Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 13

Chapter 134,092 wordsPublic domain

Toen wij thee hadden gedronken, het vuur was opgerakeld en de kaarsen waren aangestoken, las ik Peggotty een hoofdstuk voor uit het krokodillenboek, ten einde ons nog eens in den ouden tijd te verdiepen. Zij haalde het boek uit haar zak—ik weet niet of zij het al dien tijd daarin bewaard had—en toen spraken wij over Salem House en kwamen weder op Steerforth, over wien ik nooit was uitgepraat. Wij waren innig gelukkig; en deze avond, de laatste van dien aard en bestemd om dat gedeelte van mijn leven voor goed af te sluiten, zal nimmer uit mijn geheugen gaan.

Het was bijna tien uur, toen wij het geratel van wielen hoorden. Wij stonden alle drie op en mijne moeder zei haastig, dat het al zoo laat was en dat mijnheer en juffrouw Murdstone niets verderfelijker achtten voor kinderen dan laat naar bed gaan, zoodat ik mij maar te rusten moest begeven eer zij binnen kwamen. Ik omhelsde haar en ging onmiddellijk met mijne kaars de trap op. Het was waarschijnlijk kinderlijke verbeelding, dat ik, naar het kamertje gaande, waar ik gevangen gezeten had, een kouden tocht voelde, dien zij in huis brachten en die de vertrouwelijkheid uit vroegere dagen, waarvan wij dezen avond zoo volop genoten hadden, als een veder wegblies.

Toen ik den volgenden morgen naar beneden zou gaan om te ontbijten, bekroop mij eene onaangename gewaarwording. Ik had mijnheer Murdstone nog niet gezien, nadat ik mijne gedenkwaardige misdaad had gepleegd. Evenwel, het moest, dus ik ging naar beneden, en trad, na twee malen halverwege te zijn geweest en op mijne teenen naar mijne kamer teruggekeerd te zijn, de huiskamer binnen.

Mijnheer Murdstone stond met zijn rug naar den haard en zijne zuster zat voor het theeblad. Hij keek mij strak aan, toen ik binnentrad, doch gaf geen enkel bewijs van herkenning. Na een oogenblik bedremmeld te zijn blijven staan, ging ik naar hem toe en zeide: „Wilt u het mij vergeven, mijnheer? Ik heb groot berouw over hetgeen ik gedaan heb.”

„Het doet mij genoegen te hooren, dat gij berouw hebt, David,” antwoordde hij.

De hand, die hij mij gaf, was dezelfde, waarin ik gebeten had. Ik kon niet nalaten een oogenblik te blijven kijken naar het roode lidteeken, dat was achtergebleven, maar het was niet zoo rood als ik werd, toen ik de sombere uitdrukking op zijn gelaat opmerkte.

„Hoe vaart gij, juffrouw?” vroeg ik aan juffrouw Murdstone.

„Goede Hemel!” zuchtte zij, terwijl zij mij het theeschepje gaf in plaats van hare hand, „hoe lang duurt die vacantie?”

„Een maand, juffrouw.”

„Van wanneer af?”

„Van vandaag, juffrouw.”

„O,” sprak zij. „Dan is er bijna één dag om.”

Elken morgen schreef zij op haar kalender een dag af. Vóór zij tot tien was gekomen deed zij het met een knorrig gezicht, maar toen zij telkens een getal van twee cijfers kon doorslaan, helderde het langzamerhand op en hoe meer wij het einde naderden, hoe vroolijker het werd.

Reeds op den eersten dag had ik het ongeluk op de hevigste wijze haar toorn op te wekken. Ik kwam in de kamer waar zij en mijne moeder zaten. Mijn broertje, nog slechts eenige weken oud, lag op moeder's schoot en ik nam hem met de grootste behoedzaamheid in mijne armen. Hoewel over het algemeen volstrekt niet zoo weekhartig van aard, gaf juffrouw Murdstone plotseling zulk een hartverscheurenden gil, dat ik het wichtje tengevolge van den schrik bijna had laten vallen.

„Maar, lieve Jane!” riep mijne moeder.

„Goede Hemel, Clara, zie toch eens!” schreeuwde juffrouw Murdstone letterlijk.

„Wat moet ik zien, lieve Jane?” vroeg mijne moeder, „waar....!”

„Hij heeft het kind!” riep juffrouw Murdstone. „De jongen heeft het kind!”

Zij was bijna ineengezakt van ontzetting, maar vermande zich om op mij toe te schieten en mij den kleine af te nemen. Daarna viel zij flauw en voelde zich zoo naar, dat men haar kersenbrandewijn moest geven om bij te komen. Toen zij hersteld was, verbood zij mij plechtig mijn broertje, onder welk voorwendsel ook, ooit weder aan te raken en mijne arme moeder, die, zooals ik zag, het anders gewenscht had, herhaalde gedwee het verbod, zeggende: „Ik twijfel niet of gij zult wel gelijk hebben, lieve Jane.”

