Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 16

Chapter 164,000 wordsPublic domain

Op den eersten avond na onze aankomst verscheen Barkis, bedremmeld en verlegen, en met een zakdoek vol sinaasappelen. Aangezien hij met geen woord over zijn eigendom sprak, onderstelden wij, dat hij ze vergeten had mede te nemen, toen hij heenging. Ham snelde hem achterna, om ze hem ter hand te stellen, maar kwam terug met de boodschap, dat ze voor Peggotty bestemd waren. Na deze overwinning op zich zelven behaald te hebben, verscheen hij elken avond, prompt op hetzelfde uur, altijd met een of ander pakje bij zich, waarover hij geen woord sprak en dat hij geregeld achter de deur zette en daar liet liggen. Deze bewijzen van zijne liefde waren van den meest verschillenden en zonderlingsten aard. Ik herinner mij o. m. een paar varkenspootjes, een vervaarlijk speldenkussen, zoo om en bij een half mud appelen, een paar gitten oorbellen, een rist Spaansche uien, een dominospel, een kanarievogel met kooi en een gerookte ham.

Over het geheel waren Barkis' liefdesbetuigingen, voor zoo ver ik mij herinner, van zonderlingen aard. Hij zei bijna nooit iets, maar zat bij het vuur in dezelfde houding als op de kar en staarde Peggotty, die tegenover hem zat, met strakke oogen aan. Op zekeren avond nam hij, naar ik onderstel door liefde gedreven, plotseling het stukje waskaars weg, dat Peggotty gebruikte om het garen glad te maken, stak het in zijn vestzak en nam het mede. Na dien tijd was het zijn grootste vermaak het te voorschijn te halen, wanneer het noodig was; het was half gesmolten en kleefde aan de voering vast, maar toch stak hij het telkens weder bij zich. Hij scheen zich bijzonder te vermaken en geen roeping te gevoelen om te praten. Zelfs wanneer hij Peggotty medenam om eene wandeling langs het strand te doen, maakte hij het zich niet druk en vergenoegde zich, naar ik onderstel, met nu en dan te vragen of zij zich wel goed op haar gemak voelde. Ik herinner mij, dat Peggotty nu en dan na zijn vertrek, den boezelaar over haar gezicht wierp en eene lachbui kreeg, die langer dan een half uur duurde. Waarlijk, wij verkeerden allen min of meer in zulk eene stemming, behalve de ongelukkige juffrouw Gummidge, wier verlovingstijd waarschijnlijk onder dergelijke omstandigheden was voorbijgegaan, zoodat zij telkens aan „den oude” herinnerd werd.

Toen het einde van mijn bezoek aan de vriendelijke visschersfamilie reeds nabij was, werd er besloten, dat Barkis en Peggotty eens een dag uit zouden gaan en dat Emily en ik hen zouden vergezellen. Ik sliep den nacht, die vooraf ging, zeer onrustig in het vooruitzicht van een ganschen dag met Emily samen te zullen zijn. Wij waren 's morgens voor dag en dauw op en toen wij nog aan het ontbijt zaten, zagen wij in de verte Barkis reeds aankomen in een soort sjees, die hij zelf mende in de richting van het voorwerp zijner liefdedroomen.

Peggotty droeg als gewoonlijk haar zindelijk, glad rouwkleed; maar Barkis was gedost in eene nieuwe jas, die de kleermaker zoo ruim had gemeten, dat de mouwen hem zelfs bij het koudste weder handschoenen bespaarden, terwijl de kraag zijne haren steil in de hoogte duwde. De blinkende knoopen waren eveneens van de grootste soort. Verder droeg hij een broek van grijs laken en een lichtgeel vest, zoodat hij in mijn oog een toonbeeld van deftigheid was.

Toen wij allen buiten waren, zag ik, dat baas Peggotty een ouden schoen in de hand hield, die ons achterna zou geworpen worden, opdat de tocht goed zou afloopen en die juffrouw Gummidge hem tot dat doel overhandigd had.

