zij hadden eene kleine woordenwisseling bij het triktrak, en één oogenblik meende ik dat zij woedend zou worden, want het heele litteeken werd zichtbaar, evenals het oude geschrift op den muur.
Het was voor mij niet vreemd dat mevrouw Steerforth haar zoon verafgoodde. Zij scheen over niets en niemand anders te denken; liet mij zijn portret zien als heel klein kindje, in een medaillon met zijne eerste haren; en één uit den tijd, toen ik hem voor het eerst had leeren kennen; terwijl zij om haar hals een keten droeg met een medaillon, waarin zich een portret bevond uit den allerlaatsten tijd. Zij had al zijne brieven in een afzonderlijk laadje van hare schrijftafel bewaard, en zou ze mij alle, een voor een, hebben voorgelezen, indien Steerforth het niet belet had.
„Mijn zoon vertelde mij, dat gij elkaar bij mijnheer Creakle hebt leeren kennen,” zei mevrouw Steerforth toen wij met ons beiden aan de theetafel zaten, terwijl Steerforth en juffrouw Dartle triktrak speelden. „Ik herinner mij zeer goed, dat hij in dien tijd veel sprak over een jongen, die jonger was dan hij, doch van wien hij heel veel hield; uw naam was mij echter uit het geheugen gegaan zooals gij wel begrijpen kunt.”
„Ik kan u de verzekering geven, mevrouw,” antwoordde ik, „dat hij in die dagen getoond heeft zeer edelmoedig te zijn; ik had zulk een vriend noodig; zonder hem zou men mij doodgeslagen hebben.”
„Hij heeft altijd een edelmoedig karakter gehad,” zei mevrouw Steerforth met een trotschen blik op haar zoon.
Ik stemde volkomen in met deze moederlijke ontboezeming; dat weet de Hemel. En zij wist dit ook, want zij was alleen deftig tegen mij wanneer zij den lof van haar zoon verkondigde; zij nam dan tegenover iedereen een trotsche houding aan.
„Het was over 't algemeen geen bijzonder geschikte school voor mijn zoon,” sprak zij; „verre van daar; er waren echter bijzondere omstandigheden, die bij de keuze van eene school in aanmerking moesten genomen worden. De buitengewone geestesgaven van mijn zoon maakten het noodig hem te plaatsen bij iemand, die zijne meerderheid voelde, en zich daaronder wilde schikken; in mijnheer Creakle meenden wij zoo iemand gevonden te hebben.”
Ja, dat wist ik maar al te goed. Toch verachtte ik hem daarom niet meer; ik was van meening, dat deze eigenschap eenigszins tot verontschuldiging kon dienen van zijne vele ondeugden—hoe zou hij iemand, zoo onweerstaanbaar als Steerforth, hebben kunnen weerstaan!
„De buitengewone bekwaamheden van mijn zoon moesten daar wel aan het licht komen,” ging de verblinde moeder voort; „hoe men hem ook tegengewerkt zou hebben, hij zou toch geworden zijn wat hij geweest is, de koning van de school. Hij zou onder alle omstandigheden zijner waardig zijn gebleven. Dat ligt nu eenmaal zoo in zijn karakter.”
Ik erkende van ganscher harte dat het in zijn karakter lag.
„Mijn zoon vatte dientengevolge geheel uit vrijen wil een ijver op, waardoor hij, als hij verkiest, elken mededinger ver achter zich kan laten,” ging zij voort. „James vertelde mij, mijnheer Copperfield, dat gij zoo bijzonder aan hem gehecht waart en dat u gisteren, toen gij hem herkendet, de tranen in de oogen stonden. Ik zou veinzen, indien ik mij verbaasd toonde over de aandoening, die mijn zoon bij u opwekte; maar ik kan evenmin onverschillig zijn tegenover iemand, die zijne verdiensten op prijs weet te stellen; ik ben daarom zeer blijde u hier te zien en kan u verzekeren, dat hij u ook zeer genegen is en gij op zijne bescherming kunt blijven rekenen.”
