Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 27
De doctor zat in zijn gemakkelijken stoel bij den haard en zijne jonge vrouw op een bankje aan zijne voeten. Met een gezicht, dat straalde van welgevallen, las hij haar de eene of andere bespiegeling voor uit dat eindelooze woordenboek en zij keek naar hem op en scheen aandachtig te luisteren. Maar zulk een gelaat zag ik nooit. De schoone lijnen kwamen zoo tot haar recht, het was zoo vaalbleek, het was zoo strak tengevolge van hare afgetrokkenheid, dat ik den indruk kreeg alsof ik eene slaapwandelaarster zag, die geschrikt was van een afgrijselijk visioen. Hare oogen waren wijd geopend, hare bruine krullen lagen als dikke slangen op hare schouders en langs hare witte japon, die tengevolge van het gemis van den strik niet meer zoo nauwsluitend was als in het begin van den avond. De uitdrukking, die in hare oogen lag, kan ik niet beschrijven, maar zal ik nimmer vergeten. Thans zelfs, nu ik ouder ben geworden en meer ondervinding heb, zou ik het niet kunnen. Berouw, verootmoediging, schaamte, trots, liefde en vertrouwen—alles zie ik nog in dien blik en toch ook dat alles overheerschende, dat afgrijzen van ik weet niet wat. Toen ik binnentrad en zeide wat ik verlangde, scheen zij uit haar droom te ontwaken. Ook de doctor was gestoord, want toen ik den kandelaar terugbracht, had hij haar hoofd op vaderlijke wijze tusschen zijne handen en zeide, dat hij een onbarmhartige droomer was om haar nu nog met zijn voorlezen te plagen, want dat zij naar bed moest gaan.
Zij verzocht hem echter op hare vlugge, dringende manier te mogen blijven, te mogen voelen dat zij dezen avond geheel in zijn vertrouwen was—ik vernam tenminste eenige afgebroken klanken, welke dezen indruk op mij maakten. En toen zij, na mij bij mijn vertrek een glimlach te hebben toegeworpen, weder ging zitten, zag ik haar de handen vouwen over hare knieën en met hetzelfde gelaat, doch wat geruster, naar hem opkijken, terwijl hij voortging met lezen. Dit maakte een diepen indruk op mij en ik herinnerde mij dien indruk nog langen tijd daarna. Als de tijd daartoe gekomen is, zal ik vertellen bij welke gelegenheid dat was.
XVII.
Er komt iemand opdagen.
Het is niet in mij opgekomen melding te maken van Peggotty in de laatste bladzijden; natuurlijk schreef ik haar een brief, zoodra ik te Dover was aangeland en een tweeden, langeren, met alle bijzonderheden, toen tante Betsey mij voor goed onder hare veilige vleugelen had genomen. Op den eersten dag van mijn verblijf bij doctor Strong schreef ik haar nogmaals en deelde haar mede hoe gelukkig ik was en hoe heerlijk nu mijne vooruitzichten waren. Zeker had ik van het geld, dat mijnheer Dick mij bij het afscheid in de hand had gestopt, niet meer genoegen kunnen hebben dan hetgeen ik smaakte, toen ik in mijn laatsten brief aan Peggotty de halve gouden guinje terugzond, die zij mij geleend had; in dezen brief, niet eerder, vertelde ik haar tevens de geschiedenis met den jongen en de ezelkar.
Op al deze mededeelingen antwoordde Peggotty even spoedig, zij het dan ook al niet even beknopt als een kantoorklerk. Zij putte al hare zeggingskracht—die in inkt niet heel groot was—uit in pogingen om mij te doen gevoelen wat zij geleden had bij het lezen van mijn reisverhaal. Vier zijdjes vol afgebroken volzinnen en tusschenwerpsels, zonder punten, hier en daar gevlekt, waren ontoereikend om lucht te verschaffen aan haar opgekropt gemoed. Deze vlekken zeiden mij echter meer dan de best gestelde brief had kunnen doen; ze zeiden mij dat Peggotty boven het papier had zitten schreien; kon ik meer verlangen?
