Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 28
„Dit is een dag, die ons lang zal heugen, Uriah, dat is zeker,” zei juffrouw Heep, terwijl zij thee zette, „wij zullen het niet gemakkelijk vergeten dat jongeheer Copperfield ons wel een visite heeft willen brengen.”
„Ik heb al gezegd dat gij er zoo over zoudt denken, moeder,” antwoordde Uriah.
„Als ik ooit gewenscht heb dat vader bij ons mocht gebleven zijn,” ging juffrouw Heep voort, „zou het zijn om met ons gezelschap van heden avond kennis te maken.”
Ik werd verlegen onder al deze complimenten; maar ik vond het ook wel aardig zoo geëerd te worden als gast en juffrouw Heep was in mijne oogen een allerliefste vrouw.
„Mijn Uriah,” zei juffrouw Heep, „heeft langen tijd naar dezen avond gewenscht, jongeheer. Hij vreesde dat onze nederigheid een beletsel zijn zou en ik deelde die vrees met hem. Wij zijn nu eenmaal nederig, wij zijn altijd nederig geweest en zullen nederig blijven; daarbij bevinden wij ons het best.”
„Ik meen toch wel te mogen zeggen dat gij niet zoo nederig behoeft te zijn,” gaf ik ten antwoord, „tenzij gij het zelve wenscht.”
„Ik dank u wel, jongeheer,” antwoordde juffrouw Heep, „wij weten waar wij moeten staan en zijn dankbaar voor hetgeen wij hebben.”
Ik merkte op dat juffrouw Heep hoe langer hoe dichter naar mij toeschoof, en dat Uriah vlak tegenover mij had plaats genomen, terwijl zij mij als om strijd bedienden van het lekkerste, dat op tafel stond. Er was wel niet veel keus, maar ik nam den wil voor de daad en was erkentelijk voor hunne oplettendheden. Weldra begonnen zij te vertellen van tantes en ik vertelde van de mijne; en van vaders en moeders en ik vertelde van de mijne; en toen bracht Uriah het gesprek op stiefvaders en ik vertelde weer van den mijnen,—maar ik brak mijn verhaal spoedig af, want tante had mij den raad gegeven over dit punt liever te zwijgen. Een zacht klein kurkje zou echter niet beter bestand geweest zijn tegen een flinken kurketrekker, een melktandje tegen een kiezentrekker of een volant tegen een palet dan ik tegen Uriah en juffrouw Heep. Zij deden met mij wat ze wilden en ontwrongen mij dingen, die ik volstrekt niet had willen vertellen; en zij deden dit met een gemak en een zekerheid, dat ik er nu nog over bloos, als ik er aan denk, te meer wijl ik het deed met eene openhartigheid, die alleen haar oorzaak vond in mijn jeugdigen trots; ja, ik was er trotsch op, dat men mij zoo in het vertrouwen nam en voelde, dat ik daar zat als de meerdere van de beide aandachtige luisteraars.