„Neen,” had zij gezegd, „het is beter, dat een ander het doet, Daniël. Ik ben een ellendig en ongelukkig schepsel; het zou hun ook maar tegenloopen in de wereld, evenals mij altijd alles tegenloopt.”

„Kom, oudje!” riep baas Peggotty. „Neem aan en gooi op!”

„Neen, Dan,” hernam zij op huilerigen toon en het hoofd schuddend. „Als ik alles maar minder voelde, zou ik ook meer kunnen. Gij voelt niet zooals ik, Dan; alles loopt u ook niet zoo tegen—doe het daarom liever zelf.”

Maar Peggotty, die van den een naar den ander was gegaan en allen gekust had, riep uit de sjees, waarin wij nu met ons vieren hadden plaats genomen—Emily en ik op twee kleine stoeltjes—dat juffrouw Gummidge het doen moest. En zoo deed zij het, maar het spijt me te moeten vertellen hoe zij de vreugde van onzen feestelijken uittocht bedierf door onmiddellijk in tranen uit te barsten en machteloos in Ham's stevige armen te zinken, verklarende wel te weten, dat zij een lastpost was en naar het armenhuis gebracht moest worden. Naar het mij voorkwam was dit een zeer verstandig denkbeeld van haar en had Ham het maar onmiddellijk ten uitvoer moeten brengen.

Eindelijk ving de rijtoer aan en het eerste wat wij deden was bij eene kerk stil te houden, waar Barkis het paard aan een paal vastbond en met Peggotty naar binnen ging, terwijl Emily en ik alleen in de sjees bleven. Ik maakte van deze gelegenheid gebruik om mijn arm om Emily's hals te slaan en haar voor te stellen, dat wij met het oog op mijn aanstaand vertrek den geheelen dag heel veel van elkander zouden houden en heel veel pleizier zouden hebben. Toen Emily hierin toestemde en mij zelfs veroorloofde haar een kus te geven, werd ik wanhopig verliefd; ik herinner mij zeer goed haar toen betuigd te hebben, dat ik nimmer een ander meisje zou kunnen liefhebben en bereid was om ieder, die haar over liefde zou durven spreken, overhoop te steken.

O, wat maakte de kleine Emily zich vroolijk over deze ontboezeming! Wat trok zij een nuffig gezichtje, alsof zij veel ouder en wijzer was dan ik, toen zij mij een „onnoozele jongen” noemde; en zij lachte daarbij zoo hartelijk, zoo bekoorlijk, dat ik de pijn, die deze geringschattende toespraak mij veroorzaakte, geheel vergat door het genoegen van haar te mogen zien.

Barkis en Peggotty bleven geruimen tijd in de kerk, maar kwamen er toch eindelijk weer uit en toen reden wij naar buiten. Onder het rijden keerde Barkis zich om en vroeg mij, een knipoogje makend—ik had eigenlijk gedacht, dat hij geen knipoogjes _kon_ maken—: „Welke naam was het ook, dien ik op de kar heb geschreven?”

„Clara Peggotty,” antwoordde ik.

„En welken naam zou ik nu opschrijven, als er plaats voor was?” vroeg hij nogmaals met een knipoogje.

„Weer, Clara Peggotty,” raadde ik.

„Mis, Clara Peggotty Barkis,” antwoordde hij en barstte in zulk een schaterlach uit, dat de sjees er van schudde. Kortom, zij waren getrouwd en voor geen ander doel de kerk binnengegaan. Peggotty had gewild, dat het huwelijk in alle stilte zou voltrokken worden, zoodat er geen andere getuigen waren geweest dan de koster. Zij werd wat verlegen toen Barkis op zulk eene luidruchtige wijze hunne vereeniging bekend maakte en kon mij dien dag maar niet genoeg kussen en omhelzen, ten bewijze van hare onverflauwde toegenegenheid; spoedig werd zij echter weder de oude en verklaarde zij blijde te zijn, dat het achter den rug was.

