Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 19
Mijnheer Micawber was zoo getroffen door hare hartstochtelijke ontboezeming—wat mij betreft ik zwom letterlijk in mijn tranen—dat hij haar nogmaals en nogmaals omhelsde en haar smeekte hem aan te zien en kalm te zijn. Maar hoe vaker hij mevrouw Micawber vroeg hem aan te kijken, hoe strakker zij in de ledige ruimte bleef staren en hoe meer hij haar tot kalmte aanmaande, hoe opgewondener zij werd. Dientengevolge geraakte mijnheer Micawber langzamerhand in eene weekhartige stemming en vermengden zich zijne tranen met de hare en de mijne, tot hij mij eindelijk verzocht een stoel mede te nemen en op het portaal te gaan zitten, omdat hij haar te bed wilde helpen. Ik wilde afscheid nemen, maar hij verkoos daarvan niet te hooren voor de bel het sein gaf dat de bezoekers moesten vertrekken. En zoo bleef ik op het portaal zitten tot hij met een anderen stoel de kamer uitkwam en bij mij plaats nam.
„Hoe gaat het nu met mevrouw Micawber?” vroeg ik.
„Erg zwak”, antwoordde mijnheer Micawber, het hoofd schuddend. „Het is de reactie. O, welk een vreeselijken dag hebben wij doorleefd. Wij staan nu geheel alleen—wij bezitten niets meer!”
Mijnheer Micawber drukte mij de hand, slaakte een zucht en begon daarna tranen te storten. Ik was ook aangedaan, maar niet minder teleurgesteld, want ik had gedacht, dat wij allen vroolijk zouden zijn op dezen lang verbeiden dag. Mijnheer en mevrouw Micawber schenen echter zoo aan hunne ongelegenheden gewoon geraakt, dat het denkbeeld, er thans uit verlost te zijn, hen geheel van streek bracht. Al hunne veerkracht was gebroken; ik zag hen nooit zoo neerslachtig als op dezen avond, en toen de bel werd geluid en mijnheer Micawber mij naar de portierswoning bracht, waar hij met een zegenbede afscheid van mij nam, joeg het denkbeeld, dat ik hem alleen moest laten, mij angst aan, zoo diep ellendig scheen hij zich te voelen. Ik zelf was ook door aandoeningen geheel overstelpt, en voelde zeer goed, dat mijnheer en mevrouw Micawber met de geheele familie Londen zouden verlaten, zoodat ons scheidingsuur aanstaande was. En gedurende mijne wandeling naar huis en in de slapelooze uren, dien nacht doorgebracht, kwam voor het eerst de gedachte in mij op—hoe is mij nog altijd een raadsel—die langzamerhand rijpte tot een onwrikbaar besluit.
Ik was op zulk een vertrouwelijken voet gekomen met de Micawbers, en had in alle dingen zoo met hen meegeleefd, dat het vooruitzicht, om opnieuw uitbesteed te worden en nogmaals onder vreemden te gaan, mij toescheen alsof ik mijn tegenwoordig leven opnieuw moest beginnen—en dat, terwijl ik nu zoo goed wist wat mij te wachten stond. Al mijn trots, die zoo gevoelig was gekwetst, al de schaamte, die mij had terneergedrukt, ontwaakte opnieuw, toen ik al hetgeen ik ondervonden had overpeinsde, en ik kwam tot de overtuiging, dat mijn leven ondragelijk was en zoo niet kon voortduren. Dat het niet mogelijk was aan dezen ondragelijken toestand te ontkomen, indien ik niet zelf handelde, wist ik maar al te goed. Van juffrouw Murdstone vernam ik zelden iets, van mijnheer Murdstone nooit; er was twee malen een bezending kleeren voor mij aangekomen aan mijnheer Quinion's adres, en beide keeren had ik er een klein strookje papier in gevonden, waarop geschreven stond: „J. M. hoopt dat D. C. ijverig zijn werk zal doen, en zich geheel aan zijne plichten zal wijden”—niet de geringste wenk dat er ooit iets anders van mij zou worden dan flesschenspoeler, dat ik mij ooit eens zou mogen toeleggen op minder geestdoodend en vernederend werk dan waartoe ik thans was veroordeeld.
