Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 3

Chapter 34,152 wordsPublic domain

„Goeden nacht!” zei ik.

„Kom, wij moeten goede vrienden worden,” antwoordde de vreemdeling lachend. „Geef mij een hand.”

Mijne rechterhand lag in de linker van mijne moeder zoodat ik hem de andere aanbood. „Wel, dat is het verkeerde handje,” zei hij, nog steeds lachend.

Mijne moeder bracht mijne hand naar hem toe, maar ik was om de reeds vermelde redenen vastbesloten hem die niet te geven en ik deed het ook niet. Ik gaf hem de andere, die hij hartelijk schudde, zeggende: „gij zijt een flinke jongen,” waarna hij heenging.

Nu nog zie ik hem den tuin doorloopen en zich omkeeren, om ons met zijne onheilspellende zwarte oogen een laatsten blik toe te werpen, eer de deur gesloten werd.

Peggotty, die geen woord gesproken en geen vinger verroerd had, schoof onmiddellijk de grendels voor de deur, waarna wij te zamen naar de huiskamer gingen. Tegen hare gewoonte—zij zat anders altijd in haar leunstoel bij den haard—bleef mijne moeder aan het andere einde van de kamer en neuriede een lied.

„Ik hoop dat gij een aangenamen avond gehad hebt, mevrouw,” zei Peggotty, die met eene kaars in de hand, onbeweeglijk als een groote ton midden in de kamer stond.

„Dank u, Peggotty,” antwoordde mijne moeder bijzonder opgeruimd. „Dank u, ik heb een _zeer_ genoegelijken avond doorgebracht.”

„Och ja, vreemd gezelschap geeft wel eens eene aangename afwisseling,” ging Peggotty voort.

„Ja, eene zeer aangename afwisseling inderdaad,” bevestigde mijne moeder.

Aangezien Peggotty roerloos midden in de kamer bleef staan en mijne moeder weder begon te neuriën, viel ik in slaap; maar ik sliep niet zoo vast dat ik hare stemmen niet hoorde, al verstond ik niet wat zij spraken. Toen ik uit deze onverkwikkelijke sluimering ontwaakte, vond ik Peggotty en mijne moeder beiden in tranen en in druk gesprek.

„Zulk een zou mijnheer Copperfield zeker niet goedgevonden hebben, dat zeg ik en daar doe ik een eed op!” zei Peggotty.

„Lieve Hemel!” riep mijne moeder, „gij zult mij nog razend maken! Welk ongelukkig meisje werd ooit zoo slecht behandeld door hare dienstboden als ik! Waarom doe ik mij toch onrecht door mij een meisje te noemen? Ben ik dan niet getrouwd geweest, Peggotty?”

„God weet dat gij het geweest zijt, mevrouw,” antwoordde Peggotty.

„Hoe durft gij het dan zeggen,” sprak mijne moeder.... „gij weet wel, dat ik niet bedoel hoe gij het durft, Peggotty, maar hoe gij zoo onhartelijk kunt zijn om mij het leven zoo onaangenaam te maken en mij zulke bittere woorden toe te voegen, terwijl gij heel goed weet dat ik, behalve u, geen sterveling heb met wien ik er over spreken kan!”

„Reden te meer,” antwoordde Peggotty, „om te zeggen dat het niet gebeuren moet. Neen! Dat het niet gebeuren moet! Neen! Voor geen geld op de wereld mag het gebeuren! Neen!...”

Ik dacht dat Peggotty den kandelaar van zich wilde afwerpen, zoo opgewonden zwaaide zij er mede rond.

