Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 29
Ik zie mij zitten op mijne vaste plaats in de kerk, waar wij elken Zondagmorgen te zamen heengingen, na ons tot dat doel in de school verzameld te hebben. De eigenaardige aardlucht, de bewolkte hemel, het gevoel van de wereld afgezonderd te zijn, de galmende orgeltoonen tusschen de zwarte en witte, overwelfde galerijen en zijgangen, dat alles staat mij nog zoo levendig voor den geest, dat ik, er aan denkende, telkens weder in een half wakenden, half droomerigen toestand geraak.
Ik ben niet de laagste van de school. Binnen eenige maanden ben ik verscheidene jongens over het hoofd gesprongen. De eerste jongen van de school is echter in mijn oogen een wezen, dat op eene duizelingwekkende hoogte geplaatst en voor mij onbereikbaar is. Agnes zegt: „Neen,” maar ik zeg „Ja” en vertel haar, dat zij zich niet kan voorstellen, welk een schat van kennis dat wonder van knapheid reeds heeft vergaderd, wiens plaats zij meent, dat ik, zwakke beginner, eenmaal zou kunnen innemen. Hij is niet, zooals Steerforth was, mijn persoonlijke vriend of beschermer, maar ik draag hem grooten eerbied en onverdeelde achting toe. Ik ben ten hoogste benieuwd naar hetgeen hij worden zal, wanneer hij de school van mijnheer Strong verlaat, en naar hetgeen de menschheid doen zal om zich tegenover hem staande te houden.
Maar wie stoort mij daar in mijne overpeinzingen? Het is de jongejuffrouw Shepherd, op wie ik verliefd ben.
De jongejuffrouw Shepherd is een kostleerlinge op het instituut van de dames Nettingall. Ik aanbid de jongejuffrouw Shepherd. Zij is een klein meisje, dat een spencer draagt, een rond gezichtje en vlasblond, krullend haar heeft. De jongejuffrouwen van het instituut komen Zondags ook in de domkerk; ik kan onmogelijk in mijn boek zien, doch moet altijd naar de kleine Shepherd kijken. Wanneer het koor zingt, hoor ik haar stem; de preek schijnt mij toe voor haar bestemd en het gebed voor de koninklijke familie betreft ook haar. Thuis, op mijn eigen kamer, kan ik somtijds niet nalaten uit te roepen: „O, lieve jongejuffrouw Shepherd!” zoo verliefd ben ik op haar.
Langen tijd moet ik in duister rondtasten en blijf ik in twijfel omtrent hare gevoelens voor mij; maar eindelijk is het lot mij gunstig en ontmoeten wij elkander op de dansles. Zij is zelfs mijn danseuse. Ik raak even haar handschoen aan en voel eene trilling door mijn rechterarm tot in mijne haren. Ik zeg haar geen enkele lievigheid, maar wij begrijpen elkander. Wij weten, dat wij niet zonder elkander meer kunnen leven.
Ik zou wel eens willen weten, hoe dikwijls ik haar in het geheim twaalf Braziliaansche noten in de hand heb gestopt. Waarom deed ik dat toch? Ze zijn geen zinnebeelden van de liefde; ze zijn moeilijk bijeen te voegen tot een eenigszins regelmatig pakje; ze zijn zoo hard, dat men ze bijna niet kan kraken, zelfs niet tusschen een deur, en zijn ze gekraakt, dan smaken ze olieachtig; en toch voel ik, dat ze een zeer toepasselijk geschenk zijn voor de jongejuffrouw Shepherd. Ook koop ik zachte anijsbeschuitjes en ontelbare sinaasappels voor haar. Eens heb ik haar in de kleedkamer een kus gegeven. O, zaligheid! Wie beschrijft mijne verontwaardiging, wie mijn angst toen den volgenden morgen het gerucht tot mij doordrong, dat de dames Nettingall haar voeten tusschen twee plankjes hadden gezet, omdat hare teenen binnenwaards groeiden!
