Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 31

Chapter 314,042 wordsPublic domain

Ik heb dit altijd beschouwd als de eerste misstap in mijn leven. Toen ik aan het diligencekantoor plaats genomen had, had ik den boekhouder een halve kroon in de hand gestopt om een plaats op den bok machtig te worden. Ik had deze plaats ingenomen, gedost in eene bijzonder lange jas, ten einde mij deze onderscheiding waardig te toonen, ik had er mij op laten voorstaan en gevoeld dat ik aan de diligence een zekere deftigheid gaf. En ziet, nog vóór het eerste station, werd ik verdrongen door een slecht gekleeden, scheelzienden man, wiens eenige verdienste was, dat hij naar den stal rook en die, terwijl de paarden in galop waren, meer gelijk een vlieg dan als een menschelijk wezen langs mij heen stapte!

Een gevoel van wantrouwen in mij zelven, dat mij in mijn leven bij kleinigheden meermalen heeft vervolgd, vooral dan wanneer het beter achterwege zou zijn gebleven, werd door dit kleine voorval op de diligence van Canterbury naar Londen zeker niet in zijne ontwikkeling gestuit. Het was te vergeefs of ik al mijn toevlucht zocht in eene grove stem. Mijne stem kwam gedurende het overige gedeelte van de reis uit het diepst van mijn maag, maar ik voelde mij toch achterafgezet en vreeselijk jong. Hoe het zij, het was ook een eigenaardig gevoel daar welopgevoed, goed gekleed, en met volop geld op zak achter die vier paarden te zitten en te kijken naar de plaatsen, waar ik op mijn vermoeienden tocht geslapen had. Ik had gelegenheid genoeg om mij alles voor den geest te brengen, bij elk kenteeken op den weg. Terwijl ik van mijne verheven plaats neerkeek op de landloopers die wij voorbijreden, en dezelfde verloopen tronies herkende, voelde ik de zwarte hand van den ketellapper weder tegen mijne borst. Toen wij door de nauwe straten van Chatham reden, kon ik een vluchtigen blik werpen in de steeg, waar dat oude monster woonde, die mijn buis had gekocht, en strekte ik den hals uit om naar de plek te kijken, waar ik in de zon en in de schaduw op mijn geld had zitten wachten. En toen wij eindelijk dicht bij Londen, voorbij Salem House reden, waar mijnheer Creakle mij zoo menigmaal zijne zware hand had doen voelen, zou ik al wat ik bezat gegeven hebben voor het verlof, om daar af te stappen, naar binnen te gaan, hem flink af te ranselen en aan al de jongens de vrijheid te geven, als aan eene kooi vol musschen. Wij reden naar het Gouden Kruis bij Charing Cross, in die dagen een herberg van den tweeden rang in een dichtbevolkte buurt. Een bediende wees mij de koffiekamer en een kamermeisje bracht mij naar mijn kleine slaapkamertje, waarin een lucht heerschte als in een muffe huurkoets en het uitzicht zoo vroolijk was als in een grafkelder. Ik werd—dit ter loops—telkens herinnerd dat ik nog heel jong was, want niemand scheen eenig ontzag voor mij te hebben: het kamermeisje toonde zich zelfs onverschillig voor alles wat ik waagde op te merken en de knecht was familiaar en wilde mij met goeden raad te hulp komen.

„Wel?” vroeg hij op vertrouwelijken toon, „wat verlangt gij te eten? Jongeheeren houden gewoonlijk veel van kippen; er zijn hoentjes!”

Ik vertelde hem op eenigszins hoogen toon dat ik geen trek had in hoentjes.

„Zoo?” vroeg de knecht. „Jongeheeren hebben gewoonlijk genoeg van ossen- en schapenvleesch; ik heb een kalfskarbonade voor u!”

Ik nam met dit voorstel genoegen omdat ik niets anders wist te bedenken.

„Zijt gij gesteld op aardappelen?” vroeg hij weder met een familiaren glimlach en het hoofd eenigszins op zijde. „Jongeheeren laten de aardappelen gewoonlijk staan.”

