Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 2

Chapter 24,107 wordsPublic domain

„.... En ik verzeker u dat wij nooit een enkel woord verschil er over hadden dan wanneer Copperfield vond, dat mijne drieën en vijven te veel op elkaar geleken of dat ik te groote krullen aan de zevens en negens maakte,” vervolgde mijne moeder snikkende en bleef al weder steken.

„Gij zult u nog ziek maken,” zei tante Betsey, „en dat zou noch voor u, noch voor mijn peetdochtertje goed zijn. Kom! Laat dat nu maar!”

Dit argument bracht mijne moeder een weinig tot kalmte en nu volgden er eenige oogenblikken stilte, alleen afgebroken door het herhaalde ‚Zoo, zoo!’ van tante Betsey, die met de voeten op den haardrand zat.

„Ik weet dat David eene lijfrente voor zichzelven gekocht had,” sprak zij eindelijk. „Wat heeft hij voor u gedaan?”

„Copperfield,” antwoordde mijne moeder—het kostte haar zichtbaar inspanning—„Copperfield is zoo omzichtig geweest om een gedeelte daarvan op mijn naam te doen overschrijven.”

„Hoeveel?” vroeg tante Betsey.

„Honderd en vijf pond 's jaars,” antwoordde mijne moeder.

„Dat had slimmer kunnen zijn,” zei tante. Het woord „slimmer” was met het oog op de omstandigheden van dit oogenblik zeer eigenaardig gekozen. Mijne moeder was zooveel „slimmer”, dat Peggotty, die met de lamp en het theeblad de kamer binnenkwam, ziende hoe onwel mijne moeder was—ware het lichter geweest, dan zou tante Betsey het ook wel opgemerkt hebben—haar terstond naar boven, naar hare eigen kamer bracht en haar neef, Ham Peggotty, die reeds eenige dagen heimelijk, zonder dat mijne moeder het wist, in de keuken opgesloten was geweest om in geval van nood als koerier dienst te doen, naar den dokter en de baker zond.

Deze verbonden machten waren niet weinig verbaasd, toen zij, eenige minuten na elkander binnenkomend, eene vreemde dame met een onheilspellend uiterlijk bij den haard vonden zitten, met de muts over den linkerarm en watten in de ooren. Peggotty kon geen opheldering omtrent haar geven en mijne moeder sprak ook geen woord over haar, zoodat zij daar zat als een levend geheim; terwijl het feit, dat zij een geheele scheepslading watten in hare zakken scheen te hebben en maar voortging met het vullen van hare ooren, volstrekt geen afbreuk deed aan het statige in haar voorkomen.

Toen de dokter, die terstond naar boven was gegaan, weder beneden kwam en zich, naar ik onderstel, intusschen gemeenzaam gemaakt had met het denkbeeld, dat hij waarschijnlijk eenige uren tegenover die vreemde dame bij den haard zou moeten zitten, had hij zonder twijfel besloten zoo beleefd en gezellig mogelijk te zijn. Hij was de zachtzinnigste man, dien men zich denken kan, die kleine dokter Chillip. Hij deed altijd zijn best, om waar hij ook was zoo min mogelijk plaats in te nemen en liep nog zachter dan het spook in Hamlet. Hij droeg het hoofd een weinig op zijde, zoowel uit bescheiden geringschatting van zich zelven, als om iedereen verzoenend te stemmen. Het is te weinig, indien ik beweer dat hij zelfs geen hond een barsch woord zou hebben kunnen toevoegen—hij zou het zelfs geen _kwaden_ hond hebben kunnen doen. Hij zou hem misschien een vriendelijk woord of een half woord of een stukje van een woord hebben toegevoegd, want hij sprak even zacht als hij liep; maar hij zou hem voor geen geld ter wereld boos of barsch hebben kunnen aanspreken.

Mijnheer Chillip dan keek mijne tante vriendelijk aan, met het hoofd op zijde, maakte eene kleine buiging en op de watten doelende, raakte hij even haar linker oor aan, zeggende:

„Eene plaatselijke aandoening, mevrouw?”