De kleine Shepherd, zooals ik haar noem, is het onderwerp van al mijne droomen, zoodat ik niet begrijp hoe er ooit eene klove tusschen ons is ontstaan! Er wordt gefluisterd, dat de kleine Shepherd liever heeft, dat ik haar niet altijd zoo aankijk, dat zij jongeheer Jones boven mij verkiest.... Jones, een jongen zonder eenige verdienste! De klove tusschen jongejuffrouw Shepherd en mij wordt hoe langer hoe dieper. Eindelijk kom ik de kostschool van de dames Nettingall op de wandeling tegen en.... de kleine Shepherd steekt de tong tegen mij uit en lacht mij uit. Nu is alles voorbij. De toewijding van een geheel leven—het schijnt mij zoo toe, maar het is hetzelfde—is ten einde; jongejuffrouw Shepherd behoort des Zondags niet meer tot de koninklijke familie.
Ik ben opgeklommen in de school en mijne rust wordt niet meer gestoord. Ik ben nu niet meer zoo beleefd voor de jongejuffrouwen van het instituut en word niet meer verliefd, al waren er nog twintigmaal meer en al waren zij nog tienmaal mooier. Ik vind de dansles vermoeiend en begrijp niet, waarom de meisjes niet met elkaar kunnen dansen en ons ongemoeid laten. Ik begin Latijnsche verzen te leeren en verzuim telkens mijn laarzen dicht te rijgen. Doctor Strong roemt mij in het openbaar als een veelbelovend leerling; mijnheer Dick is bijna woest van blijdschap en tante zendt mij met de eerstvolgende post een guinje.
De schim van een slagersjongen rijst bij mij op evenals het gewapende hoofd in Macbeth. Wie is die slagersjongen? Hij is de schrik van de geheele Canterburysche jeugd. Een duister verhaal doet de ronde, als zou het rundervet, waarmede hij zijne haren insmeert, hem bovennatuurlijke kracht geven, zoodat hij zelfs niet bang is voor een volwassen man. Hij heeft een breed gezicht en een korten, dikken nek, ruwe, roode wangen, een leelijk karakter en eene tong, waarmede hij altijd kwaad spreekt. Vooral op de jonge heeren van de school van doctor Strong heeft hij het gemunt. Hij zegt aan iedereen, dat, indien zij iets van hem hebben moeten, hij het hun geven zal. Hij noemt er bij name—mij ook—die hij met ééne hand een pak slaag wil geven, terwijl de andere op den rug is vastgebonden. De kleinste jongens wacht hij telkens af om hen, onbeschermd als zij zijn, af te ranselen en mij schreeuwt hij op de openbare straat na voor al wat leelijk is. Om al deze redenen besluit ik mij met hem te meten.
Volgens afspraak wacht ik hem op een zomeravond in een hoekje van den wal op en ben vergezeld van de keurbende van de school. De slager heeft twee andere slagers, een jongen herbergier en een schoorsteenveger bij zich. De toebereidselen worden gemaakt en daar staan de slager en ik tegenover elkander. In een oogenblik heeft hij tienduizend vonken doen spatten uit mijn linkeroog; in het volgende oogenblik weet ik niet, waar de wal is en waar ik zelf ben. Ik weet nauwelijks meer, wie ik ben en wie de slager is, zoo verwoed hebben wij elkander vast en zoo ineengestrengeld rollen wij over het platgetrapte gras. Soms zie ik den slager, bebloed doch vol zelfvertrouwen; somtijds zie ik niets, terwijl ik zit te hijgen op de knie van mijn secondant; een volgend oogenblik loop ik moedig op mijn vijand in en sla mijn knokkels kapot op zijn gezicht, zonder dat het hem iets schijnt te deren. Eindelijk ontwaak ik, met een wonderlijk gevoel in het hoofd, als uit een vasten slaap en zie den slager heengaan, gelukgewenscht door de beide andere slagers, den herbergier en den schoorsteenveger, terwijl hij loopende zijn buis aantrekt; ik besluit daaruit, dat de overwinning aan zijn kant is geweest.
