Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 30
„Wat ik vooral hoop, dat gij worden zult, Trot,” hernam tante, „—ik bedoel geestelijk, niet lichamelijk; lichamelijk zijt gij goed genoeg ontwikkeld—dat is: een ferme man. Een ferme man met een eigen wil. Een vastberaden man” voegde zij er nog bij, terwijl zij het hoofd schudde en de vuist dichtkneep. „Vastberaden, een man van karakter, Trot! Een man, die zich niet laat influenceeren dan ten goede, door niemand, door niets. Dat is het wat ik hoop, dat gij worden zult. Dat hadden ook uw vader en uwe moeder kunnen zijn en dat zou hun geluk verhoogd hebben—dat weet de Hemel!”
Ik zei te hopen aan hare beschrijving te zullen beantwoorden.
„Ten einde u te gewennen op uzelven te leeren vertrouwen en in kleinigheden voor uzelven te zorgen, zal ik u dat reisje alleen laten doen. Ik had er eerst over gedacht mijnheer Dick met u mede te laten gaan, maar bij nader inzien is het beter, dat mijnheer Dick hier blijft om voor mij te zorgen.”
Een oogenblik keek mijnheer Dick een weinig teleurgesteld, maar de eer en de waardigheid om voor de bewonderenswaardigste vrouw van de wereld te zorgen, brachten weder een zonnestraal op zijn goedig gezicht.
„Bovendien”, voegde tante er bij, „de memorie is nog niet af.”
„Ja juist”, zei mijnheer Dick haastig, „het is mijn plan, Trotwood, de memorie nu onmiddellijk af te maken.... onmiddellijk! En dan zend ik haar in, begrijpt ge.... en dan......” voegde hij er na eene kleine pauze bij, „dan kan het goede leven beginnen.”
Ingevolge het lieve plan van tante, vertrok ik eenige dagen later, met eene welgevulde beurs, een nieuw reiskoffertje en vele goede raadgevingen. Bij mijn vertrek gaf tante mij menigen goeden raad en een aantal hartelijke kussen mede en zeide, dat aangezien hare bedoeling was dat ik eens in de wereld zou rondkijken en eens over verdere plannen nadenken, zij mij aanbeval op de heen- of op de terugreis eenige dagen in Londen door te brengen. In één woord, ik was vrij om te doen en te laten wat ik wilde gedurende drie of vier weken, zonder eenige bindende voorwaarde dan rond te kijken en na te denken en minstens driemalen 's weeks een trouw verslag van mijn wedervaren in te zenden.
Ik ging eerst naar Canterbury, ten einde afscheid te nemen van Agnes en van mijnheer Wickfield—en van mijn oude kamertje, dat ik eigenlijk nog niet voorgoed verlaten had—en van den goeden, ouden doctor Strong. Agnes was blijde mij te zien en vertelde mij, dat het huis scheen uitgestorven nadat ik weg was.
„Ik verzeker u, dat ik niet weet hoe ik het heb, nu ik hier weg ben,” zei ik. „Ik heb een gevoel, alsof ik mijn rechterhand mis, als ik u niet bij mij heb. Dit zegt wel weinig, want er is noch een hoofd, noch een hart in mijn rechterhand. Iedereen, die u kent, Agnes, wint uw raad in en wordt gaarne door u geleid.”
„Iedereen, die mij kent, bederft mij,” antwoordde Agnes, „geloof dat maar.”
„Neen, dat komt omdat er geen tweede meisje bestaat zooals gij. Gij zijt zoo goed en heb zulk een zacht humeur. Gij zijt zoo lief en zoo zacht en hebt altijd gelijk.”
„Gij spreekt”, zei Agnes, in een schaterlach uitbarstend, „als ware ik de oudste juffrouw Larkins.”
