Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 20

Chapter 204,098 wordsPublic domain

Voor een nachtverblijf was een plan in mij opgekomen, dat ik nu ten uitvoer ging brengen. Ik wilde mij namelijk achter den muur van mijne oude school te slapen leggen op eene plaats, waar vroeger een hooischelf stond en verbeeldde mij, dat het denkbeeld, al de jongens en de slaapzaal, waarin ik zoo menigen nacht had doorgebracht, in mijne onmiddellijke nabijheid te weten, veel zou vergoeden, al wisten de jongens niet dat ik daar lag te slapen en al zou mijne ligplaats wel harder zijn dan mijn oude bedje. Ik had een vermoeienden dag gehad en was doodop, toen ik eindelijk, al klimmende, de hoogte van Blackheath bereikte. Het kostte mij eenige moeite Salem House te vinden, maar eindelijk vond ik het toch en vond ik ook de hooischelf in den hoek, en na eerst den muur omgewandeld en mij overtuigd te hebben, dat allen in huis sliepen en daar binnen alles stil en donker was, legde ik mij te slapen. Nimmer zal ik het gevoel van verlatenheid vergeten, dat mij bekroop, toen ik daar lag zonder dak boven mijn hoofd! Gelukkig sliep ik weldra in, evenals zoo vele andere verworpelingen, voor wie de huisdeuren gesloten en de waakhonden losgelaten waren dien avond—en ik droomde dat ik op mijn oude bedje lag en de jongens naar mijne verhalen zaten te luisteren en werd wakker, rechtop zittende, met den naam Steerforth op de lippen, in mijn half wakenden toestand, verbaasd, dat ik de sterren zoo helder zag flikkeren. Toen ik mij herinnerde waar ik was, bekroop mij een gevoel van angst, dat mij deed opstaan en eenigen tijd rondwandelen, hoewel ik niet wist waarover ik mij eigenlijk angstig maakte.

Toen het licht der sterren begon te verflauwen en aan den hemel zich de kenteekenen van den naderenden dag begonnen te vertoonen, week ook mijn angst; mijne oogleden werden zwaarder, ik ging weder liggen en sliep in met het flauwe bewustzijn, dat het koud was—en ik bleef slapen tot de warme zonnestralen en de ontbijtbel op Salem House mij wekten. Had ik geweten, dat Steerforth daar nog was, ik zou mij verborgen hebben totdat hij bij toeval eens alleen buiten kwam; maar ik wist dat hij reeds langen tijd te voren de school had vaarwel gezegd. Traddles was er nog, wellicht, toch betwijfelde ik ook dit; bovendien had ik te weinig vertrouwen op zijne stilzwijgendheid en zijn goed gesternte, al was ik overtuigd van zijn goed hart, om hem mijn geheim toe te vertrouwen. Daarom kroop ik uit mijn schuilhoek, terwijl de jongens van mijnheer Creakle aan het ontbijt zaten, en sloeg den langen, stoffigen weg in naar Dover, dien ik, toen ik nog op Salem House was, zoo menigmaal had gadegeslagen, niet vermoedende, dat ooit iemand mij daarop zou zien onder omstandigheden als deze.

Hoe verschilde deze Zondag-ochtend van die heerlijke Zondag-ochtenden te Yarmouth. Wel hoorde ik op den gewonen tijd de klokken luiden, terwijl ik voortliep; wel ontmoette ik allerlei menschen, die naar de kerk gingen, en kwam ik langs twee of drie kerken, waar de gemeente verzameld was en de kerkeknecht in het portaal of onder een ouden iepeboom zat uit te blazen, terwijl hij mij met een boos gezicht nakeek; overal was op dien Zondag-ochtend vrede en kalmte, behalve in mij.—Dat was het verschil! Ik voelde dat men mij voor een halven heiden moest aanzien, zoo bestoven en verwaarloosd zag ik er uit met mijn verwarde haren. Telkens stond mij echter weder het tooneeltje voor den geest van mijn jonge, mooie moedertje, schreiend bij het haardvuur, terwijl tante Betsey door het zien van hare jeugd en schoonheid verteederd werd—zonder dit zou ik waarschijnlijk niet den moed hebben gehad om verder te gaan. Maar het bleef voor mij uitgaan en ik volgde het.

