Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 23

Chapter 234,020 wordsPublic domain

„Het zal nauwelijks noodig zijn de woorden van mijn broeder nog te bevestigen,” zei juffrouw Murdstone, „maar ik verzoek u wel in aanmerking te willen nemen, dat er geen slechter jongen in de wereld is dan deze.”

„Het is sterk!” zeide tante.

„Doch niet te sterk voor de feiten,” antwoordde juffrouw Murdstone.

„Zoo! Welnu, mijnheer....”

„Ik heb mijn eigen denkbeelden,” hernam mijnheer Murdstone, wiens gezicht hoe langer hoe donkerder werd, naarmate hij en tante elkander langer aankeken, hetgeen zij met de grootste aandacht deden, „over de wijze van opvoeding van zulk een jongen; denkbeelden, gegrond op de kennis van zijn karakter en op mijn eigen middelen en inkomsten. Ik ben daarvoor aan mij zelven verantwoording schuldig en ik zal handelen zonder meer daarover te zeggen dan mij goed dunkt. Het is genoeg dat ik dezen jongen in een fatsoenlijke betrekking plaats, onder het toezicht van een mijner beste vrienden; dat hem dit niet bevalt, dat hij wegloopt, als een vagebond langs den weg zwerft en hier bij u aankomt in lompen gehuld, heeft hij geheel aan zichzelven te wijten en is slechts een bewijs te meer voor zijn weerspannige inborst, juffrouw Trotwood. Ik wensch u, voor zoover mij dat mogelijk is, openhartig de gevolgen voor te houden, indien gij wellicht genegen waart, de partij op te nemen voor dezen knaap.”

„Voor gij verder gaat, zou ik gaarne iets wenschen te weten van den aard der fatsoenlijke betrekking, waarover gij spreekt,” zei tante. „Zoudt gij hem, indien hij uw eigen zoon was, in dezelfde betrekking hebben geplaatst?”

„Indien hij een eigen kind van mijn broeder geweest was,” kwam juffrouw Murdstone te hulp, „zou zijn karakter heel anders geweest zijn.”

„En zou hij ook in dezelfde fatsoenlijke betrekking zijn gegaan, als dat kind, zijne moeder, nog geleefd had?” vroeg tante weder.

„Ik geloof niet, dat mijne lieve Clara zich verzet zoude hebben tegen maatregelen, die mijne zuster en ik als de beste beschouwden,” antwoordde mijnheer Murdstone met een hoofdknik.

En juffrouw Murdstone bevestigde het met een hoorbaar gemompel.

„Hm!” zei tante. „'t Ongelukkige schepseltje!”

Mijnheer Dick, die gedurende al dien tijd met zijn geld had staan rammelen, deed dit thans zoo hevig, dat tante het noodig vond hem met een wenk tot kalmte aan te manen; daarna ging zij voort:

„Het jaargeld van het arme kind is zeker met haar gestorven?”

„Hield met haar dood op,” bevestigde mijnheer Murdstone.

„En er bestaat geen enkele bepaling, waardoor het huis en het erf—Kraaiennest zonder kraaien—op dezen knaap zijn overgegaan?”

„Kraaiennest was haar door haar eersten echtgenoot nagelaten zonder eenige voorwaarde,” hernam mijnheer Murdstone, maar tante viel hem driftig en ongeduldig in de rede. „Mijn Hemel, man, dat behoeft gij mij niet te vertellen! Nagelaten zonder voorwaarden! Hoe zou David Copperfield vooruit hebben kunnen zien; hij zag niets, al stond het vlak voor zijn neus! Natuurlijk was die nalatenschap onvoorwaardelijk! Maar toen zij voor de tweede maal in het huwelijk trad.... toen zij den betreurenswaardigen stap deed door.... kortom—door met u te trouwen—dat is zoo duidelijk mogelijk—heeft toen niemand een woord in het midden gebracht ten gunste van dezen knaap?”

