Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 14

Chapter 144,101 wordsPublic domain

Wij gingen een klein achterkamertje binnen, waar wij drie jonge meisjes bezig vonden aan allerlei zwart goed te naaien, waarvan eene groote hoeveelheid op de tafel lag, terwijl een aantal snippers en vodden den grond bedekten. Het was warm in de kamer en er heerschte eene benauwde lucht van warm zwart krip—ik wist toen nog niet wat ik eigenlijk rook, maar nu weet ik het.

De drie jonge meisjes, die zeer ijverig en welgemoed schenen, lichtten even het hoofd op, om te zien wie daar binnenkwam, en zetten daarna haar werk voort: Pik, pik, pik. Op hetzelfde oogenblik kwam er uit eene werkplaats, aan de overzijde van een plaatsje, waarop een der vensters uitzag, een regelmatig geluid van hamerslagen, die, zonder eenige variatie, aanhoudend hetzelfde wijsje aangaven: Rat-tat, tat, Rat-tat, tat, Rat-tat, tat......

„Wel,” vroeg mijn leidsman aan een van de meisjes, „hoe staat gij er mee, Minnie?”

„O, als het tijd is om te passen, zijn wij klaar,” antwoordde zij op levendigen toon, zonder op te kijken. „Maak u volstrekt niet ongerust, vader.”

Mijnheer Omer nam zijn breedgeranden hoed af, en ging hijgend zitten. Hij was zoo dik, dat hij eenigen tijd moest uitblazen eer hij kon zeggen:

„Dat is goed.”

„Vader,” zei Minnie op schertsenden toon, „wat wordt gij toch een dikzak!”

„Ja, ik weet niet waarvan, mijn kind!” antwoordde hij, nadenkend. „Ik ben nu eenmaal zoo.”

„Gij hebt een veel te gemakkelijk leventje,” zei Minnie. „Dat zal het wel zijn.”

„Waarom zou ik mij zelven dat niet gunnen, mijn kind!” zei mijnheer Omer.

„Ja, dat is zoo,” hernam zijne dochter. „Wij hebben het allen, Goddank, goed. Nietwaar vader?”

„Dat zal waar zijn,” verzekerde mijnheer Omer. „Wanneer ik wat op adem ben gekomen, zal ik dit jongmensch de maat nemen. Wilt gij met mij medegaan naar den winkel, jongeheer Copperfield?”

Op deze uitnoodiging ging ik mijnheer Omer voor en nadat hij mij een rol goed had laten zien, dat, volgens zijne verklaring, uiterst solide en te goed was, om voor iemand anders dan voor een vader of eene moeder gedragen te worden, nam hij mij de maat en schreef die in een boek op. Terwijl hij hiermede bezig was, vestigde hij mijne aandacht op zijn grooten voorraad goederen en op de nieuwe modes, die juist waren aangekomen, en op de oude modes, die juist waren afgeschaft. „Men verliest daarmede dikwijls een klein kapitaal op één dag,” zei hij. „Maar de modes zijn evenals de menschen. Zij komen en niemand weet wanneer, van waar of hoe; en zij verdwijnen en niemand weet wanneer, waarom of hoe. En zoo gaat het naar mijne meening in het menschelijk leven ook.”

Ik was te bedroefd om deze redeneering te volgen, die toch vermoedelijk ook in andere omstandigheden boven mijn bevattingsvermogen zou geweest zijn; bovendien bracht mijnheer Omer mij weder naar het achterkamertje, waar hij hijgend en zwoegend met mij aankwam. Daarna riep hij bovenaan een steile trap: „Breng de thee en de boterhammen boven!”

Nadat ik nog eenigen tijd had zitten rondkijken en peinzen en luisteren naar het pikken van de naalden en het wijsje in het hameren aan de overzijde van de plaats, werd het gevraagde op een presenteerblad boven gebracht en voor mij neergezet.

