Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 25
Zekere Adams, de hoogste van de school, kwam van zijne plaats om mij welkom te heeten. Hij zag er uit als een jonge dominee met zijn witte das, maar hij was heel vriendelijk en opgeruimd, wees mij mijne plaats en stelde mij aan de meesters voor op een wijze, die mij zeer zeker op mijn gemak zou hebben gebracht, indien iets dit had kunnen doen. Het kwam mij echter zoo lang geleden voor sinds ik met dergelijke jongens van mijn eigen leeftijd had omgegaan—behalve met Mick Walker en den „melige”—dat ik mij zoo vreemd voelde als ik mij ooit ergens gevoeld heb. Ik was nog zoo vol van de tooneelen, waarvan zij zich geen denkbeeld konden vormen, en mij zoo bewust van de ondervinding, die ik had opgedaan en die nog zoo vreemd moest zijn aan iemand van mijn leeftijd, voorkomen en stand, dat ik het bijna bedrog achtte daar als een gewone schooljongen aan te komen. Ik had in den tijd, dien ik bij Murdstone en Grinby had doorgebracht—het moge dan lang of kort zijn geweest—alle spelen en gewoonten van jongens van mijn leeftijd verleerd, zoodat ik achterlijk was in de meest alledaagsche dingen en den indruk maakte van lomp en onhandig te zijn. Hetgeen ik ooit geleerd had was verloren gegaan in dien tijd vol beslommeringen van de laagste soort; toen men mij aan een klein examen onderwierp, wist ik niets meer, zoodat ik in de laagste klasse geplaatst werd. Maar hoe mij mijne weinige bedrevenheid en geleerdheid ook kwelde, de gedachte, dat hetgeen ik wel wist mij veel verder afbracht van mijne kameraden dan hetgeen ik niet wist, griefde mij oneindig meer. Ik vroeg mij zelven af wat zij wel van mij zouden denken als zij eens wisten hoe gemeenzaam ik was met de King's Bench gevangenis. Zou er niets aan mij te zien zijn dat mijn omgang met de familie Micawber verried—al die wandelingen naar het pandjeshuis, al dat geschacher en die soupeetjes tegen wil en dank? Als een van de jongens mij eens door Canterbury had zien loopen, half kreupel en zonder kleederen en—mij herkende. Wat zouden zij wel zeggen, zij, die zoo weinig om geld gaven, als zij eens wisten, hoe ik mijn halve stuivers had samengeschraapt, om dagelijks een stuk worst en een glas bier of een snee podding te kunnen koopen! Wat zouden zij ontstellen, zij, die niets van Londen en Londen's straten kenden, als zij ontdekten hoe bekend ik was—ik schaamde mij daarover—met de gemeenste buurten! Dit alles ging mij dezen eersten dag op de school van doctor Strong meermalen door het hoofd; ik wantrouwde den onbeduidendsten blik, de geringste beweging; kromp bijna ineen van schrik, telkens wanneer een van mijne nieuwe schoolmakkers mij naderde, en snelde heen, zoodra de schooltijd om was, uit vrees dat ik een antwoord zou moeten geven op een of andere vriendelijke toespraak.
Het oude huis van mijnheer Wickfield oefende echter zulk een invloed op mij, dat, toen ik den koperen klopper deed overgaan met mijne nieuwe schoolboeken onder den arm, elk gevoel van onrust verdween. Het scheen wel dat, toen ik naar mijn aardig, ouderwetsch kamertje ging, de schaduwen van de breede trap ook op mijn angsten en twijfelingen vielen en het verleden mij daardoor minder duidelijk voor den geest stond. Ik bleef daar ijverig in mijne boeken lezen tot etenstijd—de school duurde tot drie uur—en ging toen naar beneden, vervuld met de blijde hoop, dat er toch nog wel een betamelijken jongen van mij zou kunnen groeien.