Juffrouw Dartle speelde triktrak met evenveel vuur als zij alles deed. Had ik haar voor het eerst aan het triktrakbord ontmoet, dan zou wellicht de onderstelling in mij zijn opgekomen, dat zij door het spelen zoo mager was geworden en zulke groote oogen gekregen had. Ik zou mij echter zeer moeten vergissen, indien haar een woord van ons gesprek ontsnapte of haar een blik ontging, terwijl ik met mevrouw Steerforth zat te praten en met haar vertrouwen werd vereerd; zoodat ik mij veel ouder gevoelde dan ik nog één oogenblik na mijn vertrek uit Canterbury gedaan had.
Toen de avond bijna teneinde was en er een blad met glazen en karaffen werd binnengebracht, beloofde Steerforth mij er ernstig over te zullen denken om met mij naar Suffolk te gaan. „Er is geen haast bij,” zei hij; over een week kon het ook wel; en zijne moeder was gastvrij genoeg om hetzelfde te zeggen. Terwijl wij zoo te zamen zaten te praten, noemde hij mij meer dan eens Groentje, hetgeen juffrouw Dartle's nieuwsgierigheid prikkelde.
„Maar, zeg mij toch eens mijnheer Copperfield,” vroeg zij, „is dat uw bijnaam? En wie gaf u dien? Is het... misschien... omdat men meent dat gij nog zoo jong en onschuldig zijt? Ik ben zoo dom in dergelijke dingen.”
Ik kreeg een kleur toen ik antwoordde, dat ik wel geloofde dat het daarom was.
„O!” riep zij, „wat ben ik blijde dat ik het weet! ik vraag altijd naar inlichtingen en ben zoo blijde als ik ze krijg. Nu weet ik het toch maar weer. Hij meent daarmede, dat gij nog jong en onschuldig zijt en daarom zijt gij zijn vriend. Dat is alleraardigst!”
Spoedig daarna ging zij naar bed, weldra gevolgd door mevrouw Steerforth. Nadat Steerforth en ik nog ongeveer een half uur bij den haard hadden zitten praten over Traddles en over zoo velen van onze oude school op Salem-House gingen wij samen naar boven. Steerforth's kamer was naast de mijne en ik ging er binnen om er een kijkje te nemen. Al wat weelde en gemak hadden kunnen bijeenbrengen, was daar door de moederhand bijeengebracht, die zelve de stoelen en kussens had bewerkt. Haar lief, innemend gelaat staarde uit een vergulde lijst op haar lieveling neer, alsof zij het haar plicht rekende hem ook in zijn slaap nog te bewaken.
Ik vond het vuur in den haard op mijne kamer nog brandende en de gordijnen voor de vensters en voor mijn bed neergelaten, zoodat het geheel een gezelligen indruk op mij maakte. In een grooten leunstoel bleef ik nog eenigen tijd over mijn geluk zitten peinzen, toen ik plotseling boven den schoorsteenmantel een portret van juffrouw Dartle ontdekte, die mij scherp in het oog hield. De gelijkenis was treffend en dientengevolge joeg het mij een weinig angst aan. De schilder had het litteeken weggelaten, maar ik zag het er toch op, nu eens op de bovenlip, zooals ik het aan tafel gezien had, dan weder in zijne geheele lengte zooals het zich vertoonde, wanneer zij in vuur was.
Ik vroeg mij zelven op korzeligen toon af, waarom men dat portret nu juist hier, bij mij, had opgehangen. Ten einde mij aan haar scherpen blik te onttrekken, ontkleedde ik mij schielijk, blies het licht uit en ging naar bed. Maar toen ik in slaap viel, kon ik niet vergeten, dat zij daar nog hing en meende ik haar telkens te hooren vragen: „Is het werkelijk waar? Ik zou het zoo gaarne weten”, en toen ik midden in den nacht wakker werd, betrapte ik mij, dat ik in mijne droomen aan allerlei menschen gevraagd had of het werkelijk waar was—zonder zelf te weten wat ik bedoelde.
XXI.
De kleine Emily.
