Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 26

Chapter 263,943 wordsPublic domain

Eenige van de oudste scholieren waren bij doctor Strong in den kost en door hen vernam ik—dus uit de tweede hand—eenige bijzonderheden van doctor Strong's geschiedenis; zoo o. a. dat hij ongeveer een jaar geleden getrouwd was met het mooie jonge vrouwtje, dat ik in zijne studeerkamer had gezien; dat zij geen shilling in de wereld bezat doch wel eene geheele kolonie van arme bloedverwanten, die er op uit waren den doctor uit huis en hof te verdrijven, maar—dat hij haar uit liefde getrouwd had. Ook vernam ik dat de peinzende uitdrukking op het gelaat van doctor Strong het gevolg was van zijn zoeken naar Grieksche wortels, hetgeen ik in mijne onschuld en mijne onwetendheid voor eene botanische liefhebberij van den doctor hield, te meer wijl hij altijd naar den grond keek op zijne wandelingen; tot ik tot de ontdekking kwam dat hij wortels van woorden zocht, ten einde een nieuw woordenboek samen te stellen. Adams, de oudste jongen, die heel ver in de wiskunde was, had eene berekening gemaakt van den tijd, dien doctor Strong, als hij op deze wijze voortging, zou noodig hebben om het woordenboek te voltooien en was tot het besluit gekomen, dat het, gerekend van des doctors laatsten of twee-en-zestigsten verjaardag, in een duizend zes honderd negen-en-veertig jaar gereed kon zijn.

De doctor was de afgod van de geheele school en het gehalte van de jongens moest al zeer slecht geweest zijn, als hij dat niet geweest was, want hij was de vriendelijkste man, dien men zich bedenken kan; bovendien was hij zoo eenvoudig en waar, dat zelfs de harten van de steenen vazen op den muur er door getroffen moesten worden. Wanneer hij op het voorplein heen en weer wandelde, waar de kraaien en kauwen hem met het kopje op zijde nastaarden, alsof zij wel wisten, hoeveel beter zij op de hoogte waren van hetgeen er in de wereld te koop was dan hij, en een of andere bedelaar kans zag dicht genoeg bij zijne krakende schoenen te komen om hem een wanhopend verhaal van zijne armoede op te disschen, was die bedelaar voor de volgende twee dagen weder geholpen. Dit was zoo bekend in huis, dat de onderwijzers en de oudste jongens hun best deden, om dien vagebonden den pas af te snijden en uit het venster springende, hen van het voorplein te verjagen, eer zij hunne tegenwoordigheid aan den doctor hadden kunnen verraden; somtijds gebeurde dit op eenige ellen van hem af, zonder dat hij er iets van bemerkte. Buiten zijn domein en onbeschermd, was hij als een schaap in handen van de scheerders. Hij zou zijne slobkousen uitgetrokken en weggegeven hebben. Inderdaad ging er een verhaal onder ons rond—ik weet volstrekt niet en heb ook nooit geweten wie er de zegsman van was, maar ik heb er zooveel jaren geloof aan geslagen dat ik overtuigd ben van de waarheid—dat hij op zekeren kouden winterdag zijne slobkousen aan eene bedelaarster had gegeven, die daarna in de buurt niet weinig schandaal verwekte, door met een heel klein kindje, in deze kleedingstukken gewikkeld, van deur tot deur te gaan; want iedereen kende doctor Strong's slobkousen, waarvan hij onafscheidelijk was. De legende zegt, dat hij de eenige persoon was, die ze niet herkende, toen ze korten tijd later aan de deur van een slecht befaamden uitdragerswinkel te koop hingen, waar dergelijke zaken in ruil werden genomen voor jenever; dat hij zelfs meermalen voor dien winkel bleef staan en ze met een goedkeurenden blik betastte, alsof het fatsoen iets nieuws voor hem was, iets dat beter was dan die welke hij zelf droeg.

Het was alleraardigst den doctor te zien met zijne jonge vrouw. Er was iets vaderlijks, iets welwillends in de wijze, waarop hij haar zijne teederheid toonde, waaruit alleen reeds was op te maken, dat hij een goedhartig man was. Menigmaal zag ik hen samen wandelen in den tuin bij de perziken, en somtijds kon ik hen nog nauwkeuriger gadeslaan in de studeerkamer of de huiskamer. Het scheen mij toe dat zij zeer bezorgd was voor den doctor en veel van hem hield, ofschoon ik niet geloof, dat zij veel belang stelde in zijn woordenboek, waarvan de doctor altijd eenige lijvige brokstukken in zijne zakken of in de voering van zijn hoed had, die hij haar dan onder het wandelen trachtte uit te leggen.