„Wat?” riep mijne tante, terwijl zij de watten als een kurk uit een der ooren trok.

Mijnheer Chillip ontstelde zoo van dezen uitval, dat het, zooals hij later aan mijne moeder vertelde, een wonder was dat hij zijne tegenwoordigheid van geest niet verloor. Hij herhaalde op vriendelijken toon:

„Een plaatselijke aandoening, mevrouw?”

„Nonsens!” antwoordde mijne tante en kurkte haar oor met één duw weder dicht.

Dokter Chillip kon daarna niets doen dan nu en dan een nieuwsgierigen blik op haar werpen, terwijl zij in het vuur zat te kijken, totdat hij weder boven geroepen werd. Na een kwartier ongeveer kwam hij weer beneden.

„Wel?” vroeg mijne tante, terwijl zij het oor, dat het dichtst bij hem was, ontkurkte.

„Ja, mevrouw,” antwoordde hij, „wij vor.... vor.... deren langzaam, mevrouw.”

„Zoo—o—o” zeide zij en stopte het oor weer toe.

Daar lag zooveel minachting in den toon, waarop zij dit enkele woord uitsprak, dat zelfs dokter Chillip—zooals hij later aan mijne moeder vertelde—zich beleedigd gevoelde, wel te verstaan, alleen als deskundige. Toch bleef hij nog twee uren lang in haar gezelschap, terwijl zij in het vuur zat te staren. Toen werd hij weder boven geroepen en teruggekomen, volgde dezelfde vraag:

„Wel?”

„Wel, mevrouw, wij vor.... vorderen langzaam, mevrouw.”

„Ja...a...!” zei tante Betsey en snauwde den armen dokter op zulk een wijze af, dat hij het niet langer kon verdragen. Hij zou er geheel door van zijn stuk zijn geraakt, verklaarde hij later. Hij gaf er daarom de voorkeur aan op de donkere, tochtige trap te gaan zitten, tot hij weer boven werd geroepen.

Ham Peggotty, die op de volksschool ging en uitnemend tehuis was in zijn cathechismus, waarom hij als een geloofwaardige getuige mag aangemerkt worden, vertelde den volgenden dag, dat, toen hij het een uur later waagde om de deur van het kleine kamertje te kijken, hij onmiddellijk door tante Betsey, die zenuwachtig heen en weer wandelde, ontdekt en bij den kraag gegrepen werd; dat het geluid van voetstappen en stemmen van de bovenkamer zonder twijfel door de watten moet zijn gedrongen, want het bleek duidelijk dat de dame hem tot afleider gebruikte, wanneer die geluiden het hevigst waren; dat zij voortdurend met hem op en neer liep alsof hij ontnuchterd moest worden, hem bij den kraag van zijne jas bleef vasthouden en hem bij elken kreet, die van boven tot haar doordrong, door elkander schudde, zijn haar door de war haalde, zijn boordje verkreukelde en zijne ooren dichtstopte in de meening dat het de hare waren en hem op alle mogelijke wijzen mishandelde en havende. Gedeeltelijk werd dit ook door zijne tante bevestigd die hem om half één terugzag en verklaarde, dat hij toen even rood was als ik.

De goedhartige dokter Chillip, die geen kwaad met kwaad wilde vergelden—dat deed hij trouwens nooit—kwam, zoodra hij boven gereed was, de kamer binnen en zeide met zijne zachtste stem: „Nu, mevrouw, ik ben blijde u te kunnen gelukwenschen.”

„Waarmede?” vroeg mijne tante bits.

Dokter Chillip ontstelde nogmaals van den barschen, onaangenamen toon mijner tante; hij maakte daarom weder eene kleine buiging en glimlachte, ten einde haar wat zachter te stemmen.

„Lieve Hemel, wat een man! Wat wil hij toch?” riep tante ongeduldig uit. „Heeft hij zijne spraak verloren?”