„Hoe kunt gij toch zoo overdrijven, Peggotty?” sprak mijne moeder, in tranen uitbarstende. „Hoe is het mogelijk op zulk eene onrechtvaardige wijze te spreken! Hoe kunt gij zoo doorslaan alsof alles al onherroepelijk beslist was, terwijl ik u een- en andermaal vertel, wreed schepsel, dat er niets dan gewone burgerlijke beleefdheden zijn gewisseld. Gij spreekt over bewonderen? Maar als de menschen zoo dwaas zijn om mij te bewonderen, is dat dan _mijne_ schuld? Wat moet ik daartegen doen? Ik vraag het u, wat moet ik daartegen doen? Zoudt gij willen dat ik mijne haren liet afscheren of mijn gezicht zwart maken of mij misvormde door een brandvlek of iets dergelijks? Ik geloof dat gij zoo iets wel zoudt willen, Peggotty. Ik geloof dat gij er u in verheugen zoudt, Peggotty.”

Naar het mij voorkwam trok Peggotty zich dit verwijt zeer aan.

„En mijn lieve jongen,” riep mijne moeder uit, terwijl zij op den leunstoel toeliep en mij liefkoosde, „mijn eigen, kleine David! Zal men wellicht willen beweren dat ik te kort schiet in liefde voor mijn heerlijken schat, voor het liefste, kleine kereltje, dat ooit heeft bestaan?”

„Niemand zal dat ooit beweren,” antwoordde Peggotty.

„En gij hebt het gedaan, Peggotty!” hernam mijne moeder. „Gij weet dat gij het gedaan hebt. Wat anders kon ik afleiden uit hetgeen gij hebt gezegd, gij, onvriendelijk schepsel; terwijl gij evengoed weet als ik, dat ik alleen ter wille van hem laatst geen nieuwe parasol heb willen koopen, niettegenstaande de oude groene bijna geheel versleten is en de franje er aan ontbreekt. Dat weet gij heel goed, Peggotty. Gij kunt dat niet ontkennen.” Daarna keerde zij zich naar mij en legde haar wang tegen de mijne. „Ben ik eene slechte moeder voor u, Davy? Ben ik eene slechte, wreede, zelfzuchtige moeder? Zeg dat ik het ben, mijn kind, zeg ‚ja’, beste jongen, dan zal Peggotty van u houden en Peggotty's liefde is veel meer waard dan de mijne. Ik heb u in 't geheel niet lief, doe ik wel?”

Na deze woorden begonnen wij in koor te schreien. Ik vermoed dat ik het luidst schreide, maar ik ben er zeker van dat wij het allen ernstig meenden. Het was hartverscheurend en ik vrees in de eerste vlaag van opgewondenheid Peggotty een „beest” genoemd te hebben. De goede, trouwe ziel was diep bedroefd, dat herinner ik mij zeer goed, en zal bij deze gelegenheid vermoedelijk al haar knoopjes verloren hebben, want het was een geregeld snelvuur in de kamer, toen zij, na zich met mijne moeder verzoend te hebben, bij den grooten leunstoel neerknielde en zich ook met mij verzoende.

Wij gingen allen in een bedrukte stemming naar bed. Ik snikte zoo hevig dat ik niet slapen kon en toen ik ten gevolge van een bijzonder krachtigen snik opsprong, vond ik mijne moeder over mij heengebogen op mijn bed zitten. Ik viel in hare armen in slaap en sliep tot laat op den dag rustig door.

Of ik reeds den volgenden Zondag dien vreemden heer zag of dat er meer tijd is verloopen tusschen de beide ontmoetingen kan ik mij niet meer herinneren. De datums staan mij niet helder meer voor den geest. Maar op dien Zondag was hij in de kerk en wandelde met ons naar huis. Hij kwam ook binnen om eene reusachtige geranium te bewonderen, die in het kleine kamertje stond. Het komt mij nu voor dat hij er niet veel aandacht aan schonk, maar eer hij heenging verzocht hij mijne moeder hem er een takje van te geven. Zij verzocht hem er zelf een uit te kiezen, maar dat weigerde hij—ik kon niet verstaan waarom—en toen plukte zij er een af en gaf het hem. Hij zeide toen dat hij er nooit, nooit van zou scheiden en ik dacht dat hij erg dom moest zijn, om niet te weten dat het binnen één of twee dagen verwelkt zou wezen.