Er was een knecht in huis, een man, die, zooals ik later begreep, aan de academie in dienst was gekomen bij Steerforth en hem overal vergezelde, een man, die in zijn stand een toonbeeld was van fatsoenlijkheid. Ik geloof niet, dat er in dien stand ooit fatsoenlijker man geboren werd. Hij sprak weinig, liep zacht, had zeer bedaarde manieren, was onderdanig, opmerkzaam, altijd bij de hand als men hem noodig had en nooit in de nabijheid als men hem niet noodig had; maar zijne grootste verdienste was zijn buitengewone fatsoenlijkheid. Hij had geen bewegelijk gezicht, eerder een stijven nek en een rond glad hoofd met kort haar, dat tegen de slapen was vastgeplakt; hij sprak altijd zacht en had de eigenaardige gewoonte om de letter S zoo duidelijk uit te spreken, dat het scheen alsof hij die letter vaker gebruikte dan alle andere; maar welke eigenaardigheden hij ook bezat, ze waren alle hoogst fatsoenlijk. Al had zijn neus het onderste boven gestaan, zou hij er toch fatsoenlijk hebben uitgezien. Hij hulde zich in een waas van fatsoenlijkheid en wandelde daarin met de grootste zekerheid rond. Hij was zoo fatsoenlijk, dat men onmogelijk iets verkeerds in hem had kunnen ontdekken. Niemand zou het in de gedachte gekomen zijn hem in livrei te steken—daartoe was hij veel te fatsoenlijk. Door eenig vernederend werk van hem te vorderen, zou men het gevoel van een fatsoenlijk man op baldadige wijze hebben gekwetst. De vrouwelijke dienstboden waren zich dat onwillekeurig bewust en deden al het werk zelven, terwijl hij bij de kachel in de dienstbodenkamer de krant zat te lezen. Nooit ontmoette ik zulk een zelfgenoegzaam man, maar ook deze hoedanigheid, evenals elke andere die hij bezat, scheen hem des te fatsoenlijker te maken. Zelfs de omstandigheid dat niemand zijn doopnaam kende, maakte een deel uit van zijn fatsoen. Wat kon men ook hebben tegen zijn familienaam Littimer, waaronder hij bij iedereen bekend was? Peter kon opgehangen, Tom naar de galeien verwezen zijn; de naam Littimer was zoo fatsoenlijk als men wenschen kon.
Ik vermoed, dat het tengevolge van de hoogst eerwaardige soort van zijne fatsoenlijkheid was, dat ik mij in zijne tegenwoordigheid zoo bijzonder jong voelde. Ik kon onmogelijk gissen hoe oud hij zelf was, maar ook dat kwam weder ten voordeele van dezelfde hoedanigheid; want de fatsoenlijke kalmte, waarmede hij alles deed, maakte den indruk van een vijftiger zoowel als van een man van dertig jaren.
Nog eer ik den eersten morgen uit mijn bed was, stond Littimer reeds in mijne kamer met dat beleedigende scheerwater, terwijl hij tegelijkertijd mijne kleederen kwam halen om ze af te borstelen. Toen ik de gordijnen op zijde schoof en uit mijn bed keek, zag ik hem daar staan, in zijn gelijkmatig waas van fatsoenlijkheid, waarop zelfs de noordoostenwind in Januari geen invloed scheen te hebben, want zijn adem was niet zichtbaar. Hij plaatste mijne laarzen in het eerste tempo van de polka en blies eenige stofjes van mijn jas, die hij daarna zoo omzichtig neerlegde, alsof het een pasgeboren kindje was.
Ik wenschte hem goeden morgen en vroeg hoe laat het was, waarop hij het fatsoenlijkste horloge uit zijn vestzak te voorschijn haalde, dat ik ooit gezien heb, met zijn duim het deksel liet openspringen, naar de wijzerplaat keek met een gezicht alsof hij een orakel raadpleegde, het horloge dicht deed en zeide dat het „met mijn welnemen half negen was.”
„Mijnheer Steerforth zou gaarne willen weten hoe uw nachtrust geweest is, mijnheer?”
