Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 18

Chapter 183,893 wordsPublic domain

De benarde omstandigheden van mijnheer Micawber konden mijne naargeestigheid slechts vergrooten. Eenzaam en verlaten als ik was, begon ik mij hoe langer hoe meer aan de familie te hechten, en was ik op mijne wandelingen voortdurend bezig met mevrouw Micawber's geldzorgen, alsof ik zelf bezwaard was met mijnheer Micawber's schuldenlast. Zaterdag's avonds—voor mij een feestavond, zoowel omdat ik mij dan met de zes of zeven shillingen in den zak erg voornaam voelde, en voor tal van winkels bleef staan, om te overleggen wat ik voor die som wel zou kunnen koopen, en ook omdat ik dan vroeger naar huis ging—deed mevrouw Micawber mij gewoonlijk de hartverscheurendste verhalen, evenals des Zondag's morgens, wanneer ik de koffie van den vorigen avond opwarmde en langer zat te ontbijten dan gewoonlijk. Het was volstrekt niet ongewoon, dat mijnheer Micawber aan het begin van deze Zaterdagavond-gesprekken als een wanhopende zat te snikken en eindigde met een vroolijk deuntje te zingen. Ik heb het bijgewoond, dat hij tranen stortende thuis kwam met de verklaring, dat er nu niets meer voor hem overbleef dan de gevangenis, en dat hij naar bed ging, eene berekening makende van de onkosten van balcons voor de ramen—„als er zich eens iets opdeed”, hetgeen zijne meest geliefkoosde uitdrukking was. En mevrouw Micawber was precies hetzelfde.

Een zonderlinge vriendschapsband, vermoedelijk ontstaande uit onze eenigszins gelijksoortige omstandigheden, vormde zich tusschen deze menschen en mij, niettegenstaande het aanmerkelijk verschil in jaren. Ik liet mij echter nooit overhalen eene uitnoodiging aan te nemen om met hen te eten of te drinken, als ik niet zeker wist dat zij hetgeen zij mij aanboden, konden missen,—ik was te goed bekend met hun slechte verstandhouding met bakker en slager, zoodat zij menigmaal niet genoeg hadden voor zichzelve en de kinderen—totdat mevrouw Micawber mij eens in vertrouwen nam. Dit had plaats op zekeren avond op de volgende wijze:

„Jongeheer Copperfield”, sprak zij, „ik beschouw u niet als een vreemde en maak er u dus ook geen geheim van, dat mijnheer Micawber's ongelegenheden tot een crisis zijn geklommen.”

Het was zeer pijnlijk voor mij dit te moeten hooren en ik richtte met het innigste medelijden den blik op mevrouw Micawber's roode oogen.

„Met uitzondering van een hompje Hollandsche kaas—voor jonge kinderen minder geschikt voedsel—is er letterlijk geen stukje van wat ook in de provisiekamer over. Ik was zoo gewoon om over de provisiekamer te spreken, toen ik nog bij papa en mama thuis was, zoodat ik dit woord nu gebruik zonder daarbij te denken. Wat ik bedoel is, dat er niets meer te eten is in het geheele huis.”

„Goede Hemel!” riep ik hevig ontsteld uit.

Ik had nog twee of drie shillingen in mijn zak—waaruit ik opmaak dat dit gesprek op Woensdagavond plaats had—en haalde ze terstond voor den dag, om ze diep ontroerd mevrouw Micawber aan te bieden. Zij gaf mij een kus en verzocht mij, dat geld weer in den zak te steken, want zij kon er niet aan denken het aan te nemen.

„Neen, lieve jongeheer Copperfield”, sprak zij; „ik kan er zelfs niet aan denken! Gij zijt echter, wat uw verstand betreft uw leeftijd ver vooruit en kunt mij, indien gij wilt, een dienst bewijzen, een dienst, dien ik dankbaar van u zal aannemen.”