Ik word in een jammerlijken toestand thuis gebracht; men legt rauw vleesch op mijn oogen, wascht mijn gezicht met azijn en brandewijn en op mijn bovenlip ontstaat een groote, witte plek, die ontzettend opzwelt. Gedurende de eerste drie of vier dagen moet ik thuis blijven, zie er ontoonbaar uit en moet eene groene kap boven de oogen dragen; ware Agnes geen zuster voor mij, dan zou ik zeker zeer ontmoedigd zijn; maar zij troost mij en leest mij voor en zorgt, dat de tijd mij niet lang valt. Ik vertel altijd alles aan Agnes en zoo krijgt zij nu ook het geheele verhaal van den slager en, al huivert zij, zij meent toch ook, dat ik het niet heb kunnen laten.
Ongemerkt gaat de tijd voorbij, want Adams is niet meer de eerste van de school, al is hij dit menig jaar geweest. Adams heeft de school al lang geleden verlaten, zoodat niemand behalve ik hem kent, toen hij op zekeren dag doctor Strong een bezoek komt brengen. Adams zal eerstdaags door de balie worden opgeroepen, hij wordt dan advocaat en moet een pruik dragen. Het verbaast mij hem veel nederiger te vinden dan ik gedacht heb; hij maakt volstrekt niet meer den indruk van vroeger. Ook heeft hij de wereld nog niet doen ontstellen, want alles gaat—voor zoover ik kan nagaan—nog evenals vroeger en alsof hij er zich nooit in begeven had.
Een tijdruimte, waarin de helden in de dichtkunst en de helden uit de geschiedenis in onafzienbare rijen, statig langs mij heentrokken—en wat volgt dan? Nu ben ik de eerste van de school; nu kijk ik neer op de geheele reeks jongens, die onder mij staan, en verwaardig mij wel belang te stellen in degenen, die mij mij zelven in herinnering brengen uit den tijd toen ik pas hier kwam. Dat kleine jongentje ben ik zelf niet meer, ik denk er aan als aan iets, dat ik op mijn levensweg heb achtergelaten, als aan iets dat ik heb beleefd, zonder dat ik het zelf geweest ben, meestal denk ik aan hem alsof hij iemand anders geweest is.
En waar is het jonge meisje gebleven, dat ik ontmoette bij mijn eerste bezoek aan mijnheer Wickfield? Eveneens verdwenen! In hare plaats beweegt zich nu eene sprekende, geen kinderlijke gelijkenis meer door het huis en Agnes, mijne lieve zuster, zooals ik haar beschouw, mijn raadgeefster en vriendin, de goede engel van allen, die onder haar kalmeerenden, weldadigen, zelfverloochenden invloed komen, is bijna volwassen.
Welke veranderingen hebben nog met mij plaats gehad behalve dat ik grooter en breeder ben geworden en in kennis ben vooruitgegaan? Ik draag een gouden horloge en een gouden ketting, een ring aan mijn pink, en een lange jas; ik gebruik veel berenvet, hetgeen een slecht teeken is in verband met den ring. Ben ik dan weer verliefd? Ja, ik maak het hof aan juffrouw Larkins.
De oudste juffrouw Larkins is geen klein meisje meer. Zij is volwassen, al heeft zij een slank figuur, en boogt op een paar donker zwarte oogen. De oudste juffrouw Larkins is volstrekt geen piepkuiken meer, want de jongste is het zelfs niet meer en de oudste is ongeveer drie of vier jaar ouder. De oudste juffrouw Larkins zal ongeveer dertig zijn; doch ik ben smoorlijk op haar verliefd.