Wij reden naar eene kleine herberg aan een zijweg, waar wij blijkbaar verwacht werden, een goeden maaltijd en een aangenamen dag hadden. Als Peggotty in de laatste tien jaren elke maand eens getrouwd was, zou zij niet méér op haar gemak kunnen zijn geweest: er was geen verschil in haar te bespeuren; zij was zoo gewoon, zoo kalm, alsof er niets gebeurd was en ging vóór de thee een wandeling maken met kleine Emily en mij; terwijl Barkis met een wijsgeerig gezicht zijn pijpje zat te rooken en zich, naar het mij voorkwam, zat te verkneuteren in zijn geluk. Indien dit zoo was, dan had dit peinzen zijn eetlust opgewekt, want, ik herinner het mij duidelijk, dat, hoewel hij aan het middagmaal zich te goed had gedaan aan varkensvleesch en groenten en ook zijn deel van de kippen niet had versmaad, bestelde hij bij de thee koud, gekookt spek en verorberde er, zoo kalm mogelijk, eene flinke portie van.

Na dien tijd heb ik dikwijls gedacht wat eene wonderlijke, onschuldige, zonderlinge bruiloft het toch geweest was! Toen de duisternis was ingevallen stapten wij weder in de sjees en reden in de opgeruimdste stemming huiswaarts, terwijl wij den tijd doorbrachten met naar de sterren te kijken en er over te praten. Ik was de hoofdpersoon en opende voor Barkis eene geheel nieuwe wereld. Ik vertelde hem alles wat ik wist, maar hij zou alles geloofd hebben wat maar in mijn hoofd was opgekomen om hem te vertellen; want hij had diep ontzag voor mijne knapheid en deelde zijne vrouw in mijne tegenwoordigheid mede, dat ik een wonder van geleerdheid was.

Toen wij de sterren hadden afgehandeld, of liever, toen ik van Barkis' verstand niet meer kon vorderen, sloegen kleine Emily en ik een ouden paardedeken om, waaronder wij tot het einde van den rit bleven zitten. O, wat had ik haar lief. Welk een geluk—zoo dacht ik—om met haar getrouwd te zijn en ergens buiten met haar te gaan wonen, altijd dezelfden te blijven, niet ouder en niet wijzer te worden, altijd als kinderen, hand aan hand door den zonneschijn en de groene velden te wandelen, onze hoofden des nachts op het zachte mos neer te leggen en daar in alle onschuld en reinheid te slapen en door de vogels begraven te worden als wij dood waren. Dergelijke tafereelen, zonder werkelijke wereld, beschenen door het licht onzer onschuld en vaag als de verst verwijderde sterren, doemden gedurende den geheelen verderen rit voor mijn geestesoog op. Ik verheug er mij nog in, dat er bij Peggotty's huwelijk twee zulke argelooze harten als Emily en ik tegenwoordig waren, dat de minnegoodjes in hun eenvoudigen bruidsstoet zulke kinderlijke vormen hadden aangenomen.

Laat in den avond kwamen wij gezond en wel aan onze oude schuit terug en daar namen Mijnheer en Mejuffrouw Barkis afscheid van ons en reden, dicht naast elkander gezeten, naar hunne eigene woning. Ik voelde toen voor het eerst dat ik Peggotty verloren had. Hadde hetzelfde dak Emily's hoofd niet beschermd, ik zou met een bezwaard hart naar bed zijn gegaan.

Baas Peggotty en Ham begrepen zeer goed wat er in mijn hart omging; zij zaten ons met een avond-boterham op te wachten en hunne vriendelijke, gastvrije gezichten verdreven spoedig alle zorgen. De kleine Emily kwam naast mij op het bankje zitten—de eenige keer gedurende mijn bezoek—en zoo kwam er aan dezen wonderbaren dag een wonderbaar slot.