Peggotty begon des avonds weg te blijven; zij zat niet meer altijd bij ons, zooals zij vroeger gedaan had. Mijne moeder ontzag haar meer dan ooit—_ik_ merkte dit zelfs op—en wij waren de beste vrienden, toch waren wij anders dan vroeger, anders dan wij gewoon waren, wij voelden ons niet op ons gemak. Somtijds meende ik dat Peggotty het niet kon verkroppen als mijne moeder al de mooie japonnen droeg, die zij in de kast had, en dat zij het niet goed vond als mijne moeder zoo dikwijls bij diezelfde buren op visite was; maar ik kon het toch met mij zelven niet eens worden wat er eigenlijk haperde.

Langzamerhand begon ik er mij aan te gewennen dien heer met de zwarte bakkebaarden dikwijls te zien. Ik hield niet meer van hem dan bij de eerste ontmoeting en bleef jaloersch op hem; maar indien ik al eenige andere aanleiding daartoe had dan een instinctmatigen kinderlijken afkeer en het gevoel, dat Peggotty en ik mijne moeder genoeg konden liefhebben, dat was toch niet de aanleiding, die ik op lateren leeftijd daartoe zou gehad hebben. Zoo iets kwam zelfs niet in mij op. Ik kon mijne opmerkingen maken, als het ware bij gedeelten; maar van die verschillende onderdeelen een geheel samen te stellen, daartoe was ik veel te jong.

Op zekeren herfstmorgen was ik met mijne moeder in den voortuin, toen mijnheer Murdstone—ik wist nu, hoe hij heette—te paard langs kwam. Hij richtte zich in de stijgbeugels op om mijne moeder te groeten en vertelde, dat hij op weg was naar Lowestoft om eenige vrienden te bezoeken, die daar met een yacht waren. Hij was zoo lief om voor te stellen mij mede te nemen voor op het zadel, ten minste als ik niet bang was.

Het was zulk heerlijk weer en het paard scheen zelf zooveel lust te hebben in den rit—het stond te trappelen en te snuiven bij de tuindeur—dat het denkbeeld mij bijzonder toelachte. Ik werd dus naar boven gezonden, naar Peggotty, om wat opgeknapt te worden en gedurende dien tijd steeg mijnheer Murdstone af en wandelde met de teugels over den arm langzaam op en neer langs de buitenzijde van de heg, terwijl mijne moeder hem aan de binnenzijde gezelschap hield. Ik herinner mij nog hoe Peggotty hen door het kleine venster van mijne slaapkamer bespiedde; ik herinner mij nog hoe dicht zij met de hoofden bij elkander kwamen, toen zij de heg, die tusschen hen was, met de grootste aandacht bekeken en hoe Peggotty, die eerst zoo goed gemutst was geweest, plotseling boos werd en mijne haren bijzonder hard den verkeerden kant op kamde.

Mijnheer Murdstone en ik draafden een oogenblik later over het groene gras, dat langs den weg stond. Hij hield mij met ééne hand losjes vast en ik geloof niet, dat ik in den regel zoo onrustig was als ditmaal; maar ik kon, terwijl ik daar voor hem zat, niet nalaten nu en dan mijn hoofd om te wenden en hem aan te kijken. Hij had die zekere doffe, zwarte oogen—ik kan oogen, die geen diepte hebben, niet anders beschrijven—die, wanneer ze doelloos rondzien, door de eene of andere eigenaardigheid van het licht misvormd schijnen, die nu en dan scheel lijken. Telkens wanneer ik hem aankeek, merkte ik deze eigenaardigheid met een zekeren angst op en was nieuwsgierig naar hetgeen, waarover hij zoo zat te peinzen. Zijn haar en zijne bakkebaarden waren zwarter en dikker dan ik ooit gemeend had. Iets vierkants in het benedengedeelte van zijn gezicht en de sporen van den zwarten baard, dien hij elken dag afschoor, deden mij denken aan de wassen beelden, die een half jaar te voren in ons dorp te zien waren geweest. Dit, zijne regelmatige wenkbrauwen en het fraaie wit, zwart en bruin van zijne gelaatskleur—vervloekt zij zijne gelaatskleur en zijne nagedachtenis!—brachten mij, in weerwil van mijn afkeer, tot de overtuiging dat hij een knap man moest zijn. Ik twijfel niet of mijne arme moeder dacht er eveneens over.

