Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 24

Chapter 243,669 wordsPublic domain

Wij stegen uit en terwijl Uriah Heep buiten bleef om den hit vast te houden, gingen wij eene lage kamer binnen, die op de straat uitzag; zoodra wij daar binnen waren, zag ik door het venster, dat Uriah Heep den hit in de neusgaten blies en deze terstond met de hand bedekte, alsof hij het dier wilde betooveren. Tegenover den hoogen ouderwetschen schoorsteenmantel hingen twee portretten: het eene was van een heer met grijs haar—hoewel volstrekt geen oud man—en zwarte wenkbrauwen, die eenige papieren bekeek, welke met een rood bandje waren saamgebonden; het andere van eene jonge dame met een vriendelijk, lief gezicht waarmede zij mij scheen aan te kijken.

Ik meen, dat ik mij omkeerde om Uriah's portret te zoeken, toen aan het einde van het vertrek eene deur geopend werd en een heer binnentrad, waarop ik mij terstond omwendde naar het eerst vermelde portret, ten einde mij te overtuigen, dat het niet uit de lijst gekomen was. Het hing er echter nog onaangeroerd en toen de heer wat meer in het licht kwam, zag ik dat het portret reeds eenige jaren geleden vervaardigd moest zijn.

„Kom binnen, juffrouw Betsey Trotwood,” zei mijnheer Wickfield—want deze was het. „Ik was druk bezig; gij zult mij dat wel niet kwalijk nemen, want gij kent mijn eenige levensdoel.”

Tante Betsey beantwoordde deze toespraak met eenige beleefde woorden, waarna wij zijne kamer binnengingen, die geheel als een kantoor was gemeubeld met boeken, papieren, blikken trommels en dergelijke zaken. Deze kamer zag in den tuin uit en er was een groote ijzeren brandkast in den muur gemetseld, zoo vlak boven den schoorsteenmantel, dat ik mij zelven met verbazing afvroeg hoe de schoorsteenvegers er om heen konden komen.

„Wel, juffrouw Trotwood,” vroeg mijnheer Wickfield, die notaris en tevens rentmeester van een rijk landedelman was, „wat voert u hierheen? Toch geen onaangename redenen?”

„Neen,” antwoordde tante, „ik kom niet om rechtszaken te behandelen.”

„Zooveel te beter, juffrouw,” zei mijnheer Wickfield. Zijn haar was nu spierwit, hoewel zijne wenkbrauwen nog altijd zwart waren. Hij had een innemend gelaat, dat, naar mij voorkwam, knap mocht genoemd worden. Zijne gelaatskleur deed mij aan portwijn denken—Peggotty had mij deze wijsheid geleerd—en ik verbeeldde mij, dat ook zijne stem mij daaraan herinnerde en hij er zijne zwaarlijvigheid aan verschuldigd moest zijn. Hij was zeer net gekleed in eene blauwe rok, gestreept vest en nankingschen broek en zijn fijn geplooid overhemd en batisten das waren zoo zacht en wit, dat ze mij in mijne kinderlijke verbeelding aan het dons van een zwaan deden denken.

„Deze jongen is een neef van mij,” zei tante.

„Ik wist niet, dat gij er een rijk waart, juffrouw Trotwood,” antwoordde mijnheer Wickfield.

„Hij is eigenlijk een achterneef,” deed tante opmerken.

„Ik geef u mijn woord, dat ik niets van dien achterneef wist,” zei mijnheer Wickfield.

„Ik heb hem aangenomen,” vervolgde tante, met hare hand wuivende als wilde zij zeggen, dat het haar volmaakt onverschillig was of hij het al of niet wist, „en ik heb hem hier gebracht om hem op eene school te doen, waar hij degelijk onderwijs ontvangt en goed behandeld wordt. Vertel mij nu eens of hier zulk eene school bestaat, waar die is en hoe die is—vertel mij er, in één woord, alles van wat gij weet.”

„Voor ik u degelijken raad kan geven,” zei mijnheer Wickfield,—„moet ik u de vraag doen, die gij van oudsher kent. Welke zijn uwe beweegredenen?”

„Groote goedheid, wat wil die man toch!” riep tante uit. „Altijd hengelen naar beweegredenen, terwijl ze voor de hand liggen. Natuurlijk om van dit kind een gelukkig en tevens een nuttig lid van de maatschappij te maken.”