Ik legde dien Zondag drieëntwintig mijlen af op den rechten weg; het viel mij niet gemakkelijk, want deze inspanning was mij nieuw. Ik zie mij tegen den avond nog over de brug te Rochester gaan, met doorgeloopen voeten, doodvermoeid en niets voor mijn avondeten dan een stuk droog brood, dat ik onder weg had gekocht. Wel had ik een begeerigen blik geworpen op een of twee kleine huisjes met het uithangbord: „Logies voor den reizenden man,” maar ik durfde de weinige stuivers, die ik nog over had, niet uitgeven en was ook bang voor de brutale gezichten van allerlei landloopers, die ik dien dag had ontmoet of ingehaald. Ik zocht daarom geen ander dak dan den blooten hemel en toen ik Chatham was binnengestrompeld—bij avond maakte het den indruk op mij van een verward droomgezicht, waarin krijt, ophaalbruggen, mastelooze schepen met daken, zooals op de arke Noach's, en eene modderige rivier door elkander wriemelden—vond ik een schuilplaats in het gras van eene batterij, waar een schildwacht voortdurend heen- en weerliep. Ik legde mij neer bij een kanon, gerustgesteld door de voetstappen van den schildwacht, al wist deze evenmin, dat ik boven hem lag, als de jongens op Salem House geweten hadden, dat ik achter den muur eene schuilplaats had gezocht—maar ik sliep vast tot den volgenden morgen.

Stijf en pijnlijk werd ik wakker en keek vreemd op, toen ik tromgeroffel en marcheerende soldaten hoorde, die mij aan alle kanten schenen in te sluiten, toen ik naar beneden kroop en de nauwe straat trachtte te bereiken. Ik voelde dat ik dien dag niet ver zou kunnen gaan, wilde ik mijne krachten sparen voor het laatste gedeelte van mijne reis; ik besloot daarom eene poging te wagen om mijn buis te verkoopen, hetgeen dus mijne voornaamste bezigheid zou zijn. Ten einde mij vast aan het gemis te wennen, trok ik het buis uit, en het ineengerold onder den arm dragend, ging ik de verschillende uitdragerswinkels eens bezichtigen.

Het scheen een uitstekend plaatsje te zijn om een buis te verkoopen, want de handelaars in oude kleeren waren ontelbaar, en bijna allen stonden in de deuren naar klanten rond te kijken. De meesten hadden echter ook officiersuniformen met de epauletten er op aan hunne zoldering hangen, zoodat ik terugdeinsde bij het zien van zooveel kostbaarheden, en langen tijd bleef rondzwerven, zonder mijn eenvoudig buis te koop aan te durven bieden.

In mijne bescheidenheid vestigde ik meer de aandacht op winkels, zooals die van mijnheer Dolloby, dan op zulke deftige uitdragerijen. Eindelijk vond ik er een, die, naar ik meende, voor mijn doel geschikt was, op den hoek van een morsig steegje, dat op den met brandnetels begroeiden wal doodliep. Aan eenige palen hingen matrozenpakken te bengelen, waarvoor in den winkel geen plaats meer was, te midden van hangmatten, roestige geweren, oliehoeden en eenige tonnen vol verroeste sleutels, zoo verschillend van vorm, dat men daarmede wel alle sloten van de wereld zou hebben kunnen openen.