Agnes zat in de ontvangkamer op haar vader te wachten, die nog iemand bij zich op het kantoor had. Zij ontving mij met een allerliefsten glimlach en vroeg mij hoe de school mij bevallen was. Ik antwoordde, dat de school mij langzamerhand wel zou bevallen, maar dat ik er mij voorloopig nog vreemd voelde.
„Gij zijt nooit op school geweest, nietwaar?” vroeg ik.
„O, zeker! Altijd!”
„Zoo, maar gij krijgt zeker les in huis?”
„Papa wilde mij niet missen,” antwoordde zij glimlachend. „Zijn huishoudstertje moet altijd thuis zijn, begrijpt gij?”
„Hij houdt veel van u; dat heb ik reeds opgemerkt,” zei ik.
Zij knikte en ging naar de deur om te luisteren of hij nog niet kwam, ten einde hem op de trap te gemoet te gaan. Maar hij kwam nog niet en daarom ging zij weer zitten.
„Mama is reeds gestorven toen ik nog heel klein was,” vertelde zij op hare eigenaardige, kalme wijze. „Ik ken haar alleen van het portret, dat beneden hangt. Gisteren zag ik dat gij er naar keekt. Begreept gij wie het was?”
„Ja,” zei ik, „want het lijkt sprekend op u.”
„Dat zegt papa ook,” zei Agnes met een tevreden lachje. „Luister.... daar komt papa de trap op.”
Haar lief, vroolijk gezichtje straalde van blijdschap, toen zij hem te gemoet liep en zij, hand aan hand, de kamer binnenkwamen. Mijnheer Wickfield groette mij vriendelijk en zei, dat ik het zeker heel prettig zou vinden op school, want doctor Strong was een van de beste menschen, die hij kende.
„Misschien zijn er wel menschen.... ik weet niet of er zijn.... die misbruik maken van zijne goedheid,” vervolgde mijnheer Wickfield. „Doe daar nooit aan mede, Trotwood, in geen enkel opzicht. Hij kent geen achterdocht en dit moge een deugd of een gebrek zijn, als men met doctor Strong in aanraking komt, hetzij in kleine of in groote zaken, moet men deze omstandigheid in aanmerking nemen.”
Hij sprak, naar het mij voorkwam, of hij vermoeid of over het een of ander ontevreden was; maar ik had geen tijd om mij verder daarin te verdiepen, want het middagmaal was gereed, zoodat wij naar beneden gingen en op dezelfde wijze plaats namen als den vorigen dag. Nauwelijks waren wij begonnen, of Uriah Heep stak zijn rood hoofd en zijne lange, slappe hand door de deur en zeide:
„Daar is mijnheer Maldon, die u een oogenblik wenscht te spreken, mijnheer.”
„Mijnheer Maldon is juist heengegaan,” zei mijnheer Wickfield.
„Ja, mijnheer,” antwoordde Uriah, „maar mijnheer Maldon is teruggekomen, en heeft u slechts een paar woorden te zeggen.”
Terwijl hij daar in de deur stond, keek Uriah naar mij, naar Agnes, naar de schotels, naar alles wat in de kamer was; zoo kwam het mij tenminste voor—en toch scheen hij naar niets te kijken; zoolang hij daar stond, maakte hij dezen indruk, terwijl hij zijne bruine oogen eerbiedig op zijn meester gevestigd hield.
„Neem mij niet kwalijk; ik wilde u alleen maar zeggen dat ik mij reeds bedacht heb,” klonk eene stem achter Uriah, waarna het roode hoofd moest plaats maken voor een ander.—„Ik vraag verschooning voor mijn indringen,—het schijnt wel, dat mij geen andere keus overblijft: hoe eerder ik dus heenga, hoe beter. Mijn nichtje Annie zei, toen ik er haar over sprak, dat zij hare vrienden liever in hare nabijheid heeft dan verbannen, en de oude doctor——”
„Bedoelt gij doctor Strong?” viel mijnheer Wickfield hem op ernstigen toon in de rede.