Ik begreep zonder veel moeite dat zij zich tante Betsey nog maar niet kon voorstellen als eene vriendelijke dame. Zij had te lang een vooroordeel tegen haar gekoesterd om zoo plotseling te kunnen veranderen. „Wij kennen de menschen eigenlijk nooit,” schreef zij, „maar te denken dat tante Betsey zoo geheel anders was dan zij gemeend had, dat ging haar te hoog”—dit waren hare eigen woorden. Blijkbaar was zij nog bang voor tante, want zij verzocht heel schroomvallig hare groeten; en vermoedelijk was zij ook bang voor mij en op de waarschijnlijkheid bedacht, dat ik spoedig weer zou wegloopen—tenminste ik moest dat wel opmaken uit de meer dan eenmaal herhaalde verklaring, dat het geld voor de vracht per diligence naar Yarmouth altijd voor mij gereed lag.
Eén bericht in haar brief trof mij zeer; zij schreef dat er aan onze oude woning eene verkooping van meubelen had plaats gehad; dat mijnheer en juffrouw Murdstone naar elders vertrokken waren en mijn ouderlijk huis te koop of te huur stond. De Hemel weet dat ik er volstrekt geen belang bij had of zij daar bleven of niet, maar de gedachte dat het lieve, oude huis nu zoo eenzaam en verlaten daar stond, dat het onkruid welig tieren zou op de paden en de dorre bladeren in den tuin en op het graf van mijn vader en mijne moeder zouden blijven liggen—die gedachte pijnigde mij meer dan ik hier kan beschrijven. Ik stelde mij voor hoe de wind des winters om het huis zou huilen, hoe de koude regen tegen de vensters zou kletteren en hoe de maan haar spookachtig wit licht zou laten schijnen op de kale muren van de ledige kamers. Ik dacht aan het graf mijner ouders onder den grooten boom en het scheen mij toe of het huis nu ook dood was, alsof alle banden, waarmede ik aan mijn vader en mijne moeder gehecht was, verbroken waren.
Ander nieuws bevatten Peggotty's brieven niet. Barkis was een voorbeeldig echtgenoot, schreef zij, alleen een beetje schriel; maar wij hebben allen onze gebreken en zij zelve had er in overvloed—het zou mij onmogelijk geweest zijn er een op te noemen—; Barkis zond mij zijne groeten en had gezegd dat mijn kleine kamertje altijd gereed was om mij ontvangen. Baas Peggotty was heel gezond en Ham was heel gezond en juffrouw Gummidge was maar zoo zoo en de kleine Emily wilde geen kus voor mij in den brief sluiten en had gezegd dat Peggotty zelve het maar doen moest als zij er lust in had.
Van al deze berichten deed ik trouw verslag aan mijne tante; alleen hield ik dat van de kleine Emily voor mij zelven, wel wetende dat tante dit niet heel vriendelijk zou opnemen. Toen ik pas bij doctor Strong was, kwam zij mij meermalen bezoeken, maar altijd onverwachts—ten einde mij te verrassen, denk ik. Maar zij vond mij altijd nuttig bezig en aangezien ik mij een goeden naam maakte en zij van alle kanten vernam, dat ik heel vlijtig was, staakte zij deze bezoeken al heel spoedig. Ik zag haar des Zaterdags om de drie of vier weken, als ik voor pleizier naar Dover ging, en ik zag mijnheer Dick des Woensdags om de veertien dagen; hij kwam dan tegen den avond met de diligence en bleef tot den volgenden morgen.
Bij dergelijke gelegenheden reisde mijnheer Dick nooit zonder zijne lederen schrijfportefeuille, waarin zich het noodige schrijfgereedschap en de memorie bevonden; ten opzichte van deze laatste begon het hem nu duidelijk te worden, dat het tijd werd om zich wat te haasten en dat het nu werkelijk eens tot eene uitgave komen moest.