Bij eene andere gelegenheid, toen wij weder met ons drieën bij elkander zaten, was hetzelfde lieve wichtje—ik had het werkelijk lief ter wille van mijne moeder—de onschuldige oorzaak, dat juffrouw Murdstone's drift opnieuw werd opgewekt. Terwijl het op den schoot mijner moeder lag, had deze naar de kleur van zijne oogjes gekeken en zei:

„Kom eens hier, Davy, en kijk mij eens aan.”

Ik zag dat juffrouw Murdstone haar werk neerlegde.

„Precies dezelfde,” sprak mijne moeder zacht. „Zonder twijfel de kleur van de mijne. Verwonderlijk, zooals zij elkaar gelijken.”

„Wat praat gij toch, Clara?” vroeg juffrouw Murdstone.

„Lieve Jane,” stotterde mijne moeder, een weinig uit het veld geslagen door haar barschen toon, „ik vind dat de kleine en Davy precies dezelfde oogen hebben.”

„Clara!” zei juffrouw Murdstone, toornig opstaande, „gij schijnt nu en dan uw verstand verloren te hebben!”

„Maar, lieve Jane,” bracht mijne moeder hiertegen in.

„Gij zijt eene zottin!” zei juffrouw Murdstone. „Wie anders zou mijns broeders kind kunnen vergelijken met uw jongen? Zij gelijken niets op elkander! Zij gelijken volstrekt niets op elkander! Zij verschillen in alle opzichten! Ik hoop dat zij dit ook zullen blijven doen! Ik wil zulke zotte vergelijkingen niet langer aanhooren!” Zij stond op en ging de kamer uit, terwijl zij de deur hard achter zich dichtsmeet.

Kortom, ik stond niet in de gunst bij juffrouw Murdstone; ik stond eigenlijk bij niemand in de gunst, zelfs niet bij mij zelven; want zij, die van mij hielden, konden het niet toonen, en zij die niet van mij hielden, toonden dit zoo in het oog vallend, dat ik rondliep met het bewustzijn, er altijd even gedwongen en saai uit te zien. Ik voelde, dat ik eigenlijk niets dan een lastpost voor hen was. Kwam ik de kamer binnen, waar zij zaten te praten met elkander, dan veranderde het gelaat van mijne moeder terstond, hoe opgeruimd zij bij mijn binnentreden ook scheen. Als mijnheer Murdstone in zijn beste humeur was, bracht mijne verschijning hem er uit en juffrouw Murdstone, die altijd in een slecht humeur was, versterkte ik slechts daarin. Mijn waarnemingsvermogen was genoeg ontwikkeld om te zien dat mijne moeder altijd het slachtoffer was; dat zij bang was om tegen mij te spreken of vriendelijk voor mij te zijn, omdat zij, door de wijze, waarop zij het deed, altijd hunne ontevredenheid opwekte en dan later eene terechtwijzing ontving; dat zij niet alleen bang was zelve iets te misdoen, maar voortdurend in angst verkeerde dat ik hun op eenigerlei wijze aanstoot zou geven, zoodat zij met een benauwd gezicht de geringste mijner bewegingen gadesloeg. Ik besloot daarom hun zoo weinig mogelijk in den weg te komen, en menige winteravond vond mij, in een overjas gehuld, op mijne sombere slaapkamer, verdiept in een of ander boek.

Nu en dan zat ik des avonds in de keuken bij Peggotty. Daar voelde ik mij op mijn gemak en was ik niet verlegen met mij zelven. Dit waren echter uitspattingen, die in de huiskamer niet werden goedgekeurd en de alles overheerschende zucht tot plagen maakte er spoedig een einde aan. Ik was nog noodig om mijne moeder flinkheid te leeren; zij moest daarin proeven afleggen en daarbij kon men mij goed gebruiken.

„David,” zei mijnheer Murdstone op zekeren dag na afloop van het middagmaal, toen ik als naar gewoonte de kamer wilde verlaten, „het spijt mij opgemerkt te hebben, dat gij zoo eenzelvig van aard zijt.”

„Zoo stug en norsch als een beer,” voegde juffrouw Murdstone er bij.

Ik bleef staan met gebogen hoofd.

„En, David,” vervolgde mijnheer Murdstone, „een eenzelvig, gesloten karakter is het slechtste, dat een mensch hebben kan.”

„Ik heb nooit stugger, weerspanniger jongen gezien,” voegde juffrouw Murdstone er weder bij. „Mij dunkt, Clara, gij moet dat toch ook wel opmerken?”

„Ik vraag u wel excuus, lieve Jane,” antwoordde mijne moeder, „maar zijt gij er wel zeker van—ik ben overtuigd, dat gij mijne opmerking niet euvel zult duiden—dat gij Davy goed begrijpt?”

„Ik zou mij schamen, Clara,” hernam juffrouw Murdstone, „als ik dezen jongen, of welken jongen ook, niet goed begrijpen kon. Ik beweer volstrekt niet knap te zijn, maar ik maak toch aanspraak op gezond verstand.”

„O, zonder twijfel, lieve Jane, ik bewonder steeds uw goed verstand....”