„Ik ken u van vroeger,” zei mijnheer Omer, na mij eenige oogenblikken te hebben aangekeken, waarin ik weinig eer bewezen had aan het ontbijt—al dat zwarte goed benam mij den eetlust—„ik ken u al heel lang, vriendje.”

„Zoo, mijnheer?”

„Zoo lang als gij leeft,” zei mijnheer Omer. „Ik mag wel zeggen: reeds voor uwe geboorte. Ik kende uw vader ook. Hij was vijf voet en negen en een halve duim lang en de kist was vijf voet en twintig duim.”

„Rat-tat, tat, Rat-tat, tat, Rat-tat, tat”—klonk het van de overzijde.

„De kist was vijf voet en twintig duim, in ronde cijfers,” herhaalde mijnheer Omer, met een zeker genoegen telkens weder dit onderwerp aanroerende. „Hij had het zelf zoo besteld of zij deed dit—dat is mij ontschoten.”

„Weet gij ook hoe het met mijn kleine broertje gaat?” vroeg ik.

Mijnheer Omer schudde het hoofd.

„Rat-tat, tat, Rat-tat, tat, Rat-tat, tat.”

„Hij ligt in de armen van zijne moeder,” antwoordde hij.

„Och, het arme, kleine ventje! Is hij dood?”

„Gij moet u dat niet zoo erg aantrekken,” sprak mijnheer Omer. „Ja, het kindje is ook gestorven.”

Dit bericht deed de nog versche wond opnieuw bloeden. Ik liet het nauwelijks aangeroerde ontbijt staan en ging in een hoek van de kamer met mijn hoofd op de tafel liggen, die Minnie haastig leeg maakte, opdat ik het rouwgoed niet zou bevlekken met mijne tranen. Zij was een lief, goedhartig meisje en streek mij met eene zachte hand de haren uit de oogen; maar zij was vroolijk, omdat haar werk bijna gereed was, en dus in eene geheel andere stemming dan ik!

Nu hield het gehamer op en een knappe, jonge man kwam dwars door den tuin en de kamer binnen. Hij had een hamer in de hand en een aantal draadnagels in den mond, zoodat hij die er eerst uit moest nemen alvorens hij spreken kon.

„Wel, Joram!” zei mijnheer Omer, „hoe staat gij er mede?”

„Ik ben gereed,” antwoordde Joram, „ze is af.”

Minnie kreeg even een kleur en de beide andere meisjes glimlachten tegen elkander.

„Wat? Hebt gij dan bij kaarslicht gewerkt, terwijl ik gisterenavond naar de club was? Hebt gij dat werkelijk gedaan?” vroeg mijnheer Omer met één oog dicht.

„Ja, gij hadt immers gezegd, dat wij er een uitstapje van konden maken, Minnie en ik en—gij? Dat wij er te zamen zouden heenrijden?”

„O, ik dacht, dat gij mij vergat en mij alleen wildet laten,” sprak mijnheer Omer lachend tot hij weder eene hoestbui kreeg.

„Gij waart zoo goed ons dat te beloven,” hernam de jonge man, „en daarom toog ik met ijver aan het werk, begrijpt gij. Wilt gij ook eens zien of ik mijne taak goed heb volbracht?”

„Zeker, zeker,” antwoordde mijnheer Omer opstaande. „Wel,” voegde hij er, zich tot mij wendende bij, „wilt gij ook eens zien hoe.....”

„Neen vader,” zoo viel Minnie hem in de rede.

„Ik meende, dat het hem aangenaam zou zijn, beste meid,” zei mijnheer Omer. „Evenwel—gij hebt misschien gelijk.”

Ik kon onmogelijk zeggen hoe ik wist, dat zij de lijkkist bedoelden van mijne lieve, beste moeder. Ik had er nooit een hooren maken; ik had er, voor zoover ik weet, nooit een gezien; maar ik had plotseling begrepen, wat het geluid was, dat ik hoorde, en toen de jonge man binnenkwam, wist ik ook wat hij gemaakt had.