„Natuurlijk bedoel ik doctor Strong,” antwoordde de stem. „Ik noem hem altijd ‚de oude doctor’, dat is hetzelfde, begrijpt gij wel?”
„Ik begrijp het niet,” antwoordde mijnheer Wickfield.
„Welnu dan, doctor Strong dacht er evenzoo over, meen ik. Maar nu mij uit den loop, dien ons gesprek genomen heeft, gebleken is, dat hij van opinie veranderd schijnt te zijn, wel, dan is het maar beter dat ik zoo spoedig mogelijk vertrek. Ik kwam terug om u dat te zeggen. Als men toch in het water wil springen, waarom zal men dan nog langs den kant gaan slenteren?”
„Wij zullen zorg dragen, dat gij niet lang behoeft te slenteren, mijnheer Maldon, reken daarop,” zei mijnheer Wickfield.
„Wel bedankt,” antwoordde de ander. „Zeer verplicht. Het is niet beleefd een gegeven paard in den bek te zien, maar dit durf ik wel zeggen, mijn nichtje Annie had het heel anders kunnen regelen. Ik onderstel dat zij maar tot den ouden doctor had behoeven te zeggen....”
„Gij bedoelt, dat mevrouw Strong slechts tot haar echtgenoot had behoeven te zeggen.... begrijp ik u zoo goed?” zei mijnheer Wickfield.
„Volkomen,” antwoordde de ander,—„had slechts behoeven te zeggen, dat zij dit of dat zus of zoo hebben wilde, en het zou zus of zoo geweest zijn, dat spreekt van zelf.”
„En waarom spreekt dat van zelf, mijnheer Maldon?” vroeg mijnheer Wickfield, die intusschen kalm doorat.
„Wel, omdat Annie een bekoorlijk jong vrouwtje is, en de oude doctor—ik bedoel doctor Strong—is volstrekt geen bekoorlijke jonge man,” antwoordde Jack Maldon lachend. „Ik wil volstrekt niemand kwetsen, mijnheer Wickfield; ik bedoel alleen, dat in dergelijke huwelijken eenige schadeloosstelling niet meer dan billijk is.”
„Schadeloosstelling aan eene dame, mijnheer?” vroeg mijnheer Wickfield op denzelfden ernstigen toon als zoo straks.
„Ja, aan de dame, mijnheer,” antwoordde Jack Maldon nog altijd lachend. Hij merkte echter op, dat mijnheer Wickfield op dezelfde kalme wijze met zijn middagmaal voortging en er niet de minste kans bestond om hem ook maar een spier van zijn onverstoorbaar gelaat te doen vertrekken, waarom hij er bijvoegde: „Ziezoo, nu heb ik gezegd, waarom ik terugkwam en vraag nogmaals verschooning voor mijn indringen. Ik ga heen en zal natuurlijk uw raad opvolgen en deze zaak beschouwen als geheel alleen tusschen u en mij besproken en er dus bij den doctor over zwijgen.”
„Hebt gij al gegeten?” vroeg mijnheer Wickfield met eene uitnoodigende beweging zijner hand.
„Dank u, ik ga eten bij mijn nichtje Annie,” zei mijnheer Maldon. „Goeden middag.”
Zonder op te staan, keek mijnheer Wickfield den vertrekkende peinzend na. In weerwil van zijn knap uiterlijk, zijne gladde tong en zijne ongedwongen manieren scheen die mijnheer Jack Maldon mij toch een oppervlakkig jongmensch toe. Ik had niet verwacht hem zoo spoedig te zullen zien, toen ik 's morgens doctor Strong zijn naam hoorde noemen.