„Ik vermoed dat uwe beweegredenen toch tweeledig zijn... gemengd,” hernam mijnheer Wickfield hoofdschuddend en met een ongeloovig lachje.

„Loop toch rond met uwe beweegredenen! Waarom zouden ze tweeledig zijn? Ge zegt altijd slechts één beweegreden te hebben bij uw werk; meent gij wellicht, dat gij de eenige zijt op de wereld, die zonder nevenbedoelingen handelt?”

„Ja, zeker, ik heb maar één beweegreden voor mijn werk, maar één levensdoel, juffrouw Trotwood,” hernam hij glimlachend. „Andere menschen hebben er een dozijn, twintig, honderd! Ik heb er maar één. Dat is het verschil. Evenwel, dat is nu de vraag niet. De beste school? Wat uwe beweegredenen ook zijn, gij wilt de beste hebben.”

Mijne tante knikte toestemmend.

„Op de beste, die wij hier hebben,” vervolgde mijnheer Wickfield, nadenkend, „zal uw neef op dit oogenblik niet in den kost kunnen komen.”

„Maar hij zou ergens anders in den kost kunnen zijn, zou ik denken,” meende tante.

Mijnheer Wickfield meende dat ook. Na eenig heen- en weerpraten stelde hij voor mijne tante naar de bedoelde school te vergezellen, opdat zij persoonlijk kon zien en oordeelen; bovendien zou hij haar bij een drietal families brengen, waar ik, volgens zijne meening, wel in den kost zou kunnen komen. Mijne tante nam dit voorstel aan en wij waren reeds met ons drieën buiten, toen hij bleef staan en zei:

„Onze jonge vriend zou wellicht beweegredenen kunnen hebben om bezwaren te maken tegen onze beschikkingen. Zou het dus niet beter zijn hem thuis te laten?”

Mijne tante scheen zich tegen dat voorstel te willen verklaren, maar om de zaak te bespoedigen zei ik, dat ik gaarne wilde achterblijven, indien zij dat goed vonden; ik keerde dus naar mijnheer Wickfield's kantoor terug en nam daar op denzelfden stoel plaats, waarop ik zoo even gezeten had, ten einde hunne terugkomst af te wachten.

Toevallig stond deze stoel tegenover een nauw gangetje, dat uitkwam in de kleine torenkamer, waar ik het eerst Uriah Heep's gezicht achter het venster gezien had. Toen Uriah den hit naar een naburigen stal gebracht had, was hij weder aan zijn werk gegaan in die kamer, achter eene groote lessenaar, waarop een koperen hekje stond. Aan dit hekje hingen een aantal papieren, en ook dat, waarvan hij op dit oogenblik eene copie zat te maken. Hoewel hij met het gezicht naar mij toezat, meende ik, dat hij mij niet kon zien, omdat dit papier tusschen ons hing; maar toen ik eens opmerkzamer toekeek, ontdekte ik, dat nu en dan zijne haarlooze oogen als twee roode zonnen onder het papier doorkeken en mij telkens wel een minuut lang aanstaarden, terwijl toch de pen over het papier werd bewogen als zat hij ijverig te schrijven. Deze ontdekking deed eene onaangename gewaarwording in mij opkomen. Ik stelde allerlei pogingen in het werk om mij aan die blikken te onttrekken—ik ging boven op mijn stoel staan, ten einde een kaart te bekijken, die aan de andere zijde van de kamer hing; ik boog mij over een Kentsch nieuwsblad heen—maar telkens trokken die beide roode zonnen mij weder tot zich, en wanneer ik ook keek, ik was zeker ze te vinden, hetzij dat ze juist opkwamen of juist ondergingen.

Eindelijk werd ik uit dezen pijnlijken toestand verlost en kwamen mijne tante en mijnheer Wickfield na eene vrij langdurige afwezigheid terug. Zij waren niet zoo goed geslaagd als wij gewenscht hadden, want hoe aanbevelenswaardig de school ook was, kosthuizen waren niet te vinden.

„Het is wel jammer,” zei tante. „Ik weet werkelijk niet wat ik doen moet, Trot.”