Dezen winkel, die klein en laag was, vol hing met allerlei kleedingstukken en verlicht—men zou eerder hebben kunnen zeggen donker gemaakt—werd door een klein raampje vol spinnewebben, ging ik langs twee trapjes met een kloppend hart binnen: mijn angst verminderde niet, toen er uit een morsig hokje achter den winkel een afschuwelijk leelijke, oude man verscheen, met een grijzen stoppelbaard, en mij bij de haren pakte. Die man was vreeselijk om aan te zien in zijn vuilen flanellen borstrok, en bracht een alles overheerschende brandewijnlucht mede. Zijn ledikant, waarover een vuile, gescheurde lappendeken was uitgespreid, stond in het hokje, waaruit hij gekomen was, en waar men door een klein raampje het uitzicht had op een geheel bosch van brandnetels, waaraan een kreupele ezel zich scheen te goed te doen.

„Wat moet gij hier?” schreeuwde de oude man met een kwaadaardige stem en op huilenden toon. „O mijn oogen, mijn leden, wat moet gij hier? O mijn long en lever, wat moet gij hier? O goroe, goroe!”

Ik was zoo ontsteld door deze uitroepen, en voornamelijk door de laatste woorden, die ik niet kende, en die klonken als een soort gerochel, achter in zijn keel, dat ik geen antwoord kon geven; de oude man hield mij intusschen nog steeds bij de haren vast en herhaalde:

„O, wat moet gij hier? O, mijn oogen, mijn leden, wat moet gij hier? O, mijn long en lever, wat moet gij hier? O, goroe, goroe!” en hij schreeuwde, vooral deze laatste woorden, zoo hard, dat zijne met bloed beloopen oogen uit hunne kassen puilden.

„Ik wilde vragen,” antwoordde ik bevend, „of gij een buis wilt koopen?”

„Laat mij dat buis zien!” riep hij. „O, mijn brandend hart, laat mij dat buis dan zien! O, mijn oogen, mijn leden, haal het buis dan voor den dag!”

Nu trok hij zijn handen, die op de klauwen van een roofvogel geleken, uit mijn verwarde haren en zette een grooten bril op, die zijn rooden oogen in geenen deele tot sieraad strekte.

„O, hoeveel voor dat buis?” riep hij, na het bekeken te hebben. „O, goroe, hoeveel voor dit buis?”

„Een halve kroon,” antwoordde ik, eenigszins bekomen van den eersten schrik.

„O, mijn long en lever,” riep hij, „neen! O, mijn oogen, neen! O, mijn leden, neen! Achttien stuivers! Goroe!”

Telkens wanneer hij dezen uitroep liet hooren, schenen zijne oogen gevaar te loopen om uit hunne kassen te springen, en alles wat hij zeide klonk als een deuntje, altijd hetzelfde, het best te vergelijken met een windvlaag, die zacht begint en langzamerhand in kracht toeneemt.

„Welnu,” antwoordde ik, blijde den koop gesloten te hebben, „voor achttien stuivers laat ik u het buisje.”

„O, mijn lever!” riep de oude vrek, terwijl hij het buis op een plank wierp. „Den winkel uit! O, mijn long, den winkel uit! O, mijn oogen en ledematen... goroe!... vraag mij geen geld! Neem wat in ruil!”

Ik ben nooit in mijn leven zoo bang geweest, vóór noch na dat oogenblik; ik vertelde hem toch zoo nederig mogelijk, dat ik het geld noodig had, dat ik niets van al hetgeen hij mij in ruil zou willen geven, kon gebruiken, maar dat ik buiten zou wachten als hij dat goed vond, en ik hem volstrekt niet zou haasten. Ik ging terstond naar buiten en in een schaduwrijk hoekje zitten; ik zat daar zoo lang dat de zonnestralen de schaduw vervingen, en de schaduw de zonnestralen, maar ik wachtte nog steeds te vergeefs op mijn geld.