Reeds den volgenden dag, terwijl ik nog geheel onder den indruk was van mijne nachtelijke overpeinzingen, begon ik in te zien dat mevrouw Micawber niet zonder reden gesproken had over haar aanstaand vertrek. Zij namen in dezelfde woning, waarin ik mijn zolderkamertje had, voor eene week hun intrek, waarna zij de reis naar Plymouth zouden aanvaarden. Mijnheer Micawber kwam zelf op het kantoor om mijnheer Quinion te vertellen, dat hij mij aan mijn lot zou moeten overlaten en om eene lofspraak op mij te houden, die ik meende wel verdiend te hebben. Mijnheer Quinion riep Tipp den vrachtrijder binnen, die getrouwd was en een kamer te verhuren had, en bezorgde mij voorloopig bij dezen man een onderkomen. Vermoedelijk verkeerde hij in de meening dat ik er mede instemde, want ik zei niets; maar mijn besluit stond nu vast.
Gedurende ons gemeenschappelijk verblijf onder hetzelfde dak bracht ik mijne avonden met mijnheer en mevrouw Micawber door, en ik ben overtuigd, dat wij hoe langer hoe meer van elkander begonnen te houden naarmate het scheidingsuur naderde. Den laatsten Zondag verzochten zij mij bij hen het middagmaal te gebruiken; wij hadden een varkensribbetje met appelmoes en een podding. Ik had een gespikkeld houten paardje gekocht als afscheidsgift voor Wilkins Micawber—zoo heette de oudste zoon—en een pop voor de kleine Emma. Ook gaf ik een shilling aan het weesmeisje, dat de dienst was opgezegd.
Wij hadden een prettigen dag, al waren wij in eene eenigszins weemoedige stemming met het oog op de naderende scheiding.
„Ik zal nimmer aan den tijd, dat mijnheer Micawber in ongelegenheid was, terugdenken, jongeheer Copperfield,” zei mevrouw Micawber, „zonder ook aan u te denken. Gij hebt u altijd even kiesch gedragen en ons veel vriendschap betoond. Gij zijt geen commensaal voor ons geweest; gij waart een vriend.”
„Lieve vrouw,” voegde mijnheer Micawber er bij, „Copperfield,” zoo had hij zich in den laatsten tijd aangewend mij te noemen, „heeft een hart, dat medevoelt voor zijne natuurgenooten, wanneer zij in ongelegenheid zijn geraakt; een hoofd, dat mede denkt; eene hand, die.... in 't kort, alles, wat nog eenige waarde heeft, zoo voordeelig mogelijk aan den man weet te brengen.”
Ik zei, dat ik zeer dankbaar was voor deze loftuiting en dat het mij zeer speet te moeten scheiden.
„Mijn beste jonge vriend,” antwoordde mijnheer Micawber, „ik ben ouder dan gij; ik heb ondervinding opgedaan in het leven en.... en ook eenige ondervinding, in 't kort, in de moeilijkheden, die het leven medebrengt—in het algemeen gesproken. Voor het tegenwoordige, tot zich iets opdoet—hetgeen ik zeer spoedig meen te mogen verwachten—kan ik u niets geven dan goeden raad. Echter is mijn raad in zoover wel het aanhooren waard, dat.... in 't kort, dat ik dien zelf nooit heb gevolgd en daardoor het”—tot op dit oogenblik had mijnheer Micawber met zijn geheele gezicht gelachen, maar nu kwam er een sombere trek op zijn gelaat en fronste hij het voorhoofd—„het rampzalige schepsel geworden ben, dat gij hier voor u ziet....”
„Maar beste Micawber!” riep zijne wederhelft. „Ik zeg,” antwoordde hij, zich zelven geheel vergetende en weder met een glimlach om de lippen, „ik zeg: het rampzalige schepsel, dat gij hier voor u ziet. Mijn raad is deze: doe nimmer morgen wat gij heden doen kunt. Uitstellen is diefstal van tijd. Houd dien stelregel altijd voor oogen!”
„Ach,” zei mevrouw Micawber, „de stelregel van mijn goeden papa.”
„Lieve,” hernam mijnheer Micawber, „uw papa was op zijne wijze een heel verstandig man en de Hemel verhoede, dat ik iets ten nadeele van hem zou zeggen. Hij moge geweest zijn wie hij was, wij zullen nimmer.... in 't kort.... iemand ontmoeten.... waarschijnlijk.... die op zijn leeftijd zulke beenen had om slobkousen te dragen en in staat was om zonder bril zulk een fijnen druk te lezen. Hij paste echter dezen stelregel ook op ons huwelijk toe, lieve, en dientengevolge werd dit in zoo verre eenigszins in overijling aangegaan, dat ik de toenmaals gemaakte onkosten nooit te boven ben gekomen.” Mijnheer Micawber keek zijne vrouw van ter zijde aan en liet er onmiddellijk op volgen: „Niet dat ik het betreur. Integendeel, lieve.” Daarna bleef hij ongeveer een minuut ernstig voor zich kijken.