Ik verzocht mevrouw Micawber te zeggen wat zij bedoelde.

„Ik heb vroeger het zilver zelve weggebracht”, vertelde zij. „Zes theelepeltjes, twee zoutlepeltjes en een suikertang heb ik op verschillende tijdstippen beleend. Ik deed dit natuurlijk heimelijk. De tweelingen binden mij echter thans de handen en bovendien stuit het mij, die bij papa en mama zoo heel anders ben opgevoed, zeer tegen de borst. Ik heb nog eenige kleinigheden, die wij wel kunnen missen, maar mijnheer Micawber zou zich nimmer laten overhalen om ze weg te brengen—daartoe is hij veel te trotsch; en Clickett”—zoo heette het weesmeisje—„staat te laag voor dergelijke vertrouwelijke mededeelingen; zij zou er misbruik van maken en zich allerlei vrijheden gaan veroorloven. Indien gij daarom, jongeheer Copperfield....”

Nu begon ik mevrouw Micawber te begrijpen en verzocht ik haar over mij te beschikken wanneer zij maar wilde. Dienzelfden avond bracht ik reeds eenige kleinigheden naar de bank van leening en bijna elken morgen voor ik naar het pakhuis ging, volgde een of ander meubelstuk of sieraad denzelfden weg. Het eerst waren eenige boeken van mijnheer Micawber aan de beurt, die op een kleine chiffonière stonden, waaraan hij den weidschen titel gaf van bibliotheek. Ik bracht ze, het eene na het andere, naar een boekenstalletje in City Road—waarvan één gedeelte, dicht bij onze woning, hoofdzakelijk uit boekenstalletjes en vogelkraampjes bestond—en verkocht ze voor hetgeen men er voor wilde geven. De eigenaar van dit stalletje was elken avond dronken en werd elken morgen door zijne vrouw uitgescholden voor al wat leelijk was. Wanneer ik des morgens bijzonder vroeg kwam, werd ik meermalen aan zijn bed ontvangen en zag ik, dat hij bij zijne nachtelijke buitensporigheden een gat in het hoofd of een blauw oog had opgeloopen—ik vrees dat hij een zoogenaamden kwaden dronk had.—Met bevende hand zocht hij dan in al zijne zakken naar het benoodigde geld; zijne kleederen lagen gewoonlijk over den grond verspreid, terwijl zijne vrouw met een zuigeling op den arm en afgetrapte schoenen zonder ophouden met schelden voortging. Soms had hij zijn geld verloren en verzocht mij terug te komen; maar zijne vrouw had het altijd gevonden—ik vermoed dat zij het weggenomen had, terwijl hij dronken was—en sloot dan heimelijk den koop op de trap.

Ook aan de bank van leening begon men mij langzamerhand te kennen. Een der heeren—ik meen de boekhouder—was bijzonder vriendelijk en liet mij nu en dan, terwijl hij de zaken afdeed, een Latijnsch werkwoord vervoegen of een naamwoord verbuigen.

Na al dergelijke gelegenheden legde mijnheer Micawber een klein feestje aan, gewoonlijk een souper; er was een eigenaardige smaak aan de gerechten, die dan werden opgedischt, een smaak, dien ik nimmer vergeten zal.

Eindelijk bereikten mijnheer Micawber's ongelegenheden werkelijk een crisis en werd hij op zekeren morgen, heel in de vroegte gearresteerd en overgebracht naar King's Bench-gevangenis. Toen hij het huis uitging, zei hij dat zijn zon nu voor goed was ondergegaan en ik meende dat zijn hart gebroken was evenals het mijne. Later vernam ik dat hij dienzelfden avond lustig aan het kegelen was geweest.