Ik beval hem met een zoo grof mogelijke stem een kalfskarbonade met aardappelen en wat daar verder bij behoorde voor mij te bestellen en tevens aan het buffet te vragen of er ook brieven waren voor Mijnheer Trotwood Copperfield, hoewel ik zeer goed wist dat er geen konden zijn. Ik deed echter of ik een heel pak verwachtte.

Hij kwam spoedig terug met het bericht dat er geen waren—ik legde de grootste verbazing aan den dag—en begon een tafeltje voor mij te dekken bij den haard. Terwijl hij daarmede bezig was, vroeg hij mij wat ik drinken zou en op mijn antwoord: „een glas sherry”, achtte hij het, naar ik vrees, eene gunstige gelegenheid om uit de verschraalde klieken in eenige karaffen een glasvol voor mij bij elkander te zoeken. Ik kwam tot dit vermoeden, omdat ik hem, terwijl ik de courant las, achter een laag, houten beschot bezig zag met den inhoud van verscheiden karaffen in ééne te gieten, evenals de apothekers en de drogisten doen, wanneer zij een recept gereed maken. Toen hij mij den wijn gebracht had, vond ik dien flauw en ongetwijfeld was er meer Engelsch water in dan in een buitenlandschen wijn verwacht kon worden; ik was echter te bedeesd om er iets van te zeggen en dronk er twee glazen van ledig.

Eenmaal in eene genoegelijke stemming gekomen, waaruit ik opmaak, dat een vergiftigings-proces in sommige stadiën niet onaangenaam is, besloot ik naar de komedie te gaan. Ik koos Covent Garden Theatre uit en daar woonde ik, achter in een middenloge, de voorstelling bij van Julius Caesar, gevolgd door de nieuwe Pantomime. Al die edele Romeinen daar voor mij te zien leven en voor _mijn_ genoegen daar te zien komen en gaan, in plaats van, zooals op de school, hunne namen en heldendaden van buiten te moeten leeren, was een nieuw en ongekend genot voor mij. Maar deze mengeling van werkelijkheid en geheimzinnigheid, de invloed van de schoone verzen, van de muziek, van de menschen om mij heen, van de verbazingwekkende snelheid, waarmede de schitterende decoraties elkander afwisselden, dat alles was zoo overstelpend en opende mij zulk een onafzienbaren hemel van genot, dat ik, te ongeveer middernacht op straat in den regen staande, een gevoel had, alsof ik, na eenige eeuwen achtereen een romantisch leven in de wolken geleid te hebben, regelrecht was neergedaald in een joelende, plassende, modderige, ellendige wereld, vol natte parapluies, klotsende klompen en tegen elkander botsende huurkoetsen.

Ik was door een andere deur buiten gekomen en bleef eenigen tijd op straat staan, alsof ik werkelijk een vreemdeling op de aarde was; maar de menigte stooten en duwen, die mij onophoudelijk werden toegediend, riepen mij spoedig tot de werkelijkheid terug en deden mij den weg inslaan naar mijn logement, waar ik, na met oesters en porter gesoupeerd te hebben, tot over éénen in de koffiekamer bij den haard bleef zitten en al het genotene in stilte overdacht.

Ik was zoo vervuld van het spel en van mijn verleden—want het geheele tooneel leek mij een chassinet toe, waarin ik al de episodes uit mijn vroegere leven zag voorbijtrekken—dat ik niet weet, wanneer een zeker net gekleed, slank gebouwd jongmensch, dien ik zeer goed kende, de kamer was binnengetreden. Ik herinner mij echter, dat ik nog steeds bleef zitten peinzen, nadat ik zijne tegenwoordigheid reeds had opgemerkt.

Eindelijk stond ik op om naar bed te gaan, tot groote verlichting van den slaperigen bediende, die kramp in zijne beenen scheen te hebben, want hij wreef en sloeg en wrong ze in allerlei bochten in zijn nauw hokje. Naar de deur gaande, kwam ik voorbij den persoon, die juist was binnengekomen. Ik keek hem aan, keerde terug, keek hem nogmaals aan; maar hij herkende mij niet, terwijl ik terstond zag, wie hij was.