„Mijn anderen raad, Copperfield, kent gij. Jaarlijksch inkomen twintig pond, jaarlijks uitgeven negentien pond negentien en een halven shilling—geluk. Jaarlijksch inkomen twintig pond, jaarlijks uitgeven twintig pond en een halven shilling—ellende. De bloesem valt af, het blad verdort, de god des daags beschijnt een droevig tooneel en—en, in 't kort, gij valt in een afgrond! Zooals ik!” Teneinde deze ontboezeming meer indruk te doen maken dronk mijnheer Micawber met een gezicht, dat straalde van vergenoegdheid en zelfvoldoening, een glas punch in een paar teugen ledig en begon toen een dansje te fluiten.
Ik liet niet na hem de verzekering te geven dat ik zijne raadgevingen ter harte zou nemen, hoewel ik dit eigenlijk niet behoefde te doen, want ik was er zichtbaar door ontroerd. Den volgenden morgen bracht ik de geheele familie naar het diligence-kantoor en zag hen met een droevig gevoel van verlatenheid op de achterste bank plaats nemen.
„God zegen u, jongeheer Copperfield!” zei mevrouw Micawber. „Ik zal nimmer kunnen vergeten al wat..... gij weet wat ik bedoel... en ik zou het niet willen vergeten al kon ik het.”
„Copperfield, mijn jongen, vaarwel!” zei mijnheer Micawber. „Voorspoed en geluk! Indien ik na verloop van jaren tot de overtuiging kan komen, dat mijn jammervol bestaan een waarschuwend voorbeeld heeft mogen zijn voor u, zou ik mij zelven troosten met de gedachte, dat ik niet te vergeefs de plaats van een ander op dit ondermaansche heb ingenomen. In geval er zich iets opdoet—en ik vertrouw _dat_ zich spoedig iets zal opdoen—zal ik er mij zeer in verheugen als ik instaat mocht zijn eenige verbetering te brengen in uwe vooruitzichten.”
Ik geloof, dat, toen mevrouw Micawber met de kinderen achterop de diligence zat en ik met een droevigen blik naar hen opkeek, er een nevel voor hare oogen werd weggevaagd en zij nu eerst opmerkte welk een klein kereltje ik eigenlijk nog was. Ik geloof dit, want zij gaf mij met moederlijke teederheid een wenk om tot haar op te klimmen, en toen sloeg zij de armen om mijn hals en gaf mij een kus, zooals zij haar eigen kind er een zou gegeven hebben. Ik had nauwelijks tijd genoeg om naar beneden te springen, toen de diligence zich in beweging stelde, en ik kon hen allen nauwelijks zien achter al de wuivende zakdoeken. Een minuut later waren zij verdwenen. Het weesmeisje en ik stonden elkander midden op de straat een oogenblik aan te staren; toen gaven wij elkander de hand en namen afscheid; vermoedelijk ging zij terug naar het St. Lukaswerkhuis, terwijl ik mijne moeilijke dagtaak bij Murdstone en Grinby weder aanvaardde.
Het was echter niet mijn voornemen dat nog dikwijls te doen. Neen—ik was vastbesloten weg te loopen..... te gaan, hoe dan ook, naar de eenige bloedverwante, die ik nog in de wereld bezat, en mijne geschiedenis te vertellen aan tante Betsey.
Ik heb reeds doen opmerken dat ik niet weet hoe dit denkbeeld in mijn brein was opgekomen. Toen dit echter eenmaal het geval was, bleef het daar ook en ontwikkelde zich tot een plan zoo stout, als ik er ooit een heb opgevat in mijn later leven. Ik ben er volstrekt niet zeker van dat ik een oogenblik aan een goeden uitslag geloofde, maar ik was er zoo zeer mede vervuld, dat het ten uitvoer moest worden gebracht.