„Het treft zeker ongelukkig,” zei mijnheer Wickfield, „maar ik zal u zeggen wat gij doen kunt, juffrouw Trotwood.”

„Wat dan?” vroeg tante nieuwsgierig.

„Laat uw neef voorloopig hier blijven. Hij lijkt mij een flinke jongen, en zal 't mij niet lastig maken. Hij heeft hier uitstekende gelegenheid om te studeeren; het is hier zoo stil als in een klooster en bijna even ruim. Laat hem maar hier.”

Mijne tante was blijkbaar zeer ingenomen met dit aanbod evenals ik, doch hare bescheidenheid verbood haar, het zoo maar aan te nemen.

„Kom, juffrouw Trotwood,” hernam mijnheer Wickfield, „dit is de eenige wijze om alle moeielijkheden te boven te komen. Bovendien is het slechts eene tijdelijke maatregel, begrijpt gij. Gaat het niet goed, of bevalt het een van beide partijen niet, dan kunnen wij altijd naar andere maatregelen omzien. Er zal intusschen wel hier of daar eene gelegenheid openkomen. Gij kunt niet beter doen dan hem voorloopig hier laten.”

„Ik ben u zeer verplicht voor uw aanbod en... Trot ook, naar ik opmerk; maar...”

„Kom, kom, ik weet wat gij bedoelt,” riep mijnheer Wickfield. „Gij behoeft volstrekt geen verplichtingen te maken, juffrouw Trotwood. Gij kunt voor hem betalen als gij wilt. Wij zullen het over de condities wel eens worden...”

„Op die voorwaarde,” antwoordde tante, „wil ik hem gaarne hier laten; al neemt dit niets weg van de verplichting, die ik aan u heb.”

„Ga dan maar eens mede om kennis te maken met mijn kleine huishoudstertje,” zei mijnheer Wickfield.

Wij gingen dientengevolge een verbazend oude trap op, met eene leuning zoo breed, dat wij even gemakkelijk daar langs hadden kunnen gaan, en een schemerachtig verlichte ontvangkamer binnen, waarin drie of vier van die aardige vensters waren, welke ik van de straat af had gezien. De eikenhouten vensterbanken schenen van dezelfde houtsoort te zijn gemaakt als er thans nog boomen om het huis stonden en waaruit ook de zwarte, uitstekende balken gezaagd waren. De kamer was gezellig gemeubeld met eene piano, met levendig rood en groen overtrokken meubelen en hier en daar bloemen. Overal zag men gezellige hoekjes en in elk hoekje een vreemdsoortig gevormd tafeltje of kastje of stoel of iets anders, zoodat ik telkens het hoekje, waarop mijne aandacht viel, het gezelligste vond uit de geheele kamer; keek ik dan weder naar een volgend, dan vond ik dit weder het gezelligst en zoo voort. Op elk voorwerp lag dezelfde stempel van netheid en gezelligheid, die ook het huis van buiten kenmerkte.

Mijnheer Wickfield klopte op eene deur in den met hout beschoten wand, waarop een meisje binnenkwam, ongeveer van mijn leeftijd, en de armen om zijn hals sloeg. Ik herkende terstond het kalme, zachte gelaat van het portret, dat ik beneden gezien had. Het scheen mij toe alsof het portret ouder geworden en het origineel kinderlijk gebleven was. Hoewel haar gezichtje opgewekt en vroolijk stond, lag er toch eene zekere kalmte over verspreid, die trouwens haar geheele wezen kenmerkte; ik heb dien eersten indruk nooit vergeten en—zal dien ook nimmer vergeten!

Dit was zijn kleine huishoudstertje, zijne dochter Agnes, zooals mijnheer Wickfield vertelde. Toen ik hoorde hoe hij dat zei en ik zag hoe hij hare hand in de zijne hield, begreep ik wat het eenige doel van zijn leven was.

Zij had een klein sleutelmandje aan den arm en keek zoo stemmig en zoo bescheiden als een huishoudstertje in zulk een groot, oud huis maar doen kon. Met een blij gezichtje luisterde zij naar haar vader, toen deze haar een stukje van de geschiedenis van mijn jonge leven vertelde en toen hij uitgesproken had, stelde zij tante voor met haar naar boven te gaan en mijne kamer eens te bekijken. Wij gingen er samen heen—zij vooruit. En o, het was zulk eene aardige, ouderwetsche kamer, met dezelfde eikenhouten balken en dezelfde raampjes als beneden en dezelfde breede leuning liep tot mijn kamertje door.