„Foei, het is niet mooi van u misbruik te maken van hetgeen ik u in vertrouwen heb meegedeeld,” antwoordde ik, blozende bij de herinnering aan mijn blauwe zielsvriendin. „Maar ik blijf u toch vertrouwen, Agnes. Ik zal dat nooit kunnen laten. Wanneer ik ziek of verliefd ben, zal ik het u altijd meedeelen, als ik het u ook mag laten weten wanneer ik eens in ernst verliefd wordt.”
„Zijt gij dan niet altijd in ernst verliefd geweest?” vroeg Agnes lachend.
„O, toen was ik nog een kind, een schooljongen!” antwoordde ik, op mijne beurt lachend, maar toch ook een weinig beschaamd. „De tijden zijn nu veranderd en ik onderstel op zekeren dag heel ernstig verliefd te zullen zijn. Wat mij echter verwondert, is waarom gij nog niet ernstig verliefd zijt, Agnes.”
Agnes schudde lachend het hoofd.
„O, ik weet zeker, dat gij niet verliefd zijt, anders zoudt gij het mij wel hebben verteld,” hernam ik. „Of, tenminste,” ging ik voort, omdat ik zag, dat zij een kleur kreeg, „gij zoudt het mij wel hebben laten raden. Maar er is, voor zoover ik weet, niemand, die verdienen zou u lief te hebben Agnes. Iemand, wien ik mijne toestemming zou geven, moet een veel edeler karakter hebben en uwer veel waardiger zijn dan een van de jongere heeren, die ik hier heb ontmoet. Ik zal voortaan een waakzaam oog houden op alle aanbidders en voor dengene, wien het geluk te beurt valt in uw smaak te vallen, zeer veeleischend zijn, dat verzeker ik u.”
Zoo gingen wij eenigen tijd voort op dien vertrouwelijken toon, waarin scherts en ernst elkaar afwisselden en die het natuurlijk gevolg was van den gemeenzamen omgang, van onze kinderjaren af.
Plotseling keek Agnes mij met hare lieve oogen zeer ernstig aan en zei op een geheel anderen toon:
„Trotwood, ik moet u nog iets vragen en zal daartoe waarschijnlijk in langen tijd niet in de gelegenheid zijn—iets, dat ik zeker aan niemand dan u zou willen vragen. Hebt gij niet opgemerkt dat papa in den laatsten tijd veranderd is?”
Ik had reeds lang verandering bij haar vader opgemerkt en mij verbaasd, dat zij het ook niet deed. Ook moet ik dat getoond hebben, want zij sloeg hare oogen neer en ik zag, dat zij hare tranen niet kon inhouden.
„Zeg mij dan eens wat gij daarvan denkt?” vroeg zij zacht.
„Zal ik heel openhartig zijn, Agnes? Gij weet, dat ik veel van uw vader houd.”
„Ja,” antwoorde zij.
„Ik geloof, dat hij verkeerd doet door toe te geven aan de slechte gewoonte, die, sinds ik hier ben, hoe langer hoe sterker is geworden. Hij is dikwijls erg zenuwachtig—of verbeeld ik mij dat?”
„Dat verbeeldt gij u niet,” zei Agnes hoofdschuddend.
„Zijne handen beven, zijne spraak is eenigszins belemmerd en zijne oogen dwalen rond. Ik meen ook opgemerkt te hebben, dat hij altijd geroepen wordt, juist wanneer hij het minst geschikt is om zaken te doen.”
„Door Uriah,” zei Agnes.
„Ja en het gevoel van ongeschikt te zijn om zaken te behandelen, van ze niet begrepen te hebben, of van zich in dien toestand te hebben vertoond, schijnt hem dan zoo te vervolgen, dat het den volgenden dag nog erger is en den daarop volgenden weer erger, zoodat hij hoe langer hoe meer verslapt en vermagert. Schrik niet van hetgeen ik u vertel, Agnes, maar ik zag hem laatst 's avonds in dien toestand achter zijn lessenaar zitten, met het hoofd op zijne handen en schreiend als een kind!”