In andere omstandigheden zou ik den moed en het zelfvertrouwen gemist hebben, om hem aan te spreken en dit uitgesteld hebben tot den volgenden dag; maar in de stemming, waarin de tooneelvoorstelling mij had gebracht, meende ik hem zooveel verschuldigd te zijn voor de mij vroeger verleende bescherming en kwam het oude gevoel van vriendschap met zooveel frissche kracht naar boven, dat ik met een bonzend hart op hem toeliep en zeide:

„Steerforth! Wilt gij mij niet meer kennen?”

Hij keek mij aan, zooals hij vroeger ook zoo dikwijls kijken kon, maar ik zag niet, dat hij mij herkende.

„Ik vrees dat gij u mij niet herinneren zult”, hernam ik.

„Groote goden!” riep hij eensklaps uit. „Het is de kleine Copperfield!”

Ik nam zijne beide handen in de mijne en kon ze in het eerste oogenblik niet los laten. Had ik mij niet geschaamd en bovendien gevreesd dat het hem zou mishagen, dan ware ik hem om den hals gevallen en in tranen uitgebarsten.

„Ik ben nooit, nooit, nooit zoo blij geweest. O, beste Steerforth, het doet mij zoo'n genoegen u te zien!”

„En mij doet het ook genoegen u te zien!” riep hij met een hartelijken handdruk. „Kom, kom, Copperfield, oude jongen, maak je niet zoo van streek!” En toch was hij, naar ik meende, blij te zien dat de vreugde over deze ontmoeting mij zoo aandeed.

Ik veegde de tranen af, die mij, in weerwil van mijn innerlijk verzet, in de oogen waren gesprongen, deed mijn best om te lachen en daar zaten wij.... vlak naast elkander.

„En hoe komt gij zoo hier?” vroeg Steerforth, terwijl hij mij vertrouwelijk op den schouder klopte.

„Ik ben hier vandaag aangekomen met de diligence van Canterbury. Ik ben door een tante, die daar in de buurt woont, als kind aangenomen en heb mijne opvoeding daar voltooid. En wat komt gij hier doen, Steerforth?”

„Wel, ik ben een Oxforder, zooals men de studenten daar noemt”, antwoordde hij, „dat wil zeggen, ik ga mij daar geregeld een gedeelte van het jaar vervelen en ben nu op weg naar huis. Gij zijt een duiv....aardige jongen geworden, Copperfield. Gij zijt niets veranderd, nu ik u goed aankijk.”

„Ik herkende u dadelijk”, zei ik, „maar gij zijt ook gemakkelijker te herkennen.”

Hij lachte, terwijl hij met de hand door zijne krullende haren streek, en zei op schertsenden toon:

„Ik ga een plicht vervullen. Mijne moeder woont op eenigen afstand van de stad en aangezien de wegen zoo vreeselijk modderig zijn en het thuis nog al eentonig is, blijf ik van nacht hier. Ik ben nog geen zes uur in de stad en heb bijna al dien tijd in de komedie zitten dutten.”

„Ik ben ook in de komedie geweest”, viel ik in. „In Covent Garden. Wat is dat prachtig, Steerforth!”

„Beste David!” zei Steerforth, hartelijk lachend en mij nogmaals op den schouder kloppend, „beste David, wat zijt gij toch nog groen! Het gras kan, zelfs bij zonsopgang niet groener zijn dan gij! Ik ben ook in Covent Garden geweest, maar ellendiger spel heb ik nooit gezien! ...... Heila, Jan!”

De bediende, die met de grootste belangstelling onze ontmoeting op een afstand had gadegeslagen, kwam nu eerbiedig nader.

„Waar hebt gij mijn vriend mijnheer Copperfield, gestopt?” vroeg Steerforth.

„Wat blieft u, mijnheer?”

