Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 21

Chapter 213,984 wordsPublic domain

De onafgebroken stilte achter het venster van de zijkamer deed het vermoeden in mij opkomen, dat mijne tante daar niet zat; ik vestigde daarom mijne oogen op het bovenraam, waarachter ik een welgedaan heertje opmerkte met een vergenoegd gezicht en grijs haar. Hij scheen mij reeds eenigen tijd te hebben gadegeslagen en kneep nu en dan op snaaksche wijze één oog dicht, knikte mij goeden dag, schudde het hoofd, lachte en verdween. Ik had lang genoeg met angst aan de ontvangst gedacht, maar door deze zonderlinge handelwijze was ik geheel uit het veld geslagen en op het punt om weg te sluipen en te overdenken, wat mij nu te doen stond, toen ik plotseling een statige dame uit de deur zag komen, met den zakdoek over de muts geknoopt en een paar tuinhandschoenen aan, een tuinschort voor en een groot mes in de hand.

Dat _moest_ tante Betsey zijn, want zij stapte juist zoo het huis uit als zij volgens de beschrijving van mijne arme moeder den tuin te Blunderstone was komen binnenstappen.

„Ga heen!” sprak zij, hoofdschuddend en een gat in de lucht slaande met haar mes. „Ga heen! Ik wil geen jongens in mijn tuin hebben!”

Het hart klopte mij in de keel, terwijl ik haar nakeek; zij begaf zich naar een hoekje van den tuin om een wortel of iets dergelijks uit te graven; zonder een greintje moed, louter uit wanhoop naderde ik haar en raakte haar even met den vinger aan.

„Als 't u blieft, mevrouw,” begon ik. Zij ontstelde en keek op.

„Als 't u blieft, tante.”

„Hè?!” riep zij op een toon van verbazing, zooals ik nooit door iemand anders heb hooren uiten.

„Als 't u blieft, tante, ik ben uw neef.”

„Groote goedheid!” riep zij en in het volgend oogenblik zat zij plat op den grond.

„Ik ben David Copperfield uit Blunderstone in Suffolk...... gij zijt daar geweest op den avond, toen ik geboren ben, en hebt toen mijne lieve moeder gezien. Ik ben heel erg ongelukkig geweest, nadat zij gestorven is. Ik ben verwaarloosd en heb niets geleerd; ik moest mijn eigen brood verdienen en werk doen, dat mij niet paste. Daarom ben ik weggeloopen. Eer ik aan het diligencekantoor was, ben ik bestolen en nu heb ik den geheelen weg te voet afgelegd en geen enkelen nacht in een bed geslapen, zoolang de tocht heeft geduurd.”

Nu was het echter gedaan met mijne standvastigheid en volharding; ik maakte nog eene beweging met mijne handen, om haar te wijzen op mijn verwaarloosden toestand en dezen te hulp te roepen om te getuigen, hoeveel ik had moeten doorstaan, en barstte toen in tranen uit. Ik had ze immers eene week lang moeten inhouden!

Mijne tante, op wier gelaat geen andere uitdrukking dan verbazing te lezen was, bleef mij, op den grond zittende, aanstaren tot ik begon te schreien; toen stond zij haastig op, nam mij bij den kraag van mijn hemd en trok mij met zich voort naar de zijkamer. Haar eerste werk was eene kast te openen, er eenige flesschen uit te voorschijn te halen en mij uit elke flesch iets in den mond te gieten. Ik vermoed, dat zij er maar blindelings eenige had weggepakt, want ik weet zeker, dat ik anisette, ansjovissaus en sla-nat proefde.

Toen zij mij deze hartversterking had toegediend en ik nog altijd zenuwachtig bleef snikken, liet zij mij op de sofa plaats nemen met een omslagdoek onder mijn hoofd en haar eigen zakdoek onder mijne voeten, uit vrees, dat ik het overtrek vuil zou maken; daarna ging zij zelve achter den grooten, groenen waaier zitten, waarvan ik straks reeds gesproken heb, zoodat ik haar gezicht niet kon zien, maar haar met gelijkmatige tusschenpoozen hoorde zeggen: „Genadige Hemel!” op de wijze van noodschoten, die om de minuut gelost worden.