Mijnheer Dick was een hartstochtelijk liefhebber van peperkoek, en ten einde hem zijn bezoeken zoo aangenaam mogelijk te maken, had tante mij last gegeven een crediet voor hem te openen in een koekwinkel, echter onder de beperkende voorwaarde, dat ik op een en denzelfden dag niet meer dan een shilling mocht besteden. Dit en de omstandigheid, dat al de kleine rekeningetjes van de herberg, waar hij sliep, aan mijne tante moesten gezonden worden eer zij betaald werden, wekte het vermoeden bij mij op dat mijnheer Dick wel met zijn geld mocht rammelen, maar het niet mocht uitgeven naar believen. Bij een nader onderzoek bleek mij dat mijn vermoeden juist was, tenminste dat er eene overeenkomst bestond tusschen tante en hem, en hij al zijne uitgaven aan haar verantwoordde. Aangezien het niet in hem opkwam haar te bedriegen en hij niets liever wenschte dan haar genoegen te doen, was op deze eenvoudige wijze alle verkwisting buitengesloten. Mijnheer Dick was op dit punt, zoowel als op alle andere punten, overtuigd dat tante de verstandigste en bewonderenswaardigste aller vrouwen was; zooals hij mij menigmaal in diep geheim en op fluisterenden toon verzekerde.
„Trotwood,” vroeg hij met eene geheimzinnige uitdrukking op zijn gelaat, na mij op zekeren Woensdag deze vertrouwelijke mededeeling weder gedaan te hebben, „weet gij wie die man is, die zich in de buurt van ons huis schuil houdt en haar telkens angst aanjaagt?”
„Tante angst aanjaagt, mijnheer?”
Hij knikte bevestigend. „Ik meende,” zei hij, „dat niets haar angst zou kunnen aanjagen, want zij is,”—hij begon weder te fluisteren—„vertel dat aan niemand, de verstandigste en bewonderenswaardigste aller vrouwen.” Toen hij dit gezegd had, deed hij een stap achteruit, ten einde de uitwerking van zijne woorden beter te kunnen gadeslaan.
„De eerste keer dat hij kwam,” ging hij voort, „was... laat mij eens zien... zestienhonderd negen-en-veertig werd koning Karel onthoofd.... gij zeidet immers zestienhonderd negen-en-veertig?”
„Ja, mijnheer.”
„Ik begrijp niet hoe het mogelijk is,” antwoordde hij, erg in de war en voortdurend het hoofd schuddende. „Ik ben toch nog niet zoo oud?”
„Maar was het dan in dat jaar, dat die man voor het eerst verscheen?” vroeg ik.
„Maar hoe is dat mogelijk!” riep mijnheer Dick. „Ik begrijp volstrekt niet hoe het in dat jaar kan geweest zijn, Trotwood. Hebt gij dien datum uit de geschiedenisboeken geleerd?”
„Ja, mijnheer.”
„Kunnen geschiedenisboeken wel eens onwaarheid vermelden?” vroeg hij op een toon, die nog een zweempje hoop verried.
„Wel neen, mijnheer,” antwoordde ik zoo beslist mogelijk. Ik was nog jong en naïef, en meende werkelijk dat het zoo was.
„Ik kan het niet uitmaken,” hernam hij hoofdschuddende. „Er moet iets in de war zijn, wat het is weet ik niet. Hoe het zij, het moet spoedig nadat men zich zoo vergist en het geharrewar uit koning Karel's hoofd in het mijne gebracht heeft, geweest zijn. Toen is die man voor de eerste maal verschenen. Ik maakte na de thee een wandeling met juffrouw Trotwood, en toen wij tegen het donker thuiskwamen, stond hij vlak bij de deur.”
„Gingt gij wandelen?” vroeg ik.
„Wandelen?” herhaalde mijnheer Dick. „Laat eens zien. Ik moet het mij eens goed herinneren. N..ee..een, hij ging niet wandelen.”