„Welke kamer heeft mijnheer? Welk nummer? Gij weet wel wat ik bedoel?” zei Steerforth.

„Jawel, mijnheer,” antwoordde de bediende, op verontschuldigenden toon: „Mijnheer Copperfield heeft op het oogenblik vier-en-veertig, mijnheer.”

„Hoe, duivel, komt het in je op, mijnheer Copperfield boven een stal op een zolderkamertje te logeeren!” hernam Steerforth.

„Wij wisten niet,” antwoordde de bediende, zich nog steeds verontschuldigend, „dat mijnheer Copperfield een vriend van u was. Wij kunnen mijnheer Copperfield twee-en-zeventig geven, mijnheer, indien mijnheer dat verkiest. Naast u, mijnheer.”

„Natuurlijk verkiest mijnheer Copperfield dat,” hernam Steerforth. „Breng de kamer onmiddellijk in orde!”

De bediende verdween terstond om de verwisseling te bewerkstelligen. Steerforth lachte hartelijk om mijn eenvoud, omdat ik mij met no. 44 had laten tevreden stellen, klopte mij nogmaals op den schouder en noodigde mij uit om den volgenden morgen te tien uur met hem te ontbijten—eene uitnoodiging, waarop ik maar al te trotsch was en die ik stralend van blijdschap aannam. Het was intusschen laat geworden, zoodat wij onze kandelaars opnamen en naar boven gingen. Voor de deur van Steerforth's kamer namen wij hartelijk afscheid en toen ik no. 72 binnentrad, zag ik terstond dat deze veel beter was dan die, waarmede men mij had afgescheept; het rook er volstrekt niet duf en er stond een ledikant, ongeveer zoo groot als een klein landgoed. Tusschen een aantal kussens, waaraan zes personen genoeg zouden hebben gehad, sliep ik spoedig in en droomde van het oude Rome, van Steerforth en van vriendschap, tot het geratel van de diligences onder de poort mij in het rijk van den dondergod verplaatste.

XX.

Steerforth's ouderlijke woning.

Toen het kamermeisje te acht uur op mijne kamerdeur klopte en mij meldde, dat het scheerwater gereed stond, kreeg ik in mijn bed een kleur bij de pijnlijke gewaarwording, dat ik daaraan nog geen behoefte had. Het vermoeden, dat zij gelachen had, toen zij het mij toeriep, hield mij voortdurend bezig, terwijl ik mij aankleedde, en toen ik naar beneden ging om te ontbijten en haar op de trap tegenkwam, sloop ik haar als het ware met een schuldig gevoel voorbij. Ik was inderdaad zoo onder den indruk van het verlangen om ouder te zijn dan ik was, dat ik eerst niet goed kon besluiten om haar voorbij te gaan; ik schaamde mij en bleef, terwijl ik haar de trap hoorde afstoffen, uit het venster kijken naar Koning Karel I te paard, die er tusschen een ontelbare menigte huurkoetsjes, in den bruingrijzen mist alles behalve koninklijk uitzag. Eindelijk werd ik door den bediende gewaarschuwd, dat mijnheer Steerforth mij wachtte.

Ik vond hem niet in de koffiekamer, doch in een afzonderlijk vertrekje met roode gordijnen en een Turksch tapijt; er brandde een helder vuurtje en op de keurig gedekte tafel stond een fijn, warm ontbijt gereed, terwijl de geheele kamer, de tafel, het ontbijt, Steerforth en alles in het rond in het kleine, ronde spiegeltje boven het buffet werd weerkaatst. Ik voelde mij verlegen onder Steerforth's meerderheid, hij zat daar zoo op zijn gemak, zoo gewoon, zoo in alle opzichten—ook in leeftijd—mijn meerdere, zijn beschermheerschap ging hem echter zoo gemakkelijk af, dat ook ik mij spoedig op mijn gemak gevoelde. Ik kon de verandering, die het Gouden Kruis in mijne oogen door zijne komst had ondergaan, niet genoeg prijzen en moest telkens het gevoel van verlatenheid, waaraan ik den vorigen dag ten prooi was geweest, vergelijken met de comfort en de gezelligheid van dezen morgen. De familiaire toon en houding van den bediende waren als door een tooverslag verdwenen. Hij bediende ons alsof wij twee prinsen van den bloede waren.