Toen zij zoo eenigen tijd had gezeten, trok zij aan de schel. „Janet,” sprak zij, toen het dienstmeisje binnenkwam, „ga eens naar boven en zeg aan mijnheer Dick, dat ik hem gaarne eens zou willen spreken.”

Janet keek niet weinig verbaasd, toen zij mij daar op de sofa zag liggen—ik durfde mij niet bewegen uit vrees van mijne tante te zullen storen in hare overpeinzingen—maar ging toch terstond hare boodschap doen. Intusschen wandelde mijne tante met de handen op den rug de kamer op en neer, tot de heer, dien ik in het raam van de bovenkamer had gezien, lachend de kamer binnenkwam.

„Mijnheer Dick,” zei mijne tante, „doe nu niet, alsof gij niet goed bij uw verstand waart, want niemand kan zoo verstandig zijn als gij. Dat weten wij allen. Als gij maar wilt. Wees dus eens heel verstandig vandaag.”

De kleine, welgedane man begon terstond heel ernstig te kijken en wierp mij een blik toe, alsof hij mij wilde vragen niets te vertellen van de gezichten, die hij achter het venster getrokken had.

„Mijnheer Dick,” vervolgde mijne tante, „gij hebt mij wel eens hooren spreken over David Copperfield? Doe nu maar niet, alsof uw geheugen op den loop is, want dat weet ik wel beter.”

„David Copperfield?” herhaalde mijnheer Dick, die op mij den indruk maakte, dat hij er zich niets van herinnerde. „David Copperfield? O, ja, zeker, David, jawel.”

„Welnu,” vervolgde tante, „ziedaar zijn.... zoon. Hij zou op zijn vader gelijken, zooals nooit iemand op zijn vader geleken heeft, als hij ook niet op zijne moeder leek.”

„Zijn zoon?” vroeg mijnheer Dick. „David's zoon? Waarlijk?”

„Ja,” vervolgde tante, „en hij heeft een fraai stukje uitgehaald. Hij is weggeloopen. Och, och! Zijne zuster, Betsey Trotwood, zou nooit zijn weggeloopen.” Mijne tante schudde het hoofd, vol vertrouwen op het karakter en de braafheid van het meisje, dat nooit geboren was.

„Zoo, denkt gij, dat zij nooit zou zijn weggeloopen?” vroeg mijnheer Dick.

„De Hemel beware dien man!” riep tante op bitsen toon. „Wat praat hij toch! Weet ik dan niet, dat zij het nooit gedaan zou hebben? Zij zou bij hare pleegmoeder gewoond hebben en wij zouden voor elkaar geleefd hebben. Van wie zou zijn zusje Betsey Trotwood zijn weggeloopen en waarheen zou zij zijn gegaan!”

„Van niemand! Nergens heen!” antwoordde mijnheer Dick.

„Welnu dan,” hernam tante, wat zachter gestemd door dit antwoord, „hoe kunt gij nu beweren, dat er een bij u op den loop is, terwijl gij zoo scherp kunt zijn als een lancet? Welnu, hier ziet gij voor u den jongen David Copperfield en nu vraag ik u, wat ik met hem moet aanvangen?”

„Wat gij met hem zult aanvangen?” herhaalde mijnheer Dick bijna onhoorbaar en zijn hoofd krabbende. „Juist, met hem aanvangen?”

„Ja,” zei mijne tante, hoogst ernstig en met den wijsvinger in de hoogte. „Kom, geef mij nu eens een heel verstandigen raad.”