Ik hoop dat nooit zulk een dronken dolleman als hij het uitdragersvak heeft uitgeoefend. Dat hij goed bekend was in de buurt en onder verdenking stond zijn ziel aan den duivel verkocht te hebben, begon ik spoedig te begrijpen uit de bezoeken van de jongens, die voortdurend zijn winkel inliepen en dan dit sprookje luide verkondigden, hem toeroepende zijn geld voor den dag te halen. „Gij zijt niet zoo arm, Charley, als gij u voordoet! Laat uw geld eens zien! Laat het geld eens zien, waarvoor gij u aan den duivel verkocht hebt! Kom! Het zit in de matras, Charley! Snijd de matras open, en laat het ons eens zien!” Deze uitroepen en de tallooze aanbiedingen om hem tot dat doel een mes te leenen, deden hem telkens woedend opstuiven, waarop hij naar buiten kwam en de jongens op de vlucht gingen. In zijn toorn hield hij mij nu en dan voor een van hen en wilde dan op mij toeloopen, alsof hij van plan was mij in stukken te scheuren; maar als hij zich dan nog juist bijtijds herinnerde, wie ik was, sloop hij den winkel weer binnen en ging op zijn bed liggen, naar ik uit de geluiden, die hij maakte, vermoedde; waarna ik hem een oogenblik later „Nelson's dood” hoorde uitgalmen, met een „O!” voor elken regel en doorspekt met tallooze „goroe's”.

Alsof ik nog niet ongelukkig genoeg was, meenden de jongens, dat ik op de eene of andere wijze aan de uitdragerij verbonden was, omdat ik daar met zooveel geduld en volharding, half gekleed, bleef zitten; zij plaagden mij den geheelen dag en wierpen mij met steenen en slijk.

De oude kleerkooper deed vele pogingen om mij tot een ruilhandel te bewegen, nu eens met een vischhengel of een viool, dan weder met een driekanten steek of een fluit naar buiten komende. Ik wees echter al deze aanbiedingen van de hand en bleef half wanhopend zitten, terwijl ik hem telkens met tranen in de oogen smeekte, mij het geld voor mijn buisje te geven. Eindelijk begon hij mij met halve stuivers te gelijk te betalen en had twee uur noodig om het tot een shilling te brengen.

„O, mijn oogen, mijn leden!” riep hij toen, zijn afzichtelijk hoofd buiten de deur stekend, „wilt gij heengaan voor twee stuivers?”

„Ik kan het niet doen,” zei ik. „Ik zal van honger omkomen.”

„O, mijn long en lever! Wilt gij dan voor drie stuivers heengaan?”

„Ik zou wel zonder meer geld willen heengaan, als ik kon,” zei ik, „maar ik heb het geld zoo noodig.”

„O, goroe.... go—roe!”—het is niet mogelijk te beschrijven, hoe hij dit tusschenwerpsel uit het diepst van zijn keel te voorschijn wrong, terwijl hij mij om den deurpost bespiedde en niets vertoonde dan zijn oud, walgelijk hoofd—„wilt gij voor vier stuivers heengaan?”

Ik was zoo moe en afgemat, dat ik met dit aanbod genoegen nam en, na het geld uit zijn vuile hand genomen te hebben, heenging, hongeriger en dorstiger dan ik ooit geweest ben.

Het was even voor zonsondergang. Ik besteedde drie stuivers voor mijn avondbrood en voelde mij toen zoo verkwikt, dat ik dien avond nog zeven mijlen aflegde. Mijn bed was weder een hooischelf, waarin ik heerlijk sliep, na mijne voeten, die vol blaren waren, in een beek gewasschen en met koele bladeren belegd te hebben. Toen ik den volgenden morgen mijn tocht voortzette, zag ik, dat mijn weg tusschen uitgestrekte hopvelden en boomgaarden doorliep. De herfst naderde reeds, zoodat de appels in de boomgaarden rijp waren en mij schenen toe te lachen; op sommige plaatsen waren de hopplukkers reeds aan het werk. Ik vond dit alles zoo mooi, dat ik opgewekt voortwandelde en besloot den nacht tusschen de hop door te brengen; want ik verbeeldde mij, dat die onafzienbare rijen staken met de sierlijk daarom heengeslingerde ranken prettig gezelschap voor mij moesten zijn.