Toen het werk was afgeloopen, schudden de beide meisjes, wier namen ik niet vernam, de pluizen en draadjes van hare kleederen en gingen naar den winkel om er wat op te ruimen en de klanten af te wachten. Minnie bleef achter om hetgeen zij gemaakt hadden op te vouwen en in twee manden te pakken. Zij deed dit op hare knieën, terwijl zij er een vroolijk wijsje bij neuriede. Joram—hij was haar verloofde—ik twijfelde daaraan geen oogenblik—kwam binnen en stal een kus, terwijl zij bezig was—hij scheen mij niet op te merken—en zei, dat haar vader was uitgegaan om een rijtuig te bestellen en dat hij zich haasten moest om tijdig gereed te zijn. Daarna ging hij heen, terwijl zij haar vingerhoed en haar schaar in den zak en een naald met een zwarten draad voor op hare japon stak, en achter de glazen deur, zoodat ik al hare bewegingen kon blijven gadeslaan, haar hoed opzette en een smaakvol manteltje omdeed.

Ik merkte dit alles op, terwijl ik nog steeds in hetzelfde hoekje zat, met de hand onder het hoofd, peinzend over de meest verschillende onderwerpen. Weldra kwam het rijtuig voor; eerst werden de manden ingeladen, daarna mijn persoontje en vervolgens mijnheer Omer, Minnie en haar verloofde. Ik herinner mij, dat het een rijtuig was, dat gedeeltelijk voor verhuiskar was ingericht en door een zwart paard met een langen staart getrokken werd. Het was met eene doffe kleur geschilderd, en er was ruimte genoeg voor ons vieren.

Ik geloof, dat ik nooit aan zulke vreemdsoortige gewaarwordingen ben blootgesteld geweest—ik ben nu verstandiger—dan toen ik daar tusschen die menschen zat en bedacht waarmede zij zich, zoo even nog onledig hadden gehouden, terwijl zij thans in eene vroolijke, opgeruimde stemming verkeerden. Ik was niet boos op hen; ik was eerder bevreesd voor hen, alsof ik daar plotseling gezeten was tusschen wezens, die van een geheel ander maaksel waren dan ik. Zij waren uitgelaten vroolijk. De oude heer zat op de voorste bank en mende en de jongelui zaten achter hem en telkens, wanneer hij tegen hen sprak, bogen zij zich naar voren, de een aan de eene zijde, en de ander aan de andere zijde van zijn vet gezicht en hadden het bijzonder druk met hem. Zij zouden ook wel met mij gesproken hebben, maar ik bleef in mijn hoekje zitten pruilen, afgeschrikt door hunne vroolijkheid en hunne verliefdheid, hoewel zij volstrekt niet luidruchtig waren; het verbaasde mij eigenlijk, dat hunne hardvochtigheid niet gestraft werd.

Toen wij stilhielden om het paard te voeren en zij gingen eten en drinken en vroolijk waren, kon ik niets aanraken, dat zij aanraakten, en bleef vasten. Toen wij voor ons huis stilhielden, verliet ik zoo spoedig mogelijk het rijtuig, ten einde niet langer in hun gezelschap te blijven voor de gesloten vensters, die mij aanstaarden als een blinde, wiens oogen vroeger hadden geschitterd van levenslust. Toen ik het venster van de kamer mijner moeder en dat van mijn vroegere kamertje gesloten zag, behoefde ik mij niet af te vragen waaraan ik moest denken om de meeste tranen te storten.

Nog eer ik de deur bereikt had, lag ik reeds in Peggotty's armen en zij nam mij terstond mede in huis. Hare smart uitte zij nu eerst, nu zij mij bij zich had; zij wist zich echter spoedig te beheerschen, sprak op fluisterenden toon en liep zachtjes door het huis, alsof zij de doode uit haar slaap zou kunnen wekken. Zij was in vele nachten niet naar bed geweest; zij had alle nachten gewaakt. Zoo lang hare arme lieveling nog boven den grond was, kon zij haar niet alleen laten, vertelde zij mij.