Telkens en telkens weder en honderde malen nog sinds den nacht, toen het denkbeeld voor de eerste maal in mij was opgekomen en den slaap van mijne kinderlijke legerstede had gebannen, had ik het verhaal van hetgeen bij mijne geboorte was voorgevallen en dat mijne moeder mij zóó dikwerf verteld had, dat ik het van buiten kende, in mij zelven herhaald. In dat verhaal trad mijne tante op als een gevreesd, onbegrijpelijk wezen, maar toch was er iets in hare wijze van doen, waarbij mijne gedachten telkens stil stonden en dat mij moed gaf, al was het weinig. Ik kon niet vergeten hoe mijne moeder telkens meende hare zachte hand op hare mooie krullen te voelen en hoe in de herinnering mijner moeder die aanraking volstrekt niet van teederheid was ontbloot geweest; en hoewel dit misschien alleen in de verbeelding mijner moeder bestaan en op geen enkelen redelijken grond gesteund had, maakte ik er voor mij zelven toch een klein tafereeltje van en zag ik mijne vreeselijke tante voor mij, verteederd door de kinderlijke schoonheid van haar, die mij zoo helder voor den geest stond en die ik zoo lief had gehad en in mijne herinnering nog had—en door dat tafereeltje kreeg het verhaal waarde voor mij. Het is ook wel mogelijk dat dit tafereel mij reeds lang voor oogen had gestaan en mij langzamerhand tot mijn besluit had gebracht.
Aangezien ik niet wist waar tante Betsey eigenlijk woonde, schreef ik een langen brief aan Peggotty en vroeg haar, alsof mij dit zoo toevallig uit de pen vloeide, of zij zich den avond mijner geboorte nog herinnerde; ik voegde er bij, dat, ik van eene dame had hooren spreken, die mij aan tante Betsey deed denken en ergens—ik noemde maar een plaatsje—in de buurt van Londen woonde en nu nieuwsgierig was te weten of deze dame en tante Betsey dezelfde persoon kon wezen. Ook schreef ik aan Peggotty, dat ik bijzonder verlegen was om een halve guinje en dat zij mij zeer zou verplichten, als zij mij die som wilde leenen, tot ik in staat zou zijn, haar die terug te geven; later zou ik haar wel vertellen, waarvoor ik die had noodig gehad.
Peggotty's antwoord volgde per omgaande post en was, zooals altijd, vol hartelijke en teedere belangstelling. De halve guinje was ingesloten—ik onderstelde, dat het haar heel wat moeite moest gekost hebben, om die uit de kist van Barkis aan het daglicht te brengen—en zij schreef mij, dat juffrouw Betsey in de buurt van Dover woonde, maar of het in Dover zelf was, of in Hythe, Sundgate of Folkestone, dat kon zij niet zeggen. Een van de pakhuisknechts, bij wien ik inlichtingen vroeg, vertelde mij echter, dat deze plaatsjes alle vlak bij elkander lagen. Ik achtte dit voldoende voor mijn plan en besloot het tegen het einde van de week ten uitvoer te brengen. Hoe klein ik ook was, ik was eerlijk en wilde geen slechten naam achterlaten bij Murdstone en Grinby; daarom achtte ik mij verplicht om tot Zaterdagavond te blijven en, aangezien mij mijn weekloon vooruitbetaald werd, op het uur van afrekenen niet op het kantoor te verschijnen om mijn loon te ontvangen. Juist daarom had ik de halve guinje geleend; ik behoefde dan niet geheel ontbloot van eenig geld op reis te gaan. Overeenkomstig dit plan vroeg ik aan Mick Walker, terwijl wij, zooals elken Zaterdagavond, in het pakhuis stonden te wachten, en Tipp, de wachtrijder, binnen was, of hij, als hij aan de beurt was, wilde zeggen dat ik mijn kist naar het huis van Tipp overbracht, en na een laatst vaarwel aan den „melige” haastte ik mij weg te komen.
Mijn koffer was nog in mijne oude woning aan de overzijde van de rivier en ik had er een adres voor geschreven op de achterzijde van een kaartje, zooals wij op de vaten spijkerden: „Jongeheer David. Zal afgehaald worden; diligence-kantoor Dover.” Ik had dit in mijn zak om het op den koffer te bevestigen, nadat ik hem in veiligheid zou gebracht hebben, en toen ik mij naar mijne oude woning begaf, keek ik rond naar iemand, die hem voor mij naar het kantoor zou willen brengen, waar de diligence afreed. Ik ontmoette een jongen met lange beenen en eene ledige ezelkar bij de Obelisk in Blackfriars Road; hij vroeg mij of hij iets van mij aan zijn lichaam droeg, omdat ik hem zoo aankeek. Ik bleef staan en verzekerde hem, dat ik het niet deed om hem te grieven, maar omdat ik niet zeker wist of hij wat zou willen verdienen.
„Waarmede zou ik wat kunnen verdienen?” vroeg de langbeenige jongen.