„Mijne vrouw had haar tweeden echtgenoot lief, juffrouw Trotwood, en vertrouwde hem onvoorwaardelijk,” antwoordde mijnheer Murdstone.

„Uwe vrouw, mijnheer, was een ongelukkig, onhandig kind, dat niet zóóveel verstand van zaken had,” zei tante en knipte daarbij met vinger en duim in de richting van mijnheer Murdstone, terwijl zij onheilspellend met het hoofd begon te schudden. „Dat was zij. En wat hebt gij nu nog verder te vertellen?”

„Eenvoudig dit, juffrouw Trotwood. Ik ben hier om David mede te nemen—David mede te nemen zonder mij eenige voorwaarde te laten stellen, ik zal met hem doen wat ik goed acht en daarmee uit. Ik ben hier niet gekomen om eenige belofte af te leggen of aan iemand eenige verantwoording te doen. Ik zal met hem handelen zooals mij rechtmatig voorkomt. Gij zoudt wellicht plan hebben om hem in zijn verzet te stijven en zijn wegloopen te vergoelijken, juffrouw Trotwood—de toon, dien gij tegen mij aanneemt, doet mij zoo iets dergelijks vermoeden—maar ik moet u waarschuwen; want neemt gij hem eenmaal onder uwe hoede, dan houdt gij hem ook voor goed; wilt gij u plaatsen tusschen dien jongen en mij, dan behoudt gij die plaats voor goed. Ik ben hier voor de eerste en laatste maal, om den jongen op te halen, juffrouw Trotwood. Is hij gereed om met mij mede te gaan? Indien hij niet gereed is en gij zegt: neen—om welke reden dan ook, dat is mij onverschillig—dan is mijn deur voortaan voor hem gesloten en de uwe, bijgevolg, voor hem geopend.”

Mijne tante had gedurende deze geheele toespraak recht als eene kaars en met een gezicht, om bang voor te worden, zitten luisteren. Toen hij uitgesproken had, wendde zij hare oogen zooveel naar den kant waar juffrouw Murdstone stond, dat zij deze zien kon; overigens veranderde zij niets in hare houding.

„Wel, juffrouw, hebt gij er ook nog iets bij te voegen?” vroeg zij.

„Waarlijk, juffrouw Trotwood,” antwoordde juffrouw Murdstone, „al wat ik zou kunnen zeggen is zoo goed door mijn broeder gezegd, en alle omstandigheden zijn zoo goed door hem uiteengezet, dat ik niet weet wat ik er nog zou kunnen bijvoegen dan mijn dank voor uwe voorkomendheid, voor uwe overgroote voorkomendheid.” Zij sprak dit uit met eene ironie, die tante even weinig van haar stuk bracht als het kanon, waaronder ik te Chatham geslapen had, er door van zijne plaats zou zijn gebracht.

„En wat zegt de jongen zelf er van?” zei tante. „Zijt gij gereed om met mijnheer Murdstone mede te gaan, David?”

Ik antwoordde, dat ik niet gereed was en smeekte haar mij bij zich te houden. Ik zei, dat noch mijnheer, noch juffrouw Murdstone ooit van mij gehouden hadden, dat geen van beiden ooit vriendelijk voor mij geweest was. Ik zei, dat zij mijne mama, die mij altijd lief had gehad, tegen mij hadden opgestookt; dat ik dit zeer goed wist en dat Peggotty het ook wist. Ik zei, dat ik ongelukkiger geweest was dan iemand vermoeden kon, die wist hoe jong ik nog was en ik smeekte en bad tante Betsey—ik weet niet meer in welke bewoordingen, maar herinner mij zeer goed, dat ik hevig ontroerd was—mij te beschermen en te helpen ter wille van mijn vader.

„Mijnheer Dick,” zei tante, „wat moet ik met den jongen doen?”

Mijnheer Dick dacht na, aarzelde... maar eensklaps helderde zijn gezicht op en zei hij: „Hem onmiddellijk de maat laten nemen voor een pak kleeren.”