Wij stapten af aan een hôtel dicht bij het strand en vonden in eene kamer twee heeren, die in een wolk van sigarendamp waren gehuld. Zij lagen ieder op minstens vier stoelen en waren gekleed in wijde, ruige buizen. In een hoek waren een aantal jassen en schippersbuizen benevens een vlag opgestapeld.

Toen wij binnenkwamen sprongen beide heeren van hunne stoelen op—of liever, zij lieten zich er afrollen—en riepen: „Wel, Murdstone, zijt gij daar? Wij dachten dat gij dood waart!”

„Nog niet!” antwoordde mijnheer Murdstone.

„En wat is dat voor een kereltje?” vroeg een van hen, toen hij mij in het oog kreeg.

„Dat is Davy,” antwoordde mijnheer Murdstone.

„Davy.....?” vroeg de vreemde heer nogmaals. „Jones?”

„Copperfield,” verbeterde mijnheer Murdstone.

„Wat? Een zoontje van die betooverende mevrouw Copperfield, van dat mooie, lieve weeuwtje?”

„Quinion,” zei mijnheer Murdstone, „wees voorzichtig als ik u verzoeken mag. Zeker iemand is bij de pinken.”

„Wien bedoelt gij?” vroeg de vreemde heer lachend.

Ik keek snel op, want ik was nieuwsgierig te weten wien hij bedoelde.

„Zekere Brooks van Sheffield,” zei mijnheer Murdstone. Ik was bepaald honderd pond lichter nu zij mijnheer Brooks bedoelden, want in het eerste oogenblik meende ik dat ik zelf zoo bij de pinken was.

Er scheen iets grappigs verbonden te zijn aan dien mijnheer Brooks van Sheffield, want beide heeren barstten in lachen uit, toen zijn naam werd genoemd en mijnheer Murdstone lachte hartelijk mede. Na eenige oogenblikken zei de heer, dien hij Quinion genoemd had: „En hoe denkt mijnheer Brooks van Sheffield over de plannen?”

„Wel, ik geloof niet dat mijnheer Brooks er op het oogenblik veel van begrijpt,” antwoordde mijnheer Murdstone, „maar ik geloof ook dat zijn oordeel niet gunstig is.”

Er werd na dit gezegde nog harder gelachen en mijnheer Quinion schelde en bestelde sherry, ten einde op de gezondheid te drinken van mijnheer Brooks. Toen de wijn gebracht was, schonk hij een glas halfvol, gaf er mij een beschuitje bij en eer ik dronk, stond hij op en zei: „De drommel hale Brooks van Sheffield!” Deze toast werd met gejuich begroet en zij lachten zoo hartelijk dat ik begon mee te doen, waarop zij nog harder lachten. Kortom, wij amuseerden ons kostelijk. Daarna gingen wij op de rotsen wandelen en in het gras zitten en keken door een verrekijker—ik zag niets, wanneer zij mij er door lieten kijken, maar beweerde dat het heel mooi was—en toen keerden wij terug naar het hôtel en dineerden vroeg. Zoolang wij buiten waren rookten de beide vreemde heeren onophoudelijk door en indien ik moest afgaan op de lucht van hunne ruige jassen, moeten zij dat wel gedaan hebben van het oogenblik af, waarop deze van den kleermaker gekomen waren. Ik zou bijna vergeten te vertellen dat wij ook aan boord van het yacht gingen en dat de drie heeren, zoodra zij in de hut waren, zich verdiepten in eenige papieren, die daar lagen. Toen ik door de lantaarn naar beneden keek, waren zij ijverig aan het schrijven. Zij hadden mij aan de hoede toevertrouwd van een aardigen man met een bijzonder groot hoofd, rood haar en een glimmenden hoed van wasdoek, waarop in hoofdletters het woord „Leeuwerik” geschreven stond. Ik meende dat hij zoo heette en dat hij, op het schip geen straatdeur hebbende om zijn naam bij te plaatsen, dit boven den rand van zijn hoed deed; maar toen ik hem „mijnheer Leeuwerik” noemde, vertelde hij mij dat het de naam van het schip was.