De oudste juffrouw Larkins heeft kennissen onder de officieren; ik vind dat minder aangenaam, want zij spreken haar op straat aan en loopen straatjes om, ten einde haar tegen te komen als zij maar een puntje ontwaren van haar hoed—zij maakt heel veel werk van haar hoeden. En dan lacht zij en praat met hen en schijnt het erg aardig te vinden. Een groot gedeelte van mijn vrijen tijd breng ik door met op en neer wandelen, ten einde haar te ontmoeten. Als ik maar eens per dag eene buiging voor haar maken kan—ik ken mijnheer Larkins genoeg om dat te mogen doen—voel ik mij veel gelukkiger. Ik verdien ook wel nu en dan een buiging, want de zielsangst, dien ik uitsta, wanneer zij het bal na de wedrennen bijwoont en daar danst met de officieren, is onbeschrijfelijk en mag wel vergoed worden, indien de rechtvaardigheid nog niet uit de wereld verdwenen is.
Mijne verliefdheid jaagt mijn eetlust op de vlucht en is oorzaak, dat ik elken dag mijn nieuwe zijden das draag. Ik kan niets doen om mij zelven wat te verheffen dan mijn beste kleederen aantrekken en zorgen, dat mijne schoenen goed blinken. Ik heb dan een gevoel of ik der oudste juffrouw Larkins meer waardig ben. Alles wat met haar in verband staat of haar toebehoort, wekt mijne belangstelling op. Mijnheer Larkins, een norsche, oude heer met een onderkin en één oog, dat onbewegelijk in zijn hoofd staat, geniet eveneens de eer van mijne belangstelling. Kan ik zijne dochter niet ontmoeten dan ga ik ergens heen, waar ik zeker weet hem te zullen zien. Te zeggen „Goeden middag, mijnheer Larkins. Hoe vaart u? Zijn de jonge dames en is uwe familie wel?” komt mij zoo brutaal voor, dat ik er bij bloos.
Ik moet telkens aan mijn leeftijd denken. Waarom zou ik vertellen, dat ik pas zeventien ben en dat zeventien jaar wel wat jong is voor de oudste juffrouw Larkins? Ik zal wel maken, dat ik in een ommezien een en twintig ben. Des avonds wandel ik geregeld voor het huis van mijnheer Larkins op en neer al snijdt het mij door de ziel, wanneer ik er de officieren zie uit- en ingaan en de oudste juffrouw Larkins in het salon op de harp hoor spelen. Zelfs loop ik nu en dan als een dief het huis rond, nadat de familie reeds te bed is, hopende te kunnen ontdekken, welke kamer die van de oudste juffrouw Larkins is,—ik durf het nu wel zeggen dat ik die van mijnheer Larkins er voor hield—; somtijds komt de wensch in mij op dat er brand zal uitbarsten, dat niemand van ontsteltenis het huis durft binnengaan en dat ik met een ladder door de menigte heendring, die tegen het raam plaats en de oudste juffrouw Larkins in mijne armen opvang, terugga om iets te halen, dat zij vergeten heeft, en in de vlammen omkom. Meestal is mijne liefde geheel belangeloos en meen ik mij tevreden te kunnen stellen met de eene of andere heldendaad te verrichten en dan onder juffrouw Larkins' oogen den laatsten adem uit te blazen. Meestal—niet altijd. Er rijzen ook wel eens schitterender visioenen voor mij op. Terwijl ik mij kleed—eene bezigheid, die ruim twee uur duurt—om naar een bal te gaan bij de familie Larkins, waarop ik mij reeds drie weken lang heb verheugd, rijzen de schoonste tafereelen voor mijne oogen op. Ik stel mij voor, dat ik den moed zal hebben om aan de oudste juffrouw Larkins eene liefdesverklaring te doen. Ik stel mij haar voor met het hoofd op mijn schouder, zeggende: „O, mijnheer Copperfield, mag ik mijne ooren gelooven?” Ik stel mij mijnheer Larkins voor, zooals hij den volgenden morgen op mij zal zitten te wachten en zeggen: „Mijn waarde Copperfield, mijn dochter heeft mij alles verteld. Jeugd is geen hinderpaal. Hier hebt gij twintig duizend pond. Maak haar gelukkig!” Ik stel mij mijne tante voor, hoe zij ons met tranen in de oogen haar zegen geeft, en zie reeds de gezichten van mijnheer Dick en doctor Strong op onze bruiloft. Ik ben een verstandige jongen—ik meen dat ik geloofde het te zijn—en heb geen hoog denkbeeld van mij zelven, maar toch komen al deze gedachten in mij op.