Den eersten Zondag nadat hij gearresteerd was, bracht ik hem een bezoek en gebruikte het middagmaal bij hem. Ik moest eerst den weg vragen naar een zeker pleintje en dicht daarbij zou ik nog een pleintje zien, en bij dat pleintje nog een, dat ik moest oversteken en dan rechtuit loopen tot ik een cipier zag. Ik deed dit en toen ik eindelijk een cipier vond en mij herinnerde, dat er, toen Roderick Random in de grijzeling zat, een man was, die geen ander kleedingstuk droeg dan eene oude deken, kwam er plotseling een nevel op tusschen den cipier en mij en begon mijn hart hevig te kloppen. Ik was ook nog zoo'n klein bang kereltje!

Mijnheer Micawber wachtte mij op in de poort en wij gingen de trap op naar zijne kamer—bovenste verdieping op één na—en ik herinner mij dat ik schreide. Hij bezwoer mij plechtig een waarschuwend voorbeeld te nemen aan het lot, dat hem getroffen had, en te bedenken, dat als men een jaarlijksch inkomen heeft van twintig pond en men negentien pond en negentien en één halven shilling verteert, men gelukkig is; maar dat men, twintig pond en één shilling verterende, even ellendig en rampzalig wordt als hij. Nadat hij deze wijze les ten beste had gegeven, leende hij een shilling van mij voor een flesch porter, gaf mij eene schuldbekentenis mede op mevrouw Micawber, stak den zakdoek, waarmede hij langs de oogen gewreven had, in den zak, en werd zoo vroolijk als ooit.

Wij zaten voor een klein vuur, dat in een roestigen haard was aangelegd tusschen twee steenen, ten einde niet te veel kolen te verbranden, toen er een tweede gevangene binnenkwam, die ook wegens schulden achter de tralies was gezet en de kamer met mijnheer Micawber deelde. Hij had een schaperibbetje gereed gemaakt, waarmede wij te zamen onzen maaltijd zouden doen. Mijnheer Micawber zond mij eerst naar boven, naar een zekeren kapitein Hopkins, met het beleefd verzoek, of de kapitein aan mij, mijnheer Micawber's jongen vriend, een mes en een vork wilde leenen. Kapitein Hopkins leende mij het gevraagde en gaf mij de groeten mede aan mijnheer Micawber. In kapitein Hopkins' kamer zag ik eene dame, die er allerslordigst uitzag, benevens twee fletse jonge meisjes, zijne dochters, met leelijke, hooge kapsels. Ik kwam tot de overtuiging, dat het beter was kapitein Hopkins' mes en vork te leenen, dan zijn kam. Hij zelf zag er ontzettend verwaarloosd uit, had zware bakkebaarden en droeg een oude bruine overjas, zonder meer. Zijn bed lag opgerold in een hoek van het benauwde kamertje; al wat hij bezat aan borden, schotels en kommen, stond op een plank, en ik vermoedde—de Hemel weet hoe het in mijn brein opkwam—dat, al mochten de twee meisjes met de hooge kapsels ook al kapitein Hopkins' dochters zijn, de slordige dame, die er bij zat, niet kapitein Hopkins' vrouw was. Ik bleef niet langer dan een paar minuten bedeesd op den drempel staan, maar toch maakte ik al deze opmerkingen en was er, toen ik beneden kwam, even zeker van, als ik het mes en de vork in de hand had.

In weerwil van dit alles hadden wij toch een aangenaam middagmaal. Na afloop bracht ik kapitein Hopkins het mes en de vork terug en ging toen naar huis, om mevrouw Micawber te troosten met een verslag van mijn bezoek. Toen zij mij zag aankomen viel zij flauw, maar later maakte zij een keteltje warmen wijn gereed om onzen moed wat op te wekken, terwijl wij over mijn bezoek praatten.