„Mijnheer Dick,” zei tante Betsey met een zegevierenden blik, „geef mij eene hand, want uw raad pleit voor uw gezond verstand.” Nadat zij hem hartelijk de hand had geschud, duwde zij mij naar hem toe en zei tot mijnheer Murdstone: „Gij kunt wel heengaan als gij wilt; ik zal het wagen met den jongen. Indien hij al de slechte eigenschappen bezit, die gij hem toedicht, kan ik altijd nog met hem doen wat gij gedaan hebt. Maar ik geloof er geen woord van.”

„Juffrouw Trotwood,” antwoordde mijnheer Murdstone, schouderophalend en van zijn stoel opstaande: „indien gij een man waart....”

„Och wat, zotteklap, anders niets!” zei tante. „Spaar u de moeite om verder tegen mij te spreken.”

„Hoe uiterst beleefd!” riep juffrouw Murdstone opstaande uit. „Waarlijk, gij overstelpt ons met beleefdheden!”

„Meent gij soms, dat ik niet weet,” ging mijne tante voort, alsof zij niets verstond van hetgeen juffrouw Murdstone zeide en heviger dan ooit met het hoofd schuddend tegen haar broeder, „meent gij soms, dat ik niet weet, hoe gij dat arme, ongelukkige, bedrogen kind hebt behandeld? Meent gij, dat ik niet weet, welk een heillooze dag het voor dat zachte schepseltje geweest is, toen gij voor het eerst haar weg kruistet—met een gelegenheidslachje en een paar oogen—daarop wil ik een eed doen—alsof gij nog geen boe! tegen eene gans zoudt durven zeggen!”

„Ik heb nooit zoo iets fijns gehoord!” riep juffrouw Murdstone uit.

„Meent gij, dat ik niet begrijp, hoe gij er toen moet hebben uitgezien, al ben ik er niet bij geweest? Nu ik kennis met u heb gemaakt—hetgeen, oprecht gezegd, alles behalve een genoegen voor mij is—weet ik dat maar al te goed. Och ja, goede Hemel! Wat zult gij bloemzoet geweest zijn in het begin! Het arme, onwetende kind had nooit zulk een man ontmoet! Al zachtheid in al zijn doen! Hij aanbad haar, hij droeg haar op de handen! En haar jongen? Wel, hij was verzot op den knaap! Hij zou een tweede vader voor hem zijn en zij zouden allen te zamen leven als in een paradijs! Nietwaar?.... Ba! Ga uit mijn oogen!” riep zij uit.

„Als ik nu toch ooit in mijn leven zulk een mensch meer ontmoet heb!” verklaarde juffrouw Murdstone.

„En toen gij u meester gemaakt hadt van het kleine gekkinnetje—de Hemel vergeve mij, dat ik haar zoo noem, nu zij daar is, waar gij niet zoo spoedig komen zult—en gij haar en de haren nog geen onrecht genoeg hadt aangedaan, moest gij haar gaan opvoeden, nietwaar? Gij moest haar africhten als een vogel in een kooitje en haar een ellendig leven laten leiden, opdat zij _uwe_ deuntjes zou leeren fluiten?”

„Dat mensch is òf dronken òf krankzinnig,” zei juffrouw Murdstone, woedend omdat zij niet bij machte was den stroom van tante's welsprekendheid naar haar zelve te leiden, „ik vermoed, dat het krankzinnigheid is.”

Zonder de minste notitie te nemen van dezen uitroep, ging tante Betsey voort zich tot mijnheer Murdstone te wenden, alsof er geen juffrouw Murdstone en geen krankzinnigheid op de wereld waren.

„Gij waart een dwingeland voor het arme schaap,” ging zij voort, met den vinger dreigend, „gij hebt haar hart gebroken. Ik weet, dat zij veel kon liefhebben—ik wist dit al jaren vóór gij haar zelfs gezien hadt—en gij hebt van hare zwakheid gebruik gemaakt om haar de wonden toe te brengen, waaraan zij gestorven is. Dat is de zuivere waarheid, of gij die hooren wilt of niet. Gij en uwe handlangers kunt er van denken wat gij wilt!”

