Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 15
Ik zal volstrekt niet beweren, dat deze ontdekking mij toenmaals erg verontrustte. Ik was nog versuft door den slag, die mij getroffen had, en onverschillig voor alles wat niet in betrekking stond tot de overledene. Ik herinner mij wel, nu en dan de mogelijkheid, te hebben overwogen, dat ik niets meer zou leeren of nergens voor zou opgeleid worden; dat ik zou opgroeien tot een armoedig, onbruikbaar mensch, die nergens toe deugde en een onnut leven zou leiden op het dorp; ook is het wel eens in mij opgekomen, of ik mij niet, even als de helden in de boeken, die ik gelezen had, aan zulk een lot moest onttrekken en zelf mijn fortuin zoeken in de wereld; maar dit waren voorbijgaande visioenen, droombeelden, die ik, wakend, op den wand van mijne kamer zag geschilderd of geschreven, doch die even spoedig weder verdwenen, zoowel van den wand als uit mijn brein.
„Peggotty,” fluisterde ik op zekeren avond, toen ik bij de keukenkachel mijne handen kwam warmen, „Peggotty, ik geloof, dat mijnheer Murdstone mij nog minder mag lijden dan vroeger. Hij heeft nooit veel van mij gehouden, maar hij zou mij nu wel willen wegkijken als hij kon.”
„Misschien is daarvan zijne droefheid de oorzaak,” antwoordde Peggotty, mijne haren streelende.
„Ik ben ook bedroefd, Peggotty, dat verzeker ik u. Indien ik gelooven kon, dat zijn verdriet de oorzaak was, dan zou ik er niet over denken. Maar dat is het niet, o, neen, dat is het niet.”
„Hoe weet gij, dat het dat niet is?” vroeg Peggotty, na eene pauze.
„O, zijn verdriet is het niet. Hij is op dit oogenblik, terwijl hij met juffrouw Murdstone bij den haard zit, erg bedroefd; maar als ik nu binnenkwam, Peggotty, zou hij wat anders worden.”
„Wat zou hij dan worden?” vroeg Peggotty.
„Boos”, antwoordde ik en bootste onwillekeurig zijn gezicht na. „Als hij alleen bedroefd was, zou hij mij niet zoo aankijken als hij doet. Ik ben alleen bedroefd, maar dat stemt mij zachter.”
Peggotty sprak gedurende eenige oogenblikken geen woord en ik warmde mijne handen, eveneens zwijgend.
„Davy”, zeide zij ten laatste.
„Wat is het, Peggotty?”
„Ik heb alles beproefd, beste, alles gedaan wat ik kon—alle manieren beproefd, die er zijn en alle manieren, die er niet zijn—om hier, in Blunderstone, een goeden dienst te krijgen, maar er is er geen, mijn lieveling.”
„En wat denkt gij nu te gaan doen, Peggotty?” fluisterde ik. „Gaat gij nu uw fortuin zoeken?”
„Ik geloof, dat ik zal moeten besluiten naar Yarmouth te gaan en daar af te wachten of zich iets voordoet,” antwoordde Peggotty.
„Gij hadt verder van mij af kunnen gaan,” zei ik, een weinig gerustgesteld, „zoodat gij geheel voor mij verloren waart. Ik zal u nu ten minste nu en dan kunnen zien, Peggotty. Gij zult dan ten minste niet aan het andere einde van de wereld zijn.”
„Dat verhoede de Hemel!” riep Peggotty met vuur. „Zoo lang gij hier zijt, lieveling, zal ik elke week overkomen om te zien hoe gij het maakt. Elke week éénmaal, zoo zeker als ik leef.”
Ik voelde mij na deze belofte duizend pond lichter; maar dit was nog niet alles, want Peggotty ging voort: „Zooals ik zeide, ga ik eerst een veertien dagen bij mijn broeder logeeren, om eens uit te zien en wat tot mij zelven te komen. Wellicht zouden zij, als gij hen hier toch te veel zijt, wel willen toestaan, dat ik u medeneem?”