Toen het middagmaal was afgeloopen, gingen wij naar boven en zag ik de herhaling van hetgeen ik den vorigen avond had bijgewoond. Agnes zette de glazen en de karaf in hetzelfde hoekje en mijnheer Wickfield ging er bij zitten en dronk weder tamelijk veel. Agnes speelde piano voor hem, zat bij hem te werken en te praten en speelde met mij een paar spelletjes domino. Toen het tijd was, schonk zij thee en later, toen ik met mijne boeken beneden kwam, keek zij er eens in en wees mij aan, wat zij er van kende—zij voegde er bij, dat het weinig was, maar ik was dat volstrekt niet met haar eens—en vertelde mij wat de beste en gemakkelijkste wijze was, om ze te leeren begrijpen. Ik zie haar nog met haar lief gezichtje en hare kalme, bescheiden manieren; ik hoor nog hare mooie, welluidende stem, terwijl ik dit schrijf. De invloed ten goede, dien zij in lateren tijd op mij oefende, doet zich weder gevoelen. Ik heb kleine Emily lief en Agnes niet—neen, volstrekt niet op dezelfde wijze—maar ik voel, dat waar Agnes is, daar is zachtheid, waarheid en vrede; het zachte, getemperde licht van het geschilderde venster, dat ik ergens gezien heb, lang geleden, ligt altijd over haar verspreid en beschijnt ook mij en alles, waarmede zij in aanraking komt.
Toen het tijd was voor haar om naar bed te gaan en zij ons verlaten had, gaf ik mijnheer Wickfield eene hand en maakte mij ook gereed om mijn kamertje op te zoeken. Hij hield mij echter terug en vroeg: „Zoudt gij gaarne bij ons blijven, Trotwood, of liever elders heengaan?”
„Blijven,” antwoordde ik haastig.
„Zijt gij daar zeker van?”
„O, ja.... als ik mag!”
„Het is hier anders een eentonig leven, mijn jongen.”
„Voor mij toch niet eentoniger dan voor Agnes, mijnheer. Volstrekt niet vervelend.”
„Dan voor Agnes,” herhaalde hij, langzaam naar den grooten schoorsteenmantel wandelend. „Dan voor Agnes!”
Hij had dien avond, naar het mij voorkwam, veel wijn gedronken, want zijne oogen waren met bloed doorloopen. Op dit oogenblik, terwijl hij daar tegen den schoorsteen geleund stond, kon ik ze niet zien, want hij hield ze half dicht en bedekte ze met de hand; maar ik had het te voren reeds opgemerkt.
„Het zal mij verwonderen,” mompelde hij binnensmonds, „of Agnes mij niet moede zal worden. Maar hoe zou ik ooit Agnes moede worden! Maar, enfin, dat is ook heel wat anders..... heel wat anders.”
Hij sprak in zich zelven—niet tegen mij; ik bewaarde dus het stilzwijgen.
„Een vervelend ouderwetsch huis,” zei hij, „en een eentonig leven; maar ik moet haar altijd bij mij hebben. Ik moet haar dicht bij mij houden. Wanneer de gedachte, dat ik sterven kan en mijn lieveling alleen achterlaten, of dat zij sterven kan en mij achterlaten als een spook voor mij oprijst, kan ik die alleen verdrijven door....” Hij sprak het woord niet uit, maar wandelde langzaam naar zijne plaats terug, nam werktuigelijk de ledige karaf op en deed alsof hij zijn glas volschonk, waarna hij weder even langzaam naar den schoorsteen terugwandelde.
„Het is al zoo zwaar te dragen, wanneer zij bij mij is,” mompelde hij weder, „hoe zou het dan zijn, wanneer zij was heengegaan? Neen, neen, dat zou ik niet uithouden.”
Hij stond daar zoo lang te peinzen bij den schoorsteen, dat ik niet wist of ik hem uit dien staat van halve verdooving zou wekken door heen te gaan, of zou blijven zwijgen tot hij er van zelf uit zou ontwaken. Eindelijk werd hij wakker en keek de kamer rond, tot zijn oog op mij viel.
„Blijf bij ons, Trotwood, hoor,” zei hij, op een toon alsof hij antwoord gaf op iets, dat ik juist had gezegd.