„Wel, Copperfield,” zei Steerforth toen wij eindelijk met ons beiden waren, „ik ben benieuwd te vernemen, wat uwe plannen zijn, waar gij heengaat, in één woord, alles wat u betreft. Ik beschouw u altijd alsof gij een stukje van mij zelf waart.”

Blijde dat hij nog zooveel belang in mij bleek te stellen, vertelde ik hem dat mijne tante mij had voorgesteld eens op reis te gaan en deelde hem mijne verdere plannen mede.

„Gij hebt dus volstrekt geen haast,” zei Steerforth, „ga dan met mij mede naar Highgate, naar mijne moeder en breng daar eenige dagen door. Mijne moeder zal verrukt van u zijn—zij is een weinig ijdel op haar zoon, maar dat zult gij haar wel vergeven—en gij zult verrukt zijn van haar.”

„Ik zou van het eerste wel even zeker willen zijn, als gij vriendelijk genoeg zijt te beweren,” antwoordde ik met een glimlach.

„O,” zei Steerforth, „iedereen, die van mij houdt, kan aanspraken doen gelden, die zeer zeker worden erkend.”

„Dan zal ik ongetwijfeld in hare gunst komen.”

„Goed dan!” hernam Steerforth. „Ga mede om u er van te overtuigen. Wij hebben nu nog een paar uur tijd en zullen de leeuwen in den Zoölogischen tuin gaan bezichtigen; het is een genot zulk een groentje als gij zijt, Copperfield, het een en ander van Londen te laten zien. Wij nemen dan later de diligence naar Highgate.”

Ik kon nauwelijks gelooven dat ik niet droomde en niet in no. 44 wakker zou worden, om beneden de ongezellige koffiekamer en den familiairen bediende te vinden. Na mijne tante een brief geschreven te hebben, waarin ik haar mijne gelukkige ontmoeting met mijn veelbewonderden ouden schoolmakker meedeelde en haar tevens vertelde, dat ik zijne uitnoodiging, om eenige dagen bij zijne moeder op Highgate door te brengen, had aangenomen, lieten wij een huurkoetsje voorkomen en bezochten het Panorama en eenige andere merkwaardigheden van Londen, o. a. het Museum, waar ik niet kon nalaten op te merken, hoe goed Steerforth van verschillende dingen op de hoogte was en hoe weinig hij zijn eigen kundigheden telde.

„Gij zult zeker wel een hoogen graad behalen op de Academie, Steerforth,” zei ik, „als gij het niet reeds gedaan hebt. Uwe moeder zal zeker wel reden hebben om trotsch op u te zijn.”

„Ik een graad behalen!” riep Steerforth. „Nimmer, mijn best Groentje! Wilt gij mij toestaan u ‚Groentje’ te noemen?”

„Wel zeker,” antwoordde ik.

„Gij zijt een brave jongen, Groentje,” hernam Steerforth lachend. „Ik verlang volstrekt niet op die wijze uit te munten. Ik heb voor mijn doen mij al genoeg uitgesloofd en al heel wat mee te dragen.”

„Maar voor de eer van uw naam...” begon ik weder.

„O, gij romanesk Groentje!” zei Steerforth nog hartelijker lachend; „waarom zou ik mij zoo inspannen? Omdat een troep botterikken mij met verbazing zouden aangapen? Laten zij dat anderen doen; ik gun die eer aan iedereen.”

Ik was een weinig beschaamd omdat ik dit punt had aangeroerd, en bracht het gesprek op een ander onderwerp. Gelukkig was dit niet moeielijk, want Steerforth kon met de grootste onverschilligheid en behendigheid van het eene onderwerp op het andere overstappen.