Indien iets ter wereld—tenzij met de huisgenooten, behalve Peggotty, op een anderen voet te komen—mij op dit oogenblik genoegen had kunnen doen, dan was het dit plan. Het denkbeeld opnieuw omringd te zijn door al die eerlijke gezichten, opnieuw door hen verwelkomd te worden; opnieuw het vredige gevoel te ondervinden, wanneer des Zondags morgens de kerkklokken luidden; opnieuw de steentjes in het water te zien plassen en de schepen uit den mist te zien opduiken; dagelijks met de kleine Emily op- en neer te gaan en haar te vertellen van mijn groot verdriet, steentjes en schelpen met haar te zoeken op het strand—dat alles bracht mijn geschokt gemoed tot kalmte. In het volgende oogenblik echter bekroop mij reeds de vrees, dat juffrouw Murdstone hare toestemming zou weigeren; maar ik werd spoedig gerustgesteld, want terwijl wij nog aan het praten waren, kwam zij hare avond-inspectie houden over de provisiekast, en met een stoutmoedigheid, die mij verbaasde, bracht Peggotty onmiddellijk de zaak op het tapijt.
„De jongen zal daar leeg loopen,” zei juffrouw Murdstone, een pot met augurken bekijkend, „en ledigheid is des duivels oorkussen. Maar hij loopt hier ook ledig en zal overal ledig loopen—daarvan ben ik overtuigd.”
Peggotty had een toornig antwoord op de lippen—dat zag ik: maar zij hield het in, ter wille van de goede zaak, en bewaarde het stilzwijgen.
„Hm!” vervolgde juffrouw Murdstone, nog steeds de diepte peilend van den pot met augurken, „het voornaamste van alles is—van het grootste belang is het zelfs—dat mijn broeder met niets worde lastig gevallen. Het zou wellicht beter zijn, als ik ‚ja’ zei.”
Ik bedankte haar zonder eenige vreugde te toonen, want dan zou zij waarschijnlijk hare toestemming hebben ingetrokken. Ik kon niet nalaten te onderstellen, dat ik zeer voorzichtig had gehandeld; zij keek mij plotseling met zulk een zuur gezicht aan, dat de gedachte in mij opkwam of al het zuur uit den pot door hare zwarte oogen was opgezogen. Hoe het zij, de toestemming werd gegeven en niet weder ingetrokken en toen de maand uit was, waren Peggotty en ik gereed om te vertrekken.
Barkis kwam in huis om Peggotty's koffers te halen. Ik geloof, dat hij nog nooit binnen het tuinhek geweest was, maar nu kwam hij zelfs in huis en toen hij met den laatsten koffer op den schouder de deur uitging, lag er in den blik, waarmede hij mij aankeek, eene bijzondere uitdrukking, voor zoover ten minste het gezicht van Barkis uitdrukking hebben kon.
Peggotty was in eene gedrukte stemming, nu het oogenblik was aangebroken, waarop zij de woning verlaten zou, die zooveel jaren haar tehuis was geweest en waar zij de teederste betrekkingen van haar leven—met mijne moeder en mij—had aangeknoopt. Zij was al heel vroeg naar het kerkhof gegaan en zat nu in de kar met den zakdoek voor de oogen.
Zoo lang zij in deze stemming bleef, gaf Barkis geen teeken van leven; hij zat in zijne gewone, trage houding op zijne gewone plaats, als een groote pop; maar toen Peggotty begon rond te kijken en met mij te spreken, knikte hij eenige malen met het hoofd en grinnikte daarbij vergenoegd. Ik begreep volstrekt niet, wat hem daartoe aanleiding gaf of wat hij er mee bedoelde.
„Mooi weer, vandaag, Barkis!” zei ik bij wijze van beleefdheid.
„Niet slecht,” antwoordde hij. Barkis was altijd zeer voorzichtig in zijne uitdrukkingen en scheen niet gaarne de verantwoordelijkheid op zich te nemen van een beslist oordeel.
„Peggotty voelt zich nu weder geheel op haar gemak, Barkis,” zei ik om hem genoegen te doen.