„Kalm, mijne waarde mevrouw,” sprak dokter Chillip bijna onhoorbaar. „Er is volstrekt geen reden tot eenige bezorgdheid. Gij kunt gerust zijn.”

Het mag nog altijd een wonder genoemd worden, dat mijne tante hem toen niet, evenals Ham, bij den kraag heeft gepakt, ten einde hetgeen hij te zeggen had uit hem te schudden. Zij boog haar eigen hoofd alleen voorover, maar zij deed dit op eene wijze, dat al zijn moed hem in de schoenen zonk.

„Wel, mevrouw,” herhaalde hij, toen hij zich een weinig hersteld had, „ik ben blijde u te kunnen gelukwenschen. Alles is uitnemend afgeloopen.”

Gedurende de vijf minuten of daaromtrent, die dokter Chillip noodig had om deze redevoering af te steken, staarde mijne tante hem doordringend aan.

„Hoe gaat het haar?” vroeg zij, de armen over elkander slaande, niettegenstaande haar hoed nog over haar linker arm hing.

„Wel, mevrouw, zij zal spoedig geheel hersteld zijn, naar ik hoop,” antwoordde dokter Chillip. „Zij zal zich spoedig zoo wel gevoelen als eene jonge moeder onder zulke omstandigheden doen kan. Er bestaat geen enkel bezwaar voor u om niet eens bij haar te gaan. Het zal haar integendeel goed doen.”

„En _zij_? Hoe gaat het _haar_?” vroeg mijne tante bits.

Dokter Chillip bracht zijn hoofd nog een weinig meer op zijde en keek haar aan als een tam vogeltje.

„Het kind,” zei mijne tante. „Hoe maakt _zij_ het?”

„Ik meende dat gij het al wist, mevrouw,” antwoordde dokter Chillip. „Het is een jongen.”

Mijne tante sprak geen woord meer, doch nam haar hoed bij de banden, op de wijze zooals men een slinger aanvat, sloeg er mede naar dokter Chillip's hoofd, zette hem op en liep boos heen om niet meer terug te komen. Zij verdween als eene misnoegde fee, of als een van die bovennatuurlijke wezens, die, naar de overlevering luidt, voor mij zichtbaar zouden zijn—en kwam nooit meer terug.

Neen; ik lag in mijn wiegje, en mijne moeder in haar bed, maar Betsey Trotwood Copperfield behoorde voor altijd tot het land der droomen en schimmen, tot het geheimzinnige land, waaruit ik zooeven was aangekomen; en het licht uit onze kamer viel door het venster op de laatste rustplaats van tallooze dergelijke reizigers en op die van hem zonder wien ik er nooit zou zijn geweest.

II.

Ik begin op te merken.

De eerste voorwerpen, die eenigszins duidelijk in mijn geheugen opdoemen, wanneer ik mij mijne eerste levensjaren voor den geest haal, zijn mijne moeder met haar mooie haar en hare jeugdige vormen en Peggotty zonder eenige vormen en met oogen zoo donker, dat ze haar geheele gelaat schenen te verduisteren, en armen zoo hard en zoo rood, dat het mij altijd verbaasde waarom de vogels niet liever daarin pikten dan in de appels in onzen tuin. Ik herinner mij beiden zeer goed, maar zij nemen altijd kleinere verhoudingen voor mij aan, omdat ik ze mij voorstel gebukt of in knielende houding tegenover elkander op den grond, terwijl ik van de eene naar de andere waggel. Ook is mij nog de gewaarwording bijgebleven, die ik ondervond, wanneer ik Peggotty's wijsvinger aanraakte, als zij die naar mij uitstak; die vinger was van het naaien zoo ruw geworden als een muskaatraspje. Het is mogelijk slechts verbeelding van mij dat ik mij dit herinner, hoewel ik van meening ben dat onze herinnering veel verder reikt dan menigeen vermoedt; evenzeer geloof ik dat het waarnemingsvermogen bij jonge kinderen inderdaad verbazend scherp is in het kleine kringetje, waarin zij zich bewegen. Ik ben zelfs van oordeel dat van menschen, die zich door eene fijne opmerkingsgave onderscheiden, eerder gezegd kan worden, dat zij die niet verloren dan dat zij die verkregen hebben en dit te eerder, omdat ik meen opgemerkt te hebben, dat zulke menschen eene zekere frischheid, zachtheid en vatbaarheid voor eenvoudige genoegens hebben behouden, die zij als eene erfenis uit hunne kindsheid hebben bewaard.