Wij gebruikten onderweg ons tweede ontbijt, en de dagen waren reeds zoo kort, dat de duisternis was ingevallen toen ons koetsje bij een ouderwetsch huis op den top van den heuvel, waarop Highgate gebouwd is, stilhield. Eene oudachtige dame, hoewel niet oud in jaren, slank gebouwd en met een fijn besneden gelaat, wachtte ons in de gang op en ontving Steerforth met den uitroep: „Lieve James!” Hij stelde mij aan haar voor met de woorden: „Mijne moeder” en zij heette mij hartelijk welkom en bood mij de hand.

Het was een lief ouderwetsch huis, waarin de grootste stilte en orde heerschte. Uit de ramen van mijne kamer zag ik op een afstand Londen liggen, in een dichten nevel gehuld, waarin hier en daar een mat licht flikkerde. Terwijl ik mij kleedde had ik even tijd genoeg om de stevige meubels en de teekenlappen te bekijken, welke laatste, naar ik onderstel, door Steerforth's moeder vervaardigd waren, toen zij nog een jong meisje was. Ik was juist bezig eenige met krijt geteekende portretten van dames in keurslijven en met gepoeierd haar te bezichtigen, toen ik aan tafel geroepen werd. In de eetkamer vond ik nog eene tweede dame; klein van gestalte, donker, die, hoewel niet van schoonheid ontbloot, toch geen innemend uiterlijk bezat. Zij trok mijne aandacht: wellicht omdat ik haar niet had verwacht; wellicht omdat ik tegenover haar zat; wellicht omdat zij toch iets aantrekkelijks voor mij had. Zij had zwart haar en stekelige zwarte oogen, was mager en had een litteeken op de lip. Het was een oud litteeken—een naad moest ik het liever noemen, want het was kleurloos en reeds jaren geleden geheeld—van eene wond, die over den mond tot op de kin had geloopen, doch thans, over de tafel heen, bijna niet meer zichtbaar was dan op de bovenlip, waarvan de vorm eenigszins veranderd was. Ik kwam in mij zelven tot het besluit, dat zij ongeveer dertig jaar moest zijn en gaarne getrouwd zou wezen. Zij zag er wat vervallen uit, ongeveer zooals een oud huis, dat lang te huur heeft gestaan; maar was, zooals ik reeds opmerkte, volstrekt niet leelijk te noemen. Hare magerheid scheen mij toe het gevolg te zijn van een vuur, dat haar inwendig verteerde en door hare eenigszins holle oogen een uitweg vond. Zij werd mij voorgesteld als juffrouw Dartle en zoowel Steerforth als zijne moeder noemden haar Rosa. Ik vernam, dat zij daar woonde en sinds jaren tot gezelschap diende van mevrouw Steerforth. Het kwam mij voor dat zij, hetgeen zij te zeggen had, nooit ronduit zeide, maar langs omwegen, zoodat zij voor alles veel meer woorden gebruikte dan noodig was. Zoo mevrouw Steerforth bijvoorbeeld meer in scherts dan in ernst te kennen gaf dat haar zoon, naar zij vreesde, wel wat al te vroolijk leefde, waarop juffrouw Dartle aldus begon:

„O, zoo? Waarlijk? Gij weet, hoe onnoozel ik ben en dat ik alleen vraag om ingelicht te worden, maar is dat dan niet altijd zoo? Ik meende, dat men op de academie altijd zoo leefde... is 't niet?”

„Gij bedoelt zeker, dat het leven aan de academie eene voorbereiding is tot een hoogst ernstig beroep, nietwaar, Rosa,” antwoordde mevrouw Steerforth op koelen toon.

„O! Ja! Dat is waar,” hernam juffrouw Dartle. „Maar is het ook eigenlijk niet....? Ik vraag alleen inlichtingen en wil gaarne te recht gewezen worden, indien ik 't mis heb..... Is 't het niet eigenlijk?”

„Wat bedoelt gij met ‚eigenlijk’?” vroeg mevrouw Steerforth.