„Dank u,” antwoordde ik, „zeer goed. Heeft mijnheer Steerforth goed geslapen?”
„Dank u, mijnheer Steerforth heeft vrij wel geslapen.”—Hij gebruikte nooit superlatieven; dat was ook weder een van zijne eigenaardigheden. Hij bewandelde steeds in alles den middenweg, behalve in zijne fatsoenlijkheid.
„Mag ik de eer hebben nog iets voor u te doen, mijnheer? De eerste bel wordt te negen uur geluid; de familie gebruikt te half tien het ontbijt.”
„Neen, dank u, niets.”
„Ik dank u, mijnheer—met uw welnemen”; met deze woorden en een lichte buiging, terwijl hij het bed voorbij ging, als verzocht hij verschooning voor zijne terechtwijzing, ging hij heen en sloot de deur zoo zacht, alsof ik juist in eene weldadige sluimering gevallen was, waarvan mijn leven afhing.
Elken morgen hielden wij ditzelfde gesprek; nooit meer, maar ook nooit minder: en toch, hoe ik mij des avonds ook vereerd had gevoeld door het gezelschap en het vertrouwen van mevrouw Steerforth en haar zoon, of door de gesprekken met juffrouw Dartle, in tegenwoordigheid van dezen hoogst fatsoenlijken man kwam ik mij zelven weer voor als een knaap.
Littimer huurde paarden voor ons en Steerforth, die alles kende, gaf mij rijles. Littimer bezorgde ons degens en handschoenen, Steerforth gaf mij les in het schermen—en onder leiding van denzelfden meester begon ik boksen te leeren. Geen oogenblik voelde ik eenige schaamte, omdat Steerforth mij een nieuweling vond in al deze zaken, maar het hinderde mij telkens, wanneer ik blijken gaf van mijne onkunde in tegenwoordigheid van den fatsoenlijken Littimer. Ik had volstrekt geen aanleiding te onderstellen dat Littimer zelf een meester was in al deze lichaamsoefeningen; hij gaf mij nooit, zelfs niet door eene trilling van zijne hoogst fatsoenlijke oogleden aanleiding om dit te vermoeden en toch, wanneer hij bij de lessen tegenwoordig was, had ik een gevoel, alsof ik de domste en onhandigste sterveling van de wereld was. Ik weid over dezen man zoo uit, omdat hij zulk een bijzonderen indruk op mij maakte en om hetgeen later voorviel.
De week ging op de aangenaamste wijze voorbij, maar zooals men begrijpen kan, voor mij, voor wien alles nieuw was, veel te vlug. Ik had de beste gelegenheid om Steerforth beter te leeren kennen en om duizend redenen te bewonderen, zoodat het mij op het einde der week toescheen of ik veel langer met hem samen geweest was. De ongedwongen wijze, waarop hij mij eigenlijk als een stuk speelgoed beschouwde, was mij aangenamer dan welke andere behandeling zijnerzijds mij zou kunnen geweest zijn. Ik werd daardoor herinnerd aan onze eerste kennismaking, waarvan deze behandeling mij het natuurlijke gevolg toescheen; ik zag daaruit dat hij niet veranderd was; ik voelde mij nooit bezwaard, wanneer ik mij bij hem vergeleek en mij afvroeg, of ik wel zooveel aanspraak maken mocht op zijne vriendschap en bovendien, zijne wijze van omgang met mij was zoo ongedwongen, zoo vertrouwelijk als met geen ander. Evenals hij op de school anders met mij was omgegaan dan met alle anderen, ging hij ook thans anders met mij om dan met alle andere vrienden. Ik geloof dat ik grooter plaats in zijn hart had ingenomen dan alle andere vrienden en ik zelf voelde mij onweerstaanbaar tot hem aangetrokken.
Zijn besluit om met mij mede te gaan naar Suffolk stond nu vast en de dag voor ons vertrek was bepaald. Hij had lang geaarzeld of hij Littimer mede zou nemen, maar besloot eindelijk hem thuis te laten. De fatsoenlijke man, die tevreden was met elke beschikking ten opzichte van zijn persoon, pakte onze valiezen, legde ze in het wagentje, dat ons naar Londen zou brengen en nam mijn bescheiden gift in ontvangst met een gezicht, waarop geene dan eene zeer fatsoenlijke uitdrukking lag.