Ik mag wel vergeving vragen, omdat ik weder aan het ‚ronddolen’ ben gegaan, doch het aangevoerde brengt mij als van zelf tot de opmerking, dat ik tot dit besluit gedeeltelijk gekomen ben door de ervaring, die ik op mij zelven heb opgedaan; indien het dus in den loop van dit verhaal mocht blijken, dat mij als kind eene buitengewone opmerkingsgave was toebedeeld of als man eene levendige herinnering van mijne kindsheid is bijgebleven, dan mag ik zekerlijk aanspraak maken op deze beide eigenschappen.

Wanneer ik, zooals ik reeds zeide, op mijne eerste jeugd terugzie, staan mijne moeder en Peggotty in mijne herinnering op den voorgrond. Wat kan ik mij nog meer herinneren? Laat ons eens zien. Het eerst komt het huis, waarin wij wonen, uit den nevel te voorschijn; het is niet nieuw, maar gezellig ingericht. In de benedenverdieping is Peggotty's keuken met eene deur, die op een plaatsje uitkomt, waarop een duiventil stond zonder duiven en een groot hondenhok zonder hond; ook bevinden zich daar eene menigte kippen, die bijzonder groot zijn in mijne herinnering en deftig rondstappen. Er is één haan bij, die op een paal vliegt om te kraaien en mij voortdurend in het oog houdt, wanneer ik door het keukenraam naar hem kijk; in mijne herinnering ben ik bang voor hem, zoo trotsch en kwaadaardig kijkt hij in het rond. Des nachts droom ik van de ganzen, die mij met hunne logge lichamen nawaggelen, wanneer ik het zijpoortje durf naderen; ik droom daarvan zooals een man, die voortdurend tusschen de wilde dieren leeft, over leeuwen zou droomen.

Een lange gang—in mijne herinnering een vergezicht—voert van de voordeur naar Peggotty's keuken. Eene sombere provisiekamer komt daarin uit en des avonds loopt men die liefst maar zoo snel mogelijk voorbij; ik weet nog niet wat daar tusschen die tonnen en potten en oude theekisten schuilde, die te zien kwamen wanneer daar iemand met een klein lampje binnenging en een gemengde geur van zeep, inmaak, peper, kaarsen en koffie door de geopende deur naar buiten drong. Verder zijn er twee kamers: de eene, waarin wij, mijne moeder, Peggotty en ik, 's avonds zitten—Peggotty zit altijd bij ons binnen, wanneer zij haar werk heeft gedaan en er geen vreemden zijn—en dan de mooie kamer, waar wij des Zondags zitten; deze is deftiger ingericht, maar niet zoo gezellig. Deze kamer heeft een somberen, naargeestigen indruk bij mij achtergelaten, want Peggotty vertelde mij—ik weet niet wanneer, maar het schijnt mij eeuwen geleden toe—dat bij gelegenheid van de begrafenis mijns vaders de volgers daar hunne zwarte mantels omdeden. Op zekeren Zondagavond las mijne moeder Peggotty en mij daar voor over Lazarus en diens opwekking uit den doode en was ik zoo angstig geworden, dat men mij later uit mijn bed moest nemen en naar het venster brengen, zoodat ik bij het heldere maanlicht het kerkhof kon zien, waar de dooden allen rustig in hunne graven lagen.

