Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 17

Chapter 174,011 wordsPublic domain

En daar zat ik den volgenden morgen met een half versleten, witten hoed met een zwarten band—een rouwband om mijne moeder—een zwart buis en een broek van hard, stijf bombazijn, dat juffrouw Murdstone de beste beschutting voor de beenen vond in den strijd tegen de wereld, dien ik nu ging ondernemen; daar zat ik, aldus uitgedost, met alles, wat ik op de wereld bezat, in een klein koffertje—een arm, ongelukkig schepsel, zou juffrouw Gummidge gezegd hebben—in de postkar, die mijnheer Quinion te Yarmouth op de diligence naar Londen zou brengen. Zie, hoe ons huis en de kerk al kleiner en kleiner worden, hoe het graf onder den boom achter andere boomen en struiken verdwijnt, verdwijnt met alles wat mij aan mijne kinderjaren herinnert, hoe ledig alles wordt om mij heen..... ook in mijn hart!

XI.

Ik treed de wereld in, maar de wereld bevalt mij niet.

Ik ken de wereld nu genoeg om mij over niets meer te verbazen, maar toch ben ik nu en dan nog verbaasd over de wijze, waarop men mij op zulk een jeugdigen leeftijd heeft kunnen afstooten. Ik had een uitmuntenden aanleg, een goed gezond verstand en eene groote gave van opmerken; ik was vlug van bevatting en had een teer gestel—daarom verbaast het mij dat niemand zich voor mij in de bres stelde. Maar het was nu eenmaal zoo en ik werd op tienjarigen leeftijd leerjongen bij de firma Murdstone en Grinby.

Het wijnpakhuis van de firma Murdstone en Grinby stond aan den waterkant, beneden de Blackfriar's brug. Die plek is later door allerlei verbouwingen geheel veranderd; maar het was het laatste huis van eene nauwe straat, die steil afliep naar den waterkant en in eene trap eindigde, waar de schuiten aanlegden. Het was een oud, bouwvallig huis met een werf, die bij vloed aan het water en bij eb aan de modder grensde en letterlijk wemelde van de ratten. De met hout beschoten kamers, zwart van het vuil en de rook van meer dan honderd jaren; de halfvergane zolderingen en de krakende trappen; het snuffelen en piepen van de grijze ratten in de kelders; de duffe, vunzige lucht—dat alles staat mij zoo levendig voor den geest als had ik het gisteren ondervonden. Ik zie dat alles voor mij, evenals in het rampzalig uur, toen ik met mijne hand in die van mijnheer Quinion voor de eerste maal daar binnenstapte.

Murdstone en Grinby leverden aan allerlei soort van menschen, doch de voornaamste tak van handel was de uitvoer naar het buitenland. Ik heb vergeten waar de volgeladen schepen heengingen, maar ik denk dat ze zoowel voor Oost- als voor West-Indië bestemd waren. Ik weet dat het gevolg van dien uitgebreiden handel eene groote hoeveelheid ledige flesschen was en dat sommige mannen en vrouwen en jongens gebruikt werden om ze tegen het licht te houden, degenen, die vuil, waren, te spoelen, en die gebarsten waren achteraf te zetten. En wanneer er geen ledige flesschen te spoelen waren, stonden er volle in overvloed, om van etiquetten te voorzien, te kurken, te lakken en in manden te pakken. Dit alles was mijn werk en onder de jongens, die daarvoor gebruikt werden, behoorde ook ik.

Mijne werkplaats was met drie of vier andere jongens in een hoekje van het pakhuis, waar mijnheer Quinion mij kon zien, wanneer hij op de laagste sport van zijn kantoorstoel ging staan en door het raampje boven de schrijftafel keek. Hier werd op den morgen, toen ik met zulke prachtige vooruitzichten de wereld intrad, de oudste jongen opgeroepen om mij mijne werkzaamheden aan te wijzen. Hij heette Mick Walker en droeg een gescheurden voorschoot en een papieren muts. Hij vertelde mij dat zijn vader schuitevoerder was en bij den intocht van den Lord-Mayor met een zwart fluweelen hoofdtooisel in den stoet liep. Ook vertelde hij mij, dat er nog een jongen tot onze „club” behoorde, dien hij mij voorstelde onder den naam van „de melige aardappel”. Ik kwam evenwel spoedig tot de ontdekking dat hij niet onder dien naam was gedoopt, maar dat men hem dien naam in het pakhuis gegeven had, omdat hij zoo bleek was als een aardappel, die melig is. De vader van den „melige” was een waterdrager, wien de groote eer was te beurt gevallen tot brandspuitgast te worden aangesteld; in welke functie hij in een der groote schouwburgen dienst deed, waar een zusje of een nichtje van den „melige” in een pantomime optrad als kaboutermannetje.