Ik kan mij niet herinneren, waar ik in mijne kindsheid geschilderde vensters in eene kerk gezien heb. Ook herinner ik mij niet wat de schildering voorstelde. Maar ik weet wel, dat toen ik haar in het getemperde licht op de trap zich zag omkeeren en boven op ons wachten, ik aan dat venster dacht, en ik later altijd den zachten gloed op dat venster in verband bracht met Agnes Wickfield.

Mijne tante was even verheugd over de gemaakte schikking als ik en wij gingen zeer tevreden en vergenoegd naar de ontvangkamer terug. Tante wilde er niet van hooren te blijven om het middagmaal te gebruiken, omdat zij voor het invallen van de duisternis met haar hit thuis moest zijn en aangezien mijnheer Wickfield haar genoegzaam scheen te kennen om te weten, dat zij op een eenmaal genomen besluit niet terugkwam, werd er het een en ander voor haar gereed gezet en gingen Agnes en mijnheer Wickfield aan hunne bezigheden. Zij deden dit uit bescheidenheid, ten einde ons in de gelegenheid te stellen afscheid te nemen en nog het een en ander te bespreken. Zij vertelde mij, dat mijnheer Wickfield in alles voor mij zorgen zou, dat het mij aan niets zou ontbreken en gaf mij den besten raad. „Trot,” sprak zij tot besluit, „wees u zelven, mij en mijnheer Dick tot eer, dan zal God met u zijn.”

Ik was hevig aangedaan en kon haar slechts telkens en telkens opnieuw mijn dank betuigen en mijne groeten medegeven aan mijnheer Dick.

„Wees nooit laag,” zei tante, „wees oprecht in alles wat gij zegt en doet, wees niet valsch en niet wreed. Ontwijk deze drie ondeugden, Trot, dan blijf ik de beste verwachtingen van u koesteren.”

Ik beloofde haar, zoo goed als ik kon, dat ik nimmer misbruik zou maken van hare vriendelijkheid en hare wijze lessen nimmer zou vergeten.

„De wagen is voor,” sprak zij eindelijk, „ik moet weg. Blijf gij hier.”

Met deze woorden omhelsde zij mij haastig, en ging de kamer uit, terwijl zij de deur achter zich sloot. Het eerste oogenblik was ik een weinig geschrikt van dit overhaast vertrek en kwam de vrees in mij op, of ik ook iets gedaan of gezegd had, dat haar onaangenaam was geweest; maar toen ik naar buiten keek en zag hoe bedrukt zij in haar wagentje klom en hoe zij wegreed zonder nog eens om te kijken, begreep ik haar beter en deed haar geen onrecht meer aan.

Tegen vijf uur, het gewone etensklokje van mijnheer Wickfield, had ik mijne gewone opgewektheid terug en was gereed om alle eer te bewijzen aan het middagmaal. Er was slechts voor twee personen gedekt, maar Agnes had boven op haar vader zitten wachten en nam tegenover hem plaats. Ik geloof ook, dat hij zonder haar niet zou hebben kunnen eten.

Na afloop van het middagmaal bleven wij niet zitten, maar gingen weder naar de ontvangkamer, waar Agnes in een der vele gezellige hoekjes eenige glazen en een karaf portwijn voor haar vader gereed zette. Als andere handen dat gedaan hadden, zou de wijn zeker den gewonen geur hebben gemist.

In dat hoekje bleef hij ongeveer twee uur zitten en gebruikte eene flinke hoeveelheid van den wijn; terwijl Agnes piano speelde en nu en dan een praatje met ons maakte. Gedurende het grootste gedeelte van den tijd was hij vroolijk en opgewekt en schertste en praatte hij met ons; maar nu en dan bleven zijne oogen op Agnes gevestigd en keek hij peinzend voor zich uit. Zij merkte dat meestal spoedig op en dan bracht zij hem door eene vraag of eene liefkoozing tot de werkelijkheid terug, waarna hij voortging met wijn drinken.