„Sta mij toe te vragen, juffrouw Trotwood,” zoo viel juffrouw Murdstone haar in de rede, „wie gij wel zoo goed zijt in een woordenvloed, dien ik niet volgen kan, de handlangers van mijn broeder te noemen?”

Tante Betsey bleef nog steeds stokdoof voor die stem; zij scheen er zich niet het minst van aan te trekken, maar ging voort: „Het was duidelijk genoeg, jaren reeds voor gij haar voor de eerste maal zaagt—waarom de Voorzienigheid in Zijne ondoorgrondelijke wijsheid u op haar weg bracht, is voor een gewoon menschenverstand niet te begrijpen—welnu, het was duidelijk, dat het arme, kleine ding nog eens zou trouwen, maar dat het zoo slecht zou afloopen, had ik niet kunnen verwachten. Dat was in den tijd, mijnheer Murdstone, toen zij het levenslicht schonk aan dezen jongen, aan dit kind hier, waarmede gij haar later gemarteld hebt; dat is eene onaangename herinnering voor u, en daarom is deze knaap u een doorn in het oog. Ja, ja, gij behoeft er niet zoo van te schrikken! Ik weet toch wel dat het waar is.”

Hij had al dien tijd bij de deur gestaan en haar met een glimlach om den mond aangestaard, ofschoon zijne dikke, zwarte wenkbrauwen dicht waren saamgetrokken. Ik merkte nu ook op, dat, al bleef de glimlach om zijn mond, alle kleur uit zijn gelaat verdwenen was, en hij naar adem scheen te snakken, alsof hij hard geloopen had.

„Goeden dag, mijnheer,” zei tante, „vaarwel! En u ook, goeden dag, juffrouw,” voegde zij er bij, terwijl zij zich plotseling naar zijne zuster omwendde. „Laat ik u nog eens op een ezel over mijn grasperk zien rijden, dan zal ik, zoo zeker als gij een hoofd op uw schouders hebt, u den hoed afslaan en er op trappen!”

Ik wenschte, dat er een schilder bij de hand geweest ware—en geen gewone schilder—om tante's gezicht op het doek te brengen, toen zij dit geheel onverwachte slot aan haar toespraak maakte, en dat van juffrouw Murdstone, toen zij het aanhoorde. De toon, waarop tante sprak, en ook hetgeen zij zeide, was zoo dreigend, dat juffrouw Murdstone, zonder een woord te antwoorden, den arm door dien van haar broeder stak en met hoog opgeheven hoofd de deur uitstapte. Tante keek hen uit het venster na, gereed—daarvan ben ik overtuigd—om bij de wederverschijning van de ezels hare bedreiging onmiddellijk ten uitvoer te brengen.

Er werd echter zelfs geen poging gedaan om haar te tarten, zoodat de strakheid langzamerhand van haar gelaat verdween, en er zelfs een tevreden trek op kwam, waardoor ik werd aangemoedigd om beide armen om haar hals te slaan en haar met een hartelijken kus te bedanken. Daarna schudde ik mijnheer Dick de hand en mijnheer Dick schudde mij telkens weer de hand, en zoo besloten wij den gelukkigen afloop van de onderhandeling met eens hartelijk samen te lachen.

„Ik verzoek u mede op te treden als voogd van dit kind, mijnheer Dick,” zei tante.

„Niets zal mij aangenamer zijn,” antwoordde hij, „dan voogd te wezen over een kind van David.”

„Heel goed,” zei tante, „dat is dus uitgemaakt. Ik heb er over gedacht, mijnheer Dick, hem voortaan Trotwood te noemen.”

„Zeker, zeker,” antwoordde mijnheer Dick, „zeker. David's zoon, Trotwood.”

„Trotwood Copperfield, bedoelt gij zeker,” hernam tante.

„Ja, ja, zeker. Ja. Trotwood Copperfield,” herhaalde mijnheer Dick, een weinig uit het veld geslagen.