Het was dien nacht vloed en spoedig, nadat wij naar bed waren, gingen baas Peggotty en Ham op de vischvangst uit. Ik was er wat trotsch op alleen te zijn gelaten ter bescherming van juffrouw Gummidge en de kleine Emily, en wenschte maar, dat er een leeuw of een slang of eenig ander kwaadaardig monster zou opdagen om ons aan te vallen, opdat ik het zou kunnen vernietigen en mijzelven met roem overladen. Er daagde echter geen enkel soortgelijk dier aan het Yarmouther strand op en zoo vergenoegde ik mij met den geheelen nacht tot laat in den morgen over draken te droomen.

Tegen den morgen kwam Peggotty en riep mijn naam zooals gewoonlijk onder het venster van mijne kamer, alsof het bestaan van een zekeren Barkis evenzoo van het begin tot het einde een droom geweest was. Na het ontbijt nam zij mij mede naar haar eigen woning, een lief, klein huisje. Van alle meubelen, die er stonden, schijnt een oud bureau van donkerkleurig hout in de mooie kamer—de keuken met den vloer van tegels was tevens huiskamer—den meesten indruk op mij gemaakt te hebben. Het had een klep, die neergeslagen kon worden en dan als schrijftafel dienst deed; terwijl er een exemplaar in quarto van Fox' Geschiedenis der Martelaren in lag. Ik ontdekte dit kostbare werk terstond en maakte er mij meester van. Ik herinner mij er niets meer van, maar zoo vaak ik later bij Peggotty Barkis kwam, klom ik op een stoel, opende de bewaarplaats van dit juweel, spreidde de armen over den neergeslagen klep uit en begon het boek met frisschen moed te verslinden. Ik vrees het meest aangetrokken geweest te zijn door de prenten, voorstellingen van de afschuwelijkste martelingen van allerlei aard; de martelaren en Peggotty's huis zijn sinds dien tijd onafscheidelijk geweest in mijne herinnering, en zijn het nog.

Eindelijk nam ik afscheid van baas Peggotty en Ham en juffrouw Gummidge en kleine Emily; ik bracht den laatsten nacht door in Peggotty's woning op een klein dakkamertje—het krokodillenboek lag op eene plank aan het hoofdeneinde—dat steeds voor mij beschikbaar zou blijven, zooals Peggotty zeide, en altoos in denzelfden toestand zou gehouden worden.

„Oud of jong, beste Davy, zoo lang ik leef en dit dak boven mijn hoofd heb,” sprak Peggotty, „zult gij uw kamertje vinden alsof ik u elk oogenblik verwachtte. Ik zal het elken dag ‚doen’, mijn lieveling, zooals ik uw oude kamertje in Blunderstone ‚deed’; en al gaat gij ook naar China, het kamertje blijft zooals het nu is.”

De liefde en aanhankelijkheid van mijne oude kindermeid deden mij goed, en ik betuigde haar, zoo goed als ik kon, mijn dank. Veel kon ik niet zeggen, want zij had de armen veel te stijf om mijn hals geslagen. Zij en Barkis brachten mij met de kar naar huis; aan het tuinhek namen zij afscheid en een zonderling gevoel maakte zich van mij meester, toen ik de kar zag wegrijden met Peggotty, en ik alleen bleef onder de oude olmboomen, opziende naar het huis, waarin geen enkel gelaat mij tegenblonk, dat mij liefderijk of zelfs maar vriendelijk ontving.