Het aantal landloopers was bijzonder groot dien dag en zij vervulden mij met een gevoel van angst, dat mij levendig is bijgebleven. Sommigen hadden gemeene, brutale gezichten en namen mij van het hoofd tot de voeten op, toen ik hen voorbij ging; eenigen bleven staan en riepen mij terug, en als ik het dan op een loopen zette, wierpen zij mij met steenen. Een van hen, een jonge man—een ketellapper, te oordeelen naar zijn knapzak en een komfoor dat hij droeg—had eene vrouw bij zich; zij keken mij beiden aan en toen ik reeds een eind weg was, riep hij mij met zulk eene vervaarlijke stem terug dat ik bleef staan en angstig rondkeek.

„Kom hier als ik je roep,” zeide hij, „of ik snij je den hals af.”

Ik meende het best te doen terug te keeren en toen ik bij hen was, keek ik hen met een ootmoedigen blik aan, waarbij ik opmerkte, dat de vrouw een blauw oog had.

„Waar gaat gij heen?” vroeg de ketellapper, terwijl hij mij met zijne zwarte hand bij de borst greep.

„Naar Dover,” antwoordde ik.

„Waar komt gij vandaan?” vroeg hij weder, terwijl hij mijn hemd om zijne hand draalde, om mij steviger vast te hebben.

„Van Londen,” antwoordde ik.

„Wat doet gij voor den kost.... zakkenrollen?”

„Ne....en.”

„Wat dan, voor den duivel? Als gij hier wilt pochen op je eerlijkheid, sla ik je de hersens in,” hernam hij.

Hij maakte met de hand, die hij vrij had, eene dreigende beweging en bekeek mij van het hoofd tot de voeten.

„Hebt gij geld bij je voor een pint bier?” vroeg hij. „Als gij 't hebt, dan geef het op, of ik neem het zelf.”

Zonder twijfel zou ik het gegeven hebben, maar op dit oogenblik ving ik een blik op van de vrouw, die bijna onmerkbaar het hoofd schudde en met de lippen eene beweging maakte, alsof zij „neen” zeide.

„Ik ben heel arm,” zei ik met eene poging om te glimlachen, „ik heb geen geld bij mij.”

„Wat... wat zegt gij daar?” riep de ketellapper en keek mij zoo doordringend aan, dat ik vreesde, dat hij het geld in mijn zak zou zien.

„Mijnheer!” stamelde ik.

„Waarom draagt gij een halsdoek, die aan mijn broeder behoort?” vroeg hij. „Geef hier!” In een oogenblik had hij mij den doek van den hals getrokken, waarna hij dien aan zijne vrouw toewierp.

De vrouw barstte in een schaterlach uit, alsof zij meende dat het maar eene grap was, en wierp de das naar mij terug; terwijl zij nog eens knikte, even onmerkbaar als zoo even, en hare lippen het woord „wegloopen” schenen uit te spreken. Eer ik echter hare waarschuwing kon opvolgen, had de ketellapper mij de das met zooveel ruwe kracht uit de hand getrokken, dat ik bijna omgetuimeld was en terwijl hij de das om zijn eigen hals sloeg, keerde hij zich naar zijne vrouw en gaf haar een vuistslag, die haar achterover deed vallen. Ik zal het nooit vergeten zooals zij daar op den harden weg lag met loshangende haren—de muts was haar van het hoofd gegleden;—toen ik, na te zijn weggeloopen zoo hard ik kon, omkeek, zat zij op het verhoogde voetpad en veegde met een punt van haar boezelaar het bloed van haar gelaat, terwijl de ketellapper zijn weg vervolgde.