Zacht legde zij hare hand op mijn mond, toen ik nog meer wilde zeggen, en in het volgende oogenblik liep zij haar vader te gemoet, die de kamer inkwam. Beiden keken mij aan en de uitdrukking, die op dit oogenblik in haar gelaat lag, trof mij diep. Er lag zulk eene teederheid in voor hem, zulk een dankbaarheid voor al zijne liefde en zorg, zulk eene dringende bede aan mij, om hem zelfs in mijne geheimste gedachten met verschooning te behandelen en niet hard voor hem te zijn; zij was op eens zoo trotsch op hem en zoo in aanbidding van zijn goede hart en toonde daarbij zooveel medelijden en verdriet en zooveel vertrouwen op mijn medegevoel, dat zij met woorden geen dieperen indruk op mij had kunnen maken of mij meer had kunnen ontroeren.
Wij gingen theedrinken bij den doctor op het gewone uur en vonden doctor Strong met zijne jonge vrouw en haar moeder om den haard zittende. De doctor, die over mijn heengaan sprak, alsof ik naar China ging, ontving mij als een hooggeachten gast en liet nog een blok hout op het vuur werpen, ten einde het gelaat van zijn oudsten leerling nog eens te zien gloeien.
„Ik zal in Trotwood's plaats niet veel nieuwe gezichten meer zien, Wickfield,” zei de doctor, terwijl hij zijne handen warmde: „ik word lui en verlang naar rust. Over een half jaar zeg ik al mijn jongelui vaarwel en ga stil leven.”
„Dat hebt gij tien jaar geleden ook al gezegd doctor,” antwoordde mijnheer Wickfield.
„Maar nu meen ik het en zal het gebeuren. Mijn oudste onderwijzer zal mij opvolgen—het is mij nu ernst—zoodat gij spoedig ons contract zult dienen op te maken, ten einde ons te binden, alsof wij de grootste schelmen zijn.”
„En zorg te dragen,” voegde mijnheer Wickfield er bij, „dat gij niet bedrogen uitkomt, nietwaar? En dat zoudt gij zeker bij elk contract, dat gij zelf zoudt opmaken. Welnu, ik ben tot uw dienst. Er worden mij wel onaangenamer bezigheden opgedragen.”
„Ik behoef dus aan niets te denken,” zei de doctor, „dan aan mijn dictionnaire en.... aan dit lastpostje”—hij wees op Annie.
Toen mijnheer Wickfield glimlachend naar haar keek—zij zat bij Agnes aan de theetafel—kwam het mij voor, dat zij zijn blik met zulk eene ongewone schroomvalligheid vermeed, dat het zijn aandacht trok, alsof hij zich iets moest te binnen brengen.
„Zooals ik zie, is er een post aangekomen uit Indië,” zei hij na een oogenblik van algemeene stilte.
„Ja, ja,” antwoordde de doctor, en ook een brief van Jack Maldon.
„Wel zoo!”
„Arme Jack!” zei mevrouw Markleham hoofdschuddend. „Dat ellendige klimaat! Men heeft mij verteld, dat het daar is als woonde men onder een brandglas op een zandhoop! Hij zag er wel sterk uit, doch was het niet. Het was niet zijn gestel, dat hem zoo vermetel deed schijnen, beste doctor, maar zijn sterke geest. Gij zult u nog wel herinneren, Annie, dat uw neef nooit sterk was, niet wat men forsch zou kunnen noemen,” voegde zij er met nadruk bij, terwijl zij ons een voor een aankeek.... „gij herinnert u dat zeker nog wel uit den tijd, toen gij beiden nog kinderen waart en den ganschen dag samen speeldet.”
Annie gaf geen antwoord.
„Moet ik uit hetgeen gij daar zegt tot het besluit komen, dat mijnheer Maldon ziek is, mevrouw?” vroeg mijnheer Wickfield.
„Ziek?” riep de oude Overste. „Mijn waarde heer, hij is van alles!”
„Behalve gezond?”