Nooit heb ik iets gezien, dat zoo groen was als het gras op dat kerkhof, nooit zag ik lommerrijker plekje, nooit iets dat kalmer indruk maakte dan deze grafzerken. Wanneer ik des morgens op mijne knietjes ging liggen in mijn bedje, dat in een afgeschoten gedeelte van de slaapkamer mijner moeder was geplaatst, kon ik daar de schapen zien grazen en den rooden gloed op den zonnewijzer en dacht: „zou de zonnewijzer blijde zijn dat hij weer kan vertellen hoe laat het is?”

En dan onze bank in de kerk. Wat heeft die bank een hooge rugleuning. Van onze plaats af kan ik door een der ramen ons huis zien en Peggotty kan het ook zien en ziet er onder de morgengodsdienstoefening ook zoo dikwijls naar als zij kan, om zich te overtuigen of het ook bestolen wordt of in brand staat. Maar al dwalen Peggotty's oogen dikwijls af, toch kijkt zij heel boos wanneer de mijnen het doen; en wanneer ik in de bank opsta ziet zij mij met gefronste wenkbrauwen aan en beduidt mij dat ik naar den dominee moet kijken. Maar ik kan niet voortdurend naar den dominee kijken; ik ken hem wel, ook al heeft hij die witte bef niet aan, en ik ben bang dat hij verwonderd zal zijn als ik hem zoo voortdurend aankijk, dat hij zal ophouden om te vragen waarom ik dat doe—en wat dan? Het is een vreeselijk gevoel als men in de kerk moet gapen, maar ik kan het nu en dan niet nalaten. Ik kijk naar mijne moeder, maar zij doet alsof zij mij niet ziet. Ik kijk naar een jongen dicht bij den ingang en hij trekt leelijke gezichten. Ik kijk naar het zonlicht, dat door de openstaande deur van het portaal naar binnen dringt, en daar zie ik een afgedwaald schaap—ik bedoel geen zondaar maar een heusch schaap—dat voornemens schijnt de kerk binnen te komen. Ik voel dat ik, als ik er nog langer naar kijk, niet zal kunnen nalaten iets hardop te zeggen—en wat zou er dan met mij gebeuren? Ik kijk naar de grafschriften en tracht aan mijnheer Bodgers, den vorigen predikant, te denken en aan het verdriet, dat mevrouw Bodgers moet gehad hebben, toen haar echtgenoot zoo zwaar ziek lag en geen geneeskundige hulp meer kon baten. Ik zou wel eens willen weten of zij dokter Chillip ook geroepen hebben en of hij ook geen hulp heeft kunnen verschaffen; en indien dit zoo is, hoe dokter Chillip het vindt om elke week daaraan herinnerd te worden. Ik kijk van dokter Chillip in zondagsgewaad naar den preekstoel en stel mij voor welk een prettige speelplaats deze zou zijn, hoe goed hij voor kasteel zou kunnen dienen en hoe heerlijk het zijn zou om, wanneer andere jongens de trap bestormden, hen met het fluweelen kussen met kwasten om de ooren te smijten. Gaandeweg vallen mijne oogen dicht en ik verbeeld mij dat de dominee in de warmte een slaapliedje zingt.... ik hoor niets, totdat ik met een smak op den grond val en Peggotty mij meer dood dan levend opbeurt en wegbrengt.

En nu zie ik de buitenzijde van ons huis met de zonneblinden voor de vensters van de slaapkamer, die open staan om de frissche lucht binnen te laten; ik zie de overblijfselen van de oude kraaiennesten in de olmboomen in den voortuin. En nu ben ik in den achtertuin achter het plaatsje, waar het ledige hondenhok en de duiventil staan—een ware lusthof voor de kapelletjes, met eene hooge schutting, een poortje en een hangslot, waar vruchten aan de boomen hangen, rijper en sappiger dan in welken tuin ook en waar mijne moeder staat te plukken, terwijl ik haastig de gesnoepte aalbessen inslik en dan rondkijk alsof er niets gebeurd is. Er komt plotseling een hevige wind opzetten en dan is de zomer in een oogwenk voorbij. Wij spelen in de schemering en dansen de kamer rond en wanneer mijne moeder buiten adem is en in den grooten leunstoel uitrust, kijk ik hoe zij hare lange krullen om hare vingers windt en het lijf van hare japon glad trekt; niemand weet beter dan ik hoe prettig zij het vindt, dat zij er zoo goed uitziet en hoe trotsch zij is op haar mooi gezichtje.