„Wel, als ik u was,” zei mijnheer Dick, nadenkend en mij wezenloos aanstarende, „zou ik”.... het scheen, dat hij door mij aan te kijken een inval kreeg, want plotseling voegde hij er op haastigen toon bij: „ik zou hem wasschen!”

„Janet,” zei mijne tante, met een zegevierenden blik rondkijkende, waarvan ik op dit oogenblik de beteekenis nog niet begreep. „Janet, mijnheer Dick heeft het weer bij het rechte eind. Steek de badkachel aan.”

Terwijl dit voor mij zoo uiterst belangrijke gesprek plaats had, kon ik niet nalaten mijne tante, mijnheer Dick en Janet eens goed aan te kijken en mijne oogen eens door de kamer te laten rondgaan. Mijne tante was lang en slank; had forsche gelaatstrekken, doch kon volstrekt niet leelijk genoemd worden. Er was iets onverzettelijks in de uitdrukking van haar gelaat, in hare stem, iets onbuigzaams in hare houding en haar gang, iets dat voldoende den indruk verklaarde, dien zij op zulk een teeder schepseltje, als mijne moeder, gemaakt had; hare gelaatstrekken waren echter eerder mooi dan leelijk, al sprak haar gelaat ook van gestrengheid en onverstoorbare kalmte. Ik merkte ook op dat zij groote, levendige oogen had, waarin eene verstandige uitdrukking lag. Hare grijze haren waren in het midden gescheiden en gingen schuil onder eene muts, die men een nachtmuts zou hebben kunnen noemen; eene muts, zooals men in dien tijd veel meer zag dragen dan tegenwoordig, voorzien van zijstukken, die onder de kin werden vastgeknoopt. Hare japon had de kleur van lavendel en zat onberispelijk, al was die zoo krap mogelijk geknipt; blijkbaar verlangde zij zoo weinig mogelijk stof op hare rekening te zien. Ik herinner mij zeer goed, dat de japon den indruk op mij maakte van een rijkleed, waarvan de sleep, als geheel overtollig, was afgeknipt. Zij droeg een gouden heerenhorloge, zooals ik uit den vorm en de grootte meende te moeten opmaken, benevens een zwaren gouden ketting en cachetten; haar hals was omsloten door een kraagje, dat op den kraag van een manshemd geleek en de polsen door dingen, die mij aan datzelfde kleedingstuk deden denken.

Mijnheer Dick had, zooals ik reeds zeide, grijs haar en een blozend uiterlijk; ik zou hiermede alles van hem gezegd hebben, ware zijn hoofd niet op zonderlinge wijze gebogen geweest. Het was volstrekt niet uit ouderdom zoo gebogen, doch herinnerde mij aan het hoofd van een der jongens op de kostschool, wanneer mijnheer Creakle zijn stok ophief om hem te slaan. Hadden zijne groote, grijze oogen niet zoo uit zijn hoofd gepuild en mij ten gevolge van de waterachtige uitdrukking, in verband met zijne onderdanige houding tegenover mijne tante en met zijne blijdschap, wanneer deze hem prees, niet al doen vermoeden, dat hij niet goed bij zijn verstand was, het verbaasde mij toch zeer, dat hij werkelijk niet goed wijs zijnde, bij mijne tante in huis was. Hij was gekleed, zooals ieder fatsoenlijk man gekleed was, in een loshangende grijze ochtendjas, een vest van dezelfde kleur en witte broek, had een horloge in zijn vestzak en geld in zijne broekzakken. Op dit geld scheen hij bijzonder trotsch te zijn, want hij liet het telkens rammelen.

Janet was een knap, frisch, jong meisje, negentien of twintig jaar oud en een voorbeeld van netheid. Ik was niet in de gelegenheid om mijne opmerkingen omtrent haar voort te zetten; alleen wil ik hier nog iets vermelden, dat ik pas later ontdekte, namelijk, dat zij een van de vele beschermelingen was, die mijne tante in haar dienst had genomen om ze op te voeden in algeheele verzaking van het mannelijk geslacht en—die gewoonlijk hare moeite beloonden door met den bakker of den slager te trouwen.