Ik weet niet of het huisraad ten voordeele van de familie verkocht werd, noch wie het verkocht; alleen weet ik dat _ik_ het niet deed, en _dat_ het verkocht en met een kar weggevoerd werd, met uitzondering van de bedden, een paar stoelen en een keukentafel. Met deze bezittingen kampeerden wij, als het ware, in twee kamers van het ledige huis op Windsor Terrace—mevrouw Micawber, de kinderen, het weesmeisje en ik. Nacht en dag brachten wij er in door. Ik kan niet zeggen hoe lang dit duurde, maar in mijne herinnering komt het mij vrij langdurig voor. Eindelijk besloot mevrouw Micawber naar de gevangenis te verhuizen, waar mijnheer Micawber de vrije beschikking over een kamer had gekregen. Ik bracht den huissleutel aan den eigenaar, die blijde was toen hij dien weder in zijn bezit had; de bedden werden naar King's Bench gezonden, uitgezonderd het mijne. Voor mij werd een kamertje gehuurd buiten de muren, maar in de onmiddellijke nabijheid van de gevangenis; dit was zeer naar mijn zin, want ik had reeds te veel ellende met de Micawbers gedeeld om vrijwillig van hen te scheiden. Het weesmeisje werd in dezelfde buurt goedkoop onder dak gebracht. Mijn kamertje was eigenlijk een achterzoldertje met een schuin dak en een vroolijk uitzicht op eene timmerwerf, en toen ik het in bezit nam en bedacht, dat mijnheer Micawber's ongelegenheden nu eindelijk een crisis hadden bereikt, scheen het mij een klein paradijs toe.

Gedurende al dien tijd bleef ik werkzaam in het pakhuis van de firma Murdstone en Grinby aan dezelfde weinig opwekkende bezigheden, met dezelfde laag staande kameraden en met hetzelfde gevoel van onverdiende vernedering als de eerste dagen. Gelukkig voor mij, zooals ik later inzag, knoopte ik geen enkele kennismaking, geen enkel gesprek aan met de vele jongens, die ik dagelijks op mijne wandelingen door de straten ontmoette, als ik naar het pakhuis of naar mijne kamer ging. Ik leed onder dat eenzame, afgezonderde leven, maar ik leed zonder mij bij anderen te beklagen. De eenige veranderingen, die met mij plaats vonden, voor zoover ik weet, waren: dat ik er hoe langer hoe meer verwaarloosd begon uit te zien en ontheven was van mijne bekommering over de zorgen van mijnheer en mevrouw Micawber; want eenige bloedverwanten en vrienden hadden hulp verschaft voor het oogenblik, zoodat zij in de gevangenis een veel beter leven hadden dan zij in den laatsten tijd gekend hadden. Ik ontbeet nu met hen, waarvoor ik eenige vergoeding gaf...... hoeveel is mij ontschoten. Ook weet ik niet meer hoe laat de poort van de gevangenis geopend werd, wel echter dat ik dikwijls al om zes uur op was en ik dan het liefst bleef wachten op de oude London Bridge, waar ik op een van de steenen banken ging zitten kijken naar de voorbijgangers of naar de zon op het water en naar het groote monument, welks top zich scheen te baden in goud. Het weesmeisje kwam nu en dan bij mij zitten en vertelde mij dan allerlei verbazingwekkende dingen van de werven en den Tower, waarvan ik niets kan navertellen dan dat ik hoop, dat ik ze zelf geloofde. Des avonds ging ik gewoonlijk nogmaals naar de gevangenis en wandelde dan met mijnheer Micawber de binnenplaats op en neer of luisterde naar de verhalen van mevrouw Micawber over haar papa en mama. Of mijnheer Murdstone wist waar ik den tijd doorbracht, durf ik niet zeggen. Ik bewaarde er bij Murdstone en Grinby het stilzwijgen over.

Hoewel de crisis nu voorbij was, schenen mijnheer Micawber's zaken hoogst ingewikkeld te zijn door eene zekere „akte”, waarvan ik veel hoorde vertellen en die, zooals ik later begreep, eene vroeger gemaakte overeenkomst met zijne schuldeischers inhield; in die dagen begreep ik er niets van en ik vermoed nu, dat ik dat document verwarde met de duivelsche briefjes, die men drie eeuwen geleden zoo veelvuldig in Duitschland krijgen kon.