Als de kortste manier om er achter te komen, vroeg ik: „Wat deed hij dan?”
„Wel, hij was er niet,” antwoordde hij, „hij kwam achter ons aan en fluisterde iets. Toen keerde juffrouw Trotwood zich om en viel flauw en ik bleef staan en keek hem aan en toen ging hij heen; maar het zonderlinge van het geval is dat hij sinds dien avond ergens, in den grond geloof ik, verborgen is.”
„Is hij sinds dien tijd ergens verborgen geweest?”
„Zeker, _is_ hij dat,” antwoordde mijnheer Dick. „Hij kwam nooit te voorschijn vóór gisteren avond! Wij gingen weer wandelen en hij kwam ons weer achterop en ik herkende hem terstond!”
„En schrikte tante ook weer?”
„Zij beefde over haar gansche lichaam,” antwoordde hij, de aandoening nabootsend en met de tanden klapperend; „zij hield zich aan het tuinhek vast... zij schreeuwde. Maar, Trotwood, kom eens hier,”—hij trok mij dicht tegen zich aan en vroeg op fluisterenden toon: „waarom gaf zij dien man geld? Ik heb het bij het maanlicht duidelijk gezien.”
„Misschien was hij een bedelaar?”
Mijnheer Dick schudde hevig met het hoofd, alsof hij deze oplossing van het raadsel met alle kracht wilde ontkennen, en na een aantal malen met de innigste overtuiging gezegd te hebben: „Neen, geen bedelaar, geen bedelaar, geen bedelaar, jongeheer!” ging hij voort: „uit mijn venster heb ik laat op den avond gezien, dat uwe tante dien man buiten het tuinhek geld gaf en dat hij toen weder wegzonk”—hij meende zeker in den grond—„en niet meer werd teruggezien. Uwe tante kwam daarna haastig en zoo geheimzinnig mogelijk aan de achterzijde het huis weder binnen en was den volgenden morgen heel anders dan gewoonlijk.” Blijkbaar verontrustte deze geschiedenis mijnheer Dick; maar ik twijfelde geen oogenblik of die onbekende bestond alleen in zijne verbeelding en moest op één lijn geplaatst worden met den ongelukkigen vorst, die hem zooveel hoofdbreken kostte; maar na eenig nadenken begon ik de vraag te overwegen of er niet twee malen eene poging kon zijn gedaan om den ongelukkigen mijnheer Dick zelf aan tante's bescherming te onttrekken en of wellicht tante, wier genegenheid voor hem mij bekend was—ik wist uit haar eigen mond immers hoe zij hem genegen was—zich genoopt had gevoeld eene som gelds te geven, ten einde hem vrede en rust te verschaffen. Ik was zelf ook zeer aan mijnheer Dick gehecht en zijn welzijn ging mij zeer ter harte, zoodat de vrees mij sterkte in mijn eenmaal opgevat vermoeden. Langen tijd nog daarna bekroop mij elken Woensdag weder de angst, dat ik hem niet in de diligence zou zien zitten. Telkens was die angst echter ongegrond, want op de vastgestelde dagen zat hij altijd met zijn grijze hoofd en denzelfden tevreden glimlach om den mond op dezelfde plaats en nooit had hij iets meer te vertellen van den man, die mijne tante zulk een schrik had aangejaagd.
Deze Woensdagen waren de gelukkigste dagen in mijnheer Dick's tegenwoordig leven en zeker waren ze niet de minst gelukkige van het mijne. Weldra kenden al de jongens mijnheer Dick; en hoewel hij nooit aan eenige andere uitspanning deelnam dan aan het oplaten van vliegers, stelde hij toch groot belang in al onze spelen. Hoe menigmaal heb ik hem niet met de grootste belangstelling zien turen naar onze knikkers en tollen, zóó vol aandacht, dat hij op het beslissende oogenblik nauwelijks ademhaalde. Hoe menigmaal heb ik hem bij het krijgertje spelen niet op een heuveltje zien staan; allen aanmoedigend en met den hoed boven het hoofd zwaaiend, Koning Karel's hoofd en alles wat daarmede in betrekking stond vergetend! Hoe menig uurtje—voor hem slechts eenige zalige oogenblikken—bracht hij des zomers door op het cricketveld! Hoe menigen kouden winterdag heb ik hem met een blauwen neus in den Oostenwind zien staan kijken naar de jongens, als zij in langen rijen de zelf gemaakte glijbanen afgleden! Hoe vergenoegd kon hij dan in zijne dikke handschoenen klappen!