Agnes schonk thee en daarna ging de tijd voorbij, evenals na den maaltijd, tot zij naar bed ging; haar vader nam haar in zijne armen, kuste haar en beval licht aan te steken in zijn kantoor. Dit was voor mij een wenk om ook mijn bed op te zoeken.

In den loop van den avond was ik nog even de deur uitgegaan en had de straat eens doorgewandeld, ten einde het oude huis en de domkerk te bekijken; vreemd! ik was op mijn tocht naar Dover deze straat ook doorgegaan en herinnerde mij niets meer daarvan. Toen ik terugkwam, vond ik Uriah Heep bezig het kantoor te sluiten en aangezien ik jegens iedereen vriendelijk wilde zijn, ging ik ook naar hem, bleef eenige oogenblikken met hem praten en gaf hem bij het heengaan een hand. Maar brr! Wat was die hand klam! Ik had een gevoel alsof ik een slang had aangeraakt, en wreef heengaande mijne hand om er weder warmte in op te wekken, en om dat akelige gevoel kwijt te raken.

Het was zulk eene akelige hand, dat ik, toen ik boven op mijne kamer kwam, nog steeds die koude, natte aanraking voelde, en toen ik even uit het venster keek, en mijn oog op een van de koppen aan de uiteinden van de balken viel, meende ik dat het Uriah Heep was, die daar op de eene of andere wijze was opgeklommen, en sloot haastig het venster.

XVI.

Ik word een andere jongen in meer dan één opzicht.

Den volgenden morgen na het ontbijt begon ik mijn schoolleven opnieuw. Mijnheer Wickfield bracht mij naar de plaats, waar ik mijne afgebroken studiën zou voortzetten—een deftig gebouw met een grooten tuin. Er lag een waas van geleerdheid over verspreid, dat zeer wel overeenkwam met de enkele verdwaalde kraaien en kauwen, die van de domkerk naar beneden kwamen en in alle deftigheid over het voorplein stapten.

Mijn nieuwe meester, doctor Strong, zag er, naar mijn oordeel, even oud uit als de hooge ijzeren tralies van het hek, dat wij waren doorgekomen, en even stijf en log als de groote steenen vazen, die op regelmatige afstanden op den steenen muur waren geplaatst, bij wijze van een reusachtig kegelspel om den Tijd mede te laten spelen. Hij zat in zijne bibliotheek—ik bedoel doctor Strong—met slecht afgeborstelde kleeren en slecht gekamde haren; de gespen van zijne korte broek waren niet dichtgehaald, en de knoopjes van zijne lange, zwarte slobkousen niet toegemaakt, terwijl zijne schoenen op het haardkleedje stonden. Hij keek mij aan met een paar oogen, waaruit alle glans scheen verdwenen en die mij herinnerden aan een oud, blind paard, dat op het kerkhof te Blunderstone het gras tusschen de graven placht af te vreten; hij zei blijde te zijn mij te zien, en toen hij mij eene hand gaf, wist ik niet wat ik er mede moest doen, want de zijne deed ook niets.

Niet ver van hem af zat een mooie jonge dame, die hij Annie noemde—ik vermoedde dat zij zijne dochter was. Zij hielp hem uit de verlegenheid door voor hem neer te knielen en hem handig en vlug zijne laarzen aan te trekken en zijne slobkousen vast te knoopen. Toen zij er mede gereed was en wij naar de schoolzaal gingen, was ik ten hoogste verbaasd mijnheer Wickfield te hooren zeggen: „Goeden morgen, mevrouw Strong” en ik meende nog te moeten aannemen, dat zij eene schoondochter van doctor Strong was, toen deze mij onwillekeurig inlichtte.

„A propos, Wickfield,” zei hij, terwijl hij in de gang bleef staan met de hand op mijn schouder, „hebt gij nu nog niets gevonden voor dien neef van mijne vrouw?”

„Neen,” antwoordde mijnheer Wickfield. „Neen, nog niet.”

„Ik verlang zeer dat er een einde aan komt, Wickfield,” hernam doctor Strong, „want Jack Maldon is zoo arm als een kerkrot en bovendien lui, twee eigenschappen, die zelden tot iets goeds leiden. Wat zegt doctor Watts ook weer?” voegde hij er bij, terwijl hij mij aankeek en op de maat van den aangehaalden versregel met het hoofd knikte. „‚De duivel vindt altijd iets te doen voor ledige handen.’”