Eén ding was zeker; zij hielden veel van elkander. Ik onderstel dat dit indruk op mij maakte omdat het zoo natuurlijk was; maar de handigheid, waarmede de een doorging op hetgeen de ander gezegd had, was niet natuurlijk—dat was kunstmatig en daartegen was ik in het geheel niet bestand. Toen ik niets meer over mij zelven te vertellen had—over mijn verblijf bij Murdstone en Grinby bewaarde ik het stilzwijgen—begonnen zij over mijnheer Wickfield en Agnes te spreken. Uriah wierp den bal naar zijne moeder en deze ving hem handig op en wierp hem terug naar Uriah; Uriah hield hem een oogenblik vast en wierp hem toen terug naar juffrouw Heep en zoo ging het voort, tot ik volstrekt niet meer wist wie hem had en geheel in de war was. Ook was er telkens een andere bal. Nu eens was mijnheer Wickfield, dan weder Agnes aan de beurt; nu eens was de voortreffelijkheid van mijnheer Wickfield, dan weder mijne bewondering voor Agnes het onderwerp van het gesprek; nu eens spraken wij over mijnheer Wickfield's zaken en inkomsten, dan weder over ons samenzijn aan tafel of over den wijn, dien mijnheer Wickfield dronk, over de reden waarom hij dien dronk, of betreurden wij het, dat hij zooveel wijn dronk; nu het een dan het ander, dan weder alles tegelijk. Gedurende al dien tijd en niet tegenstaande ik weinig sprak, maar hen alleen nu en dan eens aanmoedigde opdat zij niet al te zeer onder den indruk zouden geraken van hunne eigen nederigheid en van de eer van mijn gezelschap—gedurende al dien tijd betrapte ik er mij zelven telkens op, het een of ander los te laten, dat ik niet had moeten loslaten en zag ik de uitwerking daarvan in de trillende neusvleugels van Uriah. Ik begon mij reeds minder op mijn gemak te gevoelen en mij ver weg te wenschen, toen er iemand de straat afkwam—het was warm zoodat de deur open stond—nog eens terugliep en eindelijk binnenkwam, uitroepende: „Copperfield! Zijt gij het waarlijk?”
Het was mijnheer Micawber! Het was mijnheer Micawber in eigen persoon, met zijn lorgnet en zijn wandelstok en zijn overhemdje en zijn vriendelijk gezicht en zijne galmende stem.... mijnheer Micawber—niets veranderd!
„Mijn waarde Copperfield,” sprak hij, zijne hand uitstekende, „dit is inderdaad eene ontmoeting, die wel geschikt is om ons al de onzekerheid en de onstandvastigheid van het aardsche te doen beseffen—kortom, het is eene buitengewone ontmoeting. Terwijl ik de straat doorliep om te zien of zich ook iets zou opdoen—waarop ik tegenwoordig zeer veel hoop heb—vind ik daar een jongen, maar zeer gewaardeerden vriend terug, die verbonden is aan een der merkwaardigste tijdperken in mijn leven, ja, ik mag wel zeggen aan een keerpunt in mijn leven. Copperfield beste jongen, hoe maak je 't?”
Ik kan niet zeggen .... ik kan werkelijk niet zeggen—dat ik blijde was mijnheer Micawber _daar_ te zien; maar toch was ik blijde hem te zien en schudde hem hartelijk de hand, terwijl ik hem vroeg, hoe mevrouw Micawber het maakte.
„Dank u,” zei hij, als van ouds met de hand wuivend en zijne kin in zijn halsboord drukkend. „Mevrouw Micawber is vrij wel. De tweelingen putten niet langer de noodzakelijke bestanddeelen voor hun levensonderhoud uit de bronnen der Natuur,.... Kortom,” voedde hij er in eene uitbarsting van vertrouwelijkheid bij, „zij zijn gespeend en mevrouw Micawber heeft mij hierheen vergezeld. Zij zal blijde zijn, Copperfield, de kennismaking te hernieuwen met iemand, die altijd getoond heeft een waardig priester te zijn aan het altaar der vriendschap.”
Ik zeide, dat het mij ook zeer aangenaam zou zijn haar te zien.
„Gij zijt wel goed,” antwoordde mijnheer Micawber met een glimlach, waarna hij opnieuw zijne kin in de plooi zette en het vertrek rondkeek.
„Ik heb mijn jongen vriend Copperfield gevonden,” hernam mijnheer Micawber op hoffelijken toon, doch zonder zich bepaald tot iemand te wenden, „niet in de eenzaamheid, maar deelnemende aan een huiselijken maaltijd met eene weduwe en nog een persoon, die vermoedelijk tot haar kroost behoort—kortom, haar zoon. Het zal mij eene groote eer zijn aan beiden voorgesteld te worden.”