Hij was aller vriend en zijne schranderheid in kleinigheden ging ieders verstand te boven. Hij kon uit sinaasappelen de vreemdsoortigste dingen snijden, waarover iedereen verbaasd was; van een vleeschpen, ja, van alles maakte hij bootjes, van beenderen uit het vleesch vervaardigde hij stukken voor het schaakbord; van oude kaarten Romeinsche zegewagens, wielen met spaken van garenklosjes en vogelkooien van oud ijzerdraad. Van bindtouw en stroo kon hij alles maken wat hij wilde—daarvan waren wij allen overtuigd. Zijne vermaardheid drong spoedig door tot buiten de school. Nadat hij eenige malen te Canterbury geweest was, informeerde doctor Strong bij mij naar mijnheer Dick en ik vertelde hem alles wat mijne tante mij verteld had. Doctor Strong's nieuwsgierigheid werd daardoor opgewekt en den eerstvolgenden Woensdag verzocht hij mij hem de gelegenheid te verschaffen kennis met hem te maken. Ik stelde de heeren aan elkander voor en toen de doctor mijnheer Dick uitnoodigde, om, wanneer ik eens niet aan het diligencekantoor of de ochtendles nog niet geëindigd mocht zijn, bij hem te komen wachten, werd het spoedig eene gewoonte, dat mijnheer Dick op het voorplein heen en weer bleef wandelen, tot ik met mijn werk gereed was, hetgeen 's Woensdags gewoonlijk vrij lang duurde. Hier maakte hij kennis met de mooie, jonge doctorsvrouw—die er den laatsten tijd bleeker uitzag dan vroeger en zich ook aan mij zeldzamer vertoonde, niet meer zoo vroolijk was als voorheen maar niet minder mooi—en zoo werd hij langzamerhand gemeenzamer met allen en kwam eindelijk in de school om daar te wachten. Hij zat altijd in een bijzonder hoekje en op een bijzonder bankje, dat „Dick” genoemd werd naar hem; hier bleef hij dan zitten met het grijze hoofd voorovergebogen, luisterende naar alles, dat om hem heen voorviel, en met den diepsten eerbied voor al de geleerdheid, die hij zelf nooit had kunnen machtig worden.
Deze vereering strekte zich ook uit tot den doctor, die in zijn oogen de geleerdste en diepzinnigste wijsgeer was, waarvan de wereld ooit gewaagde. Het duurde lang eer mijnheer Dick hem ooit anders dan blootshoofds durfde naderen en zelfs toen de doctor en hij reeds vriendschap hadden gesloten en zij te zamen op dat gedeelte van het voorplein wandelden, dat onder ons het „doctorspad” genoemd werd, nam mijnheer Dick telkens nog zijn hoed af, om zijn eerbied te toonen voor wijsheid en kennis. Hoe het kwam dat de doctor op deze wandelingen uit brokstukken van zijn woordenboek begon te lezen, heb ik nooit begrepen; vermoedelijk was dit voor hem hetzelfde alsof hij het voor zich alleen las. Hoe het zij, het werd eene gewoonte en mijnheer Dick luisterde met een gelaat, dat glom van blijden trots, en scheen te gelooven dat het Grieksche woordenboek van den doctor de heerlijkste lectuur was van de wereld.