Ik zag mevrouw Strong dikwijls, zoowel omdat zij een soort van moederlijke genegenheid voor mij had opgevat dien morgen, toen ik mijne intrede deed op de school, later altijd heel vriendelijk voor mij was en veel belang in mij bleef stellen, als omdat zij dol veel hield van Agnes, bij wie ik haar ook later nog dikwijls ontmoette. Tusschen haar en mijnheer Wickfield, voor wien zij bang was naar het mij toescheen, bestond een gedwongen verhouding, die ook door den tijd niet beter werd. Wanneer zij daar nu en dan een avond doorbracht, deed zijn aanbod om haar thuis te brengen, haar telkens weder van schrik ineenkrimpen, en dan snelde zij gewoonlijk ijlings met mij weg. Somtijds, als wij vroolijk over het plein voor de domkerk wandelden, denkende niemand te zullen ontmoeten, kwamen wij Jack Maldon tegen, die dan altijd zeer verrast was ons te zien.

De mama van Mevrouw Strong was eene dame, die ons niet weinig vermaakte. Zij heette mevrouw Markleham, maar de jongens noemden haar nooit anders dan „de oude Overste”, omdat zij zulk een kranig, militair figuur had en zoo behendig hare familieleden tegen den doctor in het strijdperk wist te brengen. Zij was een klein vrouwtje met tintelende oogjes en droeg schijnbaar steeds dezelfde muts, opgemaakt met eenige kunstbloemen en twee kunstkappelletjes, die om de bloemen moesten fladderen. Onder ons had het bijgeloof wortel geschoten, dat deze muts in Frankrijk vervaardigd moest zijn en alleen door deze vernuftige natie kon zijn uitgevonden; maar het eenige, dat ik zeker weet, was, dat waar mevrouw Markleham zich ook vertoonde de muts ook tegenwoordig was; dat zij die naar vriendschappelijke samenkomsten meebracht in een Oostersch mandje; dat de kappelletjes altijd in beweging waren en in de woning van doctor Strong veeleer nijvere bijtjes geleken, die zich ten koste van den doctor te goed deden.

Ik had het voorrecht „de oude Overste”—men zal toch niets oneerbiedigs zoeken in deze benaming—eens te kunnen gadeslaan op zekeren avond, die onvergetelijk voor mij is gebleven om nog een ander voorval, dat ik zal vertellen. Het was de avond, waarop de doctor een partijtje gaf naar aanleiding van Jack Maldon's vertrek naar Indië—hij zou daarheen gaan als.... ja, dat weet ik niet; mijnheer Wickfield had die zaak in orde gebracht. Dit feestje viel toevallig samen met den verjaardag van den doctor. Wij hadden dien dag vacantie gehad, hem 's morgens cadeautjes gegeven, een toespraak tot hem gehouden bij monde van den oudsten jongen en „lang zal hij leven” geroepen tot wij heesch waren en bij hem de waterlanders verschenen. En 's avonds dronken mijnheer Wickfield, Agnes en ik thee in zijne studeerkamer.

Mijnheer Jack Maldon was er reeds vóór ons. Mevrouw Strong, gekleed in eene witte japon met kersrood garneersel, zat piano te spelen toen wij binnenkwamen en Maldon sloeg de bladen om van het muziekstuk. Naar het mij voorkwam zag zij er niet zoo frisch en bloeiend uit als gewoonlijk; maar toch was zij mooi, o zoo mooi!

Toen wij hadden plaats genomen, zei de mama van mevrouw Strong: „ik heb vergeten, doctor, u het compliment van den dag te maken; hoewel, zooals gij wel begrijpen kunt, mijn gelukwensch meer dan een vorm is. Ik hoop dat gij dezen dag nog dikwijls zult beleven.”

„Dank u, mevrouw,” zei de doctor.

„Dikwijls, heel, heel dikwijls,” herhaalde de oude Overste. „En niet alleen ter wille van u zelven, maar ook ter wille van Annie, van Jack Maldon en van zooveel anderen. Het heugt mij nog, John, alsof het gisteren gebeurd was, dat ik u als kleine jongen, nog een hoofd kleiner dan jongeheer David, met Annie achter de bessenstruiken bruid en bruidegom zag spelen.”