Woorden kunnen onmogelijk den geheimen zielsangst weergeven, waaronder deze kameraadschap mij deed gebukt gaan; ik voelde mij vernederd wanneer ik dit gezelschap vergeleek met de speelgenootjes mijner jeugd—om nog niet van Steerforth en Traddles te spreken—ik voelde ook, dat ik de hoop, om eenmaal een beschaafd en geletterd man te worden, nu wel kon opgeven. Ik zal het gevoel van die eerste dagen nimmer vergeten; ik schaamde mij over de positie, waarin ik geplaatst was; ik voelde mij diep ellendig bij de gedachte, dat ik alle hoop op de toekomst kon laten varen, dat ik al hetgeen ik geleerd had zou vergeten en ook werkelijk meer en meer vergat, dat alles waarin ik ambitie had gehad, alles wat mijn leergierigheid, mijn eerzucht geprikkeld had, nu voor altijd voorbij was en nimmer zou terugkeeren. O, ik kan dat gevoel niet beschrijven! Zoo dikwijls Mick Walker dien eersten morgen heenging, vermengden zich mijne tranen met het water, waarin ik de flesschen spoelde, en snikte ik, alsof mij het hart zou breken.

De kantoorklok sloeg half een en iedereen scheen zich gereed te maken om het middagmaal te gaan gebruiken, toen mijnheer Quinion aan het raam van het kantoor klopte en mij wenkte binnen te komen. Ik gaf aan zijn verlangen gehoor en vond daar een zwaarlijvig heer van middelbaren leeftijd, gekleed in een bruine overjas, zwarte broek en rijgschoenen, met niet meer haar op het hoofd—hij had een groot glimmend hoofd—dan op de schaal van een ei, en met een vollemaansgezicht, dat hij in de volle breedte naar mij toekeerde. Zijne kleederen waren afgedragen en vuil, maar zijn halsboord was hagelwit.

Hij had een stok in de hand van bijzonderen vorm en voorzien van een paar verkleurde kwastjes; en uit zijn jas hing een lorgnet—zooals ik naderhand bemerkte, diende dit alleen tot sieraad, want hij keek er zelden door en dan zag hij niets.

Toen ik binnentrad, wees mijnheer Quinion op mij, zeggende: „Daar hebt gij hem.”

„Is dit,” vroeg de vreemde heer op galmenden toon, doch met een welwillenden klank in zijne stem, waardoor ik mij aangetrokken gevoelde, „is dit de jongeheer Copperfield? Ik hoop dat gij welvarend zijt, jongeheer?”

Ik antwoordde, dat ik zeer welvarend was en hoopte dat hij dit ook van zich zelven kon zeggen. De Hemel weet hoe ellendig ik mij voelde op dat oogenblik; maar in dat tijdperk van mijn leven was het mijne gewoonte, niet te klagen; daarom zei ik maar dat ik welvarend was.

„Den goden zij dank,” antwoordde de vreemde heer, „ben ik zeer welvarend. Ik heb een brief ontvangen van mijnheer Murdstone, waarin hij mij verzocht, een vertrek in mijn huis, dat, om kort te gaan... een vertrek, dat op het oogenblik onbewoond is, te verhuren als slaapkamer”—hij deed eenigszins alsof hij er verlegen mede was—„als slaapkamer aan een jongeheer, die pas de wereld is ingetreden... om kort te gaan, dus... ik heb nu het genoegen gehad kennis met u te maken...” hij wuifde mij toe en verborg zijn onderkin in de hooge boorden...

„Mijnheer Micawber,” zei mijnheer Quinion.

„Juist, zoo is mijn naam,” antwoordde de dikke heer.

„Mijnheer Micawber is een kennis van mijnheer Murdstone. Mijnheer Micawber neemt orders voor de firma op, wanneer hij ze krijgen kan; hij heeft een brief ontvangen van mijnheer Murdstone over uw logies en wil u gaarne huisvesten.”

„Mijn adres,” zei mijnheer Micawber, „is Windsor Terrace, City Road. Daar... kortom, woon ik,” voegde hij er bij op denzelfden welwillenden en vertrouwelijken toon.