Ik merkte den geheelen dag op, dat mijnheer Murdstone deftiger en bedaarder was dan de beide andere heeren, die erg vroolijk en zorgeloos schenen. Zij schertsten veel met elkander, maar in het geheel niet met mijnheer Murdstone. Het kwam mij voor dat hij bekwamer en voornamer was dan zij en dat zij ongeveer op dezelfde wijze over hem dachten als ik. Ik merkte eenige malen op dat mijnheer Quinion, als hij sprak, mijnheer Murdstone van ter zijde aankeek, om zeker te zijn dat hij hem niet mishaagde; en dat mijnheer Passnidge—zoo heette de andere heer—eerstgenoemde op den voet trapte en in het geheim een wenk gaf om eens op mijnheer Murdstone te letten, die zwijgend voor zich zat te kijken. Op dit oogenblik herinner ik mij dat mijnheer Murdstone in het geheel niet lachte dien dag behalve over de Brooks-van-Sheffield-grap, die van hem zelf was.

Wij keerden des avonds vroeg naar huis terug. Het was een mooie avond en mijne moeder en hij maakten nog eene wandeling langs de heg, terwijl ik naar binnen werd gezonden om thee te drinken. Toen hij weg was moest ik mijne moeder alles vertellen wat ik gezien en gehoord had en wat zij gezegd en gedaan hadden. Ik vertelde hetgeen zij van haar gezegd hadden, waarop zij begon te lachen en zei dat die heeren heel ondeugend waren en onzin praatten—maar ik wist dat het haar genoegen deed. Ik wist dat toen even goed als ik het nu weet. Ik nam de gelegenheid waar om te vragen of zij ook een zekeren Brooks van Sheffield kende; zij antwoordde „Neen”, doch onderstelde dat het een scharen- en messenfabrikant was.

Kan ik zeggen dat haar gezicht, al weet ik dat ik het mij veel ouder voorstel dan ik het mij eigenlijk voorstellen moest en dat het tot stof is vergaan, kan ik zeggen dat het weg is, terwijl ik het mij zoo duidelijk voor den geest kan halen als een gezicht, dat ik verkies aan te kijken in een propvolle straat? Kan ik van hare meisjesachtige schoonheid, die nu vergaan is, zeggen dat zij weg is, terwijl ik nu nog haar adem op mijne wang voel evenals dien avond? Kan ik zeggen dat zij ooit veranderd is, wanneer ik haar mij altijd slechts kan voorstellen zooals zij toen was, wanneer mijn geheugen blijft vasthouden aan hetgeen ik in mijne jeugd heb liefgehad?

Ik schrijf over haar zooals zij was, toen ik naar bed was gegaan op dien avond en zij mij goeden nacht kwam zeggen. Met een lachend gezicht knielde zij voor mijn ledikantje neer en terwijl zij haar kin op hare gevouwen handen legde, vroeg zij:

„Wat zeiden zij ook weer, Davy? Vertel het mij nog eens. Ik kan het niet gelooven.”

„De betooverende...,” begon ik, maar mijne moeder legde mij de handen op den mond. „‚Betooverende’ kunnen zij niet gezegd hebben,” sprak zij lachend. „Het kan niet ‚betooverend’ geweest zijn. Dat weet ik zeker, Davy.”

„Jawel, betooverende mevrouw Copperfield,” herhaalde ik nogmaals. „En ‚mooie’.”

„Neen, neen, ‚mooie’ niet”, zoo viel mijne moeder mij in de rede, terwijl zij opnieuw de hand op mijn mond legde.

„Jawel; mooi, lief weeuwtje.”

„Dwaze, onbeschaamde mannen!” riep mijne moeder lachend uit, terwijl zij de handen voor het gelaat hield. „Het is belachelijk! Vindt gij ook niet, Davy? Zeg eens, lieve Davy....”