Eindelijk scheen dit papier echter op de eene of andere wijze uit den weg geruimd te zijn, tenminste het was niet meer zulk een struikelblok als vroeger en mevrouw Micawber vertelde mij, dat „hare familie” had aangeraden ontslag uit de gevangenis te verzoeken op grond van de wet op de Insolvente schuldenaren, zoodat zij binnen zes weken hunne vrijheid zouden terugkrijgen.

„En dan,” zei mijnheer Micawber, die daarbij tegenwoordig was, „dan twijfel ik er niet aan of, zoo de Heer wil, zal ik wel vooruit komen in de wereld en een geheel ander leven beginnen, indien zich.... kortom, indien zich maar iets voordoet.”

Als een staaltje van de wijze, waarop mijnheer Micawber trachtte vooruit te komen in de wereld, zij hier vermeld, dat hij in deze dagen eene petitie opstelde aan het Lager Huis, om eene wijziging te brengen in de wet op de gijzeling. Ik schrijf deze herinnering neer, als een voorbeeld voor mij zelven van de wijze, waarop ik alles wat ik beleefde en wat ik op straat zag, en al de menschen, die ik ontmoette, op voorvallen en helden terugbracht uit de boeken, die ik vroeger gelezen had; en hoe sommige hoofdtrekken van het karakter, dat ik, mijn leven beschrijvende, onmerkbaar zal bloot leggen, in dezen tijd langzamerhand gevormd werden.

Er bestond in de gevangenis een club, waarin mijnheer Micawber, de eenige, die nog aanspraak maakte op den naam van _gentleman_, de hoofdpersoon was. Hij had het denkbeeld om deze petitie op te stellen in de club geopperd en allen hadden het luide toegejuicht; waarop de goedhartige man, die zoo ijverig was in alle zaken—behalve in zijn eigene—als iemand maar zijn kon, die nooit gelukkiger was dan wanneer hij iets kon ondernemen, waarvan hij zelf niet het minste voordeel trok, aan het werk toog, de petitie opstelde, op een kolossaal vel papier overschreef, op eene tafel uitspreidde en een tijdstip aangaf, waarop alle leden van de club en allen binnen de muren der gevangenis, die zulks verkozen, hunne handteekening er onder konden plaatsen.

Toen ik vernam welke plechtigheid naderde, was ik zoo verlangend om hen allen te zien binnenkomen, een voor een, al kende ik hen voor het meerendeel en al kenden zij mij, dat ik mijnheer Quinion verzocht een uur vroeger te mogen heengaan, en in een hoekje van de kamer plaats nam. Zooveel van de voornaamste leden van de club als er in de kleine kamer konden staan, zonder die al te vol te maken, schaarden zich tegenover mijnheer Micawber voor het groote papier, terwijl kapitein Hopkins—mijn oude vriend had zich gewasschen ter eere van de plechtigheid—naar voren trad en de petitie voorlas aan allen, die den inhoud nog niet kenden. Daarna werd de deur geopend en kwam de geheele bevolking van de gevangenis één voor een binnen; terwijl de een zijne handteekening plaatste, wachtten de anderen buiten. Aan ieder afzonderlijk werd door kapitein Hopkins gevraagd: „Hebt gij het gelezen?”—„Neen.” „Wilt gij dat ik het u voorlees?”—Bij de geringste toestemmende beweging las kapitein Hopkins woord voor woord voor, met zijne zware, doch welluidende stem, en zonder twijfel zou hij het twintig duizend maal hebben voorgelezen, indien er maar twintig duizend onderteekenaars waren geweest. Ik herinner mij nog hoe hij sommige uitdrukkingen en volzinnen als het ware over zijn tong liet rollen: „De vertegenwoordigers van het volk in het Parlement vergaderd.”—„De ondergeteekenden naderen daarom eerbiedig uw edelachtbaar Huis”—„Hare Majesteit's ongelukkige onderdanen,” enz. Het scheen mij toe alsof hij deze woorden werkelijk in zijn mond voelde, of ze hem lekker smaakten. Mijnheer Micawber stond intusschen te luisteren met de ijdelheid van den ontwerper en schrijver en—volstrekt niet met een strengen blik—naar de scheurbroeken te kijken op den muur aan de overzijde.