„Maar lieve mama,” zei mevrouw Strong, „laat die herinneringen toch rusten.”

„Maar, lieve Annie,” antwoordde hare moeder, „wees toch niet dwaas. Als gij nu nog bloost over zulke dingen, nu gij een oude getrouwde vrouw zijt, wanneer zult gij dan niet meer blozen?”

„Oud?” riep mijnheer Maldon uit. „Annie oud? Kom!”

„Ja John!” hernam de oude Overste. „Wel degelijk, een oude getrouwde vrouw. Al is uw nichtje niet oud in jaren—wie heeft ooit beweerd dat een meisje van twintig jaren oud is!—zij is eene oude getrouwde vrouw, omdat zij de vrouw is van doctor Strong. Het is heel goed voor u, John, dat uw nichtje nu de vrouw is van den doctor. Gij hebt in hem een invloedrijken, welwillenden vriend gevonden, die—dat durf ik voorspellen—nog welwillender voor u zijn zal dan gij verdient. Ik aarzel nooit te bekennen dat sommige leden van onze familie zulk een vriend behoeven. Gij zelf behoordet onder hen, eer uwe nicht u door haar invloed zulk een vriend bezorgde.”

Doctor Strong gaf in zijne goedhartigheid een teeken met de hand, als wilde hij zeggen, dat hetgeen hij voor Jack Maldon gedaan had niets beteekende en hij hem de herinnering daaraan wilde besparen. Mevrouw Markleham verwisselde echter van zitplaats en ging naast den doctor zitten, legde de hand, waarin zij haar waaier had, op zijn arm en zei:

„Neen, beste doctor, waarlijk, gij moet mij toestaan daarover nog eens uit te weiden, want het heeft mij zoo diep getroffen. Ik denk er steeds aan en moet er altijd over spreken; het wordt eene manie bij mij. Gij zijt onze reddende engel geweest, begrijpt gij?”

„Dwaasheid, dwaasheid,” zei de doctor.

„Neen, neen, ik vraag wel excuus;” ging de oude Overste voort. „Nu hier niemand tegenwoordig is dan onze brave en vertrouwde vriend, mijnheer Wickfield, kan ik er onmogelijk over zwijgen. Als gij zoo spreekt zal ik van mijn recht als schoonmoeder gebruik maken en u bekijven. Ik spreek oprecht en zeg niets anders dan ik meen. Hetgeen ik zeg is hetzelfde als wat ik zeide, toen gij mij zoo verbaasd deedt staan—gij weet hoe verbaasd ik was—met uw aanzoek om Annie. Niet dat die vraag zoo zonderling was—het zou belachelijk zijn dit te zeggen!—maar omdat gij haar armen vader gekend hebt en ook haar gekend hebt van een kind van zes maanden af; daarom had ik nooit gedacht dat gij nog eens mijn schoonzoon worden zoudt, ja, eigenlijk had ik gedacht, dat gij nooit meer trouwen zoudt—dat was het alleen, begrijpt gij?”

„Ja wel, ja wel,” antwoordde de doctor vroolijk. „Laat dat nu maar rusten.”

„Maar ik kan het niet laten rusten,” hernam mevrouw Markleham, terwijl zij den waaier op zijne lippen legde. „Ik denk er steeds aan. Ik spreek er over, opdat men mij zou kunnen tegenspreken als ik ongelijk heb. Welnu! Ik sprak met Annie en vertelde haar wat er was voorgevallen. ‚Lieve’, zei ik, ‚doctor Strong is hier geweest en heeft zoo waarlijk eene mooie liefdesverklaring aan u gedaan en u ten huwelijk gevraagd?’ Heb ik toen het minst invloed geoefend op haar? Neen. Ik zei: ‚Wel, Annie, vertel mij eens, is uw hart nog vrij?’ ‚Mama’, antwoordde zij schreiend, ‚ik ben nog zoo vreeselijk jong’—dat was de zuivere waarheid—‚ik weet niet of ik eigenlijk wel een hart heb?’ ‚Dan’, zei ik, ‚kunt gij er op aan, kindlief, dat het vrij is. In elk geval moet doctor Strong, die erg zenuwachtig is, spoedig antwoord hebben. Wij mogen hem niet lang in het onzekere laten.’ ‚Mama’, vroeg Annie, ‚zou hij ongelukkig zijn als ik zijn aanbod afsloeg? Als dat zoo is, dan.... ik acht hem zoo hoog.... dan zal ik hem nemen!’—En toen was de zaak beklonken!—En toen, niet eerder, zei ik tegen Annie: ‚Annie, doctor Strong zal niet alleen de plaats van een echtgenoot, maar ook die van uw overleden vader vervullen; hij zal het hoofd worden van de geheele familie, want hij is de wijste, de aanzienlijkste en, ik mag zeggen, ook de vermogendste van de familie en zal, in het kort, onze reddende engel zijn.’—Ik gebruikte dat woord toen en ik heb het heden weer gebruikt. Wat men dus van mij zeggen mag, ik kan niet van wispelturigheid beschuldigd worden.”