Mijnheer Murdstone sloeg geen acht op mij, toen ik de huiskamer binnentrad, waar hij in een leunstoel bij den haard zat te schreien. Juffrouw Murdstone zat aan hare schrijftafel, die overdekt was met brieven en papieren; zij gaf mij een paar ijzige vingertoppen en vroeg of men mij de maat had genomen voor mijn rouwpak.

„Ja”, antwoordde ik.

„En uwe hemden,” vroeg zij, „hebt gij uwe hemden meegebracht?”

„Ja, juffrouw; ik heb al mijne kleeren meegebracht.”

Dit was alle troost, die zij in hare „flinkheid” voor mij over had. Het lijdt geen twijfel of zij vond het een waar genot, bij zulke gelegenheden te toonen hoe zij zich zelve beheerschen kon, hoe „flink” zij was, hoeveel geestkracht en gezond verstand, en hoe al hare duivelachtige eigenschappen nog meer heeten mogen, zij bezat. Zij was vooral trotsch op hare „flinkheid” in zaken en toonde dit thans door alles terug te brengen tot pen en inkt, en niet de minste ontroering te laten blijken. Zij zat het geheele overige gedeelte van den dag aan hare schrijftafel en ook den volgenden dag van den morgen tot den avond; voortdurend hoorde ik het krassen van hare harde pen, terwijl zij tegen iedereen op denzelfden onverstoorbaren fluistertoon sprak; geen spier in haar gelaat vertrok; geen oogenblik klonk hare stem zachter: hare japon en haar kapsel waren even glad als altijd.

Mijnheer Murdstone nam nu en dan een boek op, maar ik zag hem nooit lezen. Hij opende het en keek er in alsof hij las, maar al sloeg ik hem ook een uur achtereen gade, er werd geen blad omgekeerd; dan legde hij het weder weg en wandelde de kamer op en neer. Ik had niets te doen dan met gevouwen handen naar hem te zitten kijken en zijne voetstappen te tellen, uren achtereen. Hij sprak slechts zelden eenige woorden tot zijne zuster; tot mij in het geheel niet. Hij scheen in het stille huis „het” eenige te zijn, dat zich bewoog, behalve de klok.

In de dagen, die aan de begrafenis voorafgingen, zag ik Peggotty bijna niet; wanneer ik echter de trap op- of afkwam, vond ik haar altijd in de nabijheid van de kamer, waar mijne moeder en haar kindje lagen, en des avonds zat zij bij mijn bed totdat ik sliep. Eén of twee dagen voor de begrafenis—ik meen ten minste, dat het één of twee dagen was, want ik kan mij dien droeven tijd niet meer met juistheid voor den geest brengen, omdat er geen enkel rustpunt in was—nam zij mij mede in de kamer. Ik kan mij daarvan nog slechts herinneren, dat daar, onder een wit laken en door frissche bloemen omringd, voor mijn gevoel de oorzaak scheen te liggen van de plechtige stilte, die in het geheele huis heerschte; en dat ik, toen zij dat laken wilde oplichten, hare hand tegenhield en „o, neen, o, neen!” riep.

Indien de begrafenis gisteren had plaats gehad, zou ik mij die niet beter kunnen herinneren. De muffe lucht in de mooie kamer, toen ik binnenkwam, het knappend vuur in den haard, het tintelen van den wijn in de karaffen, de fatsoenen van de glazen en de borden, de flauwe zoete lucht van koek, de geur, door juffrouw Murdstone's japon de kamer rondgedragen, onze zwarte kleederen—dat alles is mij altijd bijgebleven. Dokter Chillip was ook in de kamer en kwam mij toespreken: „En hoe maakt jongeheer David het?” vroeg hij vriendelijk.

Ik kon onmogelijk antwoorden: „Heel goed!” Ik gaf hem eene hand en hij hield die in de zijne.

„Wel, wel,” zei hij, „wat worden zulke kleintjes toch spoedig groot!”—Er glinsterde iets in zijne oogen.—„Hij groeit ons boven het hoofd, juffrouw!”