Onder deze omstandigheden kon ik niet minder doen dan mijnheer Micawber in kennis te brengen met Uriah Heep en zijne moeder, hetgeen ik dan ook deed. Toen zij eene buiging voor hem maakten, nam mijnheer Micawber een stoel, ging zitten en wuifde op de hoffelijkste wijze zeer genadig met zijne hand.
„De vrienden van mijn vriend Copperfield,” zei hij, „kunnen ook aanspraak maken op mijne vriendschap.”
„Wij zijn veel te nederig, mijnheer,” zei juffrouw Heep, „mijn zoon en ik zijn veel te nederig om ons vrienden te noemen van jongeheer Copperfield. Hij is wel zoo goed geweest bij ons te komen theedrinken en wij zijn hem dankbaar voor zijn gezelschap.... evenals u voor uwe woorden van zoo even.”
„Mejuffrouw,” antwoordde mijnheer Micawber met eene buiging, „gij zijt wel beleefd; en wat doet gij tegenwoordig, Copperfield? Nog altijd in den wijnhandel?”
Ik verlangde vreeselijk mijnheer Micawber weg te krijgen en antwoordde met mijn hoed in de hand en zonder twijfel met een kleur als vuur, dat ik op school was bij doctor Strong.
„Op school?” vroeg mijnheer Micawber, zijne wenkbrauwen optrekkende. „Het verheugt mij zeer dat te hooren. Evenwel, een geest als die van mijn jongen vriend”—hierbij wendde hij zich tot Uriah en juffrouw Heep—„heeft niet zulk een leerschool noodig als het geval zou wezen zonder zijne voortreffelijke kennis van menschen en dingen; zijn geest is als een vruchtbare bodem, waarin elk zaadje welig ontkiemt... kortom”—weder zulk eene uitbarsting van vertrouwelijkheid—„kortom niemand zal het zoo ver in de klassieken brengen als hij.”
Uriah wreef zijne lange, magere handen langzaam over elkander en, om zijne instemming met deze lofspraak op mij te betuigen, wrong hij zijn bovenlijf als een kurketrekker.
„Mag ik met u meegaan en mevrouw Micawber een bezoek brengen?” vroeg ik, ten einde hem maar weg te krijgen.
„Indien gij haar deze eer wilt aandoen, Copperfield,” antwoordde mijnheer Micawber opstaande. „Ik aarzel niet in tegenwoordigheid van onze vrienden hier te verklaren, dat ik gedurende eenige jaren met geldelijke moeilijkheden heb te kampen gehad, kortom, dat ik in ongelegenheden ben geraakt.”—Ik wist zeker, dat hij iets dergelijks zeggen zou, want hij liep altijd te koop met zijne ongelegenheden.—„Somtijds heb ik mij boven mijne ongelegenheden kunnen verheffen; somtijds hebben de ongelegenheden mij—kortom, zijn ze mij te machtig geweest. Er zijn tijden geweest, dat ik ze van mij af heb weten te houden; er zijn ook tijden geweest, dat ze in te grooten getale kwamen opdagen en ik het onderspit moest delven en tot mevrouw Micawber de woorden van Cato herhalen: ‚Plato, gij spreekt goed. Het is gedaan, ik geef den strijd op.’ Maar nooit heb ik grooter vreugde gekend dan in den tijd, toen ik mijn verdriet—als ik ongelegenheden, voorspruitende uit dagvaardingen van deurwaarders en wissels op twee en drie dagen, zoo noemen mag—aan mijn jongen vriend Copperfield mocht toevertrouwen.”
Mijnheer Micawber besloot deze openhartige bekentenis met te zeggen: „Mijnheer Heep! Goeden avond. Mejuffrouw Heep! Uw dienaar!” en stapte toen met den zwier van een millionair de deur uit, terwijl hij een vroolijk deuntje floot en een ontzettend leven maakte met zijn schoenen op de straatsteenen.