Wij namen afscheid van mevrouw Steerforth en juffrouw Dartle met hartelijke dankbetuigingen mijnerzijds en eene dringende uitnoodiging van de trotsche moeder om nog eens terug te komen. Het laatste, dat ik zag, was Littimer's gezicht, waarop thans—dat verbeeldde ik mij tenminste—te lezen stond dat ik nog heel jong was.
Wat ik gevoelde, toen ik, zoo in mijn voordeel veranderd, naar die oude geliefkoosde, plekjes terugkeerde, kan ik onmogelijk beschrijven. Wij reisden met den postwagen en ik was zoo bezorgd voor de eer van Yarmouth, dat toen Steerforth, gedurende onzen rit door de nauwe straten, zeide, dat het nog wel een aardig stadje was, ik ten hoogste ingenomen was met deze verklaring. Onmiddellijk na onze aankomst gingen wij naar bed en eerst laat in den morgen gebruikten wij het ontbijt. Toen wij langs de herberg kwamen, waar ik bij mijn vertrek naar Salem-House een onderkomen had gevonden, zag ik een paar morsige schoenen met slobkousen aan de deur staan en vermoedde dat ze den bediende, die toen zoo vriendelijk voor mij geweest was, toebehoorden, hetgeen een reden voor mij was om den anderen kant uit te kijken. Steerforth was in eene bijzonder vroolijke stemming en had, eer ik op was, reeds een wandeling langs het strand gemaakt en met de helft van de visschers vriendschap aangeknoopt, naar hij zeide. Bovendien had hij op een afstand een schuit zien liggen, die volgens mijne beschrijving het huis moest zijn van baas Peggotty; de rook steeg zoo lustig uit den schoorsteen naar boven, dat hij op het punt was geweest er heen te gaan en te verklaren, dat hij David Copperfield en zóó gegroeid was, dat niemand hem zou herkennen.
„Wanneer denkt gij mij daar aan die brave lieden voor te stellen, Groentje?” vroeg hij. „Ik ben gereed; bepaal dus zelf maar het tijdstip!”
„Mij dunkt.... van avond, als zij allen rondom het vuur zitten. Ik zou u zoo gaarne een gezelligen indruk van het geheel laten krijgen; 't is zoo'n aardige woning.”
„Goed dan!” antwoordde Steerforth, „van avond.”
„Ik zal hun niet laten weten dat ik hier ben, begrijpt ge?” zei ik opgeruimd. „Wij zullen hen verrassen.”
„O, natuurlijk! Alle aardigheid zou er af zijn, als wij hen niet verrasten,” zei Steerforth. „Wij moeten hen in hun natuurlijksten toestand zien.”
„Al behooren zij tot dat soort van menschen, waarover gij 't laatst met juffrouw Dartle zoo druk hadt?” vroeg ik.
„Hoe? Denkt gij nog aan mijn woordenstrijd met Rosa?” riep Steerforth uit en keek mij daarbij met een ondeugenden blik aan. „Die feeks! Ik ben bang voor haar! Zij is altijd mijne kwelduivel geweest. Maar laat ik mij niet warm over haar maken! Wat zullen wij nu gaan doen? Gaat gij die kindermeid misschien een bezoek brengen?”
„Ja, dat is goed,” antwoordde ik, „eerst naar Peggotty!”
„Welnu,” hernam Steerforth, „als ik u dan eens twee uur geef om met haar te zitten huilen. Is dat lang genoeg?”
Ik antwoordde lachend dat wij in dien tijd heel wat zouden kunnen afdoen, maar dat hij ook daar moest komen; hij zou de ondervinding opdoen dat de faam hem reeds was vooruitgesneld en hij bijna even hoog aangeschreven stond als ik.