Juffrouw Murdstone, tot wie deze woorden gericht waren, gaf geen antwoord.

„Het is hier treurig afgeloopen, mejuffrouw,” sprak dokter Chillip.

Een zuur gezicht en een stijve buiging was alles wat de goedhartige dokter ten antwoord kreeg, waarom hij mij medenam naar een hoek van de kamer en het stilzwijgen bewaarde.

Ik vermeld dit, omdat ik alles vermeld wat er gebeurde, hoewel ik er weinig belang in stelde. Eindelijk gaat de huisschel over en komen mijnheer Omer en nog een man binnen om ons aan te kleeden. Peggotty had mij lang geleden dikwijls verteld, dat zij, die het lijk van mijn vader naar hetzelfde graf gevolgd waren, ook in deze kamer waren aangekleed.

Ditmaal zijn de volgers: Mijnheer Murdstone, onze buurman, mijnheer Grayper, dokter Chillip en ik. Toen wij de deur uittraden, waren de dragers met hun last reeds in den tuin; zij gingen voor ons uit, het pad af, langs de olmen en door het hek, het kerkhof binnen, waar ik zoo menigen zomermorgen de vogels had hooren zingen.

Daar stonden wij om het graf. In mijne herinnering verschilt deze dag van alle andere dagen in mijn leven en schijnt de zon omfloerst te zijn geweest. Nu heerscht er plechtige stilte; wij hebben die blijkbaar uit ons huis medegebracht met de lieve doode, die daar in de geopende groeve wordt neergelaten; wij staan blootshoofds en ik hoor de stem van den geestelijke, die zegt: „Ik ben het Leven en de Opstanding, zegt de Heer!” Daarna hoor ik snikken en zie ik tusschen de omstanders het beschreide gezicht van onze goede, trouwe dienstbode, van Peggotty, het wezen, dat ik op deze aarde het meest lief heb en tot wie—daarvan is mijn kinderlijk hart overtuigd—de Heer eenmaal zal zeggen: „Welgedaan.”

Er is meer dan een bekend gezicht onder die omstanders; gezichten, die ik ken uit de kerk, waar ik altijd zat rond te kijken; gezichten van menschen, die mijne moeder gekend hebben, toen zij in den vollen bloei harer jeugd in het dorp kwam. Ik let niet op hen—ik denk slechts aan mijn groot verdriet—en toch zie en hoor ik hen allen; zelfs zie ik op den achtergrond het gezicht van Minnie, die voortdurend naar haar verloofde kijkt; Joram staat vlak bij mij.

Het is voorbij, de kuil is gevuld—wij keeren naar huis terug. Daar staat het voor ons, zoo lief en onveranderd, zoo vereenzelvigd met haar, die nu van ons is heengegaan, dat het verdriet van de vorige dagen niet is te vergelijken met de gewaarwording, die mij thans overmeestert. Zij nemen mij echter mede en dokter Chillip spreekt mij toe en laat mij thuis komende een glas water drinken, en als ik hem vraag naar mijn eigen kamertje te mogen gaan, brengt hij mij met vrouwelijke zachtheid er heen.

Dit alles schijnt mij toe gisteren gebeurd te zijn. Voorvallen uit latere jaren zijn spoorloos verdwenen naar de kust, waar al wat vergeten is weder te voorschijn zal komen; maar de gebeurtenis van dezen dag staat als eene onwrikbare rots te midden van den Oceaan.

Ik wist dat Peggotty mij in mijne kamer zou opzoeken. De sabbathstilte om ons heen—ik vergat te zeggen, dat de dag zooveel op een Zondag geleek—deed ons beiden weldadig aan. Zij zat naast mij op mijn kleine bedje en hield mijne hand vast, die zij nu en dan aan hare lippen bracht of streelde, zooals zij het handje van mijn kleine broertje zou gedaan hebben, en vertelde mij op hare eigenaardige wijze alles wat er in de laatste maanden was voorgevallen.