Dit denkbeeld beviel mijne tante zoo zeer, dat eenige kleedingstukken, welke dien avond werden thuisgebracht, onmiddellijk werden gemerkt: T. C. Zij deed dit eigenhandig met onuitwischbaren merkinkt, voor ik ze mocht aantrekken; voorts werd bepaald, dat alle kleederen, die voor mij gemaakt werden—een kompleet uitzet werd dien namiddag besteld—op dezelfde wijze gemerkt zouden worden. Zoo begon ik dus een nieuw leven met een nieuwen naam en alles nieuw om mij heen. Nu de twijfel was opgeheven, leefde ik eenige dagen als in een droom. Ik dacht geen oogenblik, dat ik in mijne tante en mijnheer Dick een paar zonderlinge voogden had; ik dacht aan hetgeen mij zelven betrof eigenlijk nooit helder. Hetgeen mij het duidelijkst voor den geest stond, was, dat het leven te Blunderstone veel langer geleden was en dat de tijd, dien ik bij Murdstone en Grinby had doorgebracht, voor altijd vergeten moest worden. Niemand heeft dien tijd ooit weder opgerakeld. Ik zelf heb dien tijd in dit verhaal slechts even aangeroerd, tegen mijn zin, om er terstond weder een gordijn voor te laten vallen. De herinnering daaraan is met zooveel zielelijden, zooveel ellende, zooveel hopeloosheid verbonden, dat mij zelfs de moed ontbreekt na te gaan, hoe lang ik tot dat leven ben veroordeeld geweest. Ik weet niet meer of het een jaar geduurd heeft, of langer of korter. Ik weet alleen, dat die tijd er geweest is en dat er een einde aan gekomen is, dat ik dien moest beschrijven, maar het daarbij ook laat.

XV.

Ik begin opnieuw.

Mijnheer Dick en ik werden weldra de beste vrienden en meermalen gingen wij des avonds, wanneer zijne dagtaak was afgeloopen, uit om den grooten vlieger op te laten. Elken dag zat hij aan zijne memorie te werken, die nooit afkwam, want hoe hij ook zijn best deed, Koning Karel I kwam er telkens weer in voor en dan werd het geschrevene op zij gelegd en opnieuw begonnen. Het geduld en de lijdzaamheid, waarmede hij deze telkens terugkeerende teleurstellingen droeg; het bewustzijn, dat er iets met koning Karel I niet in orde was; de zwakke pogingen, die hij in het werk stelde om hem uit de memorie te houden en de zekerheid, waarmede hij er telkens weder in kwam en de geheele memorie in duigen deed vallen, dat alles maakte een diepen indruk op mij. Wat mijnheer Dick zich voorstelde, dat het gevolg zou zijn van de memorie, als zij af was; wat hij er mede zou doen, of wat iemand ter wereld er aan zou hebben, wist hij evenmin als iemand anders. Maar het was ook volstrekt onnoodig, dat hij zich met deze vragen het leven lastig maakte, want als er iets zeker was onder de zon, dan was het wel dit, dat de memorie nimmer ten einde zou worden gebracht.

Ik herinner mij nog goed, welk een aandoenlijk schouwspel het was hem met den vlieger te zien, wanneer deze hoog in de lucht stond. Hetgeen hij mij op zijne kamer verteld had omtrent de verspreiding van zijne denkbeelden door middel van den vlieger, die werkelijk geheel beplakt was met afgekeurde memories, moge een uitvloeisel zijn geweest van zijne ziekelijke verbeelding; wanneer de vlieger hoog in de lucht stond en hij het touw in zijne hand voelde rukken en trekken, geloofde hij het onvoorwaardelijk. Hij keek nooit zoo ernstig als in die oogenblikken. En wanneer ik dan des avonds bij hem zat in het gras en hem zoo kalm naar den vlieger zag turen, kwam meermalen de gedachte bij mij op, of deze wellicht de verwarring, die in zijn geest heerschte, had medegenomen in de wolken. Wond hij het touw weder op en daalde de vlieger al lager en lager, totdat hij den grond raakte en daar als dood ter nederlag, dan scheen de arme man uit een droom te ontwaken; ik herinner mij nog, hoe hij den vlieger dan opnam en wezenloos rondkeek, alsof met dezen ook weder de verwarring in zijne ziel was teruggekeerd en o, dan had ik zoo'n innig medelijden met hem.