Als ik nu nog denk aan die wandelingen langs de schoolramen—de doctor met een vergenoegden glimlach om den mond, lezende en nu en dan zwaaiende met het manuscript of deftig met het hoofd knikkende; en mijnheer Dick met de grootste aandacht luisterend, terwijl zijne gedachten op de vleugelen dier bijna niet uit te spreken woorden, de Hemel weet waarheen, vlogen—komen zij mij nog voor als een van de grappigste dingen, die ik ooit gezien heb. Ik krijg dan een gevoel alsof zij daar eeuwig hadden kunnen heen- en weerwandelen en de wereld daardoor beter zou zijn geworden; alsof duizend dingen, waarover de wereld zich druk maakt, niet half zoo goed zijn geweest voor haar en voor mij.
Agnes was spoedig op een goeden voet met mijnheer Dick en zoo maakte deze ook spoedig kennis met Uriah Heep. De vriendschap tusschen mijnheer Dick en mij nam voortdurend toe en terwijl het heette, dat hij naar mij kwam zien als voogd, raadpleegde hij mij bij elk gevoel van twijfel dat in hem oprees; hij koesterde niet alleen grooten eerbied voor mijne aangeboren schranderheid, maar was overtuigd dat ik ook een goede dosis van mijne tante geërfd had.
Op zekeren Donderdagmorgen, terwijl ik, alvorens weder naar school te gaan—wij hadden een uur les voor het ontbijt—mijnheer Dick van het hôtel naar het diligencekantoor bracht, ontmoette ik Uriah, die mij aan mijne belofte herinnerde om bij hem en zijne moeder thee te komen drinken, terwijl hij, zich in allerlei bochten draaiend, er bijvoegde: „Maar ik had niet verwacht dat gij het doen zoudt, jongeheer Copperfield; wij zijn al te nederig.”
Ik was het werkelijk tot nu toe nog niet met mij zelven eens kunnen worden, of ik van Uriah hield dan wel of ik een afschuw van hem had en toen ik daar op straat tegenover hem stond en hem vlak in het gezicht keek, verkeerde ik nog steeds in denzelfden twijfel. Ik wilde echter in geen geval voor trotsch doorgaan en zei daarom dat ik wachtte op eene uitnoodiging.
„O, als dat zoo is, jongeheer Copperfield,” zei Uriah, „en het waarlijk niet onze nederigheid is, die u terughoudt, kom dan van avond? Maar als wij te nederig zijn, hoop ik dat gij niet aarzelen zult het te zeggen, jongeheer Copperfield; want wij zijn onze nederigheid volkomen bewust.”
Ik antwoordde dat ik het mijnheer Wickfield zou vragen, en als deze er niets tegen had, waaraan ik geen oogenblik twijfelde, zou ik met genoegen komen. Het was een avond, waarop het kantoor vroeg gesloten werd, en zoo deelde ik te zes uur aan Uriah mede, dat ik gereed was om hem naar zijne moeder te vergezellen.
„Moeder zal er zeker trotsch op zijn,” zei hij, terwijl wij samen voortwandelden. „O, zij zou er zeker trotsch op zijn, als dat geen zonde was, jongeheer Copperfield.”
„En toch maaktet gij dezen morgen geen oogenblik bezwaar om te onderstellen dat ik trotsch was,” antwoordde ik.
„O, Hemel, neen, jongeheer Copperfield!” riep Uriah. „O, geloof mij, neen! Eene dergelijke gedachte is niet in mij opgekomen! Ik zou het volstrekt niet trotsch van u gevonden hebben, als gij ons te nederig hadt gevonden voor u. Want wij zijn zoo heel nederig.”
„Hebt gij in den laatsten tijd veel gestudeerd?” vroeg ik, om van dit onderwerp af te stappen.
„O, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij op den meest bescheiden toon, „het weinige dat ik lees kan geen studeeren genoemd worden. Ik heb eenige avonden een uur of twee met Mr. Tidd doorgebracht.”
„Zeker moeilijk te begrijpen?” vroeg ik.