Wanneer ik dagelijks den afstand aflegde tusschen Southwark en Blackfriars en in de schofttijden door de sombere zijstraten wandelde, waarvan het plaveisel misschien wel door mijne kindervoeten is uitgesleten, vroeg ik mij zelven af hoeveel menschen er nog ontbraken in den drom, die mij telkens weder voor oogen stond, terwijl kapitein Hopkins' stem mij in de ooren klonk. En wanneer mijne gedachten thans teruggaan naar dien ellendigsten tijd van mijne jeugd, vraag ik mij zelven af hoeveel van de romans, die ik van zulke menschen verdichtte, de werkelijkheid nabij kwamen! En wanneer ik dienzelfden grond weder betreed, stel ik mij een onschuldig, romantisch knaapje voor, dat zijne denkbeeldige wereld samenstelt uit allerlei vreemdsoortige ervaringen van de laagste soort, en ik beklaag dat knaapje met mijn gansche hart.

XII.

De wereld, die ik ben ingetreden, blijft mij slecht bevallen. Ik neem een gewichtig besluit.

Mijnheer Micawber's verzoekschrift werd ingediend en hij zelf tot mijne groote blijdschap ontslagen. Zijne schuldeischers waren niet onverbiddelijk en mevrouw Micawber deelde mij mede, dat dezelfde schijnbaar wraakzuchtige schoenmaker voor het Hof verklaard had geen wrok te koesteren, maar indien men hem geld schuldig was, ook gaarne betaling ontving. Nu, dat was niet meer dan natuurlijk.

Mijnheer Micawber keerde, toen de zaak beslist was, naar King's Bench terug, omdat er nog eenige kosten te betalen en formaliteiten te vervullen waren, eer hij feitelijk ontslagen kon worden. De club ontving hem met veel geestdrift en hield dien avond eene gezellige bijeenkomst te zijner eer; terwijl mevrouw Micawber en ik ons, omringd door de slapende kinderen, aan een lamsgebraad te goed deden.

„Bij deze gelegenheid zal ik u nog eens inschenken, jonge Copperfield,” sprak mevrouw Micawber—wij hadden al eenige glazen warm bier gedronken—„ten einde op de nagedachtenis te drinken van papa en mama.”

„Zijn zij dood, mevrouw?” vroeg ik, na het wijnglas geledigd te hebben.

„Mijne mama heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld,” antwoordde mevrouw Micawber, „alvorens mijnheer Micawber's ongelegenheden een aanvang namen, tenminste, alvorens zij van alle kanten kwamen opdringen. Mijn papa bleef herhaalde malen borg voor mijnheer Micawber en stierf toen, door een talrijken vriendenkring betreurd.”

Mevrouw Micawber schudde het hoofd en liet op de zuigeling, die op het oogenblik aan de beurt was om bij zijne moeder te zijn, een traan vallen, die getuigenis moest afleggen van hare kinderlijke liefde.

Aangezien ik niet kon verwachten eene betere gelegenheid te vinden om eene zaak te behandelen, die voor mij van het grootste belang was, vroeg ik:

„Mag ik ook weten, wat gij en mijnheer Micawber voornemens zijt te doen, nu mijnheer Micawber's ongelegenheden uit den weg geruimd zijn en hij zijne vrijheid terug zal krijgen? Hebt gij dat al bepaald?”