Mevrouw Micawber had haar intrek genomen in eene kleine herberg, waar men hun eene kamer gegeven had, die van de gelagkamer afgeschoten en doortrokken was van tabaksrook. Ik vermoed, dat dit hokje boven de keuken gelegen was, want er drong eene warme vetlucht door de reten in den vloer naar boven en de muren waren met eene glibberige zelfstandigheid bedekt. Het buffet scheen tegen het beschot te staan want er heerschte eene doordringende lucht van spiritus. Uitgestrekt op eene kleine sofa onder eene schilderij, die een wedren voorstelde, vond ik daar mevrouw Micawber, met het hoofd dicht bij het vuur, terwijl haar eene voet op het punt was om een mosterdpotje van een dientafeltje aan het andere einde van de kamer af te schoppen. Toen wij binnentraden, zei mijnheer Micawber, die vooruitging: „Lieve, vergun mij u voorstellen een leerling van de school van doctor Strong.”
Het trok mijne aandacht, dat, hoewel mijnheer Micawber, evenals vroeger in de war scheen ten aanzien van mijn leeftijd en mijn stand, zich nu toch herinnerde, dat ik een scholier was van doctor Strong. Mevrouw Micawber was even verbaasd als verheugd, toen zij mij zag. Ik was ook blijde haar terug te zien en na eene hartelijke begroeting van weêrzijden, nam ik naast haar op de sofa plaats.
„Lieve,” zei mijnheer Micawber, „als gij Copperfield eens wildet meedeelen, hoe onze tegenwoordige omstandigheden zijn, waarin hij zonder twijfel zeer veel belang zal stellen, dan zal ik de couranten eens gaan inkijken; wellicht doet zich onder de advertentiën iets op.”
„Ik meende, dat gij te Plymouth waart, mevrouw,” zei ik toen mijnheer Micawber weg was.
„Mijn beste Copperfield,” antwoordde zij, „wij zijn ook naar Plymouth geweest.”
„Om bij de hand te zijn,” voegde ik er bij.
„Juist,” hernam zij, „om bij de hand te zijn. Maar, om u de waarheid te zeggen, een man van mijnheer Micawber's talenten kon men aan het tolkantoor niet gebruiken. De invloed van mijne familie daar ter plaatse was geheel ontoereikend om mijnheer Micawber aan eene betrekking te helpen. Zij wilden iemand als mijnheer Micawber juist _niet_ hebben. Hij zou de anderen te veel in de schaduw stellen. Bovendien, ik wil dat voor u niet verhelen, jongeheer Copperfield, toen de tak van mijne familie, die te Plymouth woont, vernam, dat mijnheer Micawber in gezelschap was van mij, den kleinen Wilkins, diens zuster en de tweelingen, hebben zij hem niet zulk eene warme ontvangst bereid, als ik na zijn ontslag uit de gevangenis wel verwacht had. Inderdaad,” vervolgde zij en liet hare stem een weinig dalen,—„maar dit blijft tusschen ons—de ontvangst was koel.”
„Waarlijk!” zei ik.
„Ja,” hernam zij. „Het is wel pijnlijk de menschheid van zulk eene zijde te leeren kennen, jongeheer Copperfield, maar onze ontvangst was inderdaad zeer koel. Daaromtrent kan geen twijfel bestaan. De tak mijner familie, die te Plymouth woont, werd zelf onaangenaam tegen mijnheer Micawber, nog eer wij eene week daar woonden.”
Ik zei en ik meende het ook, dat zij zich schamen moesten.
„Ja en toch was het zoo,” vervolgde mevrouw Micawber. „En wat zou een man van mijnheer Micawber's karakter onder zulke omstandigheden beginnen? De eenige weg, die voor hem openstond, was: van dien tak mijner familie het geld te leenen om naar Londen terug te keeren, wat het ook mocht kosten.”
„En keerdet gij toen allen terug mevrouw?” vroeg ik.