„Met een koffer weg te brengen,” was mijn antwoord.
„Welken koffer?”
Ik vertelde hem dat het mijn koffer was en dat hij in gindsche straat stond en naar het kantoor van de diligence naar Dover gebracht moest worden. Ik zou er hem een halven shilling voor geven.
„Dat doe ik!” antwoordde hij, ging terstond op zijne kar zitten—eigenlijk niets dan een houten bak op wielen—en rende in zulk een vaart heen dat ik moeite had om den ezel bij te houden. Er was iets terugstootends in het gezicht van dien jongen en vooral in de wijze, waarop hij, op een strootje kauwend, mij aankeek, dat mij niet beviel; maar de overeenkomst was gesloten en ik nam hem mede naar de kamer, die ik ging verlaten, en samen brachten wij den koffer naar beneden en op de kar. Ik achtte het niet geraden nu reeds het adres aan den koffer te bevestigen, vreezende dat mijn huisbaas of iemand van zijne familie ontdekken zou wat ik voornemens was te doen; ik verzocht daarom den langbeen bij den blinden muur van King's Bench een oogenblik stil te houden. De woorden waren nauwelijks uit mijn mond of hij rende weg, alsof hij, de kar, de ezel en de koffer bezeten waren, zoodat ik hem geheel buiten adem van het loopen op de bedoelde plek inhaalde.
Ik was geheel van streek en beefde van zenuwachtigheid, zoodat ik bij het te voorschijn halen van het kaartje de halve guinje op den grond liet vallen. Haastig raapte ik het geldstuk op en verborg het veiligheidshalve in mijn mond. Juist had ik met bevende handen mijne adreskaart te voorschijn gehaald, toen ik plotseling een stomp onder de kin kreeg van den langbeen en de halve guinje mij uit den mond en in zijne hand vloog.
„Wat is dat!” zei de jongen, terwijl hij mij bij den kraag van mijn buis greep, met een grijns, die mij angst aanjoeg. „Dat is een politiezaak! Gij wilt u uit de voeten maken! Ga mee naar de politie, kleine deugniet, ga mee naar de politie!”
„Geef mij mijn geld terug!” zei ik, bevend van angst, „en ga uw weg.”
„Ga mee naar de politie!” riep de langbeen nogmaals. „Gij zult bij de politie bewijzen dat het uw eigendom is.”
„Geef mij mijn koffer en mijn geld terug, als 't u belieft?” riep ik, in tranen uitbarstende.
De jonge man herhaalde: „Ga mee naar de politie!” en drong mij op zulk een hevige wijze tegen den ezel aan, alsof er eenige overeenkomst bestond tusschen dit dier en een magistraatspersoon. Eensklaps scheen hij van plan te veranderen; hij sprong in de kar, ging op mijn koffer zitten en rende zoo hard hij kon heen, roepende dat hij de politie zou halen.
Ik rende hem na zoo hard ik kon, maar ik kon onmogelijk roepen of schreeuwen en zou het ook niet hebben durven doen al had ik gekund. Minstens twintig malen was ik op het punt om overreden te worden. Nu eens had ik hem uit het gezicht verloren, dan zag ik hem weder en een oogenblik later was hij weder uit het gezicht, nu eens kreeg ik een slag, dan viel ik in den modder, stond weer op, rende iemand in de armen of liep blindelings tegen een paal. Eindelijk, geheel verbijsterd door angst en drift en meenende dat half Londen nu waarschijnlijk op de been zou zijn om mij aan te houden, liet ik den langbeen met mijn koffer en mijn guinje heenrijden waar hij wilde. Snikkend en geheel buiten adem sloeg ik den weg in naar Greenwich, dat, naar ik gehoord had, aan den weg naar Dover lag, weinig meer uit de wereld meenemende op mijne vlucht naar tante Betsey, dan ik er had ingebracht in den nacht, toen mijne komst hare ontevredenheid zoo had opgewekt.
XIII.
Hoe mijn besluit verder ten uitvoer werd gebracht.
Voor zoover ik weet had ik, toen ik de vervolging van den jongen met de ezelkar opgaf en den weg naar Greenwich insloeg, geen ander plan dan in één adem door naar Dover te loopen. Ik kwam echter spoedig tot een ander inzicht, want bij den weg naar Kent bleef ik staan bij een plantsoen met een vijvertje, waarin een groot, leelijk beeld stond, een zeenimf voorstellend. Ik ging hier eenige oogenblikken op een stoep zitten, uitgeput van vermoeienis na de inspanning van het laatste uur en nauwelijks in staat om te schreien over het verlies van mijn koffer en de halve guinje.