„O! Meent gij dat het _niet_ is!” antwoordde juffrouw Dartle. „Wel, ik ben blijde het te vernemen! Nu weet ik, wat ik doen moet. Dat is het voordeel van vragen. Ik zal voortaan niemand meer toestaan in mijne tegenwoordigheid over de losbandigheid en de verkwisting aan de academie te spreken... wien ook.”

„En daaraan zult gij goed doen,” zei mevrouw Steerforth. „De voogd van mijn zoon is een zeer nauwgezet man; stelde ik niet volkomen vertrouwen in mijn zoon, dan zou ik het toch in hem stellen.”

„Zoudt gij?” vroeg juffrouw Dartle. „Goede Hemel! Is hij nauwgezet? Werkelijk nauwgezet?”

„Ja, daarvan ben ik overtuigd,” antwoordde mevrouw Steerforth.

„Hoe heerlijk!” riep juffrouw Dartle. „Hoe geruststellend! Werkelijk nauwgezet? Dus is hij niet.... neen, natuurlijk kan hij dat niet zijn, als hij zoo nauwgezet is. Wel, ik zal hem nu altijd in een ander licht beschouwen. Gij kunt u niet voorstellen, hoe hij in mijne schatting is gerezen, nu ik zoo zeker weet, dat hij werkelijk nauwgezet is!”

Op dezelfde langdradige wijze behandelde juffrouw Dartle alle dingen, of zij het er mede eens was of er bedenkingen tegen had, somstijds met grooten nadruk en zelfs was zij het meermalen oneens met Steerforth—tot mijne groote verbazing natuurlijk. Voor het middagmaal was afgeloopen had nog het volgende voorval plaats. Mevrouw Steerforth sprak met mij over mijn plan om naar Suffolk te gaan, waarop ik zoo terloops opmerkte hoe blijde ik zijn zou, indien James mij wilde vergezellen. Ik vertelde hem dat ik mijne oude kindermeid ging opzoeken en bij de Peggotty's zou logeeren, die hij zich zeker nog wel herinneren zou van hun bezoek op de school.

„O, die ruwe gast!” zei Steerforth. „Jawel, hij had zijn zoon bij zich!”

„Neen, dat was zijn neef,” antwoordde ik, „hij heeft hem als zijn zoon aangenomen. Ook is er nog een alleraardigst nichtje, dat hij als eene dochter lief heeft. Kortom, zijn huis—of liever zijn boot, want hij woont in een schip op het strand—is vol menschen, die van zijne edelmoedigheid en zijne vriendelijkheid leven. Het zou u zeker genoegen doen dit huishouden eens te zien.”

„Waarlijk?” zei Steerforth. „Ja, ik denk wel dat ik het aardig zou vinden. Ik zal eens zien. Het zou mij wel de reis waard zijn—afgescheiden nog van het genoegen om met u te reizen, Groentje—om zulk soort van menschen eens van nabij te leeren kennen.”

Mijn hart zwol bij het vooruitzicht van dit onverwacht genoegen. Naar aanleiding van den toon, waarop hij gesproken had van ‚dat soort van menschen’, nam juffrouw Dartle, die met schitterende oogen naar ons gesprek had zitten luisteren, nu het woord.

„O waarlijk! vertel er mij eens wat van? Zijn zij werkelijk?” vroeg zij.

„Zijn zij wat? En wie zijn wat?” hernam Steerforth.

„Die soort van menschen? Zijn zij werkelijk als het redelooze vee, zijn zij werkelijk wezens van een ander maaksel? Ik zou dat, o, zoo gaarne weten.”

„Nu, er is groot onderscheid tusschen hen en ons,” antwoordde Steerforth op onverschilligen toon. „Men kan niet verwachten dat zij zoo fijngevoelig zijn als wij. Men beleedigt of kwetst hun gevoel niet zoo spoedig. Zij zijn ontzettend deugdzaam, dat moet gezegd worden—sommige menschen beweren het ten minste en ik ben overtuigd dat ik hen niet zou moeten tegenspreken—maar heel gevoelig zijn zij niet, evenmin als hunne ruwe huid en daar mogen zij blijde om zijn.”