Het jonge vrouwtje had gedurende deze geheele redevoering stil en zwijgend naar den grond zitten kijken en haar neef stond naast haar en keek ook naar den grond. Heel zachtjes en met bevende stem sprak zij nu: „Ik hoop dat gij nu aan het einde zijt, mama?”

„Neen, lieve Annie,” antwoordde de Overste, „ik ben nog niet aan het einde. Omdat gij het mij vraagt, lieve, moet ik antwoorden dat ik nog niet alles gezegd heb. Ik moet mij over u beklagen omdat gij een weinig onnatuurlijk zijt tegenover uwe eigen familie en aangezien het mij niet baat of ik al bij u mijn beklag indien, zal ik het bij uw echtgenoot doen. Kijk dat onnoozele vrouwtje nu eens goed aan, beste doctor.”

Toen de doctor zijn vriendelijk gelaat met den eenvoudigen, welwillenden glimlach naar haar toekeerde boog zij het hoofd nog dieper. Ik zag ook dat mijnheer Wickfield haar voortdurend gadesloeg.

„Toen ik laatst eens aan dat ondeugende ding vertelde,” ging hare moeder voort, terwijl zij het hoofd schudde en haar met haar waaier dreigde, „dat er eene zekere omstandigheid in de familie was, die zij u eens moest meedeelen—ik meen zelfs verplicht was u mede te deelen—antwoordde zij dat dit hetzelfde was als u eene gunst te vragen, en aangezien gij zoo goed zijt en al hare wenschen zelfs voorkomt, wilde zij het niet doen.”

„Maar, lieve Annie,” zei de doctor. „Dat was niet goed van u. Gij hebt mij van een genoegen beroofd.”

„Bijna dezelfde woorden, die ik tot haar gesproken heb!” riep mevrouw Markleham uit. „Nu, als er weder zoo iets is en zij het u niet vertellen wil, waarde doctor, dan heb ik grooten lust het u zelve te vertellen.”

„Ik zal heel blijde zijn als gij dat wilt doen,” antwoordde doctor Strong.

„Zult ge waarlijk?”

„Zeker!”

„Welnu, dan doe ik het ook!” zei de oude Overste.

„Dat is afgesproken!”

Naar ik onderstelde was zij nu waar zij wezen wilde; zij klopte den doctor eenige malen met haar waaier—waarop zij eerst een kus drukte—op de hand en keerde met een zegevierend gelaat naar hare eerste plaats terug.

Er kwamen nu langzamerhand meer menschen, o. a. de twee onderwijzers en Adams, zoodat het gesprek meer algemeen werd; natuurlijk werd het op Jack Maldon gebracht, op zijne reis, op het land, waarheen hij vertrok, op zijne plannen en vooruitzichten. Hij zou dien zelfden avond met de postkar naar Gravesend vertrekken, waar het schip lag, waarmede hij de reis zou maken, en—als hij niet met verlof of wegens ziekte naar huis kwam—zou hij, ik weet niet hoeveel jaren wel, uitblijven. Ik herinner mij nog hoe men het algemeen eens was, dat de meeste menschen zich eene verkeerde voorstelling maken van Indië en het een heerlijk land was, behalve dat er een paar tijgers waren en het er wat warm was op het midden van den dag. Wat mij zelven aangaat, ik zag in Mijnheer Maldon een modernen Sinbad, en stelde mij hem nu reeds voor als de vriend van alle Radjah's in het Oosten, zittende onder een troonhemel, uit gouden pijpen rookend, die, recht getrokken, wel een mijl lang waren.