„Mijne familie,” antwoordde mevrouw Micawber, die deze woorden altijd op plechtigen toon uitsprak, zonder dat ik ooit heb kunnen gewaar worden, wie zij daarmede bedoelde, „mijne familie is van oordeel, dat mijnheer Micawber beter deed Londen te verlaten, en zijne talenten ergens in de provincie meer winstgevend aan te wenden. Mijnheer Micawber is een man met groote talenten, jongeheer Copperfield.”

Ik zei daarvan overtuigd te zijn.

„Van groote talenten,” herhaalde mevrouw Micawber. „Mijne familie is van oordeel, dat met een weinig voorspraak voor een man van mijnheer Micawber's bekwaamheden wel eene betrekking aan het tolkantoor te vinden zal zijn. Aangezien de invloed mijner familie echter plaatselijk is, verlangt men, dat mijnheer Micawber naar Plymouth zal verhuizen. Zij achten het onvermijdelijk dat hij zelf ter plaatse is.”

„Om bij de hand te zijn?” vroeg ik.

„Juist,” antwoordde mevrouw Micawber. „Om bij de hand te zijn, wanneer zich iets voordoet.”

„En gaat gij ook mede, mevrouw?”

De gebeurtenissen van den dag, misschien ook de tweelingen en het warme bier, hadden mevrouw Micawber zenuwachtig gemaakt; zij zwom letterlijk in hare tranen toen zij zeide: „Ik verlaat mijnheer Micawber nooit. Mijnheer Micawber mag al de ongelegenheden, waarin hij gekomen was, in den eersten tijd voor mij verborgen hebben gehouden, hij was volkomen te goeder trouw toen hij meende, dat hij die wel te boven zou komen. Het parelsnoer en de braceletten, die ik van mijne mama erfde, zijn ver beneden de waarde verkocht; het stel koralen, het bruidsgeschenk van papa, is zoo goed als weggegeven; maar toch zal ik mijnheer Micawber nooit verlaten. Neen!” riep zij uit, en scheen hoe langer hoe zenuwachtiger te worden. „Neen, dat doe ik nooit! Men behoeft mij dat niet eens te vragen!”

Ik werd verlegen met de zaak—alsof mevrouw Micawber kon veronderstellen dat ik haar ooit zoo iets vragen zou!—en keek haar met een angstigen blik aan.

„Mijnheer Micawber heeft zijne gebreken. Ik zal niet ontkennen dat hij onvoorzichtig is. Ik zal niet ontkennen dat hij mij onkundig heeft gelaten, zoowel van zijne inkomsten als van de verplichtingen, die hij op zich genomen heeft,” ging zij voort, naar den muur kijkende, „maar mijnheer Micawber verlaten—dat nooit!”

Mevrouw Micawber's zenuwachtigheid scheen nu het toppunt bereikt te hebben; zij gilde de laatste woorden letterlijk uit, zoodat ik mij ongerust begon te maken en naar de kamer snelde, waar de club bijeen was. Ik stoorde mijnheer Micawber, die aan het hoofd van eene lange tafel zat en behalve als president ook als cantor scheen te fungeeren, met de tijding dat ik mij ongerust maakte over mevrouw Micawber; waarop hij onmiddellijk in tranen uitbarstte en met mij medeging, met de koppen en staarten van de garnalen, die hij gegeten had, nog op zijn vest.

„Emma, mijn engel!” riep mijnheer Micawber, de kamer binnenstormend, „wat scheelt u?”

„Ik zal u nooit.... nooit verlaten, Micawber!” riep zij uit.

„Mijn leven! Mijn alles!” zei mijnheer Micawber, terwijl hij haar omhelsde, „dat weet ik! Daarvan ben ik overtuigd!”

„Hij is de vader van mijn kinderen! Hij is de vader van mijn tweelingen!” riep mevrouw Micawber, zenuwachtig snikkend. „Hij is mijn eerste en eenige liefde! Ik zal hem nooit.... no.. ooit verlaten!”