De kamer was even keurig netjes als Janet en mijne tante. Wanneer ik later mijne pen eens neerlegde om mij de huiskamer mijner tante in het geheugen te roepen, kwam mij dezelfde frissche zeelucht, vermengd met de geuren van honderde bloemen weder te gemoet; dan zag ik weder de ouderwetsche, spiegelglad geboende meubels, den „bijna heiligen” stoel van mijne tante en haar tafeltje bij den groenen, ronden waaier op de vensterbank, het effen grijze tapijt, de kat, de theestoof, de twee kanaries, het oude porselein, de punch-bowl, gevuld met gedroogde rozenbladeren, de groote kast met flesschen en potten van allerlei soort en wonderlijk afstekend bij dit alles, mij zelven, zoo vuil en bestoven als ik was, op de sofa liggende, alles en allen met de grootste aandacht bekijkende.

Janet was heengegaan om het bad gereed te maken, toen mijne tante, tot mijn grooten schrik plotseling bleek van verontwaardiging opstond en nauwelijks in staat was om te roepen: „Janet, Janet! Ezels!” Hierop stormde Janet de trap af met een haast, alsof het huis in lichterlaaie stond, en snelde naar buiten, naar een klein grasveld vóór het huis, ten einde twee ezels van daar te verdrijven, die, door een paar jonge meisjes bereden, het waagden hunne hoeven daarop te zetten; terwijl mijne tante eveneens het huis uitstormde, een derden ezel, die een kind op zijn rug droeg, bij den teugel nam, omdraaide en van de geheiligde plek verwijderde, tegelijkertijd den ongelukkigen dreumis, die het gewaagd had met zijn ezels dit verboden terrein te betreden, eenige oorvijgen toedienende.

Tot op dit uur weet ik nog niet welk recht mijne tante kon laten gelden op dit grasveldje maar zij had zich nu eenmaal in het hoofd gezet, dat zij er recht op had en dat was voor haar genoeg. De grootste beleediging, die men haar kon aandoen en die altijd wraak eischte, was, dat een ezel dit gewijde plekje betrad. Waarmede zij ook bezig was, hoeveel belang haar een gesprek, waarin zij deelde, ook inboezemde, de verschijning van een ezel gaf terstond eene andere, wending aan hare gedachten en onmiddellijk stormde zij er op los. Kannen en gieters vol water werden op verborgen plaatsen gereed gehouden om op de schuldige jongens te worden uitgestort; achter de deur lagen stokken gereed om hen af te rossen; op alle uren van den dag keerden dergelijke uitvallen terug, zoodat men eigenlijk voortdurend in oorlogstoestand verkeerde. Waarschijnlijk was dit een pretje voor de ezeljongens, tenzij de schrandersten onder de ezels, begrijpende, hoe de zaken stonden, met de hun aangeboren halsstarrigheid dezen weg bij voorkeur insloegen. Ik weet alleen, dat er drie malen alarm werd geroepen, eer het bad gereed was en ik bij den laatsten en wanhopigsten uitval, mijne tante handgemeen zag met een vlasharigen jongen van ongeveer vijftien jaar en zij zijn vlaskop eenige malen met haar eigen tuinhek moest laten kennismaken, eer hij goed begreep wat zij eigenlijk van hem wilde. Deze tusschenbedrijven kwamen mij te vermakelijker voor, omdat mijne tante bezig was mij bouillon te voeren met een paplepel—zij was vast overtuigd, dat ik op het punt was om van honger om te komen en achtte het daarom noodig mij slechts kleine hoeveelheden te gelijk te geven—en zij eenmaal, op het oogenblik, dat ik den mond geopend had om te happen, den lepel in de kom wierp en roepende: „Janet! Janet! Ezels!” tot den aanval overging.