Dit zijn de indrukken van mijn eerste kinderjaren, dit en een onbestemd gevoel dat wij beiden een weinig bang waren voor Peggotty en ons in de meeste dingen schikten naar haar wil.

Op zekeren avond zaten Peggotty en ik alleen bij den haard in het kleine kamertje. Ik had Peggotty voorgelezen van krokodillen. Ik moet bijzonder duidelijk gelezen of de goede ziel moet met groote aandacht geluisterd hebben, want ik herinner mij dat, toen ik het hoofdstuk had uitgelezen, zij in de meening verkeerde dat krokodillen een soort van groente waren. Ik was vermoeid van het lezen en halfdood van den slaap, maar omdat ik met veel moeite de toestemming verkregen had om op te blijven tot mijne moeder, die bij een der buren een bezoek aflegde, terugkwam, zou ik natuurlijk liever op mijn post zijn doodgebleven dan naar bed te gaan. Ik had dien zekeren graad van slaperigheid bereikt, waarin alles, ook Peggotty, reusachtige afmetingen begon aan te nemen. Ik spalkte mijne oogleden met de beide voorste vingers open en keek haar strak aan, terwijl zij zat te werken met het kleine eindje waskaars voor zich, dat zij gebruikte om den draad door te halen—wat was het oud en in alle richtingen doorsneden!—en het kleine huisje met het rieten dak, waarin haar elletje lag, en het naaidoosje met den schuifdeksel waarop eene voorstelling van de Sint Paulskerk met een rozerood koepeldak geschilderd was. En dan keek ik weder naar haar vinger met den vingerhoed van geel koper en naar haar zelve en vond haar mooi. Ik was zoo slaperig dat ik ook werkelijk in een vasten slaap zou zijn gevallen, als ik niet voortdurend mijne oogen op iets gevestigd had gehouden.

„Peggotty,” vroeg ik plotseling, „zijt gij nooit getrouwd geweest?”

„Goede hemel, jongeheer David,” riep Peggotty uit, „hoe komt het in u op?”

Zij antwoordde met zulk een drift dat ik er plotseling geheel wakker van werd. En toen hield zij op met werken en keek mij aan, terwijl zij de naald zoover van zich afhield als de draad lang was.

„Zijt gij heusch nooit getrouwd geweest, Peggotty?” herhaalde ik. „Gij zijt immers een mooie vrouw.... zijt gij niet?”

Wel is waar vond ik eenig verschil tusschen haar en mijne moeder, maar ik beschouwde haar als een uitnemend voorbeeld van eene andere soort van ‚mooi’. Er was in onze mooie kamer een voetkussen, waarop mijne moeder een bouquet had gewerkt. De grond van dat voetkussen en de kleur van Peggotty's gelaat kwamen geheel overeen; wel was het kussen zacht en Peggotty ruw, maar dat deed er niet toe.

„Ik mooi, David!” zei Peggotty. „O, Heere, neen, mijn beste jongen! Maar hoe komt gij zoo over trouwen te denken?”

„Dat weet ik niet! Maar men mag immers maar met één persoon te gelijk trouwen, nietwaar Peggotty?”

„Zeker,” antwoordde Peggotty zoo beslist mogelijk.

„Maar wanneer men met iemand getrouwd is en die iemand sterft, mag men dan weder met een ander trouwen, Peggotty?”

„Jawel, beste jongen, als men dat verkiest; maar daarover denkt de een zus en de ander zoo.”

„En hoe denkt gij er over, Peggotty?” vroeg ik, terwijl ik haar nieuwsgierig aankeek, omdat zij mij zoo nieuwsgierig aankeek.