„Wij keerden allen terug,” antwoordde mevrouw Micawber. „Ik heb toen den raad ingewonnen van andere takken mijner familie, om den weg te leeren, dien mijnheer Micawber te volgen had—want ik houd vol, dat hij den een of anderen weg moet inslaan, jongeheer Copperfield,” voegde zij er op haar gewonen betoogtrant bij. „Het is duidelijk, nietwaar, dat eene familie van zes personen, behalve de dienstmeid, niet van den wind kan leven.”
„Zeker, mevrouw,” antwoordde ik.
„De raad, dien wij van deze andere takken der familie kregen,” vervolgde mevrouw Micawber, „was dat mijnheer Micawber onmiddellijk zijne aandacht moest vestigen op de kolen.”
„Op wat, mevrouw?”
„Op de kolen,” was mevrouw Micawber's antwoord. „Op den handel in steenkolen. Na een gehouden onderzoek is mijnheer Micawber dan ook tot het besluit gekomen, dat er voor iemand van zijne talenten wellicht eene plaatsing zou zijn te bekomen bij den kolenhandel op de Medway. Toen was het—mijnheer Micawber zag dit, als gewoonlijk, weder zeer juist in—een eerste vereischte de Medway te _zien_. Wij gingen er dus heen en zagen de Medway. Ik zeg, ‚wij’, jongeheer Copperfield, omdat ik nimmer, nimmer mijnheer Micawber zal verlaten.” Zij zei dit met eene stem, die trilde van aandoening.
Ik liet een goedkeurend gemompel hooren en zij ging voort: „Wij kwamen aan de Medway en zagen de Medway. Mijne opinie omtrent den kolenhandel op die rivier is, dat er zeker talent toe behoort om dien met voordeel te drijven, maar ook.... kapitaal. Talent.... heeft mijnheer Micawber te over; maar kapitaal heeft mijnheer Micawber niet. Wij zagen, vermoed ik, het grootste gedeelte van de Medway en hetgeen ik zoo even zei, is mijne vaste overtuiging. Nu wij zoo dicht bij Canterbury waren, kwam het mijnheer Micawber bijna zondig voor den kathedraal niet eens te gaan bekijken, eerstens omdat de kathedraal van Canterbury zeer bezienswaardig is en wij dien nooit gezien hadden; ten tweede, omdat de mogelijkheid niet was uitgesloten, dat er zich in eene stad met een kathedraal iets voor hem zou opdoen. Wij zijn hier nu drie dagen en tot op dit oogenblik heeft zich nog niets opgedaan en het zal u niets verbazen, jongeheer Copperfield,—omdat wij geen vreemden voor u zijn—als ik u vertel, dat wij op dit oogenblik een wissel wachtende zijn uit Londen, ten einde de vertering in dit hôtel te betalen. Tot de aankomst van dien wissel,” sprak zij aangedaan, „ben ik gescheiden van mijn huis—ik bedoel onze kamers te Pentonville—van mijne kinderen.... van mijne tweelingen.”
Ik voelde diep medelijden met mijnheer en mevrouw Micawber in deze netelige omstandigheden en sprak dit ook uit, er bijvoegende, dat ik niets liever wenschte dan geld genoeg te hebben om hen van het noodige te voorzien. Het antwoord van mijnheer Micawber gaf mij het duidelijkste bewijs van de onrust, die zich van zijn gemoed had meester gemaakt. Hij schudde mij de hand en zei: „Copperfield, gij zijt een trouw vriend, maar als de nood op het hoogst is heeft elk man een trouwen vriend in zijn scheerkistje.” Bij deze droevige toespeling sloeg mevrouw Micawber de armen om den hals van haar echtvriend en smeekte hem moed te houden. Hij schreide; maar in het volgend oogenblik had hij zich reeds genoegzaam hersteld, om te schellen en den knecht twee warme nierbroodjes en een schaaltje garnalen te bestellen als ontbijt voor den volgenden morgen.