Het bad was heerlijk. Ik begon hevige pijn in al mijne leden te voelen tengevolge van het slapen in de open lucht en op den harden grond en was nu zoo afgemat en zoo zwak, dat ik mijne oogen geen vijf minuten achtereen kon openhouden. Toen ik met het bad gereed was, voorzagen zij—ik bedoel tante en Janet—mij van een hemd en een broek van mijnheer Dick, en wikkelden mij daarna in twee of drie groote omslagdoeken; waarop ik, zoo ingepakt, geleken heb, kan ik niet zeggen, maar ik werd zoo warm, alsof ik gestoofd werd en aangezien mijne loomheid daardoor nog vermeerderde, lag ik spoedig weder op de sofa en viel in een rustigen slaap.

Mogelijk is het een droom geweest, voortspruitende uit hetgeen mij al deze dagen had bezig gehouden, maar ik ontwaakte in de verbeelding, dat mijne tante zich over mij gebogen, mij het haar uit het gelaat gestreken en mijn hoofd wat gemakkelijker gelegd had en nu voor mij stond.

De woorden, „aardige jongen” of „arme jongen”, klonken mij nog in de ooren; overigens was er niets, waaruit ik kon opmaken, dat ze door mijne tante waren uitgesproken, die achter haar groenen waaier naar de zee zat te kijken, toen ik wakker werd. Ik bemerkte nu, dat deze waaier op een soort krukje stond en naar goedvinden kon gedraaid worden.

Spoedig, nadat ik wakker was geworden, gebruikten wij het middagmaal, dat uit een gebraden hoentje en een podding bestond; ik zat aan tafel, zelf veel gelijkende op een opgemaakten vogel, en kon mijne armen bijna niet bewegen. Aangezien tante zelve mij zoo had ingebakerd, durfde ik er mij niet over beklagen. Ik was vreeselijk nieuwsgierig te weten, wat zij met mij voor had maar zij at zwijgend voort, behalve wanneer zij mij nu en dan van ter zijde aankeek en zei: „Groote goedheid! Hoe is 't toch mogelijk!” waardoor ik echter niet veel wijzer werd.

Toen de tafel was afgenomen en er eene flesch sherry gereed was gezet—ik kreeg ook een glas—liet mijne tante mijnheer Dick verzoeken beneden te komen en mede aan te zitten. Hij keek zoo verstandig als hem mogelijk was, toen tante hem uitnoodigde, naar mijne geschiedenis te luisteren, die zij mij door een reeks van vragen van #a# tot #z# liet vertellen.

Gedurende mijn verhaal hield zij de oogen voortdurend gevestigd op mijnheer Dick, die, naar het mij voorkwam anders in slaap zou zijn gevallen en telkens, wanneer er een glimlach om zijn mond dreigde te komen, door een bestraffenden blik van mijne tante hiervan werd teruggehouden.

„Wat mag dat ongelukkige kind toch bewogen hebben, om voor de tweede maal te trouwen!” zei tante, toen ik aan het einde was, „ik kan het mij niet begrijpen.”

„Misschien was zij verliefd op haar tweeden man,” sprak mijnheer Dick als zijn vermoeden uit.

„Verliefd!” herhaalde tante. „Wat bedoelt gij daarmede? Waarom zou zij verliefd zijn geweest?”

„Misschien,” antwoordde mijnheer Dick met een gemaakt lachje, na even te hebben nagedacht, „misschien vond zij het prettig verliefd te zijn.”

„Prettig! Nu nog mooier!” hernam tante. „Het is nog al een pretje voor zoo'n kind, om haar vertrouwen te schenken aan zulk een ruwen kerel, die haar zeker mishandeld heeft. Ik zou toch wel eens willen weten wat zij zich heeft voorgesteld? Zij had immers een man gehad. Zij had David Copperfield, die altijd op zulke wassen popjes verliefd was, naar de andere wereld zien gaan; zij had een kind—o, daar waren dien Vrijdagavond, toen deze jongen geboren werd, twee kinderen bij elkaar!—wat wilde zij dan toch?”