Ik maak mij op naar het tooverpaleis en kom er binnen. Daar staat de oudste juffrouw Larkins, schooner dan ooit, te midden van een zee van licht, van bloemen, muziek, officieren—tot mijn leedwezen—in een hemelsblauw toilet, met blauwe bloemen in het haar. Ik meen, dat het vergeet-mij-nietjes waren. Alsof zij die noodig heeft! Het is de eerste groote-menschenpartij, waarop ik genoodigd ben, en ik voel mij niet zoo erg op mijn gemak, want ik heb het gevoel van bij niemand te behooren, en niemand schijnt iets tegen mij te zeggen te hebben, behalve mijnheer Larkins, die mij vraagt hoe de schoolkameraden het maken, dat hij wel had kunnen nalaten, want ik was niet gekomen om beleedigd te worden.
Nadat ik eenigen tijd bij de deur heb gestaan, den blik onafgewend gevestigd op de godin van mijn hart, nadert zij mij... zij, de oudste juffrouw Larkins!—en vraagt mij op vriendelijken toon of ik dans.
Ik stamel met een buiging: „Met u, juffrouw Larkins?”
„Met niemand anders?” vraagt zij.
„Ik heb geen lust om met iemand anders te dansen.”
Juffrouw Larkins glimlacht en bloost—ik meen dat zij bloost—en zegt: „Het zal mij heel aangenaam zijn.... den volgenden dans.”
Het oogenblik nadert. „Ik meen, dat het een wals is,” merkt juffrouw Larkins op, als ik mij kom aanmelden. „Walst gij? Anders zal kapitein Bailey...”
Maar ik wals, en vrij goed ook, gelukkig, en voer de oudste juffrouw Larkins in den kring. Zonder eenig mededoogen beroof ik kapitein Bailey van haar gezelschap. Hij voelt zich ongelukkig, daaraan twijfel ik geen oogenblik, maar ik heb mij immers ook ongelukkig gevoeld! Ik wals met de oudste juffrouw Larkins! Ik weet niet waar ik ben, tusschen welke paren, en hoe lang ik met haar wals? Ik weet alleen, dat ik door het luchtruim zweef met een blauwe engel in mijne armen in een staat van zalige bedwelming, tot ik weder tot mij zelven kom en mij terugvind in een klein kamertje, naast haar op de sofa. Zij zit een bloem te bewonderen—een roode camelia japonnica, dit mij een halve kroon heeft gekost—in mijn knoopsgat; ik geef haar die en zeg:
„Ik vraag er een hoogen prijs voor, juffrouw Larkins.”
„Ja, waarlijk?” zegt juffrouw Larkins.
„Een takje van uw bouquet om als goud te bewaren.”
„Gij zijt een vermetele jongen,” antwoordt juffrouw Larkins. „Ziedaar.”
Zij is volstrekt niet onvriendelijk als zij me het takje geeft, waarop ik een kus druk om het daarna in mijn vest te verbergen. Juffrouw Larkins lacht, trekt mijn hand door haar arm en zegt: „Wilt gij mij nu weder bij kapitein Bailey brengen?”
Ik ben nog geheel onder den indruk van dit heerlijk gesprek en van de wals, als zij bij mij terugkomt met een leelijk, oudachtig heer, die den geheelen avond aan de whisttafel gezeten heeft, en zegt: „O, daar is mijn vermetel vriendje! Mijnheer Chestle wenscht kennis met u te maken, mijnheer Copperfield.”
Ik voel, dat hij een vriend des huizes moet zijn en ben zeer vereerd met de kennismaking.