„Voor mij is hij dikwijls moeilijk te begrijpen,” antwoordde hij, „maar ik weet niet of hij voor meer begaafden dan ik ben ook zoo moeilijk te begrijpen zal zijn.”
Na al wandelende eenigen tijd met de voorste vingers van zijn beenige hand op zijne kin getrommeld te hebben, ging hij voort: „Daar zijne uitdrukkingen in Mr. Tidd's werk, jongeheer Copperfield, die voor iemand met mijne nederige talenten moeilijk te begrijpen zijn, vooral het Latijn en Grieksch.”
„Zoudt gij gaarne Latijn leeren?” vroeg ik. „Ik wil er u gaarne les in geven”, voegde ik er bereidwillig bij.
„O, dank u, jongeheer Copperfield”, antwoordde hij hoofdschuddend. „Het is wel vriendelijk van u mij zulk een aanbod te doen, maar ik ben veel te nederig om het te durven aannemen.”
„Hoe dwaas, Uriah!”
„Neen, waarlijk niet, jongeheer Copperfield; ik ben u zeer verplicht en ik zou niets liever wenschen, dat verzeker ik u; maar ik ben al te nederig. Er zijn menschen genoeg, die mij in mijn nederigen staat wel zouden willen vertrappen, al geef ik hun geen oogenblik aanstoot door mijne geleerdheid. Want ik ben niet geleerd en zal het nimmer worden. Iemand als ik moet laag bij den grond blijven; wil ik vooruitkomen in de wereld dan moet ik nederig zijn, jongeheer Copperfield.”
Nooit zag ik zijn mond zoo wijd geopend, noch de plooien in zijne wangen zoo diep dan bij deze ontboezeming; hij schudde voortdurend met het hoofd en wrong zich uit bescheidenheid in de vreemdsoortigste bochten.
„Ik kan u geen gelijk geven, Uriah,” zei ik. „Ik geloof dat ik u veel dingen zou kunnen leeren, indien gij lust daarin hadt.”
„O, ik twijfel daar niet aan, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij, „niet het minst. Maar omdat gij zelf niet tot zulk een nederigen stand behoort, kunt gij misschien niet goed oordeelen over hen, die wel nederig zijn. Ik wil mijn meerderen niet lastig vallen met geleerdheid, dank u wel. Ik ben veel te nederig. Hier is onze nederige woning, jongeheer Copperfield!”
Wij traden zoo van de straat eene lage, ouderwetsche kamer binnen en vonden daar juffrouw Heep, het sprekend evenbeeld van haar zoon, maar verkleind. Zij ontving mij met eene onderdanige buiging en verzocht verschooning, omdat zij haar zoon een kus gaf, waarbij zij de opmerking maakte, dat al waren zij nederig, zij toch hun natuurlijk gevoel hadden, hetgeen naar zij hoopte, niemand aanstoot zou geven. Het was een heel zindelijke kamer, half zitkamer half keuken, maar geen prettige kamer. Het theeblad stond op de tafel gereed en boven het vuur hing een ketel water. Er stond een laag bureautje met drie laden, waaraan Uriah des avonds zat te lezen of te schrijven; verder lag er Uriah's blauwe portefeuille vol papieren; dan stonden er Uriah's boeken allen op een rij, met Mr. Tidd aan het hoofd, een hoekkastje met allerlei huisraad en verder de gewone meubelen. Ik herinner mij niet dat er één voorwerp in die kamer was, dat er bepaald armoedig of kaal uitzag, maar ik herinner mij wel dat het geheel dien indruk op mij maakte.
Het scheen bij juffrouw Heep's nederigheid te behooren, dat zij nog in den rouw was. Niettegenstaande er reeds een zeer lange tijd verloopen was sinds den dood van haar man, droeg zij nog steeds weduwenrouw. Als ik het mij goed herinner, was het fatsoen van den kap eenigszins gewijzigd, maar overigens was zij nog in even zwaren rouw als in de eerste dagen.