Ik maakte eene buiging voor mijnheer Micawber. „Overwegende,” zei hij, „dat uwe bekendheid met deze wereldstad nog niet groot kan zijn, en gij dus moeielijkheden zoudt kunnen ondervinden bij het zoeken in den doolhof van dit moderne Babylon... kortom”—weder diezelfde vertrouwelijkheid in toon en stem—„dat gij zoudt kunnen verdwalen, zal het een waar genoegen voor mij zijn, u heden avond te komen afhalen en met den naasten weg bekend te maken.”

Ik bedankte hem uit den grond van mijn hart voor zijne vriendelijkheid, om zich zulk een last op den hals te halen.

„Hoe laat?” vroeg mijnheer Micawber, „zal ik...”

„Tegen acht uur,” antwoordde mijnheer Quinion.

„Tegen acht uur,” herhaalde mijnheer Micawber. „Ik zal u dan nu niet langer ophouden, mijnheer Quinion.” Hij zette zijn hoed op en ging heen met den stok onder den arm, rechtop, en toen hij buiten was, begon hij een deuntje te fluiten.

Nu werd ik door mijnheer Quinion formeel in dienst genomen bij de firma Murdstone en Grinby, tegen een weekloon van zes shilling—meen ik. Ik weet niet zeker meer of het zes of zeven shilling was, en vermoed daarom, dat het eerst zes, daarna zeven shilling was. Hij betaalde mij eene week vooruit—uit zijn zak, geloof ik—en ik gaf „den melige” daarvan een halven shilling, om mijn koffer dien avond naar Windsor Terrace te brengen: zoo klein als het was, ging het mijn zwakke krachten te boven. Voor mijn middagmaal, bestaande uit een vleeschpasteitje en een slok water uit een naburige pomp, betaalde ik ook een halven shilling, en den tijd, die daarvoor was toegestaan, bracht ik op straat door.

Op het vastgestelde uur verscheen des avonds mijnheer Micawber. Ik waschte mijn gezicht en mijne handen, ten einde zulk een door en door fatsoenlijk man geen schande aan te doen, en daarna wandelden wij te zamen naar onze woning—ik onderstelde ten minste, dat ik zijne woning voortaan zoo moest noemen. Mijnheer Micawber vestigde mijne aandacht op de namen van de straten, die wij doorwandelden, en op de gevels van enkele hoekhuizen, opdat ik alleen den weg zou kunnen terugvinden.

Toen wij aan het huis in Windsor Terrace aankwamen—ik teeken hier aan, dat het er even armoedig uitzag als mijnheer Micawber zelf, maar toch ook evenveel vertooning maakte als hij—stelde mijnheer Micawber mij voor aan mevrouw Micawber, eene magere, bleeke dame, niet zoo heel jong meer. Zij zat met een kindje aan de borst, in eene kamer op de tweede verdieping—de eerste verdieping was geheel ongemeubeld en de luiken waren gesloten, ten einde den buren geen argwaan te geven. Het kleintje was een van een tweeling en ik mag niet nalaten hier te vermelden, dat ik, zoolang ik met de familie heb omgegaan, mevrouw Micawber bijna nooit zonder een van het tweetal heb gezien; een van de twee was altijd aan de borst.

Er waren nog twee kinderen; de jongeheer Micawber, ongeveer vier jaar oud, en jongejuffrouw Micawber, drie jaren oud. Verder een jonge maagd met een donker uiterlijk, die de gewoonte had een snuivend geluid met haar neus te maken. Zij was de dienstbode van de familie Micawber en voltooide het huisgezin. Eer een half uur verloopen was, had zij mij ingelicht, dat zij een weeskind was en uit het St. Lukaswerkhuis kwam. Mijne kamer was boven in het huis, aan de achterzijde; een benauwd, schamel gemeubeld vertrekje, met een behangsel, waarvan het patroon mij deed denken aan in elkander verwarde, blauwe paaschbroodjes.

„Ik had niet gedacht,” sprak mevrouw Micawber, toen zij met de tweelingen op den arm naar boven kwam om mij mijne kamer te wijzen, en op een stoel neerviel om adem te scheppen, „ik had, toen ik nog bij papa en mama woonde, nooit gedacht, ooit in de noodzakelijkheid te zullen komen, om kamers te verhuren. Maar aangezien mijnheer Micawber in ongelegenheid is geraakt, moeten alle persoonlijke gevoelens naar den achtergrond worden gedrongen.”