„Zij was al lang niet wel”, vertelde Peggotty. „Zij werd voortdurend heen- en weergeslingerd en voelde zich volstrekt niet gelukkig. Toen broertje geboren was, meende ik in het begin, dat zij geheel herstellen zou, maar zij was te zwak en ging bij den dag achteruit. Vóór de geboorte van den kleine zat zij gaarne alleen en meermalen betrapte ik haar, dat zij zat te schreien; naderhand had zij de gewoonte aangenomen van te zingen—zoo zacht, dat ik eens, toen ik haar hoorde, meende eene stem te vernemen, die langzaam naar omhoog zweefde. Ik geloof, dat zij in den laatsten tijd nog angstiger en bedeesder was geworden en dat een hard uitgesproken woord haar pijn deed. Voor mij bleef zij altijd dezelfde. Voor hare malle Peggotty bleef zij altijd dezelfde, die lieveling.”

Peggotty hield een oogenblik op en streelde eenigen tijd mijne hand.

„De laatste keer, dat ik haar gezien heb, zooals zij vroeger was—in den goeden, ouden tijd—was de avond toen gij thuis kwaamt, mijn beste. Den dag toen gij weder naar school gingt, zeide zij tegen mij: ‚Ik zal mijn lieveling nimmer terugzien; ik heb er een voorgevoel van, dat mij niet kan bedriegen.’

„Zij deed daarna haar best om zich goed te houden en menigmaal dat zij haar van luchthartigheid en onnadenkendheid beschuldigden, scheen zij ook werkelijk zoo te zijn; maar het was niet zoo. Zij vertelde haar echtgenoot nooit hetgeen zij mij verteld had—zij was bang om het aan iemand anders te vertellen—vóór zekeren avond, ongeveer eene week voor het werkelijk zoo was. ‚Lieve man’, sprak zij toen, ‚ik geloof dat ik sterven ga.’

„‚Ziezoo, nu is het van mijn hart, Peggotty,’ snikte zij, toen ik haar dien avond in bed hielp. ‚Hij zal het eenige dagen lang, van dag tot dag meer en meer gaan gelooven, de arme man... en dan is alles voorbij. O, ik ben zoo moe. Blijf bij mij zitten tot ik slaap; laat mij niet alleen. God zegene mijne beide kinderen! God bescherme en behoede mijn vaderloozen jongen!’

„Ik verliet haar toen niet meer. Dikwijls sprak zij met die twee, beneden—want zij hield van hen; zij kon er niet buiten iedereen lief te hebben uit hare omgeving—maar wanneer zij weg waren, keerde zij zich altijd weder naar mij, alsof zij alleen bij mij rust vinden en anders niet in slaap komen kon.

„Den laatsten avond gaf zij mij een kus en zeide: ‚Als mijn kleintje ook mocht sterven, Peggotty, leg hem dan in mijn armen en laat ons samen begraven.’—Haar vermoeden was juist geweest, want het arme schaap overleefde haar maar één dag.—‚Laat mijn beste jongen medegaan naar mijne laatste rustplaats,’ vervolgde zij, ‚en zeg hem, dat zijne arme moeder hem op haar ziekbed niet éénmaal, maar duizendmalen gezegend heeft.’”

Wederom volgden er eenige oogenblikken stilte en wederom streelde zij mijne hand.

„Het was reeds tamelijk ver in den nacht,” ging Peggotty voort, „toen zij mij een weinig drinken vroeg en toen zij gedronken had, lag er zulk een dankbare glimlach om haar mond... o, zij was toen zoo mooi, mijn lieveling!—De dag was aangebroken, toen zij mij begon te vertellen, hoe goed en zorgzaam mijnheer Copperfield altijd voor haar geweest was, hoeveel geduld hij met haar had gehad en hoe menigmaal hij gezegd had, als zij ontevreden was op zich zelve: dat een liefhebbend hart beter en meer waard was dan wijsheid en dat hij zoo gelukkig was in haar bezit. ‚Och, Peggotty, beste meid,’ vervolgde zij toen, ‚leg mij wat dichter naar u toe’; zij was zoo zwak. ‚Leg uw arm onder mijn hoofd,’ verzocht zij, ‚en keer mij naar u toe, want het is mij alsof uw gezicht zoo veraf is en ik wilde zoo graag dicht bij u zijn!’—Ik deed wat zij verzocht en o, Davy! de tijd was daar, dat de woorden, waarmede ik eens afscheid van u genomen had, waarheid werden: zij was blijde haar arm hoofd op den arm van hare oude, knorrige Peggotty te leggen en stierf als een kind, dat langzaam in slaap valt.”