Mijnheer Dick schudde heimelijk het hoofd tegen mij, alsof hij meende, dat niemand daarop een antwoord geven kon.

„Zij kon niet eens een kind krijgen zooals ieder ander,” zei mijne tante. „Waar is de zuster van dezen jongen? Waar is Betsey Trotwood? Achterwege gebleven! Vertel mij toch niets!”

Mijnheer Dick scheen het benauwd te krijgen.

„En dat doktertje met het hoofd op zij,” vervolgde tante, „dat kereltje, Chellips of hoe hij heeten mocht, wat kon _die_? Alles wat hij kon was mij te zeggen, op een toon of een roodborstje het floot: het is.... het is een jongen! Een jongen! Ba, hij was even dom als die heele troep!”

Zij was zoo driftig, terwijl zij dit uitriep, dat mijnheer Dick er van schrikte en, om de waarheid te zeggen, ik ook.

„En toen, alsof het nog niet genoeg was, dat zij de zuster van dezen jongen, Betsey Trotwood, onrecht had aangedaan,” vervolgde mijne tante, „trouwt zij voor de tweede maal.... trouwt met een moordenaar—de naam had tenminste iets daarvan—en doet _dit_ kind weer onrecht aan. En het natuurlijk gevolg, dat iedereen, die geen kind meer was, had kunnen voorzien, was, dat het de wijde wereld werd ingejaagd en als een vagebond moet rondzwerven. Hij lijkt sprekend op Kaïn, zooals deze er in zijne jeugd moet hebben uitgezien.”

Mijnheer Dick keek mij onderzoekend aan, alsof hij het Kaïnteeken zocht.

„En dan was daar nog die vrouw met dien heidenschen naam, die Peggotty, en dat mensch gaat me waarlijk ook al trouwen! Zij had zeker nog niet gezien, hoevelen haar ongeluk te gemoet gaan. Daar gaat zij me ook al trouwen, zooals de jongen vertelt! Ik hoop maar,” ging zij hoofdschuddend voort, „dat zij een man heeft gekregen, die haar flink afrost; de kranten zijn vol van dergelijke huwelijken.”

Ik kon het niet goed aanhooren, dat men zoo over mijne oude kindermeid sprak en dat iemand haar zoo iets toewenschte. „Die Peggotty was de beste, de trouwste, de eerlijkste, de ontbaatzuchtigste dienstbode en vriendin van de wereld,” vertelde ik aan mijne tante. „Zij heeft mij altijd even hartelijk liefgehad, zij heeft ook mijne moeder altijd hartelijk liefgehad; in hare armen is mijne moeder gestorven en op hare wangen heeft mijne moeder den laatsten dankbaren kus gedrukt.” De herinnering aan beiden ontroerde mij zoo hevig, dat de woorden mij in de keel bleven steken, toen ik trachten wilde te zeggen, dat Peggotty's huis altijd voor mij open stond, dat ik bij haar een onderkomen zou gezocht hebben, als zij niet tot een anderen stand had behoord, waardoor ik vreesde haar overlast te zullen aandoen—ik kon niet voortgaan, zooals ik zeg, toen ik dit wilde vertellen en bedekte mijn gezicht met beide handen.

„Nu, ja,” zei tante, „het kind heeft gelijk, dat het geen kwaad toewenscht... Janet, Janet! Ezels!”

Ik ben er bijna van overtuigd, dat wij het zonder die ongelukkige ezels wel eens zouden zijn geworden, want tante had de hand op mijn schouder gelegd en, daardoor aangemoedigd, was ik op het punt om de armen om haar hals te slaan en hare bescherming in te roepen. Maar de stoornis en de zenuwachtigheid, tengevolge van het gevecht met de ezeljongens, joegen alle zachtere gewaarwordingen op de vlucht; toen zij in de kamer terugkeerde, gaf zij aan hare verontwaardiging lucht en zei, dat zij de bescherming zou inroepen van de wetten des lands en alle ezelhouders te Dover in rechten zou betrekken—en daarover sprak zij voort tot de thee werd binnengebracht.