„Ik wil overal heengaan waar gij gaat,” zei Steerforth, „en alles doen wat u aangenaam zijn kan. Vertel mij maar waar ik komen moet en over twee uur zal ik mij aanmelden, in de stemming die gij verkiest—sentimenteel of grappig.”
Ik duidde hem zoo uitvoerig mogelijk uit waar Barkis, de vrachtrijder op Blunderstone, enz. woonde en ging toen alleen op het pad. De lucht was helder en strak, de grond droog, de zee woelig; de zon verspreidde veel licht, maar geen warmte, alles zag er even frisch en levenslustig uit. Ik was zelf ook frisch en levenslustig en zoo verheugd dat ik weer hier was, dat ik iedereen, dien ik tegenkwam op straat, wel de hand zou hebben willen schudden.
De straten kwamen mij natuurlijk erg nauw voor. Zoo gaat het, geloof ik, met alle dingen, die wij als kind gezien hebben. Ik herinnerde mij echter alles en vond niets veranderd tot ik den winkel van mijnheer Omer genaderd was. ‚Omer en Joram’ stond nu op de plaats waar vroeger alleen ‚Omer’ stond; het opschrift: ‚Lakenkooper, Kleedermaker, Garen- en Bandverkooper en Bedienaar van begrafenissen’ was hetzelfde gebleven.
Nadat ik dit alles gelezen had, richtten zich mijne schreden als van zelf naar den winkel; ik stak de straat over en keek naar binnen. Er stond eene knappe vrouw achter de toonbank met een dansend kind op den arm, terwijl een tweede peuzel aan haar boezelaar stond te trekken. Ik herkende in dit drietal oogenblikkelijk Minnie en hare kinderen. De glazen deur van het kantoor was niet geopend, maar uit de werkplaats aan de overzijde van de binnenplaats klonk mij hetzelfde deuntje van vroeger in de ooren, alsof het nooit had opgehouden.
„Is mijnheer Omer thuis?” vroeg ik binnengaande. „Ik zou hem gaarne even spreken.”
„O, jawel, mijnheer, hij is thuis,” antwoordde Minnie, „zijn asthma verbiedt hem bij dit weer uit te gaan. Joe, roep grootvader eens!” De kleine knaap, die aan haar knie gestaan had, zette zulk een keel op, dat hij zelf bang scheen te worden voor zijn geschreeuw en zijn gezichtje in de plooien van haar boezelaar verborg, hetgeen Minnie met moederlijke bewondering aanstaarde. Maar, reeds hoorde ik iemand hijgend en blazend door de gang komen en in het volgend oogenblik stond mijnheer Omer, nog kortademiger maar niet veel verouderd, voor mij.
„Uw dienaar, mijnheer,” zei hij. „Waarmede kan ik u van dienst zijn?”
„Gij kunt mij de hand geven, mijnheer Omer, als gij wilt,” antwoordde ik, hem de mijne aanbiedende. „Gij zijt eens heel goed en vriendelijk voor mij geweest en ik herinner mij, dat ik mij toen niet dankbaar daarvoor toonde.”
„Zoo, was ik dat?” antwoordde de oude man. „Het verheugt mij dit te hooren, maar ik herinner er mij niets van. Zijt gij wel zeker van hetgeen gij zegt?”
„O, ja, heel zeker!”
„Dan zal mijn geheugen evenals mijn adem hoe langer hoe korter worden,” zei mijnheer Omer, mij aankijkende en met het hoofd schuddende; „ik kan u niet thuis brengen.”
„Herinnert gij u niet dat gij mij hebt afgehaald van de diligence en mij hier hebt laten ontbijten en dat wij toen samen naar Blunderstone zijn gereden; gij en ik en juffrouw Joram en mijnheer Joram.... die toen nog niet getrouwd waren?”
„Wel, goede Hemel!” riep mijnheer Omer, na van de hoestbui, die de verrassing hem bezorgd had, bekomen te zijn, „nu gij 't zegt, ja! Minnie, lieve, herinnert gij 't u niet? Goede Hemel, ja...... was er niet eene dame gestorven?”
„Ja, mijne moeder.”