„Wat is het, mama?”

„Vertel het toch niet aan Peggotty; zij zou misschien boos worden. Ik ben ook boos op die heeren, maar ik wilde het toch liever niet aan Peggotty vertellen.”

Natuurlijk beloofde ik het en wij kusten elkaar herhaaldelijk en eindelijk viel ik in slaap.

Den tijd, die sedert verloopen is, in aanmerking genomen, komt het mij voor, dat Peggotty den volgenden dag het buitengewone en avontuurlijke voorstel deed, dat ik nu zal vertellen—en toch waren er vermoedelijk twee maanden verloopen sedert mijn tocht naar Lowestoft.

Op zekeren avond—mijne moeder was uit—zaten wij, zooals gewoonlijk, in gezelschap van de breikous en het elletje en het stukje waskaars en de naaidoos met de Sint-Paulskerk op het deksel en het krokodillenboek in de huiskamer, toen Peggotty, na mij verscheidene malen aangekeken en haar mond geopend te hebben alsof zij iets zeggen wilde,—ik dacht dat zij slaap had en gaapte, anders zou het mijne aandacht wel eerder getrokken hebben—plotseling zei: „Hoe zoudt gij er over denken, jongeheer Davy, eens veertien dagen met mij naar Yarmouth te gaan, naar mijn broeder? Zou dat niet prettig zijn?”

„Is uw broeder een lieve man, Peggotty?” vroeg ik, om niet terstond toe te happen.

„O, hij is zulk een lieve man!” riep Peggotty met de handen in de hoogte. „En dan de zee... en de schepen en de schuiten... en de visschers en het strand en Am om mede te spelen....” Zij bedoelde haar neef Ham, over wien ik in het eerste hoofdstuk gesproken heb.

Ik was in de wolken over al de heerlijkheden, die zij opsomde, en zei dat het inderdaad heel, heel prettig moest zijn, maar vroeg toch ook wat mijne moeder er van zeggen zou.

„Wel, ik verwed er een guinje om,” zeide Peggotty, mij scherp aankijkende, „dat zij ons zal laten gaan. Indien gij er lust in hebt zal ik het haar vragen zoodra zij thuis komt. Wat zegt gij daar nu van?”

„Maar hoe zal mama het stellen wanneer wij weg zijn?” vroeg ik, mijn kleine elleboogjes op de tafel steunend ten einde de zaak met ernst te bespreken. „Zij kan ons zoo slecht missen.”

Het scheen wel dat Peggotty naar een gaatje zocht in den hiel van de kous, die zij over hare hand had getrokken; maar het moet wel een heel klein gaatje geweest zijn—niet waard om te stoppen.

„Ik zeg, mama kan ons niet missen, Peggotty; verstaat gij mij niet?”

„Groote goedheid, weet gij het dan nog niet? Uwe mama gaat veertien dagen bij mevrouw Grayper—zoo heette de buurdame—logeeren. Mevrouw Grayper krijgt het huis vol gasten.”

„O, als dat zoo is, wil ik gaarne met u medegaan.”

Met het grootste ongeduld wachtte ik tot mijne moeder van haar bezoek aan mevrouw Grayper thuis kwam, ten einde zekerheid te krijgen of dat heerlijke plan verwezenlijkt zou kunnen worden. Mijne moeder was volstrekt niet zoo verrast als ik gedacht had dat zij zijn zou, en bewilligde onmiddellijk in ons verzoek; alles werd dienzelfden avond al geregeld; er zou voor kost en inwoning betaald worden. De dag, waarop ons vertrek bepaald was, naderde snel, voor mij zelfs te snel, hoewel ik hem met koortsachtig ongeduld te gemoet zag en maar vreesde dat eene aardbeving of eene uitbarsting van een vuurspuwenden berg of een dergelijk natuurverschijnsel nog een hinderpaal zou opwerpen voor de uitvoering. Wij zouden met den vrachtwagen gaan, die dagelijks na het ontbijt vertrok, en ik had wel wat willen geven, als ik mij den avond te voren maar in een deken had mogen rollen en met den hoed op en de laarzen aan had mogen slapen.