„Behalve gezond, ja waarlijk zoo is het,” antwoordde mevrouw Markleham. „Hij heeft zeker reeds meer dan eenmaal een hevigen zonnesteek gehad en dan plagen hem de moeraskoortsen en allerlei andere kwalen, die gij maar bedenken kunt. En wat zijn lever aangaat, och, daarvan deed hij reeds afstand nog eer hij wegging!”
„En schrijft hij u dat alles?” vroeg mijnheer Wickfield.
„Schrijven? Maar, mijn waarde heer,” riep de oude Overste, met haar hoofd en haar waaier schuddende, „gij kent mijn armen Jack Maldon niet als gij zulk eene vraag kunt doen! Schrijven? Eerder zou hij zich door vier wilde paarden in stukken laten scheuren!”
„Mama!” riep mevrouw Strong.
„Annie, lieve”, hernam hare moeder, „eens voor altijd verzoek ik u mij niet in de rede te vallen dan om hetgeen ik zeg te bevestigen. Gij weet zeer goed dat uw neef Maldon zich liever door vier wilde paarden—maar waartoe zou ik mij bepalen tot vier? Ik _wil_ mij niet bepalen tot vier—door acht, zestien, twee-en-dertig wilde paarden in stukken zou laten scheuren, dan zich te beklagen over hetgeen de doctor over hem besloten heeft.”
„Het geschiedde op voorstel van Wickfield”, zei de doctor, terwijl hij zijn raadgever berouwvol aankeek. „Dat wil zeggen, wij hebben eigenlijk samen het plan opgemaakt. Ik heb gezegd: hier of buitenslands.”
„En ik heb gezegd,” voegde mijnheer Wickfield er op plechtigen toon bij, „buitenslands. Ik achtte het beter, dat hij buitenslands ging. Ik draag dus alle verantwoordelijkheid.”
„O! verantwoordelijkheid!” zei de oudste Overste. „Alles is gedaan tot zijn bestwil, mijn waarde heer Wickfield; alles is gedaan met de beste en vriendelijkste bedoelingen, dat weten wij wel. Maar indien de arme jongen daar niet leven kan, dan kan hij daar ook niet leven. En indien hij er niet leven kan, zal hij er sterven, liever dan de plannen van den doctor in de war te sturen. Ik ken hem,” zei de oudste Overste, al waaiende en met een aandoenlijken profetischen blik herhaalde zij nogmaals: „liever zal hij sterven dan de plannen van den doctor in de war sturen.”
„Wel, mevrouw,” zei de doctor op blijmoedigen toon, „ik ben niet zulk een vereerder van mijn eigen plannen, dat ik ze niet zelf in de war zou kunnen sturen! Ik kan er immers andere voor in de plaats stellen. Indien mijnheer Jack Maldon terugkeert, omdat hij ziek is, mag hij niet meer daarheen gaan; wij zullen dan trachten hier eene betrekking voor hem te vinden, die beter voor hem geschikt is.”
Mevrouw Markleham was zoo ontroerd door deze edelmoedige woorden—die zij, ik behoef dat niet te zeggen, noch voorzien noch uitgelokt had—dat zij alleen de verklaring kon afleggen, dat de doctor weder alleen zijn goede hart liet spreken, waarbij zij eenige malen een kus op haar waaier en dezen op de hand van den doctor drukte. Daarna wendde zij zich tot hare dochter en beknorde haar op vriendelijken toon, omdat zij niet meer vreugde aan den dag legde, nu men, ter wille van haar, haar ouden speelmakker zooveel welwillendheid bewees; eindelijk onthaalde zij ons nog op eenige bijzonderheden aangaande sommige verdienstelijke familieleden, die nog op hunne verdienstelijke beenen geholpen moesten worden.
Gedurende al dien tijd sprak hare dochter Annie geen woord en sloeg zelfs hare oogen niet op. Gedurende al dien tijd bleven mijnheer Wickfield's oogen onafgewend op haar gevestigd. Het scheen mij toe dat hij meende door niemand te worden gadegeslagen, want hij was zoo in gedachten over haar verdiept, dat hij nergens anders acht op sloeg. Eindelijk vroeg hij wat Jack Maldon over zich zelven geschreven had en aan wien de brief was gericht?