Het was intusschen donker geworden; ik hoorde de klok tien slaan, toen ik daar zat. Gelukkig was het midden in den zomer en heerlijk weder. Toen ik wat tot kalmte gekomen en het gevoel, alsof ik zou stikken, verdwenen was, stond ik op en zette mijn weg voort. Hoe wanhopend ik ook was, het kwam niet in mij op terug te keeren. Ik twijfel of dit zelfs wel het geval zou zijn geweest als er een Zwitsersche sneeuwjacht op den weg naar Kent gewoed had. Dat ik daar stond met drie stuivers in den zak—ik begrijp nog niet, hoe die op Zaterdagavond er inkwamen!—joeg mij geen oogenblik angst aan, terwijl ik voortliep; maar ik stelde mij toch voor hoe er wellicht over eenige dagen in de courant zou staan, dat men mij dood aan den kant van den weg of onder een heg had gevonden, en dit denkbeeld sloeg mij wel eenigszins ter neer. Evenwel, ik was uit mijn slavenbetrekking verlost en liep voort tot ik aan een winkeltje kwam, waar men vrouwen- en mannenkleederen opkocht en den hoogsten prijs betaalde voor lompen, botten en ander afval. De eigenaar zat in zijne hemdsmouwen voor de deur te rooken en aangezien er een menigte jassen en broeken aan de lage zoldering hingen te bengelen en er slechts twee kaarsen brandden om dien geheelen voorraad te verlichten, verbeeldde ik mij, dat die man een wraakgierig monster was, dat al zijne vijanden daar had opgehangen en zich nu in het aanschouwen van zijne slachtoffers zat te verlustigen.
De ondervinding bij mijnheer en mevrouw Micawber opgedaan, wekte het vermoeden in mij op, dat ik hier wellicht het middel vinden kon om mij nog eenigen tijd in het leven te houden. Ik ging de eerste zijstraat in, trok mijn vest uit, rolde het netjes op en kwam met dat rolletje onder den arm aan den winkel terug. „Als 't u blieft, mijnheer,” zei ik, „wilt gij dit voor een billijken prijs van mij koopen?”
Mijnheer Dolloby—deze naam stond ten minste boven de winkeldeur—nam het vest aan, zette zijn pijp op den kop tegen den deurpost en ging voor mij uit den winkel binnen; daarna snoot hij de beide kaarsen met zijne vingers, spreidde het vest op de toonbank uit, bekeek het, hield het tegen het licht, bekeek het nog eens en zei eindelijk:
„En wat noemt gij een billijken prijs voor dit prul?”
„O, dat weet gij zelf het best, mijnheer,” antwoordde ik bedeesd.
„Ik kan geen kooper en verkooper te gelijk zijn,” hernam mijnheer Dolloby. „Geef een prijs op, manneke.”
„Zou achttien stuivers...?” vroeg ik na eenige aarzeling.
Mijnheer Dolloby rolde het vest op en gaf het mij terug. „Ik zou mijn huisgezin bestelen,” zei hij, „indien ik er de helft voor bood.”
Dit was eene onaangename manier van zaken doen, want ik, een vreemdeling, werd daardoor in de noodzakelijkheid gebracht hem te verzoeken zijn huisgezin ter wille van mij te bestelen. Aangezien ik echter dringend verlegen was om eenig reisgeld, zei ik, dat ik met negen stuivers tevreden zou zijn. Niet zonder tegenspraak betaalde mijnheer Dolloby mij negen stuivers uit. Ik wenschte hem goeden avond en verliet zijn winkel, negen stuivers rijker, doch een vest armer. Als ik mijn buis dichtknoopte, had dit echter niet veel te beduiden.
Het was te voorzien dat het niet lang zou duren, of mijn buis zou denzelfden weg volgen, zoodat ik het laatste gedeelte van den weg naar Dover in mijn hemd en broek zou moeten afleggen en mij nog gelukkig zou mogen prijzen als ik er in dat toilet aankwam. Ik dacht echter nog niet zoo ver vooruit. Behalve een vaag denkbeeld van den grooten afstand, dien ik moest afleggen, en eene onaangename herinnering aan den jongen met de ezelkar, geloof ik niet, dat de benarde toestand, waarin ik eigenlijk verkeerde, mij helder voor den geest stond, toen ik de negen stuivers in mijn zak liet glijden en mijne wandeling voortzette.