De toenemende vriendschap en vertrouwelijkheid tusschen mijnheer Dick en mij deed mij niet achteruit gaan in de gunst van zijne onafscheidelijke vriendin, van mijne tante. Zij was zoo zeer met mij ingenomen, dat zij na eenige weken reeds mijn aangenomen naam Trotwood tot Trot afkortte en mij zelfs te kennen gaf dat ik, indien ik voortging zooals ik begonnen was, eene even ruime plaats in haar hart zou innemen als mijne zuster Betsey Trotwood.

„Trot,” sprak zij op zekeren avond, toen het trictracbord als naar gewoonte tusschen haar en mijnheer Dick was geplaatst, „Trot, wij mogen uwe opvoeding niet vergeten.”

Dit was het eenige waarover ik mij nu en dan bezorgd maakte, zoodat ik zeer verheugd was toen zij er over begon.

„Zoudt gij wel naar Canterbury op school willen gaan?” vroeg tante.

Ik antwoordde, dat ik het heel prettig zou vinden, vooral omdat ik dan toch dicht bij haar zou blijven. „Goed”, hernam zij. „Zoudt gij morgen willen gaan?” Tante's voortvarendheid was mij niet vreemd meer, zoodat de spoed, waarmede zij ook ditmaal weder haar plan ten uitvoer wilde brengen, mij volstrekt niet verbaasde. Ik zei dus: „Jawel, tante.”

„Goed,” herhaalde zij. „Janet, bestel het wagentje met den grijzen hit tegen morgen ochtend, tien uur, en pak van avond nog de kleeren in van jongeheer Trotwood.”

Ik was opgetogen van blijdschap toen ik deze maatregelen hoorde nemen, maar een oogenblik later verweet ik mij in stilte mijn zelfzucht, toen ik de uitwerking zag, welke tante's woorden op mijnheer Dick hadden; hij was zoo terneergeslagen in het vooruitzicht van onze scheiding en speelde dientengevolge zoo slecht, dat tante, na hem met haar beker verscheidene tikjes op de hand gegeven te hebben, het trictracbord dichtsloeg en verklaarde niet meer met hem te willen spelen. Toen hij echter van tante vernam, dat ik nu en dan des Zaterdags zou overkomen en hij mij, zoo vaak als hij verkoos, des Woensdags mocht bezoeken, herleefde hij en beloofde voor die gelegenheden een vlieger te zullen maken van veel grootere afmetingen dan de reeds bestaande. Den volgenden morgen was hij weder zeer terneergeslagen en zou troost hebben gezocht door mij al het geld, dat hij bezat, goud en zilver, te geven, als mijne tante het niet voorkomen en zijn gift beperkt had tot vijf shillings, die echter op zijn dringend verzoek tot tien werden aangevuld. Wij namen aan het tuinhek op aandoenlijke wijze afscheid en mijnheer Dick ging niet het huis binnen, voordat mijne tante en ik om een hoek van den weg verdwenen waren.

Tante Betsey, die zich van de publieke opinie niets aantrok, mende zelve en bracht den grijzen hit op meesterlijke wijze door de straten van Dover. Zij zat stijf en rechtop als een echte koetsier, had haar paardje goed in de hand en stond het geen enkele maal toe zijn eigen zin te doen. Toen wij den grooten weg hadden bereikt, liet zij het echter een weinig meer vrij en zich tot mij wendende—ik zat veel lager dan zij—vroeg zij mij of ik mij gelukkig gevoelde.

„Heel gelukkig, tante, werkelijk, tante,” zei ik, „ik ben u heel dankbaar.”