„Zeker, mevrouw,” zei ik.

„Mijnheer Micawber is op dit oogenblik zelfs overstelpt met ongelegenheden,” vervolgde mevrouw Micawber; „ik weet niet, hoe het mogelijk zijn zal hem er weder bovenop te brengen. Toen ik nog bij papa en mama woonde, wist ik nauwelijks wat het beteekende in den zin, waarin ik het nu gebruik, maar zooals papa placht te zeggen: ‚experienta is alles’.”

Ik kan het niet met mij zelven eens worden of mevrouw Micawber mij verteld heeft, dat haar man zeeofficier was geweest of dat ik het gedroomd heb. Ik weet alleen, dat ik nog op dit oogenblik van meening ben, dat hij bij de marine gediend had, hoewel ik niet kan verklaren, waarom ik dat meen. Hij was nu zoo iets als commissionair voor verschillende firma's, maar ik vrees, dat hij er zich weinig of in het geheel niet voor inspande en dus ook zoo goed als niets verdiende.

„Als mijnheer Micawber's schuldeischers geen geduld _willen_ hebben,” vervolgde mevrouw Micawber, „dan moeten zij de gevolgen maar ondervinden en hoe eerder zij er dan een einde aan maken, hoe beter. Men kan echter geen veeren plukken van een kikvorsch, maar evenmin kan ik nog iets op crediet krijgen en dan spreek ik nog niet eens van de gerechtskosten.”

Ik heb nooit goed kunnen begrijpen of mevrouw Micawber, omdat ik zoo vroeg op mij zelven moest staan, mij voor ouder hield dan ik was, dan wel of zij zoo vervuld was met dit onderwerp, dat zij er zelfs over zou gesproken hebben met haar tweeling, als zij niemand anders tot deelgenoot had kunnen maken; dit onderwerp besprak zij echter altijd en, zoolang ik haar gekend heb, op dezelfde zonderlinge wijze.

Arme mevrouw Micawber! Zij zeide, dat zij getracht had haar best te doen en ik geloof zeker, dat zij het ook gedaan had. Het middenpaneel van de huisdeur werd geheel ingenomen door een koperen plaat, waarop gegraveerd was: „Mevrouw Micawber, Instituut voor jongejuffrouwen,” ik heb er echter nooit een jong meisje zien komen noch gehoord dat er een komen zou, noch eenige voorbereiding gezien voor de ontvangst van eene jongejuffrouw. De eenige bezoekers, die ik er ooit gezien of gehoord heb, waren schuldeischers, die op alle uren kwamen en somtijds zeer brutaal waren. Eén van hen, een man met een gemeen gezicht, een schoenmaker, als ik mij niet bedrieg, drong gewoonlijk 's morgens om zeven uur reeds de gang binnen en riep dan naar boven: „Kom, _mijnheer_ Micawber! Nu zijt gij toch nog niet uit, hé! Betaal mij nu! Verberg je maar niet, dat is gemeen! Ik zou niet zoo gemeen willen zijn als ik u was! Betaal mij nu; komaan, hoort gij mij niet?” Wanneer hij dan op deze aanmaningen geen antwoord ontving, ging hij in zijne woede over tot de namen: „afzetters” en „oplichters” en wanneer ook daarmede het gewenschte doel niet werd bereikt, nam hij aan de overzijde van de straat plaats en bleef hij naar de vensters van de tweede verdieping kijken, waar hij wist dat mijnheer en mevrouw Micawber zich ophielden. Bij zulke gelegenheden was mijnheer Micawber buiten zich zelven van spijt en hartzeer, zoo zelfs, dat hij eens—mevrouw Micawber maakte er mij door een hartverscheurenden gil opmerkzaam op—zeer verdachte bewegingen met een scheermes stond te maken; een half uur later zou hij echter met buitengewone zorg zijne schoenen poetsen en, een deuntje fluitende, uitgaan met een zwier, alsof hij een prins van den bloede was. Mevrouw Micawber was even luchthartig als haar gemaal. Ik heb het bijgewoond dat zij om drie uur bij de komst van den deurwaarder eene flauwte kreeg en om vier uur aan lamscoteletten met warm bier zat te smullen, waarvoor twee theelepeltjes naar de bank van leening waren gebracht. Op zekeren dag, toen er juist beslag op den boedel was gelegd, kwam ik toevallig reeds om zes uur thuis en vond haar—natuurlijk met een van de tweelingen—in eene flauwte voor den haard liggen met de haren los en over haar gezicht; ik zag haar echter nooit vroolijker dan denzelfden avond, toen zij onder het genot van een kalfscotelet voor het keukenvuur mij van haar papa en mama zat te vertellen en van den heerlijken tijd, dien zij als jong meisje gehad had.