Er ving nu een tijdperk in mijn leven aan, waarin ik aan verwaarloozing was prijs gegeven, en waaraan ik niet dan met leedwezen kan denken. Ik stond geheel alleen, zonder dat iemand zich eigenlijk mijner aantrok, zonder speelkameraden van mijn leeftijd, afgezonderd van alles, alleen met mijne moedelooze gedachten, waarvan de herinnering mij thans nog, terwijl ik dit schrijf, droefgeestig stemt. Wat zou ik niet gegeven hebben als men mij naar de strengste kostschool gezonden had, die ooit bestaan heeft! Had ik maar onderwijs gekregen, op welke wijze dan ook! Die hoop was echter ijdel. Zij hadden een hekel aan mij; op norsche, stroeve wijze hielden zij mij onder gestadig toezicht. Ik geloof, dat mijnheer Murdstone's inkomen in dien tijd vrij beperkt was, maar dat deed niets ter zake. Hij kon mij niet uitstaan, en door mij uit zijn huis te verwijderen, trachtte hij, naar ik meen, ook het denkbeeld te verdrijven, dat ik eenige aanspraken kon doen gelden—en dat gelukte hem.

Ik werd niet mishandeld in den gewonen zin van dit woord. Ik werd niet geslagen, men liet mij geen honger lijden; maar het onrecht, dat men mij aandeed, werd nooit afgebroken door tusschenpoozen van zachtmoedigheid; alles ging stelselmatig, zonder eenige hartstochtelijkheid. Dagen, weken, maanden achtereen werd ik eenvoudig verwaarloosd.

Wanneer ik aan dien tijd denk, komt menigmaal de vraag bij mij op, wat zij wel zouden gedaan hebben, als ik ziek geworden was; zouden zij mij alleen hebben laten liggen op mijn eenzaam kamertje en langzaam hebben laten wegkwijnen of beter worden—zou men mij met hulp hebben bijgestaan?

Waren mijnheer en juffrouw Murdstone thuis dan gebruikte ik de maaltijden met hen; waren zij uit dan zat ik alleen op mijn kamertje. Zonder eenige beperking zwierf ik dagelijks om het huis en door den omtrek rond, al was het denkbeeld, dat ik hier of daar vriendschapsbanden zou aanknoopen, hun onaangenaam, vermoedelijk uit vrees, dat ik mij beklagen zou over de wijze, waarop zij mij behandelden. Hoewel dokter Chillip mij meermalen uitnoodigde om hem te bezoeken—hij was weduwnaar en had, eenige jaren te voren, zijn tenger, blond vrouwtje verloren, dat ik mij herinner in verbinding met een wit schildpadden katje—genoot ik om diezelfde reden slechts zelden het geluk, een avond in de kamer achter zijne apotheek te mogen zitten lezen in geheel nieuwe boeken, met al de luchtjes van de apotheek in mijn neus, of onder zijn toezicht het een of ander te mogen fijnstampen in den grooten mortier.

Om dezelfde reden—waarbij zonder twijfel ook de afkeer, dien zij van haar hadden, in de schaal mag worden gelegd—werd mij slechts zelden toegestaan aan Peggotty een bezoek te brengen. Getrouw aan hare belofte, bezocht zij mij of ontmoette ik haar ergens in de buurt elke week en nooit kwam zij met ledige handen; maar dikwijls en bitter werd ik teleurgesteld, wanneer ik verzocht haar een bezoek terug te mogen brengen in hare woning. Eenige malen echter, met lange tusschenpoozen, mocht ik gaan en dan deed ik telkens de ondervinding op, dat Barkis eigenlijk een gierigaard of, zooals Peggotty het uitdrukte, een weinig schriel was, en eene goede som gelds bewaarde in een kist onder zijn bed, terwijl hij beweerde, dat er oude kleeren in waren. Hij hield zijn schatten zoo hardnekkig verborgen, dat zelfs de kleinste sommen niet anders dan door list te verkrijgen waren en Peggotty des Zaterdags avonds een geheel plan—van de soort als het Buskruitverraad—moest beramen, om het noodige voor de wekelijksche inkoopen machtig te worden.

Al dien tijd voelde ik zeer goed, dat ik al het geleerde weder vergat en in alle opzichten verwaarloosd werd, zoodat ik mij ongetwijfeld diep ellendig zou gevoeld hebben, indien ik mijne oude boeken niet gehad had. Ze waren mijn eenige troost en ik was hun even trouw als zij mij en las en herlas ze, ik weet niet hoeveel malen.