„Wel, hier is hij!” zei mevrouw Markleham, over het hoofd van den doctor heen een brief van den schoorsteen nemende, „de beste jongen schrijft aan den doctor zelven.... waar staat het? O, hier.... ‚Het spijt mij u te moeten mededeelen, dat mijne gezondheid volstrekt niet goed is en ik vrees genoodzaakt te zullen zijn voor eenigen tijd naar het vaderland terug te keeren zijnde dit voor mij de eenige hoop op herstel!’ Dit is nog al duidelijk! De arme jongen! Zijn eenige hoop op herstel! De brief van Annie is nog duidelijker! Geef mij dien eens Annie!”
„Nu niet, mama”, sprak Annie, bijna op smeekenden toon.
„Lieve kind, in sommige dingen zijt gij het zonderlingste schepsel dat ik ken”, zei de oude Overste, „en handelt gij onnatuurlijk tegenover de leden uwer familie. Ik geloof, dat wij nooit een woord van dezen brief vernomen zouden hebben, als ik er niet naar gevraagd had. Noemt gij dat vertrouwen stellen in doctor Strong? Het verbaast mij zeer. Gij behoordet beter te weten.”
De brief werd met tegenzin te voorschijn gehaald en toen ik dien aannam om hem aan mevrouw Markleham over te reiken, zag ik hoe haar handje beefde.
„Laat ons nu eens zien,” zei de oude Overste, terwijl zij haar lorgnet opzette, „waar staat het ook? ‚De herinnering aan vroegere dagen.... neen.... dat is het niet. En hoe maakt onze beminnelijke oude proctor het?’... Goede Hemel, Annie, wat schrijft hij onleesbaar en wat ben ik dom! ‚Doctor’, natuurlijk! Ja, wel beminnelijk!” Zij hield even op, kuste den waaier nogmaals en wuifde er mede in de richting van doctor Strong, die stil en vergenoegd naar ons zat te kijken.... „Nu heb ik het: ‚Het zal u niet verbazen te vernemen, Annie!’.... neen, zeker niet, want zij wist altijd dat hij niet sterk was; waar ben ik ook gebleven?.... ‚dat ik genoeg heb uitgestaan in het afgelegen land om te besluiten het hoe eerder hoe beter te verlaten, kan het, met een verlof wegens ziekte, is dit onmogelijk, dan moet ik mijn ontslag wel nemen. Hetgeen ik hier heb uitgestaan en nog uitsta, is met geen pen is beschrijven!’ En zonder de welwillendheid van den besten aller menschen,” voegde mevrouw Markleham er bij, terwijl zij weder op dezelfde wijze naar doctor Strong telegrapheerde en den brief dichtvouwde, „zou mij de gedachte aan zijn lijden geen oogenblik rust laten.”
Mijnheer Wickfield sprak geen woord, ofschoon de oude dame hem aankeek, alsof zij zich gereed hield alle opmerkingen die hij op den inhoud van den brief maken wilde, te wederleggen; zwijgend en met eene gestrenge uitdrukking op zijn gelaat keek hij naar den grond. Lang nadat dit onderwerp en nog vele andere, die er niets mede te maken hadden, waren afgehandeld, bleef hij zoo zitten; nu en dan sloeg hij de oogen eens op en keek dan met peinzend gefronste wenkbrauwen den doctor of diens vrouw of beiden eenige oogenblikken aan.