In dit huis en met deze familie bracht ik mijn ledigen tijd door. Des morgens kocht ik zelf voor een stuiver brood en een stuiver melk en ontbeet alleen; een tweede broodje met een stukje kaas bewaarde ik op een plank in eene kast, die mijne bijzondere eigendommen bevatte. Dit was bestemd voor mijn souper als ik des avonds thuiskwam. Hiermede was reeds een groot gedeelte van mijne zes of zeven shillingen verbruikt, dat weet ik wel; toch moest ik ook het overige gedeelte van den dag van dat geld leven. Maar wat moest ik doen? Van Maandagochtend tot Zaterdagavond had ik niemand, die mij raad gaf, troostte, aanmoedigde, hielp of bijstond—zoo waar als ik in den Hemel hoop te komen!

Ik was nog zoo jong en kinderlijk, zoo weinig geschikt om op eigen beenen te staan—hoe kan het ook anders!—dat ik meermalen des morgens, wanneer ik naar het pakhuis ging, de verzoeking niet kon weerstaan om eenige sneden pastei van den vorigen dag te koopen, die de bakkers voor half geld aanboden en zoo doende het geld uitgaf, dat ik voor mijn middageten had moeten besteden. Ik bleef dan des middags maar zonder eten of kocht een broodje of een schijf podding. Ik herinner mij twee poddingwinkels, die ik, naar gelang van den stand mijner beurs, met de klandizie begunstigde. De eene was op een pleintje bij de Sint-Martinikerk, die nu reeds langen tijd afgebroken is. De podding uit dezen winkel was met krenten en bijzonder lekker, maar duur; voor twee stuivers kreeg men daar geen grooter schijf dan in den anderen winkel voor één stuiver. Die andere winkel was in het _Strand_—ongeveer in het gedeelte, dat thans herbouwd is. Dit was eene voedzame, kleffige podding met rozijnen, die erg ver van elkander zaten; op mijn etensuur was deze podding gewoonlijk warm en menigen dag heb ik er mijn middagmaal mede gedaan. Wanneer ik het op mijne manier er eens van wilde en ook kon nemen, kocht ik een worstje en een stuivers broodje, of een portie gekookt ossenvleesch voor vier stuivers bij een kok; of een broodje met kaas en een glas bier tegenover het pakhuis, in een onooglijke herberg, „de Leeuw” genoemd, of de Leeuw met nog iets—dat ben ik vergeten. Ik herinner mij één middag, toen ik mijn broodje mede had gebracht van huis en daarmede in een papier gewikkeld onder den arm een beroemd nieuwerwetsch restaurant in de buurt van Drury Lane binnenliep en een kleine portie biefstuk bestelde. Wat de kellner wel van zulk eene kleine verschijning dacht, die daar alleen binnenstapte, kan ik niet zeggen; maar ik zie hem nog naar mij kijken, terwijl ik zat te eten; ik hoor hem nog de andere kellners roepen om ook te komen kijken. Ik gaf hem een halven stuiver fooi en hoopte dat hij dien niet zou aannemen.

Als ik het mij goed herinner, hadden wij op het theeuur een half uur vrijaf. Had ik geld genoeg, dan nam ik niets dan een kop te voren gezette koffie en een snede brood met boter. Kon ik niets besteden, dan stond ik gewoonlijk voor een poelierswinkel in Fleet-street te kijken; of ik wandelde naar Covent Garden om de ananassen te bewonderen. Ik was verzot op de Adelphi, omdat mij die donkere bogen zoo geheimzinnig toeschenen. Ik zie mij nog op zekeren avond onder een van die bogen uitkomen en naar een kleine herberg gaan met een pleintje er voor, waar eenige kolendragers een dansje deden. Ik ging op een bank zitten, om naar hen te kijken en ben nieuwsgierig te weten, wat zij wel van mij dachten!

Ik was nog zoo geheel en al een kind, nog zoo klein, dat men menigmaal, wanneer ik eene herberg inliep en een glas ale of porter bestelde om mijn sober middagmaal door te spoelen, bang was het gevraagde te geven. Ik herinner mij dat ik eens, op een warmen avond, een herberg binnentrad en den waard vroeg: „Wat is uw lekkerste—uw allerlekkerste bier?” Het moet wel eene bijzondere gelegenheid geweest zijn—mijn verjaardag misschien—ik kan mij dat echter niet meer herinneren.