„Zoo, is zij?” vroeg Barkis.
Nadat hij over dit feit met een wijsgeerig gezicht eenigen tijd had nagedacht, keek Barkis haar aan en vroeg: „Zijt gij nu weder geheel op uw gemak?”
Peggotty lachte en antwoordde in bevestigenden zin.
„Maar zeg mij nu eens eerlijk en oprecht: Zijt gij het waarlijk?” bromde Barkis, terwijl hij wat dichter naar haar toeschoof en haar met den elleboog aanraakte. „Zijt gij waarlijk op uw gemak? Waarlijk? Hé!”
Bij elke vraag schoof hij nog wat nader en gaf hij haar een duw met den elleboog, zoodat wij eindelijk met ons drieën in den linkerhoek van de kar waren terecht gekomen en ik zoo in de verdrukking zat, dat ik niet dan met moeite kon ademhalen.
Peggotty wees hem op mijne ongemakkelijke houding, waarop Barkis terstond ruimte begon te maken en gaandeweg weder in zijn gewone hoekje kwam te zitten. Ik kon echter niet nalaten in mij zelven de opmerking te maken, dat Barkis zich scheen te verbeelden zeer gelukkig te zijn geweest in het uitvinden van eene nette, aangename en handige manier om uiting aan zijne gevoelens te geven, zonder tot spreken genoodzaakt te zijn. Hij zat er blijkbaar eenigen tijd in zich zelven over te grinniken. Nu en dan keerde hij zich eens naar Peggotty om, en de vraag herhalende, of zij zich nu waarlijk meer op haar gemak voelde, drong hij weder zoo lang op, tot mij de adem benomen werd. En dit herhaalde hij hoe langer hoe vaker, telkens met denzelfden uitslag. Ten laatste stond ik op, wanneer ik hem zag aankomen, en ging op de voetplank staan, alsof ik van het uitzicht wilde genieten en—bevond mij daar goed bij.
Barkis was zoo beleefd om, geheel tot ons genoegen, aan een herberg stil te houden en ons op gebraden schapevleesch en bier te onthalen. Telkens wanneer Peggotty wilde drinken, kreeg hij een van zijne opdring-buien, zoodat zij zich herhaaldelijk verslikte. Toen wij echter het einde van onze reis naderden, had hij allerlei beslommeringen en dientengevolge minder tijd voor liefdesverklaringen, en toen wij op het Yarmouther plaveisel toch reeds tegen elkander werden geworpen en gehotst en geschud, kon hij aan niets anders denken.
Baas Peggotty en Ham wachtten ons op het oude plekje op. Zij ontvingen Peggotty en mij op de vriendelijkste wijze en schudden Barkis de hand. Hij stond, met den hoed achter op het hoofd en de beenen wijd van elkaar, zoo verlegen te kijken, dat hij, naar mij voorkwam, een treurig figuur maakte. Zij namen Peggotty's bagage op en wij waren op het punt van heen te gaan, toen Barkis mij heimelijk een teeken gaf met den wijsvinger, om even onder de poort te komen.
„Zeg eens,” bromde hij, „alles is in orde.”
Ik keek hem aan en antwoordde, moeite doende om eene even diepzinnige uitdrukking op mijn gelaat te krijgen als hij: „Zoo!”
„Wij zien elkaar nog terug,” vervolgde Barkis, terwijl hij mij vertrouwelijk toeknikte. „Het is in orde.”
Nogmaals antwoordde ik: „Zoo!”
„Ge weet wie wel wilde,” zeide mijn vriend, „het was Barkis. Ja, Barkis wil wel.”
Ik knikte bevestigend.
„Alles is in orde,” herhaalde hij en schudde mij de hand; „ik blijf uw vriend. Gij hebt het goed aangelegd. Alles is in orde.”