„Nu, doctor,” antwoordde mijnheer Wickfield, „indien doctor Watts de wereld goed gekend had, zou hij er met even veel recht hebben kunnen bijvoegen: ‚de Duivel vindt voor werkzame handen altijd wat te doen.’ O, de werkzame menschen stichten zooveel kwaad, wees daarvan verzekerd. Hoeveel kwaad is er niet gesticht door de menschen, die in de laatste tweehonderd jaren tot macht en aanzien zijn weten te komen!”

„Jack Maldon zal nimmer tot macht en aanzien komen, dat is zeker,” zei doctor Strong, nadenkend zijne kin wrijvend. „Daartoe is hij te lui.”

„Vermoedelijk niet,” hernam mijnheer Wickfield, „en daarmede herinnert gij mij aan de vraag, die tot dit gesprek heeft aanleiding gegeven. Neen, ik heb nog geen plaatsing kunnen vinden voor Jack Maldon. Ik geloof,” voegde hij er na eenige aarzeling bij, „dat ik uwe beweegredenen doorzie en dat maakt de zaak moeilijker voor mij.”

„Mijne beweegredenen,” antwoordde doctor Strong, „is eene fatsoenlijke betrekking te vinden voor een neef en oud-speelmakker van Annie.”

„Ja, dat weet ik,” zei mijnheer Wickfield, „hier of buitenslands.”

„Ja, zeker, hier of buitenslands.” Doctor Strong scheen een weinig verbaasd over den nadruk, dien mijnheer Wickfield op deze woorden legde.

„Dat zijn uw eigen woorden, zooals gij u wel zult herinneren.”

„Zeker, zeker.... het een of het ander.”

„Het een of het ander? Geen voorkeur?” vroeg mijnheer Wickfield.

„Neen.”

„Geen?” herhaalde mijnheer Wickfield verbaasd.

„Niet de minste.”

„Geen beweegredenen om liever buitenslands dan hier eene betrekking voor hem te wenschen?”

„Neen,” herhaalde de doctor.

„Ik moet u wel gelooven en daarom doe ik het ook,” zei mijnheer Wickfield. „Het zou mijne opdracht zeer veel gemakkelijker hebben gemaakt, als ik het te voren geweten had. Ik beken echter een anderen indruk gekregen te hebben.”

Doctor Strong keek hem verlegen en verbaasd aan, maar in het volgend oogenblik zag ik weder een glimlach om zijn mond, hetgeen voor mij een bemoedigend gezicht was, want ik mocht daaruit besluiten, dat hij een goedhartig en zachtaardig karakter had. Bovendien lag er zooveel eenvoud in zijne geheele wijze van doen, als hij voor een oogenblik zijne geleerdheid vergeten had; voor een jeugdigen leerling, zooals ik, voorwaar, een verblijdend en aanmoedigend gezicht. Nog eens herhalende „neen” en „niet de minste” en dergelijke korte verzekeringen was doctor Strong ons voorgegaan in een wonderlijken, onregelmatigen pas. Mijnheer Wickfield keek heel ernstig en schudde, zooals ik opmerkte, eenige malen het hoofd, zonder te weten, dat ik hem gadesloeg.

De schoolzaal was een vrij groot vertrek aan de stilste zijde van het huis, met het uitzicht op een half dozijn van de groote vazen en met een kijkje op den particulieren tuin van den doctor, waarin de perziken tegen den zuidelijken muur reeds rijp waren. Op het gras voor de vensters stonden twee aloë's in groote tobben en sedert zijn de groote bladeren van deze plant, die er uitzien alsof ze van geschilderd blik gemaakt zijn, voor mij het symbool van stilte en afzondering. Toen wij binnen kwamen, zaten er een vijfentwintigtal jongens over hunne boeken gebogen, maar zij stonden op om den doctor goeden morgen te wenschen en bleven staan, toen zij mijnheer Wickfield en mij zagen.

„Een nieuwe jongen, jongelui!” zei de doctor, „Trotwood Copperfield heet hij.”