Ik was door deze ontmoeting zoo bang geworden, dat ik, als ik later dergelijk volk zag aankomen, terugging tot ik ergens eene schuilplaats vond, waar ik bleef zitten tot zij voorbij waren; en dit gebeurde zoo vaak, dat ik daardoor aanmerkelijke vertraging ondervond. Bij al deze hinderpalen, zoowel als op mijne gansche reis scheen ik echter voortgeleid te worden door het beeld van mijne moeder, zooals zij er in hare jeugd moest hebben uitgezien, voor ik ter wereld kwam. Het stond mij altijd voor den geest. Ik zag het voor mij uitgaan, ik zag het tusschen de hopranken, wanneer ik mij neerlegde om te slapen en wanneer ik wakker werd. In mijne herinnering is het onafscheidelijk van de zonnige straten van Canterbury, van de oude grijze huizen en poorten, van de statige kathedraal en van de kraaien, die om de torens zwierden. Toen ik eindelijk op de kale uitgestrekte duinvlakte bij Dover kwam, verlevendigde het dit eentonig tooneel met blijde hoop, en het verliet mij niet, eer ik het eerste doel van mijne reis bereikt had en den voet in de stad zette. Maar toen ik daar met mijne verscheurde schoenen, mijn stoffig, door de zon verbrand gelaat en bijna zonder kleederen in de zoo vurig gewenschte plaats stond, scheen het, vreemd genoeg, plotseling te verbleeken en mij hulpeloos en moedeloos aan mijn lot over te laten.

Ik vroeg bij verscheidene schippers naar mijne tante en ontving verschillende antwoorden. De een zeide, dat zij bij den lichttoren van South Foreland woonde en dientengevolge haar baard geschroeid had; een ander vertelde, dat zij lag vastgemeerd aan de groote boei buiten de haven en alleen bij eb kon bezocht worden; een derde, dat zij te Maidstone in de gevangenis zat wegens kinderdiefstal; een vierde, dat men haar gedurende den laatsten storm op een bezemstok regelrecht naar Calais had zien vliegen. De koetsiers, bij wie ik daarna inlichtingen vroeg, waren even geestig en even oneerbiedig en de winkeliers, die mij liever niet in hun winkel zagen, antwoordden, zonder op mijne vraag te letten, dat zij niets gaven. Ik voelde mij ellendiger en wanhopender dan ik mij ooit op mijn langen tocht gevoeld had. Mijn geld was op: ik had niets meer om te verkoopen, had honger en dorst, was doodmoe en scheen nog verder van het doel verwijderd dan toen ik te Londen was.

Intusschen was de geheele voormiddag voorbijgegaan met deze nasporingen en ik zat op de stoep van een ledigen winkel dichtbij de markt te overwegen of het niet wenschelijk was naar een van de andere plaatsen te gaan, die genoemd waren, toen er een rijtuig aankwam, waarvan de koetsier een paardedeken liet vallen. Toen ik die opraapte en aan hem teruggaf, trof mij de goedhartige uitdrukking in zijn gelaat, waardoor ik werd aangemoedigd hem te vragen of hij ook wist, waar juffrouw Trotwood woonde; ik had die vraag al zoo dikwijls gedaan, dat ze mij bijna op de lippen bestierf.

„Trotwood,” herhaalde hij. „Laat eens zien. Ik ken dien naam. Een oude dame?”

„Ja,” zei ik, „tamelijk.”

„Een weinig stijf in den rug?” vroeg hij zich oprichtende.

„Ja,” zei ik, „dat geloof ik wel.”

„Draagt zij een tasch bij zich?” vroeg hij weder—„eene vrij groote tasch?..... zij is niet gemakkelijk en brommig.....”

Het hart bonsde mij in de keel, want de juistheid van zijne beschrijving kon mij niet langer doen twijfelen.

„Welnu dan,” zei hij, „luister goed: Ga dien kant uit”—hij wees met zijn zweep naar de hoogten in de richting van het Zuiden—„en loop rechtuit tot gij aan eenige huizen komt, dichtbij het strand; daar zult gij wel van haar hooren. Ik vermoed echter, dat zij u niets geven zal—hier hebt gij een stuiver.”