In zijne pogingen om bijzonder duidelijk te zijn, was Barkis zoo ontzettend geheimzinnig, dat ik hem wel een uur lang had kunnen aankijken, zonder meer wijsheid uit zijn gelaat te putten dan uit de wijzerplaat van eene stilstaande klok. Peggotty riep mij echter toe dat het tijd werd. Toen wij voortwandelden vroeg zij mij wat Barkis gezegd had, en ik antwoordde, dat hij mij gezegd had: „Alles is in orde.”
„Heb ik ooit zoo'n onbeschaamdheid meer gezien!” riep Peggotty uit. „Maar dat doet er niet toe, beste jongen. Wat zoudt gij wel zeggen, lieve Davy, als ik eens ging trouwen?”
„Wel,” antwoordde ik na eenige aarzeling, „ik onderstel, dat gij even veel van mij houden zoudt als nu, Peggotty.”
Tot groote verbazing van de voorbijgangers, zoowel als van baas Peggotty en Ham, die vooruit liepen, voelde de goede ziel zich verplicht te blijven staan en mij te omhelzen, onder herhaalde betuigingen van hare onveranderlijke liefde.
„Vertel mij nu eens wat gij er wel van zoudt zeggen, lieveling?” vroeg zij nogmaals toen wij verder gingen.
„Als gij met Barkis gingt trouwen, Peggotty?”
„Ja.”
„Ik geloof dat gij dan heel goed zoudt doen. Want, nietwaar, Peggotty, dan zoudt gij altijd het paard en de kar tot uwe beschikking hebben om mij te komen bezoeken; het zou u dan geen geld kosten en gij zoudt ook zeker zijn dat er plaats was.”
„Waar haalt die jongen het verstand vandaan!” riep zij. „Dat is het juist, waarover ik nu reeds een maand lang heb zitten peinzen! Ja, mijn lieveling, en ik denk ook, dat ik dan minder gebonden zal zijn, ziet ge? En het is ook aangenamer in zijn eigen huis te werken dan in dat van een ander. Ik weet niet of ik nog wel geschikt zou zijn om onder vreemden te dienen. En dan blijf ik ook altijd dicht bij de laatste rustplaats van mijn „beste” en kan er heengaan wanneer ik wil,” vervolgde zij peinzend, „en wanneer ik zelve eenmaal het hoofd neerleg, kan ik dicht bij mijn „beste” begraven worden!”
Gedurende eenige oogenblikken spraken wij geen van beiden een woord.
„Maar,” zei Peggotty eindelijk, „ik zou er in het geheel niet meer aan willen denken als mijn Davy er iets tegen had—al waren wij driemaal afgekondigd in de kerk en al versleet de verlovingsring in mijn zak.”
„Kijk mij eens aan, Peggotty,” zei ik „en zie zelve of ik niet heel blij ben en of ik het zelf ook niet wensch.” En waarlijk, dat deed ik ook van ganscher harte.
„Welnu, beste,” zei Peggotty, mij aan haar hart drukkende, „ik heb er dag en nacht over gedacht, op alle manieren en ik hoop ook op de juiste manier; maar ik zal er nog eens over denken en er met mijn broeder over spreken en intusschen houden wij het nog geheim, nietwaar, Davy? Barkis is een eenvoudige, beste man,” vervolgde Peggotty, „en indien ik mijn plicht tracht te doen bij hem, dan moet het wel mijn eigen schuld zijn als ik niet..... niet geheel op mijn gemak bij hem ben.” Zij lachte uit volle borst na deze woorden.
Deze aanhaling van Barkis' woorden was zoo te pas, en wekte zoodanig onzen lachlust op, dat wij telkens opnieuw begonnen en in de vroolijkste stemming bij de woning van baas Peggotty aankwamen. Behalve dat deze in mijne oogen een weinig was ingekrompen, zag zij er nog juist zoo uit als vroeger, en juffrouw Gummidge stond aan de deur te wachten, alsof zij daar al dien tijd gestaan had. Van binnen was alles hetzelfde gebleven, tot de zeeplanten in de blauwe kan op mijn slaapkamertje toe. Ik ging het uitgebouwde schuurtje binnen om eens rond te kijken en schijnbaar lagen daar nog dezelfde kreeften, krappen en schaalvisschen, behept met denzelfden lust om de geheele wereld te knijpen, op dezelfde wijze in elkander verward, in hetzelfde hoekje bijeen. Maar wie ik niet zag, dat was de kleine Emily en daarom vroeg ik baas Peggotty waar zij gebleven was.