Ik ben thans aan een tijdperk in mijn leven genaderd, dat ik nimmer zal vergeten, omdat al hetgeen daarin voorviel mij te levendig voor den geest staat; de herinnering daaraan rijst thans nog—ook buiten mijn wil—menigmaal voor mij op en heeft vaak mijne gelukkigste oogenblikken verbitterd.

Op zekeren dag was ik uit geweest; ik had rondgezworven, of liever uit lusteloosheid en verveling rondgeslenterd, zooals ik zoo dikwijls deed, toen ik bij het omslaan van een hoek in de nabijheid van ons huis mijnheer Murdstone in gezelschap van een vreemden heer zag aankomen. Waarom weet ik niet, maar ik voelde mij verlegen en wilde hen voorbij loopen, toen de vreemde heer riep:

„Is dat niet Brooks?”

„Neen, mijnheer,” zei ik, „ik heet David Copperfield.”

„Nu geloof ik dat gij mij beet wilt hebben,” antwoordde hij, „gij heet Brooks, Brooks van Sheffield.”

Ik keek den vreemdeling na deze woorden eens aandachtig aan. Zijne wijze van lachen kwam mij bekend voor—het was mijnheer Quinion, dien ik te Lowestoft ontmoet had, toen ik met mijnheer Murdstone daar geweest was—het is niet noodig mij dat bezoek te herinneren.

„En hoe gaat het u, en waar ligt gij op school, Brooks?” vroeg mijnheer Quinion.

Hij had zijne hand op mijn schouder gelegd en keerde mij om, opdat ik mede zou wandelen. Ik wist niet wat ik zou antwoorden en keek mijnheer Murdstone verlegen aan.

„Hij is tegenwoordig thuis,” zei deze. „Hij is niet op school. Ik weet eigenlijk niet wat ik met hem moet aanvangen. Hij is een lastig heertje.”

Ik zag gedurende eenige oogenblikken den zekeren loenschen blik weder op mij gevestigd; daarna fronste hij de wenkbrauwen en wendde zich met zichtbaren afkeer van mij af.

„Hm!” zei mijnheer Quinion, van hem naar mij kijkende. „Mooi weer vandaag.”

Er volgde een oogenblik stilte, waarin ik er over peinsde hoe ik mij op de beste wijze van zijne hand kon bevrijden en mijn eigen weg gaan, toen hij zeide:

„Gij zijt zeker wel een slim kereltje, Brooks!”

„Ja, hij is slim genoeg,” viel mijnheer Murdstone in. „Gij hadt beter gedaan hem te laten gaan; hij zal u niet dankbaar zijn dat gij hem ophoudt.”

Op dezen wenk liet mijnheer Quinion mijn schouder los en ik sloeg den weg naar huis in. Toen ik in den tuin was, keek ik om en zag mijnheer Murdstone met den rug tegen den kerkhofmuur staan in druk gesprek met mijnheer Quinion. Zij keken mij beiden na en ik voelde dat zij over mij spraken.

Mijnheer Quinion bleef dien nacht logeeren. Den volgenden morgen, na het ontbijt, had ik mijn stoel weggezet en wilde de kamer uitgaan, toen mijnheer Murdstone mij terugriep. Hij nam met een zekere plechtigheid aan eene andere tafel plaats, waaraan ook zijne zuster gezeten was. Mijnheer Quinion stond met de handen in de zakken uit het venster te kijken en ik zelf keek hen allen beurtelings aan.

„David,” zei mijnheer Murdstone, „jonge menschen zijn op de wereld om te werken, niet om te droomen en baloorig rond te loopen.....”

„Zooals gij,” voegde juffrouw Murdstone er bij.