De doctor hield veel van muziek en Agnes zoowel als mevrouw Strong hadden lieve, zachte stemmen. Zij zongen en speelden eenige duetten, zoodat wij een klein concert hadden. Ik merkte echter twee dingen op: ten eerste, dat, hoewel Annie weder volkomen kalm was, er tusschen haar en mijnheer Wickfield eene klove scheen te zijn, die hen geheel van elkander scheidde; ten tweede, dat de vriendschap tusschen zijne dochter en mevrouw Strong mijnheer Wickfield scheen te mishagen en hij die met eene zekere ongerustheid scheen gade te slaan. En thans moet ik bekennen, dat hetgeen ik had waargenomen op den avond van het vertrek van Jack Maldon in mijne herinnering eene beteekenis kreeg, die ik er nooit aan gehecht had. Annie's mooi, onschuldige gezichtje was niet zoo mooi en onschuldig meer in mijne oogen als vroeger; ik begon de aangeboren aanvalligheid in hare manieren te wantrouwen en wanneer ik aan Agnes dacht, die naast haar zat, en bedacht hoe goed en trouw Agnes was, kwam het vermoeden in mij op, dat de vriendschap van Agnes voor het jonge vrouwtje misplaatst was.
Annie scheen echter zoo gelukkig en Agnes ook dat zij den avond deden voorbijvliegen. Er gebeurde nog iets, dat ik mij herinner. Toen wij afscheid namen en Agnes hare vriendin wilde omhelzen en kussen, drong mijnheer Wickfield als bij toeval tusschen haar in en nam Agnes haastig mede. En toen zag ik dezelfde uitdrukking op het gelaat van mevrouw Strong als dien avond van Jack Maldon's vertrek, toen ik het echtpaar verraste en zij haar gelaat tot den doctor had opgeheven. Ik kan niet zeggen welken indruk dit op mij maakte of hoe onmogelijk het mij later was, wanneer ik aan haar dacht, haar in mijne herinnering terug te roepen zonder dien blik, mij haar gezichtje in al de frissche bekoorlijkheid van hare jeugd voor den geest te brengen. Naar huis gaande vervolgde het mij langs den geheelen weg. Het scheen mij toe alsof het huis van den doctor in eene donkere, sombere wolk was gehuld. De eerbied, dien ik had voor zijne grijze haren, ging thans gepaard met medelijden met het vertrouwen, dat hij stelde in hen, die hem verrieden, en met weerzin aan hen, die hem onrecht aandeden. Als een dreigende onweerswolk zag ik een groote ramp naderen, zag ik, zonder dat ik er een bepaalden vorm aan kon geven, schande komen over het stille plekje, waar ik gewerkt en gespeeld had als jongen. Ik kon niet langer met genoegen denken aan de reusachtige, breedgekroonde aloë's, die alle een tijdperk van een honderd jaren vertegenwoordigden, noch aan het gladde, keurig onderhouden grasperk en aan de steenen vazen en aan het doctorspad en aan het eentonig geluid van de klok in de domkerk, dat over alles heenzweefde. Het was alsof het heiligdom uit mijn knapentijd was bestormd en uitgeplunderd in mijne tegenwoordigheid, en de vrede, die daar steeds had gewoond, de goede naam, dien het altijd had gehad, naar alle winden verstrooid waren.
De morgen brak aan en daarmede mijn afscheid van het oude huis, dat Agnes onvergetelijk voor mij had gemaakt, hiermede was mijne ziel geheel vervuld. Zonder twijfel zou ik, spoedig zelfs, daar nog eens terugkomen, wellicht nog meermalen op mijn oude kamertje slapen; maar de dagen, waarin ik het bewoonde, waren voorbij; _die_ goede oude tijd behoorde tot het verleden. Toen ik mijne boeken en kleederen, die nog naar Dover gezonden moesten worden, inpakte, greep mij dit meer aan dan ik aan Uriah Heep wilde laten blijken, hij was zoo vriendelijk mij te helpen, maar ik kon toch de booze gedachte niet onderdrukken, dat hij blijde was mij te zien vertrekken.
Ik slaagde er echter in bij het afscheid van Agnes en van haar vader een zekere onverschilligheid ten toon te spreiden en nam plaats op den bok van de diligence op Londen. Toen ik door de straten van het oude stadje reed, was ik zoo zachtmoedig en vergevensgezind gestemd, dat ik op het punt was om tegen mijn ouden vijand, den slager te knikken en hem vijf shillings toe te werpen om op mijne gezondheid te drinken. Hij keek echter zoo stuursch, terwijl hij in zijn winkel het groote hakblok stond af te schrappen, en had nog altijd zulk een onaangenaam uiterlijk—nadat ik hem een voortand had uitgeslagen was dit niet verbeterd—dat ik het maar beter vond hem niet in zijn werk te storen.