Gedurende de thee zaten wij bij het raam—te oordeelen naar tante's strak gezicht zat zij voortdurend op den uitkijk naar de langooren—tot het donker werd en Janet kaarsen en een trictracbord gereed zette en de gordijnen neerliet.

„Nu, mijnheer Dick,” begon mijne tante met dezelfde ernstige uitdrukking op het gelaat en haar wijsvinger in de hoogte evenals 's middags, „ik wil u eene andere vraag doen. Kijk dezen jongen eens aan.”

„David's zoon?” vroeg mijnheer Dick met een aandachtig, doch benauwd gezicht.

„Juist,” antwoordde tante. „Wat zoudt gij nu met hem doen?”

„Met David's zoon?”

„Ja, ja, met David's zoon.”

„O, ja, wat ik doen zou? Ik zou hem naar bed sturen.”

„Janet!” riep tante met denzelfden vergenoegden, zegevierenden blik als ik reeds eerder had opgemerkt. „Mijnheer Dick heeft 't weer bij het rechte eind. Als het bed gereed is, zullen wij hem er in leggen.”

Janet antwoordde dat boven alles gereed was, en dus werd ik naar boven gebracht; met de meeste welwillendheid, maar toch eenigszins als een gevangene: mijne tante ging vooruit en Janet kwam achter mij aan. De eenige omstandigheid, die mijne hoop een weinig verlevendigde, was dat tante plotseling op de trap bleef staan om te vragen, van waar de brandlucht kwam, die zij rook; waarop Janet antwoordde, dat zij tonder gemaakt had van mijn oude hemd. In mijne kamer vond ik echter geen andere kleederen, dan de wonderlijke verzameling, die ik aan mijn lijf had, en toen ik alleen op mijn kamer stond met een klein kaarsje, dat volgens de waarschuwing van mijne tante ongeveer vijf minuten branden zou, hoorde ik, dat mijne deur aan de buitenzijde werd afgesloten. Toen ik hierover nadacht, begon ik plotseling in te zien, dat tante, die mij volstrekt niet kende, wellicht vermoedde dat wegloopen een gewoonte van mij was en daarom de noodige voorzorgen nam.

Het was een vroolijk kamertje boven in het huis met het uitzicht op de zee, die door de maan schitterend werd verlicht. Nadat ik mijn gebedje had opgezegd en de kaars was uitgebrand, bleef ik naar het maanlicht op het water zitten kijken—ik herinner mij dat zeer goed—als hoopte ik mijne toekomst daarin te kunnen lezen of mijne moeder met haar kindje uit den hemel te zullen zien neerdalen langs dat blinkende pad, om mij aan te zien, zooals zij gedaan had, toen ik den laatsten keer van haar wegreed. Ik herinner mij met welk een plechtig gevoel ik eindelijk de oogen afwendde en hoe dankbaar ik gestemd was, toen ik daar dat bed zag staan met de helderwitte gordijnen en hoe sterk dat gevoel werd, toen ik mij heerlijk innestelde tusschen de zachte kussens! Ik herinner mij nog, hoe ik dacht aan al de eenzame plekjes onder den nachtelijken hemel, waar ik geslapen had en hoe ik God bad, dat ik toch nimmer meer zonder dak mocht wezen en nooit de armen zou vergeten, wien hetzelfde lot te beurt viel, dat mij getroffen had. Ik herinner mij ook nog, hoe ik toen langs dat zacht glanzende pad over de zee het land der droomen scheen binnen te zweven.

XIV.

Mijne tante neemt een besluit te mijnen opzichte.