„Jane Murdstone, laat deze zaak aan mij over, als 't u belieft! Ik zeg, David, jonge menschen zijn op de wereld om te werken, niet om te droomen en baloorig rond te loopen. Vooral is dit noodzakelijk voor een jongen zooals gij, die in bijna alles veel zal moeten veranderen en verbeteren; zulk een jongen als gij kan men geen grooter dienst bewijzen dan hem de wereld in te zenden om te werken, ten einde hem zijne koppigheid af te leeren.”

„Want koppigheid komt niet te pas,” voegde zijne zuster er bij. „Zulk een harde kop moet gebroken worden en zal ook gebroken worden.”

Hij wierp haar een half bestraffenden, half instemmenden blik toe en ging voort:

„Ik onderstel dat gij weet, David dat ik niet rijk ben. In elk geval weet gij het nu. Gij hebt reeds heel wat kunnen leeren, maar zulk een school kost veel geld en al was dit niet zoo en al kon ik het betalen, zou ik toch van oordeel zijn, dat het verblijf op zulk eene school voor u niet deugt. Gij zult u zelf door de wereld moeten slaan en hoe eerder gij daarmede aanvangt, hoe beter.”

Het kwam mij voor, dat ik op mijne wijze reeds daarmede begonnen was; hoe het zij, op dit oogenblik komt het mij voor.

„Gij hebt zeker wel eens hooren spreken over ‚het kantoor’,” vervolgde mijnheer Murdstone.

„Het kantoor, mijnheer?” herhaalde ik.

„Ja, het kantoor van Murdstone en Grinby, in wijnen,” antwoordde hij.

Ongetwijfeld zal ik erg verbaasd hebben staan kijken, want hij ging haastig voort:

„Gij hebt zeker wel eens hooren spreken over het kantoor, of de zaak, of de kelders, of iets dergelijks?”

„Ik meen wel eens over ‚de zaak’ te hebben hooren spreken, mijnheer,” antwoordde ik, want ik herinnerde mij vaag, iets vernomen te hebben van de inkomsten van hem en zijne zuster. „Ik weet echter niet wanneer.”

„Dat doet er ook niet toe,” antwoordde hij. „Mijnheer Quinion bestuurt tegenwoordig de zaken.”

Ik keek mijnheer Quinion, die nog steeds bij het venster stond, met een zekeren eerbied aan.

„Mijnheer Quinion vertelde mij, dat er meer jongens in de zaak werkzaam zijn en ik zie daarom niet in, waarom gij daar ook niet werkzaam zoudt zijn, onder dezelfde voorwaarden.”

„Omdat hij geen andere vooruitzichten heeft,” merkte mijnheer Quinion op langzamen toon op, terwijl hij zich even omwendde.

Zonder op deze woorden acht te slaan, ging mijnheer Murdstone ongeduldig, bijna toornig voort:

„Deze voorwaarden zijn, dat gij genoeg zult verdienen om voor uw eigen eten, drinken en zakgeld zorg te dragen. Uw inwoning wordt door mij betaald, dat is reeds geregeld. Uw wasch insgelijks....”

„Daarvoor zal ik de begrooting opmaken,” voegde juffrouw Murdstone er bij.

„Ook zal voor uwe kleeding gezorgd worden,” hernam mijnheer Murdstone, „zoo lang gij die zelf nog niet kunt bekostigen. Gij gaat dus nu naar Londen, David, met mijnheer Quinion en moet dus beginnen u zelf door de wereld te helpen.”

„Gij zijt dus bezorgd,” voegde zijne zuster er bij, „en moet nu uw plicht maar doen.”

Hoewel ik zeer goed begreep, dat het doel van deze geheele regeling was, mij kwijt te zijn, kan ik mij niet goed herinneren of het denkbeeld mij genoegen deed of schrik aanjoeg. Ik vermoed, dat ik op dat oogenblik zelf niet wist of ik er mij in verheugen moest of niet. Ik had trouwens geen tijd om er lang over te denken, want mijnheer Quinion zou den volgenden dag vertrekken.