Tante scheen bijzonder tevreden met dit antwoord en aangezien zij geen harer handen vrij had, tikte zij mij met de zweep even op het hoofd.

„Is het een groote school, tante?” vroeg ik.

„Dat weet ik niet,” antwoordde zij. „Wij gaan eerst naar mijnheer Wickfield.”

„Is mijnheer Wickfield het hoofd van de school?”

„Neen, Trot; mijnheer Wickfield heeft een kantoor.”

Ik deed geen vragen meer aangaande mijnheer Wickfield, omdat tante uit zich zelve geen verdere inlichtingen gaf, zoodat wij over allerlei andere onderwerpen spraken, tot wij Canterbury binnenreden. Het was marktdag en tante moest al hare aandacht wijden aan den hit, dien zij tusschen karren, manden, allerlei soorten van groenten en andere koopwaren liet voortdraven. Nu en dan scheelde het een haar of zij was tegen het een of ander aangereden en de opmerkingen, die ons naar het hoofd werden geslingerd, waren niet altijd van vriendschappelijken aard; maar tante stoorde er zich volstrekt niet aan en reed door; zij zou, geloof ik, met hetzelfde stalen gezicht door een vijandelijk land gereden zijn.

Eindelijk hielden wij stil voor een heel oud huis, waarvan de bovenverdieping een weinig vooruitstak, een huis met lage vensters, die ook weder vooruitstaken en zware balken met gebeeldhouwde koppen aan de uiteinden, die nog weder verder vooruitstaken, zoodat het mij voorkwam of het geheele huis voorover hing, ten einde te zien wie de nauwe straat doorkwam. Het huis maakte een bijzonder zindelijken indruk. De ouderwetsche metalen klopper op de lage boogvormige deur schitterde als eene ster tusschen de gebeeldhouwde guirlandes van vruchten en bloemen; de twee steenen trapjes, die tot deze deur toegang gaven, waren zoo wit alsof ze met fijn damast waren belegd, en al de hoekjes en uitstekjes en al de onderdeelen van het beeldhouwwerk en de aardige kleine ruitjes en de nog aardiger kleine venstertjes, hoewel zoo oud als de omringende heuvelen, waren zoo helder en blank als de blankste sneeuw, die ooit op deze heuvelen gevallen was.

Toen de hittenwagen voor de deur stil hield en ik het huis van onderen tot boven bekeek, zag ik een lijkkleurig gezicht achter een der vensters van de benedenverdieping—in een klein rond torentje, dat de eene zijde van het huis vormde—even verschijnen, om onmiddellijk daarop weder te verdwijnen. Daarna werd de lage huisdeur geopend en datzelfde gezicht kwam buiten. Het was toen even lijkkleurig als toen ik het door het venster had opgemerkt, hoewel de huidkleur hier en daar de sporen van die zekere roode kleur vertoonde, welke aan menschen met rood haar eigen is. Dat gezicht behoorde aan een roodharigen jongen van vijftien jaar—ik weet dit nu, maar hij zag er veel ouder uit—wiens haar zoo kort was afgeknipt, dat zijn hoofd een stoppelveld geleek en die bijna geen wenkbrauwen en volstrekt geen ooghaartjes had; dit gemis maakte op mij den indruk of hij zijne bruine oogen volstrekt niet sluiten kon, zoodat ik mij met verbazing afvroeg hoe hij kon slapen. Hij had hooge schouders en een grof beenderengestel, was stemmig in het zwart gekleed met eene witte stropdas; zijne rok was tot aan den hals dichtgeknoopt en hij had lange, smalle, skeletachtige handen, die bijzonder mijne aandacht trokken, toen hij er aanhoudend zijne kin mede wreef, terwijl hij bij den kop van den hit naar ons stond te kijken.

„Is mijnheer Wickfield thuis, Uriah Heep?” vroeg tante.

„Mijnheer Wickfield is thuis, juffrouw Trotwood,” antwoordde hij, „wees zoo goed binnen te gaan”—hij wees met zijne lange hand naar de kamer waar mijnheer Wickfield was.