„Genuine Stunning ale,” antwoordde de waard, „het kost twee en een halven stuiver per glas.”

„Geef mij dan,” zei ik, het geld op de toonbank uittellende, „een glas Genuine Stunning, als 't u blieft, met een flinken kop schuim.”

De waard bekeek mij over de toonbank heen van het hoofd tot de voeten, met eene vreemde uitdrukking op het gezicht; in plaats van mij in te schenken, stak hij het hoofd om het beschot en zei iets tegen zijne vrouw, die daar zat. Zij kwam achter de toonbank en bekeek mij ook, met haar naaiwerk in de hand. Ik zie ons daar nog staan met ons drieën: de waard in zijne hemdsmouwen, tegen het venster leunende, de vrouw en ik elkander aankijkende. Ik voelde mij erg verlegen en zij deden mij allerlei vragen, als: hoe ik heette, hoe oud ik was, waar ik woonde, hoe ik daar gekomen was; vragen, die ik, ten einde niemand te kwetsen, niet allen naar waarheid beantwoordde. Ik vrees ten minste dat ik het niet deed. Zij schonken mij een glas ale in—het was geen Genuine Stunning—en de vrouw kwam achter de toonbank vandaan, gaf mij mijn geld terug en een kus, half uit bewondering, half uit medelijden, maar zeker welgemeend.

Ik weet dat ik noch met opzet, noch onwillekeurig de schraalheid van mijne verdiensten of de moeielijkheid van mijn leven overdrijf. Ik weet dat ik elken shilling, dien mijnheer Quinion mij gaf, aan mijn eten of mijn thee besteedde, ik weet dat ik van 's morgens vroeg tot laat in den avond werkte met mannen en jongens uit den laagsten stand. Ik weet dat ik onvoldoende gevoed langs de straten slenterde. Ik weet ook, dat, had de Hemelsche Vader Zijne beschermende hand niet over mij uitgestrekt, ik een dief of een vagebond zou zijn geworden—zoo weinig werd er op mij gelet.

Toch stond ik in het pakhuis in zeker aanzien. Behalve dat mijnheer Quinion deed wat zulk een onverschillig mensch, die het zoo druk had, doen kon om mij op eenigszins andere wijze te behandelen dan de overigen, gaf ik nooit, door woord of daad, aan iemand van hen te kennen hoe ik daar gekomen was, noch liet ik ooit blijken, dat het mij speet, daar te moeten zijn. Dat ik heimelijk leed, ontzettend leed, heeft niemand ooit geweten dan ik zelf. Zooals ik reeds zeide, wat ik leed, is met geen pen te beschrijven. Ik ging stil mijn gang en deed mijn werk. Ik begreep van het eerste oogenblik af, dat, als ik mijn werk niet even goed deed als de anderen, ik mij aller minachting op den hals zou halen. Hoewel ik dus kameraadschappelijk met hen omging, was en bleef er toch iets in mijne manieren, dat mij van hen onderscheidde. Gewoonlijk noemden zij mij „de kleine jongeheer”, of „de jonge Suffolker.” Een zekere man, Gregory genaamd, de meesterknecht in de zaak Murdstone en Grinby, en de voerman, een zekere Tipp, die een rood buis droeg, noemden mij gewoonlijk „David”, maar ik meen mij te herinneren dat zij het alleen deden, wanneer wij eens vertrouwelijk bij elkander zaten, en ik poogde hun het een en ander te vertellen uit de oude boeken, die ik langzamerhand begon te vergeten. De „melige” voelde zich op zekeren dag beleedigd, omdat men mij, zooals hij beweerde, met te veel onderscheiding behandelde: doch Mick Walker bracht hem terstond tot bedaren.

Verlossing uit dezen toestand scheen mij hopeloos toe, en ik gaf dit denkbeeld dan ook op. Ik ben heilig overtuigd, dat ik er mij geen uur mee heb kunnen verzoenen, of mij anders dan diep ongelukkig heb gevoeld; maar ik droeg mijn ongeluk zonder morren, en zelfs in mijne brieven aan Peggotty—en ik heb er heel wat geschreven gedurende dien tijd—verzweeg ik, gedeeltelijk uit liefde voor haar en uit schaamte, den waren toestand.