„Het zal mij veel genoegen doen. Gij kunt ons beiden gezelschap houden. Het is aangenaam voor mij u bij ons te hebben, het is ook aangenaam voor Agnes en wellicht voor ons alle drie.”
„Voor mij is het zeker aangenaam,” zei ik. „Ik ben heel blijde, dat gij mij bij u wilt houden.”
„Gij zijt een beste jongen,” antwoordde hij, „en zoo lang gij gaarne bij ons blijft, moogt gij dat ook.” Hij schudde mij de hand, klopte mij op den rug en zei dat, als ik 's avonds, wanneer Agnes naar bed was, nog wat wilde lezen of iets anders doen, ik dan in zijn kamer kon komen zitten, als hij thuis was en ik gaarne gezelschap wilde hebben. Ik bedankte hem voor dit vriendelijk aanbod en toen hij een oogenblik later naar beneden ging, volgde ik hem met een boek, ten einde reeds dadelijk van zijne toestemming gebruik te maken. Ik zag echter licht in het kleine ronde kantoortje en voelde mij onmiddellijk aangetrokken tot Uriah Heep, die eene zekere toovermacht op mij oefende, en ging er binnen. Uriah zat met zulk een ingespannen aandacht in een groot, dik boek te lezen, dat zijn lange wijsvinger de regels volgde, terwijl hij las, en kleverige afdruksels achterliet op het papier, alsof er een slak over geloopen had.
„Gij werkt nog laat,” zei ik binnenkomende.
„Ja, jongeheer Copperfield, dat moet ik ook,” antwoordde hij.
Terwijl ik op een hoogen kantoorstoel tegenover hem plaats nam, ten einde meer op mijn gemak met hem te kunnen praten, merkte ik op, dat hij eigenlijk niet kon glimlachen, maar alleen zijn mond breeder maakte, zoodat er zich aan weerszijden twee plooien in zijne wangen vertoonden.
„Ik doe nu geen kantoorwerk, jongeheer Copperfield,” zei Uriah.
„Wat doet gij dan?” vroeg ik.
„Ik ben bezig mij een weinig in de rechtsgeleerdheid te bekwamen, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij. „Ik lees nu in ‚Tidd's Practice’. Die Tidd moet een geleerd man zijn geweest, jongeheer Copperfield!”
Van mijne hooge zitplaats af had ik de beste gelegenheid om hem aandachtig gade te slaan, toen hij na dezen geestdriftigen uitroep weder begon te lezen en zijn wijsvinger de regels liet volgen; ik merkte toen op, dat zijne dunne, scherpe neusvleugels zich regelmatig uitzetten en samentrokken, hetgeen het onaangename en afstootende in zijn uiterlijk nog verhoogde. Ook merkte ik op, dat er in zijne neusvleugels even veel en even lange gleufjes of kloofjes waren en dat de beweging, die hij er mede deed, waarschijnlijk het knipoogen van andere menschen verving, want zijne oogen bleven altijd wijd geopend.
„Gij zult zeker wel spoedig een knap rechtsgeleerde zijn?” vroeg ik, na hem eenigen tijd te hebben gadegeslagen.
„Maar, jongeheer Copperfield!” riep hij. „O, neen, daarvoor ben ik veel te nederig.”
Hetgeen ik omtrent zijne handen had opgemerkt, was geen verbeelding, dat zag ik nu; want hij wreef telkens de binnenvlakken tegen elkander, alsof hij ze droog en warm wilde wrijven en ook veegde hij ze meermalen heimelijk met zijn zakdoek af.
„O, ik weet, dat ik de nederigste persoon van de wereld ben,” zei Uriah zoo bescheiden mogelijk, „laat de ander wezen, wie hij wil. Mijne moeder is ook heel nederig. Wij hebben eene nederige woning, jongeheer Copperfield, maar zijn uiterst dankbaar. Mijn vader had ook een nederig beroep; hij was doodgraver.”