„Zij is naar school, jongeheer,” antwoordde baas Peggotty, de zweetdroppelen van het voorhoofd wisschend, die het dragen van Peggotty's koffer daarop had te voorschijn geroepen; „zij zal”—hij keek op de oude Friesche klok—„over twintig minuten of een half uur thuis zijn. Wij missen haar allen, dat verzeker ik u.”
Juffrouw Gummidge slaakte een zucht.
„Kom, moedertje, moed gehouden!” riep baas Peggotty.
„Ik voel het erger dan iemand anders,” zei juffrouw Gummidge; „ik ben een ellendig, ongelukkig schepsel en zij was de eenige, voor wie ik nog geen lastpost was.”
Al kreunende en klagende ging juffrouw Gummidge het vuur aanblazen en baas Peggotty keek den kring rond en op haar wijzende, zeide hij achter zijne hand, op fluisterenden toon: „Ze denkt weer aan den oude!” Ik maakte hieruit op, dat er sedert mijn laatste bezoek geen verbetering gekomen was in juffrouw Gummidge's gemoedsgesteldheid.
Hoe het kwam, wist ik niet, maar de woning en wat er in en om was, maakte niet zulk een indruk op mij als den vorigen keer. Toch was er niets veranderd. Ik was zelfs een weinig teleurgesteld—misschien omdat Emily er niet was. Maar ik kende den weg, dien zij moest afkomen en wandelde in die richting op, ten einde haar te ontmoeten. Weldra zag ik op vrij grooten afstand een gedaante aankomen, die ik spoedig als Emily herkende; zij was wel gegroeid, maar toch nog altijd klein; toen zij naderbij kwam en ik zag dat hare blauwe oogen nog blauwer, en de kuiltjes in hare wangen nog dieper en zij zelve nog mooier en vroolijker geworden was, maakte zich eene zonderlinge gewaarwording van mij meester, zoodat ik deed alsof ik haar niet kende en haar voorbij liep, alsof ik heel in de verte naar iets keek. In latere jaren heb ik zoo iets wel meer gedaan, als ik mij niet vergis.
De kleine Emily trok er zich niets van aan. Zij herkende mij heel goed, maar in plaats van om te keeren en mij terug te roepen, liep zij lachend verder. Hierdoor was ik genoodzaakt haar achterna te loopen, maar zij liep zoo hard, dat wij reeds vlak bij de woning waren eer ik haar gevangen had.
„O, waart gij het?” sprak zij.
„Wist gij dan niet wie ik was, Emily?”
„En wist gij dan niet wie ik was?”
Ik wilde haar een kus geven, maar zij bedekte hare kersroode lippen met hare handen, zeide dat zij nu geen klein kind meer was en snelde heen, harder lachend dan ooit. Het scheen wel dat zij er pleizier in had mij te plagen en deze verandering in haar verbaasde mij. De theetafel was gereed en het bankje, dat ons vroeger tot zitplaats had gediend, stond nog op de oude plaats; maar in plaats van naast mij te komen zitten, schonk zij haar gezelschap aan de jammerende juffrouw Gummidge en op de vraag van baas Peggotty, waarom zij niet op hare oude plaats ging zitten, wierp zij hare krullen over haar gezicht, om het te verbergen en deed niets dan lachen.
„O, het is zoo'n katje!” zei baas Peggotty, terwijl hij haar met zijn breede hand over het hoofd streelde.
„Ja, dat is ze! Dat is ze!” riep Ham. „Ja, jongeheer Davy, dat is ze!” Al grinnikend bleef hij haar aankijken, vol bewondering en verrukking, zoodat zijne wangen langzamerhand met een gloeienden blos werden overtogen.