Toen ik afscheid van hem nam, drongen zij er beiden zoo op aan, dat ik dikwijls moest komen en ook eens bij hen het middagmaal moest gebruiken, dat ik het niet kon weigeren. Ik wist echter, dat ik den volgenden dag veel te werken zou hebben en dus niet kon komen, waarop mijnheer Micawber afsprak, dat hij doctor Strong een bezoek zou brengen—de wissel zou den volgenden morgen zeker komen—en mij voor den volgenden dag uitnoodigen, indien dit beter met mijne werkzaamheden was overeen te brengen. Den volgenden voormiddag werd ik dan ook uit de school geroepen en vond ik mijnheer Micawber in de spreekkamer; hij vertelde mij, dat het diner den volgenden dag zou plaats hebben en op mijne vraag of de wissel was aangekomen, drukte hij mij de hand en ging zwijgend heen.
Toen ik dien avond uit het raam keek, was ik hoogst verbaasd en verontrustte het mij, mijnheer Micawber met Uriah Heep, arm in arm te zien voorbijkomen: Uriah hoogst gevoelig voor de eer, die hem werd aangedaan; mijnheer Micawber innig vergenoegd, dat hij zijne beschermende hand over Uriah mocht uitstrekken. Maar hoe steeg mijne verbazing, toen ik den volgenden dag aan het „hôtel” kwam op het vastgestelde uur—de familie dineerde te vier uur, had mijnheer Micawber gezegd—en vernemen moest, dat mijnheer Micawber met Uriah naar huis was gegaan en een glas cognacgrog gedronken had bij de Heeps.
„Ik zal u eens iets vertellen, beste Copperfield,” zei mijnheer Micawber, „uw vriend Heep is een jongmensch die zeker eenmaal procureur zal worden. Indien ik dat jonge mensch gekend had in het tijdperk, waarin mijne ongelegenheden het toppunt hadden bereikt, dan, ja, ik kan niet anders zeggen dan dat mijne schuldeischers veel handelbaarder zouden zijn gemaakt dan zij nu waren.”
Ik begreep niet goed, hoe dit mogelijk zou geweest zijn, omdat ik mijnheer Micawber nooit iets had zien afbetalen, maar ik vroeg er niet verder naar. Ook wilde ik de hoop niet uitspreken, dat hij niet al te mededeelzaam mocht geweest zijn tegenover Uriah, noch hem vragen of zij veel over mij gesproken hadden. Ik was bang, mijnheer Micawber's gevoel te kwetsen of misschien dat van mevrouw Micawber, die in eene bijzonder weekhartige stemming verkeerde; maar toch maakte het mij ongerust en moest ik er telkens aan denken.
Wij hadden een keurig middagmaal: een sierlijken schotel visch, een gebraden lendestuk, sausijsjes, een koppel patrijzen en een podding. Verder stond er wijn en ale op tafel en na afloop van het diner maakte mijnheer Micawber eigenhandig een punchbowl. Mijnheer Micawber was bijzonder opgeruimd; nooit had ik hem nog in zulk eene stemming ontmoet. Zijn gezicht begon op het laatst te glimmen van de punch, zoodat het scheen alsof het gevernist was. Hij werd aandoenlijk, toen hij over de stad begon te praten, dronk een glas op haar welzijn en gaf te kennen, dat mevrouw Micawber en hij er met groot genoegen eenige dagen hadden doorgebracht. Later dronk hij een glas op mijne gezondheid en met ons drieën bespraken wij nog eens den tijd, waarin onze kennismaking had plaats gehad, en verkochten daarbij nog eens elk stuk, dat ik had weggebracht. Daarna dronk ik op de gezondheid van mevrouw Micawber; ten minste ik zei erg verlegen: „indien gij het mij wilt toestaan, mevrouw Micawber, zal ik nu het genoegen hebben op uwe gezondheid te drinken.” Hierin vond mijnheer Micawber aanleiding eene lofrede te houden op mevrouw Micawber's deugden, „zij is altijd mijn gids, mijn raadgeefster en mijne vriendin geweest,” zei hij, „en mocht gij ooit voor u zelven huwelijksplannen smeden, tracht dan eene vrouw te krijgen als zij—indien er namelijk een tweede zooals zij te vinden is.”