„En wat is hij nu?” vroeg ik.
„Hij is nu deelgenoot van de heerlijkheid Gods, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij. „Wij hebben echter veel reden tot dankbaarheid. Hoe dankbaar moet ik niet zijn, dat mijnheer Wickfield mij wel bij zich op het kantoor heeft willen nemen!”
Ik vroeg of hij al lang bij mijnheer Wickfield was. „Ik ben reeds vier jaar bij mijnheer Wickfield,” zei hij, terwijl hij het dikke boek sloot na zorgvuldig te hebben aangeteekend, waar hij gebleven was. „Een jaar na mijns vaders dood kwam ik bij mijnheer Wickfield. Ik ben er zoo dankbaar voor. Hoe dankbaar moet ik mijnheer Wickfield niet zijn, dat hij een contract met mij heeft willen sluiten; mijne moeder en ik hadden gedacht, dat wij daarvoor veel te nederig zouden zijn.”
„Wanneer uw contract is afgeloopen, wordt gij zeker zelf notaris?” vroeg ik.
„Zoo God wil, ja, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah.
„Gij wordt dan misschien wel compagnon van mijnheer Wickfield,” ging ik voort om hem iets aangenaams te zeggen; „dan lezen wij Wickfield en Heep, of Heep, voorheen Wickfield.”
„O neen, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij hoofdschuddend, „daarvoor ben ik veel te nederig.”
Terwijl hij daar zoo zat in al zijne nederigheid, mij met schuinsche blikken aanstarend, met zijn breeden mond en de plooien in de wangen, geleek hij sprekend op een van de gezichten aan de uiteinden der balken aan de buitenzijde van het huis.
„Mijnheer Wickfield is een uitmuntend mensch, jongeheer Copperfield,” zei Uriah. „Als gij hem wat langer kent zult gij dat ook zeggen, daar ben ik zeker van; hij is veel beter dan de meeste menschen.”
Ik antwoordde, dat ik daarvan overtuigd was, al kende ik hem nog niet lang, maar dat hij een vriend was van mijne tante.
„O, zeker, jongeheer Copperfield,” zei Uriah. „Uwe tante is een allerliefst mensch, jongeheer Copperfield.”
Hij had eene manier om zich te wringen, wanneer hij het noodig vond iets met geestdrift te zeggen, die mij afkeer inboezemde; mijne aandacht werd dientengevolge afgetrokken van het compliment, dat hij mijne tante gemaakt had, en geheel ingenomen door zijne slangachtige kronkelingen.
„Een allerliefste dame, jongeheer Copperfield,” herhaalde Uriah. „Zij schijnt een en al bewondering te zijn van jongejuffrouw Agnes, jongeheer Copperfield.... tenminste ik meen dat opgemerkt te hebben.”
Ik antwoordde stoutweg „Ja,” hoewel ik er niets van had opgemerkt. De Hemel moge 't mij vergeven!
„Ik hoop dat gij ook in bewondering van haar zijt, jongeheer Copperfield... o, ik weet zeker dat gij het zijt.”
„Dat moet iedereen wel zijn,” antwoordde ik.
„O, ik dank u, jongeheer Copperfield,” zei Uriah, „voor dit oordeel. Het is zoo waar! Zoo nederig als ik ben, weet ik dat het waar is! O, ik dank u, jongeheer Copperfield!”
Hij wrong zich half van zijn stoel in zijne opgewondenheid, en toen hij er af was begon hij zich gereed te maken om te vertrekken.
„Moeder zal mij wachten,” zei hij op zijn horloge kijkend, waarvan het glas zoo dof was, dat de wijzers bijna niet waren te onderscheiden, „en zich misschien ongerust maken; want al zijn wij nederig, jongeheer Copperfield, wij zijn toch zeer aan elkander gehecht. Als gij ons een bezoek zoudt willen brengen en een kop thee gebruiken in onze nederige woning, zou moeder even trotsch op uw gezelschap zijn als ik.”