De kleine Emily werd door allen bedorven en door niemand erger dan door baas Peggotty zelven, van wien zij alles gedaan kon krijgen, alleen door hare zachte wang tegen zijn ruwen bakkebaard te leggen. Zoo meende ik tenminste, toen ik haar dat zag doen en ik vond dat baas Peggotty in zijn volle recht was. Zij was zoo lief en zoo zacht en kon zoo schalksch en zoo bedeesd tevens zijn, dat zij mij meer dan ooit in verrukking bracht. Zij had een goed hart ook, want toen wij na de thee om het vuur zaten en baas Peggotty onder het genot van zijn pijpje het verlies besprak, dat ik geleden had, stonden de tranen in hare oogen en keek zij mij over de tafel heen zoo weemoedig aan, dat ik haar innig dankbaar was.
„Ja,” zei baas Peggotty, terwijl hij hare krullen door zijne grove hand liet glijden, „hier is ook een weesje, jongeheer. En hier,” vervolgde hij, Ham een duw gevend, „is er nog een, al ziet hij er niet naar uit.”
„Als ik u tot voogd had, baas Peggotty”, zei ik, het hoofd schuddende, „zou ik het ook niet zoo voelen.”
„Goed gezegd, jongeheer Davy!” riep Ham met warmte uit. „Hoezee! Goed gezegd! Gij zoudt het niet voelen! Hoort gij 't? Hoort gij 't wel?” Hij gaf bij deze laatste woorden baas Peggotty den duw van zooeven terug en de kleine Emily stond op en kuste haar voogd.
„En hoe maakt het uw vriend, jongeheer?” vroeg baas Peggotty.
„Bedoelt gij Steerforth?”
„Juist, zoo heet hij!” riep baas Peggotty, zich tot Ham wendende. „Ik wist wel, dat het een naam is, die in ons bedrijf te pas komt.”
„Ik meende, dat gij hem Rudderford hadt genoemd,” zei Ham lachend.
„Welnu!” hernam baas Peggotty. „Gij stuurt immers met het roer, is 't niet? Zoo heel ver waart gij er dus niet vandaan. Hoe maakt hij het, jongeheer!”
„Toen ik heenging, was hij heel wel, baas Peggotty.”
„Dat is een vriend!” zei baas Peggotty, zijne pijp uitkloppend. „Dat is een vriend, als gij spreekt van vrienden. Men zou een uur loopen om hem te zien!”
„Hij is een knappe jongen, nietwaar?” zei ik, verrukt over den lof op mijn boezemvriend.
„Knap!” riep baas Peggotty uit. „Hij stond daar voor ons als..... ja..... als..... ik weet niet als wat. Als een prins misschien wel!”
„Ja, daar lijkt hij op.... op een prins!” antwoordde ik. „Hij is zoo dapper, zoo stoutmoedig als een leeuw, baas Peggotty; en gij kunt u geen denkbeeld maken van zijn rondborstigheid.”
„En, voor zoover ik er over kan oordeelen,” hernam baas Peggotty, „zal hij in het leeren uit allerlei boeken ook wel iedereen de baas zijn.”
„Ja,” zei ik, opgetogen, „hij weet alles; hij is verbazend knap.”
„Dat is me een vriend!” herhaalde baas Peggotty binnensmonds.
„Niets schijnt hem eenige moeite te kosten,” hernam ik. „Hij kent zijn les als hij er maar even in gekeken heeft. Hij is de beste cricket-speler, dien gij ooit hebt gezien. En bij het dammen, zal hij u zooveel schijven voor geven als gij maar wilt, en het toch gemakkelijk van u winnen!”
Baas Peggotty knikte met het hoofd alsof hij wilde zeggen: „Dat spreekt van zelf.”
„Hij spreekt zoo rad, dat hij iedereen kan overreden, en ik gaf wat, baas Peggotty, als gij hem eens kondt hooren zingen.”
Nogmaals knikte baas Peggotty met het hoofd, als wilde hij zeggen: „Ik twijfel er niet aan.”