Naarmate de punch verdween, werd mijnheer Micawber opgeruimder en vertrouwelijker. Ook mevrouw Micawber werd een weinig geanimeerd en wij zongen met ons drieën het bekende lied:
„_Auld Lang Syne_” en toen wij aan de regel kwamen: „_Geef mij de hand, mijn trouwe broeder_”, gaven wij elkander ook om de tafel heen de hand, zoodat wij een kring vormden en toen wij den laatsten regel zongen, waarvan wij geen woord begrepen, waren wij werkelijk aangedaan.
In één woord, ik zag zelden guller en aangenamer gastheer dan mijnheer Micawber en dat bleef hij tot het laatst van den avond, toen ik afscheid nam van hem en zijne lieve vrouw. Het spreekt van zelf, dat ik er volstrekt niet op voorbereid was den volgenden morgen te zeven uur het volgende briefje te ontvangen, gedateerd van den vorigen avond half tien, een kwartier nadat ik hem verlaten had.
„Mijn beste, jonge vriend!
De teerling is geworpen—alles is voorbij! Terwijl ik de knagende zorgen achter een masker van vroolijkheid verborg, heb ik u heden avond niet medegedeeld, dat alle hoop op een wissel vervlogen is. Onder deze omstandigheden, vernederend om te dragen, vernederend om aan te zien, vernederend om te verhalen, heb ik mij van de geldelijke verplichtingen, die ik in dit hôtel op mij geladen heb, gekweten door een wissel af te geven op mijn naam, te betalen over veertien dagen aan mijne woonplaats, Pentonville, Londen. Die wissel zal niet gehonoreerd worden op den vervaldag en dan is het met mij gedaan. Het onweder steekt op, de boom wordt geveld!
De ongelukkige man, die thans aan u schrijft, beste Copperfield, zij u ten waarschuwend voorbeeld. Hij schrijft u met die bedoeling en in die hoop. Kon hij denken ooit tot iets nuttig te zijn, dan, wellicht, zou er nog een straaltje zonlicht doorbreken in zijn troosteloos bestaan—hoewel op dit oogenblik twijfel bij hem oprijst of dat bestaan nog langer zal worden gerekt.
Dit is het laatste bericht, mijn waarde Copperfield, dat gij zult ontvangen van
den balling-bedelaar Wilkins Micawber.”
De inhoud van dit hartroerende schrijven deed mij zoo ontstellen, dat ik terstond naar het kleine hotel liep met het voornemen mijnheer Micawber een hart onder den riem te steken. Op weg daarheen ontmoette ik echter de diligence naar Londen; mijnheer en mevrouw Micawber zaten achterop; mijnheer als een toonbeeld van stille vergenoegdheid, glimlachende tegen zijne eega en in druk gesprek, terwijl hij voortdurend noten at uit een zakje en de hals van eene flesch uit zijn borstzak kwam kijken. Aangezien zij mij niet opmerkten, meende ik, de omstandigheden in aanmerking genomen, het best te doen hen ook maar niet op te merken. Van een zwaren last bevrijd wandelde ik door een zijstraatje naar school, en ik kan niet anders zeggen dan dat over het geheel het vertrek van de familie Micawber mij eenige verademing schonk; toch hield ik heel veel van hen.
XVIII.
Een terugblik.
Mijn schooljaren! Hoe stil gleed ik in deze dagen voort op de levensbaan, zonder zichtbare vorderingen te maken, terwijl ik toch allengs de jongelingsjaren naderde! Wanneer ik terugdenk aan dat stroomend beekje, thans eene opgedroogde, met bladeren gevulde bedding, komen mij allerlei kenteekenen voor den geest, waaruit ik ongeveer den juisten loop kan bepalen.