Mevrouw Strong had een mooie stem; ik wist dit, want ik had haar, als zij alleen was, dikwijls hooren zingen. Maar, of zij niet gaarne in gezelschap zong of niet goed bij stem was, zij kon dien avond niet zingen. Zij beproefde een duet met Jack Maldon, maar bracht het niet verder dan den eersten regel; en later toen zij het alleen wilde beproeven, begaf de stem haar plotseling en bleef zij verdrietig zitten met het hoofd over de toetsen gebogen. De goede doctor zei dat zij wat zenuwachtig was, en stelde, om de aandacht van haar af te leiden, een gezelschapsspel met kaarten voor, waarvan hij evenveel verstand had als van het bespelen der trombone. Ik bemerkte echter dat de oude Overste onmiddellijk beslag op hem legde en een compagnieschap met hem aanging, waarvoor hij echter beginnen moest, haar al het zilvergeld te geven, dat hij in den zak had.

Wij speelden heel prettig en amuseerden ons het meest met de vergissingen van den doctor, die hij elk oogenblik beging, in weerwil van de waakzaamheid der kappelletjes en tot groote teleurstelling van hare eigenares. Mevrouw Strong had afgezien van het spel, omdat zij zich niet wel voelde, en Jack Maldon speelde niet mede, omdat hij nog het een of ander te pakken had. Toen hij daarmede gereed was, kwam hij terug en ging met mevrouw Strong op de canapee zitten praten. Van tijd tot tijd stond zij eens op en keek dan over den schouder van den doctor heen, om hem te zeggen wat hij spelen moest. Zij was erg bleek en ik meende zelfs den vinger, waarmede zij de kaart aanwees, te zien beven; maar de doctor was verrukt over hare oplettendheid en scheen van hare bleekheid niets op te merken.

Aan het souper waren wij niet meer zoo vroolijk. Iedereen scheen te voelen dat het geen gewone reis was, die een der gasten ging ondernemen, en hoe meer het uur van vertrek naderde, hoe gedrukter de stemming werd, waarin het gezelschap scheen te verkeeren. Mijnheer Maldon deed zijn best om zoo spraakzaam mogelijk te zijn, maar hij was niet op zijn gemak en maakte de zaak nog erger. Ook de oude Overste, die telkens voorvallen uit mijnheer Maldon's jeugd ophaalde, had beter gedaan te zwijgen. De doctor daarentegen, die—daarvan ben ik overtuigd—in de meening verkeerde, dat iedereen zich uitstekend amuseerde, had zelf het grootste pleizier en vermoedde niets van eene gedrukte stemming.

„Annie, lieve,” zei hij, na op zijn horloge gekeken en zijn glas gevuld te hebben, „het is al meer dan tijd voor uw neef, en wij moeten hem niet ophouden, want de tijd en het getij, die beide in deze zaak betrokken zijn, wachten niet. Mijnheer Jack Maldon,” ging hij voort met het glas in de hand, „gij hebt eene lange reis en een vreemd land voor u, maar menigeen heeft dat voor zich en zal dit nog voor zich hebben in den loop der tijden. De winden, die gij gaat tarten, hebben duizenden en duizenden naar hun geluk gevoerd en evenveel duizenden gelukkig teruggebracht.”

„Het is toch aandoenlijk,” zei mevrouw Markleham—„hoe men de zaak ook bekijkt, het is aandoenlijk—een netten jongen man, dien men van zijne prilste jeugd af heeft gekend, naar het andere einde van de wereld te zien vertrekken, allen, die hij lief heeft achterlatende en zonder te weten, wat vóór hem ligt. Een jonge man, die zich zooveel opofferingen getroost, verdient wel dat men hem voortdurend”—bij deze woorden keek zij den doctor aan—„hulp en steun verleent.”

„De tijd zal voor u omvliegen,” vervolgde de doctor, „evenals voor ons. Volgens den natuurlijken loop der dingen kunnen sommigen van ons nauwelijks verwachten u bij uwe terugkomst te begroeten. Het beste is het te hopen en—dat doe ik ook. Ik zal u niet vermoeien met allerlei raadgevingen; gij hebt te lang reeds een goed voorbeeld gehad in uwe nicht Annie—tracht hare deugden na te streven.”

Mevrouw Markleham scheen het erg benauwd te krijgen, want zij schermde druk met haar waaier en schudde telkens het hoofd.