Toen wij eenmaal op weg waren, dit herinner ik mij zeer goed, was het mijn voornaamste zorg mij tegenover den koetsier zoo oud mogelijk voor te doen en mijne stem grover te doen schijnen dan zij was. Dit laatste vooral viel mij uiterst moeilijk, maar ik hield het vol, omdat ik begreep dat hij mij dan voor volwassen zou houden.
„Rijdt gij door, mijnheer?” vroeg de koetsier.
„Ja, William,” antwoordde ik op vertrouwelijken toon—ik kende hem zeer goed—„ik ga naar Londen. Later reis ik door naar Suffolk.”
„Op de jacht, mijnheer?” vroeg hij.
Ik wist evengoed als hij dat men in dien tijd van het jaar met denzelfden ernst kon beweren in Suffolk op de walvischvangst te gaan; maar dat deed er niet toe, ik voelde er mij toch door gestreeld.
Ik deed het voorkomen alsof ik nog niet vast besloten was en zei: „ik weet niet of ik nog zal gaan jagen.”
„De patrijzen moeten bijzonder schuw zijn dit jaar,” zei William.
„Ja, dat heeft men mij ook verteld,” antwoordde ik.
„Zijt gij in Suffolk geboren, mijnheer?”
„Ja, Suffolk is mijn graafschap,” gaf ik met eene zekere deftigheid ten antwoord.
„De appelkoeken moeten daar zoo lekker zijn, heb ik wel eens hooren zeggen,” hernam William. Ik was er mij niet van bewust, doch vond het noodzakelijk de eigenaardigheden van mijn graafschap in eere te houden en mijne bekendheid daarmede te veinzen; ik schudde daarom het hoofd alsof ik wilde zeggen: „Nu dat zou ik denken!”
„En paarden!” vervolgde William. „Een goed Suffolksch paard is zijn gewicht in goud waard. Hebt hij ooit paarden gefokt in Suffolk?”
„N....een,” antwoordde ik! „zelf niet.”
„Hier, achter ons zit een heer, die ze bij honderdtallen gefokt heeft.”
De heer, dien hij bedoelde, was ontzettend scheel, had een ver vooruitstekende kin, droeg een lagen witten hoed met een smallen, platten rand en de pijpen van zijne nauwe, grijsachtige broek waren van de schoenen tot de heupen, bij wijze van slobkousen, met knoopjes vastgemaakt. Hij keek over den schouder van den koetsier en was met zijn gezicht zoo dicht bij mij, dat ik zijn adem tegen mijn achterhoofd voelde en toen ik mij omwendde om naar hem te kijken, knipoogde hij heel vertrouwelijk met het oog, dat niet scheel was.
„Hebt gij niet?” vroeg William.
„Of ik wat heb?” zei de vreemdeling achter mij.
„Honderde paarden gefokt in Suffolk?”
„Nu, dat zou ik meenen,” antwoordde de schele heer. „Er is geen soort van paarden, dat ik niet gefokt heb, en geen soort van honden ook. Paarden en honden worden door sommige menschen uit liefhebberij gehouden; maar voor mij zijn ze eten en drinken..... woning, vrouw en kinderen.... lezen, schrijven en rekenen.... snuif, tabak en slaap.”
„Dat is eigenlijk geen man om achter den bok te zitten, is hij wel?” fluisterde William mij in, terwijl hij de teugels een weinig aantrok.
„Ja, als gij gaarne hier zoudt willen zitten,” zei ik, „dat is wellicht beter.” Ik begreep dat deze opmerking den wensch in zich sloot, dat ik mijn plaats zou afstaan, hetgeen ik met deze woorden blozend deed.