Terwijl ik dit zoo luchthartig vertel, spijt het mij, als ik mij herinner, hoe ik er naar verlangde mijn gelukkig tehuis te verlaten, niet vermoedende dat het voor eeuwig zijn zoude.

Ik ben blijde mij te herinneren dat, toen de vrachtwagen voor het tuinhek stond en mijne moeder mij kuste, een gevoel van dankbare gehechtheid aan haar en aan de oude woning mijn hart binnensloop en dat ik luid begon te schreien. Ik ben blijde te weten dat mijne moeder ook schreide en dat ik haar hart tegen het mijne voelde kloppen. Ik ben blijde mij te herinneren dat, toen de wagen zich in beweging zette, mijne moeder het tuinhek uitliep en den voerman toeriep op te houden, omdat zij mij nog een kus wilde geven. Ik zie nog hoe teeder en liefdevol zij haar gelaat naar het mijne bracht en mij een kus op den mond drukte.

Toen wij wegreden en zij aan den weg bleef staan, naderde juist mijnheer Murdstone van den anderen kant en het scheen wel dat hij haar beknorde, omdat zij zoo aangedaan was. Ik keek om den hoek van de kar en was nieuwsgierig te weten, wat het hem eigenlijk aanging en Peggotty, die langs den anderen kant van de kar keek, scheen alles behalve tevreden; dat was duidelijk op haar gezicht te lezen, toen zij weder rechtuit keek.

Ik zat eenigen tijd naar Peggotty te kijken, verdiept in allerlei mogelijke en onmogelijke onderstellingen, o. a. of ik, indien zij was uitgezonden om mij kwijt te raken evenals de jongen in het sprookje, den weg naar huis zou kunnen terugvinden door het spoor te volgen van de knoopjes, die zij onder weg zou verliezen.

III.

Veranderingen.

Het paard van de vrachtkar was het luiste dier van de wereld, naar ik hoop, en liep op een sukkeldrafje met hangenden kop voort, alsof het er vermaak in schiep de menschen, aan wie de pakjes geadresseerd waren, te laten wachten. Ik verbeeldde mij telkens dat het nu en dan hoorbaar lachte over dit denkbeeld, maar de voerman zei dat „zijn beestje” verkouden was. De voerman had de gewoonte het hoofd naar beneden te houden evenals zijn paard en droomerig voor zich te kijken, terwijl hij mende, met een van zijne armen op beide knieën. Ik zeg „mende”, maar ik onderstel, dat de kar ook zonder hem wel te Yarmouth zou zijn aangekomen, want het paard volgde zijn eigen wil; spreken deed de voerman niet, alleen floot hij nu en dan eens.

Peggotty had een mand met eetwaren bij zich, waarmede wij zouden zijn toegekomen, al hadden wij op deze wijze naar Londen moeten rijden. Een groot gedeelte van den tijd werd met eten, een ander gedeelte met slapen doorgebracht. Peggotty sliep voortdurend met haar kin op het hengsel van de mand, die zij niet losliet en ik zou het niet kunnen gelooven, als ik het niet zelf gehoord had, dat ééne zwakke vrouw zoo kan snorken.

Wij reden zoo dikwijls zijwegen in en weder terug, hadden zooveel tijd noodig voor het afladen van een ledikant aan een herberg en voor allerlei boodschappen, dat ik erg vermoeid en blijde was, toen wij eindelijk Yarmouth voor ons zagen liggen. Toen ik een blik wierp op de kale vlakte aan de overzijde der rivier, kwam er eene gewaarwording in mij op, alsof ik op eene reusachtige, natte spons keek en ik vroeg mij zelven met verbazing af hoe in mijn aardrijkskundig leerboek kon beweerd worden, dat de aarde rond was, terwijl er zulk een onafzienbare vlakte voor mij lag. Ik bedacht mij echter, dat Yarmouth wel aan een van de polen kon liggen waardoor het raadsel zou zijn opgelost.