„Ik bewonder uwe keus, mijnheer,” zegt mijnheer Chestle. „Doet u eer aan. Ik onderstel, dat gij weinig belang stelt in hop, maar ik kweek die in het groot en zoo gij ooit in de buurt komt—in de buurt van Ashford—en onze kweekerij eens wilt bezichtigen, zult gij ons veel genoegen doen.”
Ik bedank mijnheer Chestle en wij schudden elkander de hand. Ik meen een gelukkigen droom te hebben. Nogmaals wals ik met de oudste juffrouw Larkins—zij zegt, dat ik heel goed dans—en ik ga naar huis in de zaligste stemming en blijf in mijne verbeelding den geheelen nacht walsen met den arm om de blauwe leest van mijne godin. Eenige dagen lang geniet ik van de onuitsprekelijk zalige herinnering, maar ik zie haar niet op straat en krijg belet. Het half vergane takje kan mij slechts matig troosten over deze teleurstelling.
„Trotwood,” zei Agnes op zekeren dag na het eten. „Wie denkt gij wel, dat morgen trouwt? Iemand, die gij aanbidt!”
„Gij toch niet, Agnes?”
„Neen, ik niet!” riep zij, terwijl zij met haar lief gezichtje opkeek van de muziek, die zij copieerde. „Hoort gij wat hij zegt, papa?—De oudste juffrouw Larkins.”
„Met..... met kapitein Bailey?” Ik had nog juist de kracht om deze vraag te stamelen.
„Neen, niet met een kapitein. Met mijnheer Chestle, hopkweeker.”
Gedurende een of twee weken ben ik ziek van neerslachtigheid. Ik doe mijn ring af, draag mijne oudste kleeren, heb geen berenvet noodig en jammer telkens over de vergane bloem van wijlen juffrouw Larkins. Aangezien mij deze wijze van leven begint te vervelen en ik eene nieuwe uitdaging van den slager gekregen heb, werp ik het takje weg, neem de uitdaging aan en behaal een glansrijke overwinning.
Dit, de verzoening met mijn ring en een matig gebruik van berenvet zijn de laatste herinneringen uit den tijd vóór mijn zeventiende jaar.
XIX.
Ik kijk rond en doe eene ontdekking.
Ik weet niet of ik blijde was, toen ik de school van doctor Strong verliet, dan wel of het mij speet. Ik was daar heel gelukkig geweest, hield zeer veel van den doctor en in die kleine wereld was ik een persoon van gewicht. Om deze redenen speet het mij, maar om andere, die ik toch niet zou kunnen noemen, was ik blijde, dat dit tijdperk afgesloten was. Een geheimzinnig gevoel dat ik nu een jongmensch was, die op zijn eigen beenen moest staan, dat zulk een jongmensch in staat was de wonderlijkste dingen te zien en te doen, en zonder twijfel een grooten invloed zou oefenen op de maatschappij, had zich van mij meester gemaakt. Zoo machtig was de indruk, welke deze hersenschimmige denkbeelden op mijn jongensgemoed maakten, dat ik, naar het mij thans voorkomt, de school zonder eenig gevoel van leedwezen schijn te hebben verlaten. De scheiding maakte niet zulk een indruk op mij, als bij latere gelegenheden een afscheid wel gedaan heeft. Ik doe vergeefsche moeite om mij te herinneren wat ik voelde en onder welke omstandigheden ik heenging; ik kan mij dat op het oogenblik niet te binnen brengen. Ik onderstel, dat het vooruitzicht op mijn nieuw leven mij te veel heeft bezig gehouden. Ik weet wel, dat al de ervaring, die ik in mijne jeugd had opgedaan, waardeloos was geworden, en het leven mij één lang sprookje toescheen, dat ik nu zou beginnen te lezen.