„Ik denk daarover,” antwoordde Peggotty, terwijl zij de oogen van mij afwendde en haar werk opnam, „dat ik nooit getrouwd ben geweest, jongeheer Davy, en dat ik ook wel nooit trouwen zal. Dat is alles wat ik er van weet.”

„Gij zijt immers niet boos op mij, Peggotty?” vroeg ik, na eenige oogenblikken te hebben gezwegen.

Ik meende inderdaad dat zij boos op mij was, omdat zij mij kortaf geantwoord had; maar ik vergiste mij, want zij legde haar werk—een kous van haar zelve—op zijde, breidde de armen uit, drukte mijn krullebol tegen haar boezem en kuste mij hartelijk. Ik weet dat zij mij stevig drukte, want aangezien zij zeer gezet was vlogen er bij meer dan gewone inspanning altijd eenige knoopen van hare japon, die op den rug was dichtgeknoopt. Ik herinner mij dat er twee naar den anderen kant van de kamer vlogen toen zij mij zoo hartelijk omhelsde.

„Lees mij nu nog eens wat voor over de korkedillen,” zei Peggotty, die den naam niet goed onthouden kon, „ik heb er nog niet half genoeg van gehoord.”

Ik begreep volstrekt niet waarom Peggotty zoo vreemd keek en hoe zij op eens zoo belust was geworden op de krokodillen; evenwel, wij keerden tot die monsters terug en lieten hunne eieren in de zon uitbroeden en ik was weder zoo wakker alsof het morgen was; wij gingen voor hen op de vlucht en keerden ons telkens om, hetgeen zij met hunne logge lichamen zoo vlug niet konden doen en gingen hen in het water achterna, even als de inboorlingen en staken hun scherpe stukken hout in de keel en kwamen eindelijk tot de overtuiging, dat krokodillen over hun gansche lichaam een pantser hebben getrokken. Ik kwam ten minste tot die overtuiging, maar of Peggotty het ook deed betwijfel ik; want zij zat zich onder het voorlezen telkens met de naald in het gezicht en in de armen te pikken.

Wij hadden de krokodillen afgehandeld en begonnen aan de alligators, toen de huisschel overging. Wij liepen de gang in en daar was mijne moeder, die er, naar mijn oordeel, buitengewoon lief uitzag. Zij werd thuis gebracht door een heer met prachtig zwart haar en zwarte bakkebaarden, die den vorigen Zondag met ons uit de kerk naar huis was gewandeld.

Toen mijne moeder mij op den drempel opnam en mij kuste, zei de vreemde heer dat ik, zoo klein als ik was, meer bevoorrecht was dan een koning—of iets dergelijks; ik voel zelf wel dat de ondervinding, op lateren leeftijd opgedaan, mijn geheugen hier te hulp komt.

„Wat beteekent dat?” vroeg ik hem over mijn schouder heen.

Hij klopte mij op het hoofd, maar of ik hem of zijne zware stem niet kon uitstaan, hoe het zij, ik wilde niet dat zijne hand mijne moeder zou aanraken, hetgeen reeds het geval was. Ik duwde de hand weg zoo goed als ik kon.

„O, David!” sprak mijne moeder op berispenden toon.

„Beste jongen!” zei de vreemdeling en voegde er bij: „Het verbaast mij niets dat hij u aanbidt.”

Nooit had ik voor dien tijd mijne moeder zoo zien blozen als op dit oogenblik. Zij beknorde mij zachtjes omdat ik zoo onvriendelijk was en mij dicht tegen zich aandrukkende, keerde zij zich om en bedankte den vreemden heer voor de moeite, die hij zich getroost had om haar thuis te brengen. Zij stak hem de hand toe, terwijl zij sprak en toen zij de zijne aanraakte, lachte zij, naar ik meende, mij toe.

„Laten wij elkander goeden nacht zeggen, lief ventje,” sprak de vreemdeling, terwijl hij—ik zag het!—het hoofd over mijn moeders kleine handje gebogen had.