Ik beloofde hem te zullen komen.
„Dank u, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah, het dikke boek op eene plank leggend.
„Ik onderstel, dat gij hier eenigen tijd blijven zult, jongeheer Copperfield?”
Ik zei, dat ik hier vermoedelijk mijn geheelen schooltijd zou doorbrengen.
„Zoo, waarlijk!” riep Uriah uit. „Dan zult gij zeker later in de zaak komen, jongeheer Copperfield!”
Ik gaf te kennen, dat dergelijke plannen nog nooit in mij waren opgekomen en dat vermoedelijk niemand ooit aan zoo iets had gedacht, maar Uriah beantwoordde al mijne verzekeringen door telkens op walgelijk zoeten toon te herhalen: „O, jawel, jongeheer Copperfield, ik geloof het zeker! O, jawel, jongeheer Copperfield, ik geloof het zeker!” Toen hij eindelijk gereed was om huiswaarts te gaan, vroeg hij of hij het licht maar zou uitdraaien en op mijn toestemmend antwoord, deed hij het oogenblikkelijk. Wij gaven elkander de hand—ik had een gevoel alsof ik een kikvorsch in de mijne kreeg—en toen opende hij de deur, die op de straat uitkwam, halverwege, wrong zich door de opening heen en sloot de deur weder; terwijl hij mij in de duisternis den weg liet zoeken in huis. Ik kon dien slechts met moeite vinden, na mij duchtig bezeerd te hebben door een val over zijn stoel. Dit was, naar ik meen, de naaste aanleiding, waarom ik bijna den geheelen nacht van hem droomde; zoo, bijvoorbeeld, dat hij met de schuit van baas Peggotty op zeeroof was uitgegaan, met eene zwarte vlag in de mast, waarop geschreven stond: „Tidd's Practice”, en dat hij Emily en mij medenam om ons in de Spaansche golf te verdrinken.
Den volgenden dag voelde ik mij op school reeds wat beter op mijn gemak en den daarop volgenden dag nog beter: mijne verlegenheid verdween en was eindelijk geheel geweken, zoodat ik mij na veertien dagen al geheel thuis voelde onder mijne nieuwe kameraden. Wel was ik nog onhandig in hunne spelen en achterlijk in het leeren; maar de gewoonte zou mij wel behendiger maken en door hard te leeren zou ik het verzuimde wel inhalen. Zoo hoopte ik ten minste. Ik legde mij dus met grooten ijver toe, zoowel op het spel als op de studie, en werd meer dan eens geprezen. Het duurde dan ook niet lang of het leven bij Murdstone en Grinby kwam mij als een droom of een sprookje voor, terwijl mijn tegenwoordige leven mij zoo gewoon toescheen, alsof ik jaren achtereen geen ander gekend had.
De school van doctor Strong was uitmuntend en geleek even weinig op die van mijnheer Creakle als goed op kwaad gelijkt. Alles was er goed en ordelijk geregeld volgens een gezond systeem; in alle dingen werd gerekend op het eergevoel en de goede trouw van de jongens; zoolang zij zich dit niet onwaardig toonden, wisten zij, dat men het bezit van deze eigenschappen op den voorgrond stelde en dit deed wonderen. Wij voelden allen, dat wij mede verantwoordelijk waren voor den goeden naam van de inrichting. Dientengevolge waren wij aan onze school gehecht—ik was dit ten minste en ik herinner mij uit mijn tijd geen enkelen jongen, die het niet was—en leerden met den grootsten ijver, ten einde den naam van de school hoog te houden. Buiten de schooltijden werd ons veel vrijheid gelaten en konden wij ons met allerlei spelen bezig houden; maar men prees ons, zooals ik later hoorde, algemeen in de stad en zelden gaven wij aanleiding tot een minder gunstig oordeel over doctor Strong of over doctor Strong's scholieren.