Ik nam deze gift dankbaar aan en kocht er een broodje voor, dat ik, al voortwandelend in de richting, die de goede man mij had aangewezen, opat. Ik legde een vrij grooten afstand af, eer ik de door hem bedoelde huizen bereikte, maar eindelijk vond ik ze, ging een klein winkeltje binnen—wij zouden het in Londen een komenijswinkel genoemd hebben—en vroeg of iemand de goedheid wilde hebben mij te zeggen, waar juffrouw Trotwood woonde. Ik deed deze vraag aan een man, die achter de toonbank stond en bezig was rijst af te wegen voor een dienstmeisje; laatstgenoemde scheen deze vraag als tot haar zelve gericht te beschouwen, keerde zich haastig om en zei: „Mijn juffrouw; wat moet gij van mijn juffrouw hebben, jongetje?”

„Ik moet haar spreken,” antwoordde ik. „Wilt gij mij wijzen, waar zij woont?”

„Om te bedelen, natuurlijk,” hernam zij.

„Neen,” antwoordde ik, „waarlijk niet.” Plotseling echter bedacht ik mij, dat ik eigenlijk met geen ander doel hierheen was gegaan en ik zweeg met een blos van verlegenheid op de wangen.

De dienstmaagd van mijne tante—uit hetgeen zij gezegd had maakte ik op dat zij dat was—nam haar mandje van de toonbank en verliet den winkel, zeggende dat ik haar maar volgen moest, als ik wilde weten waar juffrouw Trotwood woonde. Ik had geen tweede aanmoediging noodig, hoewel ik op dat oogenblik zoo zenuwachtig en angstig was, dat mijne knieën knikten. Ik volgde het meisje en wij kwamen al heel spoedig aan een klein, net huisje met een balconnetje en naar buiten openslaande vensters, die op een vierkant pleintje uitkwamen, dat zorgvuldig onderhouden was, terwijl de bloemengeur mij reeds van verre tegemoet kwam.

„Hier woont juffrouw Trotwood,” zei het meisje. „Nu weet gij het; verder bemoei ik er mij niet mede.” Met deze woorden haastte zij zich om in huis te komen, alsof zij alle verantwoordelijkheid voor mijn bezoek van zich wilde afschuiven, en liet mij aan het tuinhek staan, van waar ik juist het venster van de huiskamer kon zien. Er hingen neteldoeksche gordijntjes voor, die in het midden een weinig waren weggeschoven; op de vensterbank stond een groote, ronde, groene waaier; verder ontdekte ik eene groote, ronde tafel en een leunstoel, waarin ik mij mijne tante op dat oogenblik voorstelde, ontzagwekkender en stijver dan ooit.

Mijne schoenen verkeerden in een betreurenswaardigen toestand. De zolen waren er bij stukken en brokken afgevallen en het bovenleder was gescheurd en gebarsten; de geheele vorm van de schoenen was verloren gegaan. Mijn hoed, die mij tevens tot slaapmuts had gediend, was zoo gedeukt en ingedrukt, dat zelfs een ineengetrapt sauspannetje zonder handvat zich niet had behoeven te schamen om er op de mestvaalt naast te liggen. Mijn broek en mijn hemd waren zoo gescheurd en zoo vol vlekken ten gevolge van het zweeten en van het slapen op den Kentschen kleigrond, dat ze alleen nog konden dienen om er een vogelverschrikker mede aan te kleeden. Mijne haren hadden kam noch borstel gevoeld sinds ik uit Londen wegliep. Mijn gezicht en mijn hals waren evenals mijne handen verbrand, weinig gewend als ze waren, om gedurende zoo langen tijd aan de lucht en de zonnewarmte te zijn blootgesteld. Ik was van het hoofd tot de voeten bestoven, alsof ik zoo even uit een kalkoven gekomen was. In zulk een toilet en bewust van den verwaarloosden toestand, waarin ik verkeerde, wachtte ik het oogenblik af, waarop ik mij aan mijne alom gevreesde tante zou voorstellen.