„Bovendien heeft hij zulk een edelmoedig karakter, is hij zulk een ferme, trouwhartige jongen,” vervolgde ik, meegesleept door mijn meest geliefkoosd onderwerp, „dat men hem moeielijk zooveel lof kan toezwaaien als hij verdient. Ik ben overtuigd, dat ik nooit dankbaar genoeg kan zijn voor de edelmoedigheid, waarmede hij mij heeft beschermd, mij, die zooveel jonger was en zooveel lager op de school zat dan hij.”
Zoo bleef ik bijna zonder ophouden aan het doorslaan; tot mijn oog viel op de kleine Emily, die, over de tafel gebogen, met de grootste aandacht zat te luisteren. Zij hield haar adem in; hare blauwe oogen schitterden als twee diamanten en op hare wangen lag een donkere blos. Zij keek zoo buitengewoon ernstig en zag er zoo bijzonder lief uit, dat ik eensklaps zweeg en haar met bewondering aanstaarde; op hetzelfde oogenblik waren aller blikken op haar gevestigd; want toen ik ophield, keken zij lachend naar haar gezichtje.
„Het gaat Emily als mij,” zei baas Peggotty, „zij zou hem gaarne eens zien.”
Emily werd onder al die blikken verlegen; zij liet haar hoofdje hangen en een donkere blos verspreidde zich over haar gelaat en haar hals. Toen zij een oogenblik later opkeek en al die oogen nog op zich gevestigd zag—ik had haar wel een uur lang kunnen aankijken—snelde zij heen en bleef weg tot het bedtijd geworden was.
Ik sliep in het oude bed in den achtersteven van de schuit, en de wind loeide over de vlakte evenals vroeger. Ik kon echter niet nalaten mij te verbeelden, dat de klaagtonen, die ik hoorde, hen golden, die niet meer onder de levenden behoorden; in plaats van te denken, dat de zee in den nacht zou opkomen en de schuit medenemen, meende ik, dat de zee werkelijk opgekomen was, sinds ik het laatst deze zelfde geluiden had vernomen, en mijn gelukkig ouderlijk huis had medegesleept in de diepte. Ik herinner mij dat, toen de geluiden, door den wind en de zee voortgebracht, hoe langer hoe zwakker werden, ik mijn gebedje eindigde met de bede, dat ik, eenmaal groot zijnde, met de kleine Emily mocht trouwen—en zoo viel ik met de liefelijkste gedachten in slaap.
De dagen gingen even genoegelijk voorbij als de eerste maal, met uitzondering echter—voor mij eene zeer gewichtige uitzondering—dat de kleine Emily zelden met mij langs het strand wandelde. Zij moest lessen leeren, had allerlei naaiwerk en was het grootste gedeelte van den dag afwezig. Ik voelde echter wel, dat al ware zij den geheelen dag thuis geweest, wij toch niet meer zoo prettig zouden gewandeld hebben. Zij was wild en vol kinderlijke grillen, maar begon reeds meer de gewoonten aan te nemen van een volwassen meisje, dan ik had kunnen onderstellen. Het scheen wel, dat er een groote afstand tusschen ons gekomen was in dat jaar. Zij hield wel van mij, maar zij lachte mij uit en plaagde mij; ging ik haar tegemoet, dan nam zij een anderen weg en stond mij, als ik teleurgesteld thuis kwam, aan de deur uit te lachen. De aangenaamste oogenblikken waren die, wanneer zij op den drempel zat te naaien en ik haar, op het houten trapje aan hare voeten zittende, voorlas. Het komt mij nu voor, alsof ik de zon nooit zoo schitterend heb gevonden als op die heerlijke namiddagen in April; dat ik nooit zulk een zonnig klein meisjesfiguurtje gezien heb als de kleine Emily, zittende op den drempel van de huisdeur—als ik den hoofdtoegang tot de schuit zoo noemen mag—; dat de lucht nooit zoo helder, de zee nooit zoo effen was, dat ik nooit zulke heerlijke schepen aan den purperen horizon heb zien verdwijnen als toen.