* * * * *

Zoo eindigde Peggotty's verhaal. Van het oogenblik af, dat ik den dood mijner moeder vernam, was haar beeld, zooals ik haar het laatste jaar gezien had, uitgewischt. Van dat oogenblik af, bleef zij in mijne herinnering de jonge moeder, zooals ik mij haar uit mijne eerste levensjaren herinnerde, de lange krullen om haar vinger draaiend en met mij door de kamer dansend in de gezellige schemeruurtjes. Hetgeen Peggotty mij verteld had, bracht mij slechts de moeder uit mijne vroegste jeugd in herinnering. Het moge vreemd schijnen, toch is het waar. Met haar dood waren ook de beide laatste jaren uitgewischt en keerde zij tot mij terug, zooals zij geweest was in haar kalmen, onbezorgden tijd.

De moeder, die op het kerkhof lag, was de moeder uit mijn kindsheid; het kleine wezentje in hare armen, was ik, zooals ik eenmaal geweest was, toen zij mij aan haar boezem in slaap wiegde.

X.

Ik word verwaarloosd en—verzorgd.

Het eerste, dat juffrouw Murdstone deed daags na de begrafenis, toen het licht weder vrijen toegang had tot de woning, was Peggotty den dienst op te zeggen. Over eene maand kon zij vertrekken. Met hoeveel tegenzin Peggotty in zulk een dienst zou zijn gebleven, geloof ik toch, dat zij ter wille van mij niet zou zijn heengegaan, al was haar de beste en voordeeligste dienst van de wereld aangeboden. Zij deelde mij mede, dat wij moesten scheiden en vertelde mij ook, waarom; wij beklaagden elkander in alle oprechtheid des harten.

Over mij en mijne toekomst werd geen woord gesproken; toch durf ik verklaren, dat zij blijde zouden geweest zijn, indien zij mij, evenals Peggotty, met eene maand opzeggens kwijt waren geweest. Op zekeren dag vatte ik moed en vroeg juffrouw Murdstone wanneer ik weder naar school zou gaan, waarop zij antwoordde, dat ik er misschien wel in het geheel niet meer zou heengaan. Verder vernam ik niets. Wel was ik zeer nieuwsgierig naar hetgeen er verder van mij worden zou en Peggotty niet minder, maar noch zij, noch ik kon dienaangaande iets gewaar worden.

Er was eene verandering in mijne omstandigheden gekomen, die mij veel onaangenaamheden bespaarde, doch mij, indien ik in staat geweest was om er eens grondig over na te denken, zonder twijfel de toekomst donker zou hebben doen uitzien. Het was deze: De dwang, dien men mij had opgelegd, was geheel opgeheven. Wel verre van mij steeds in de huiskamer te willen zien zitten, fronste juffrouw Murdstone zelfs nu en dan de wenkbrauwen als ik binnenkwam en gaf zij mij te kennen, dat ik maar liever heen moest gaan. Als ik mijn gezelschap maar niet aan mijnheer of juffrouw Murdstone opdrong, mocht ik gerust bij Peggotty in de keuken zitten; er werd nooit naar mij gezocht of gevraagd. In het eerst vreesde ik, dat mijnheer Murdstone zich verder met mijne opvoeding zou belasten of dat zijne zuster zich daaraan zou wijden; maar al spoedig begon ik in te zien, dat deze vrees geheel ongegrond was geweest en mij niets anders te wachten stond dan verwaarloozing.