„Vaarwel, Jack,” zoo eindigde de doctor opstaande, welk voorbeeld door ons allen gevolgd werd. „Wij wenschen u eene voorspoedige reis, eene prachtige loopbaan daar ginds aan de overzijde en een behouden terugkomst!”

Wij ledigden allen ons glas na dezen toast en schudden mijnheer Jack Maldon hartelijk de hand, waarna hij haastig afscheid nam van de aanwezige dames en naar de deur snelde, waar hij ontvangen werd met luide hoezee's van de jongens, die zich daartoe buiten hadden opgesteld. Ten einde hunne gelederen te versterken, voegde ik mij bij hen en was vlak bij de postkar, toen deze wegreed; nimmer zal ik den indruk vergeten, dien ik kreeg, toen ik daar Jack Maldon met een ontroerd gezicht en iets roods in zijne hand zag vertrekken.

Na nog een hoezee! voor den doctor en nog een voor de doctorsvrouw, verdwenen de jongens en ging ik in huis terug, waar ik de gasten allen om den doctor vereenigd vond, pratende over de wijze, waarop Jack Maldon was heengegaan, hoe hij zich gehouden had en wat hij gevoeld moest hebben en zoo meer. Te midden van deze woordenwisseling riep mevrouw Markleham eensklaps: „Waar blijft Annie toch?”

Maar Annie was er niet en toen wij haar overal riepen, gaf zij geen antwoord. Allen stormden de deur uit om haar te zoeken en eindelijk vonden wij haar in de gang liggen. In het eerst was de schrik onuitsprekelijk tot men ontdekte, dat het eene gewone flauwte was, die onmiddellijk week voor de gewone middelen. De doctor had haar hoofd op zijne knie gelegd, streek de krullen zacht uit haar gelaat en zei, den kring rondkijkende: „Arme Annie! Zij is zoo trouw en zoo teerhartig! Zonder twijfel is het vertrek van den speelgenoot harer jeugd, van haar liefsten neef, er de oorzaak van. Het is jammer! Het spijt mij zeer!”

Toen zij de oogen opende en zag waar zij was en hoe wij allen om haar heen stonden, richtte zij zich met een weinig hulp op en terwijl zij dit deed, wendde zij het hoofd om en legde het op den schouder van den doctor—of verborg het—dat weet ik niet zeker. Wij gingen naar het salon, ten einde haar met den doctor en haar moeder alleen te laten, maar zij zeide dat zij, naar het scheen, beter was dan zij zich den geheelen dag gevoeld had en liever weder bij het gezelschap wilde komen; zij brachten haar binnen, nog een weinig bleek, naar ik meende, en lieten haar op de sofa plaats nemen.

„Lieve Annie,” zei hare moeder op eens, terwijl zij het toilet van hare dochter een weinig in orde bracht, „zie eens hier! Gij hebt een strik verloren. Wil iemand zoo goed zijn eens te zoeken; het is een roode strik.”

Het was de eenige, dien zij op haar boezem gedragen had. Wij zochten allen—ik zelf zocht overal, daarvan ben ik overtuigd—maar de strik was niet te vinden.

„Herinnert gij u ook waar gij hem het laatst gehad hebt?” vroeg de overste.

Het verbaasde mij wel een weinig, dat zij eerst zoo bleek en daarna zoo gloeiend rood werd, toen zij antwoordde dat zij hem een oogenblik geleden nog gehad had, maar dat het niet der moeite waard was er naar te zoeken. In weerwil daarvan werd er nog gezocht, doch met denzelfden ongunstigen uitslag. Zij smeekte dat men er toch mede eindigen zou, maar nu en dan werd er nog gezocht, tot zij weder heel wel was en het gezelschap vertrok.

Mijnheer Wickfield, Agnes en ik wandelden langzaam naar huis—Agnes en ik de maan en de sterren bewonderende, terwijl mijnheer Wickfield de oogen bijna niet van den grond ophief. Toen wij eindelijk onze woning hadden bereikt, bemerkte Agnes dat zij haar werktaschje vergeten had. Blijde haar een dienst te kunnen bewijzen, snelde ik onmiddellijk terug om het te halen. Toen ik de kamer, waar wij gesoupeerd hadden en waar het liggen moest, binnentrad was deze donker en verlaten; maar ik zag nog licht in de studeerkamer van den doctor en klopte daar aan, om te zeggen wat ik kwam doen en een kandelaar te vragen.