Tante en ik voerden menig ernstig gesprek over het beroep, dat ik kiezen zou. Een jaar geleden had ik reeds moeite gedaan om een bevredigend antwoord te vinden op deze vraag, waarop tante herhaaldelijk terugkwam. „Wat ik het liefst zou worden?” Ik had echter geen bepaalde voorkeur voor iets. Indien ik echter door eene ingeving plotseling bedreven ware geweest in de zeevaartkunst en met het bevel ware belast geworden over eenige snelvarende schepen, om er een zegevierenden tocht om de wereld mede te maken, nieuwe landen te ontdekken, enz., dan geloof ik wel, dat ik mij daartoe geroepen zou hebben gevoeld. Maar nu zulk eene wonderlijke bestiering achterwege bleef, wilde ik mij toeleggen op een beroep, dat niet al te zeer drukte op hare beurs, en was het mijn voornemen mijn plicht te doen, wat en hoe dat beroep dan ook zou wezen.
Mijnheer Dick was altijd tegenwoordig bij onze overleggingen en trok dan een zeer ernstig en verstandig gezicht. Hij maakte slechts eenmaal eene opmerking en stelde bij die gelegenheid voor—hoe het in hem opkwam is mij nog een raadsel—dat ik koperslager zou worden. Tante nam zijn voorstel zoo euvel op, dat hij het niet waagde een ander maal zich ongevraagd in ons gesprek te mengen, hij bepaalde zich tot geduldig wachten op hetgeen tante zelve zou voorstellen, en rammelde intusschen met zijn geld.
„Ik zal u eens wat zeggen, beste Trot,” zei tante op zekeren morgen, omstreeks Kerstmis, nadat ik de school reeds verlaten had, „nu dit ingewikkelde vraagstuk nog niet is opgelost, en wij, indien wij ons overhaasten, wellicht kunnen mistasten, geloof ik dat het beter is nog wat bedenktijd te nemen. Intusschen moet gij trachten de zaak uit een ander oogpunt te bekijken dan uit dat van een schooljongen.”
„Dat beloof ik u, tante.”
„Het komt mij voor,” vervolgde tante, „dat een weinig afwisseling en een kijkje in de wereld u behulpzaam zou kunnen zijn in het nemen van een besluit. Als gij eens een reisje gingt maken. Als gij eens een bezoek bracht aan die plaats, waar gij al meer geweest zijt en aan dat rare mensch met dien onmogelijken naam.” Zij kon Peggotty nooit volkomen vergeven, dat zij Peggotty heette.
„Er is niets, dat ik liever zou doen, tante.”
„Welnu, dat is gelukkig want ik vind het heel goed. Maar het is natuurlijk en ook verstandig, dat gij het ook gaarne wilt. Ik ben trouwens vrij wel overtuigd, Trot, dat alles wat gij doet natuurlijk en verstandig zijn zal.”
„Dat hoop ik van harte, tante.”
„Uwe zuster, Betsey Trotwood,” hernam tante, „zou ook een natuurlijk en verstandig meisje geweest zijn als zij ooit het levenslicht had aanschouwd. Gij zult harer waardig zijn, nietwaar Trot.”
„Ik hoop dat ik uwer waardig zijn zal, tante. Dat zal steeds mijn streven zijn.”
„Het is eigenlijk maar gelukkig dat uwe moeder, dat ongelukkige, lieve kind niet meer in leven is”, zei tante, mij onderzoekend aankijkende, „want zij zou zoo trotsch zijn geweest op haar zoon, dat haar arme hoofdje geheel op hol zou zijn geraakt, als er tenminste nog iets in was, dat op hol zou kunnen gaan. Goede Hemel, Trot, wat doet gij mij aan haar denken!”
„Ik hoop dat u deze gelijkenis genoegen doet, tante!” antwoorde ik.
„Hij gelijkt sprekend op haar, Dick,” vervolgde zij opgewonden, „hij lijkt op haar zooals zij er uitzag voor zij ongelukkig werd—als gij mij zoo met beide oogen aankijkt, lijkt gij sprekend op haar.”
„Zoo, waarlijk?” zei mijn heer Dick.
„En hij lijkt ook op David!” zei mijne tante op beslisten toon.
„Hij lijkt zeer veel op David!” bevestigde mijnheer Dick.