„O, goede Hemel! Zeg dat toch niet, Clara,” zoo viel juffrouw Murdstone mijne moeder bijna driftig in de rede.

„Maar ik ben er van overtuigd,” hervatte mijne moeder, „en iedereen is er van overtuigd, dat gij zulk een helder verstand hebt.... ik doe er elken dag op allerlei wijzen mijn voordeel mede... ik behoorde dat ten minste te doen... niemand kan er meer van overtuigd zijn dan ik. Daarom geef ik ook nu en dan slechts met de grootste angstvalligheid eene opmerking ten beste, lieve Jane, dat verzeker ik u.”

„Wij zullen aannemen, dat ik den jongen niet begrijp, Clara,” antwoordde juffrouw Murdstone, hare stalen armbanden wat verschuivend. „Ik wil bekennen, zoo gij wilt, dat ik den jongen volstrekt niet begrijp. Zijn karakter is veel te diepzinnig voor mij. Wellicht echter, dat mijn broeder met zijn helderen blik eenig inzicht kan krijgen in zijn karakter en ik meen, dat mijn broeder juist over dit onderwerp begonnen was, toen wij hem—niet zeer beleefd—in de rede vielen.”

„Ik ben van oordeel, Clara,” zei mijnheer Murdstone op ernstigen toon, „dat er betere en kalmere beoordeelaars in deze zaak zijn dan gij.”

„Edward,” antwoordde mijne moeder beschroomd, „gij zijt een veel beter beoordeelaar in alle zaken dan ik ooit zal beweren te zijn. Gij en Jane, beiden, zijt dat. Ik wilde alleen zeggen...”

„Gij hebt weder getoond, hoe zwak gij zijt en u onbedachtzaam uitgelaten,” antwoordde hij. „Doe uw best om dat te voorkomen, Clara en zet een wachtpost voor uwe lippen.”

Mijne moeder's lippen bewogen zich even, alsof zij antwoordde: „Ja, lieve Edward,” maar zij sprak die woorden niet hoorbaar uit.

„Ik herhaal, David, het spijt mij,” ging mijnheer Murdstone voort, zich naar mij omkeerende en mij strak aankijkend, „te hebben opgemerkt, dat gij zulk een eenzelvig, gesloten karakter hebt. Zulk een karakter kan ik niet onder mijne oogen zien ontwikkelen, zonder eene poging te doen om het te verbeteren. Gij moet uw best doen, jongetje, om het te veranderen. Wij zullen ook ons best doen om het te veranderen.”

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” sprak ik stotterend, „ik heb nooit eenzelvig willen zijn, zoo lang ik hier terug ben.”

„Verschuil u niet achter een leugen, jongen!” antwoordde hij zoo toornig, dat ik mijne moeder reeds onwillekeurig de handen zag uitsteken om tusschen beiden te komen. „Gij zijt alleen op uwe kamer gaan zitten, wanneer gij hier behoordet te zijn. Gij hebt u daar teruggetrokken in uwe eenzelvigheid. Gij weet thans, eens voor altijd, dat ik u hier verlang te zien. Verder verlang ik, dat gij hier gehoorzaam zijn zult. Gij kent mij, David. Ik wil het zoo.”

Juffrouw Murdstone liet een heesch gegrinnik hooren.

„Ik eisch, dat gij u eerbiedig, bereidwillig en dienstvaardig zult betoonen jegens mij,” ging hij voort, „jegens uwe moeder en jegens juffrouw Jane Murdstone. Ik wil niet, dat deze kamer geschuwd wordt, alsof er besmetting heerscht en dat nog wel door een kind. Ga zitten.”

Hij commandeerde mij als een hond en ik gehoorzaamde als een hond.

„En nog iets,” hernam hij. „Ik heb ook opgemerkt, dat gij een neiging bezit om met menschen om te gaan beneden uw stand. Gij behoort u niet gemeenzaam te maken met de dienstboden. In de keuken zult gij geen verbetering vinden van de vele gebreken, die u aankleven. Van de vrouw, die u opstookt, zeg ik niets, omdat gij, Clara,” hij wendde zich tot mijne moeder op ietwat lager toon, „omdat gij uit oude betrekking en ten gevolge van eene reeds te lang gevoede luim, een zwak voor haar hebt, waarvan ik mij geen denkbeeld kan maken.”

„En dat eene onverklaarbare dwaasheid is,” vulde juffrouw Murdstone aan.

„Ik zeg alleen,” hervatte hij, zich tot mij wendende, „dat ik uwe voorkeur van het gezelschap van juffrouw Peggotty afkeur en gij er dus van moet afzien; gij begrijpt mij, David, nietwaar, en gij weet ook wat de gevolgen zijn, als gij mij niet stipt gehoorzaamt.”

Ik wist het en—vooral ter wille van mijne ongelukkige moeder—gehoorzaamde ik hem stipt. Ik bleef niet meer op mijne kamer, ik ging niet meer naar de keuken, sprak Peggotty nauwelijks meer; ik zat mij dag in, dag uit in de huiskamer te vervelen, wachtende op den avond en des avonds op het tijdstip, dat ik naar bed mocht gaan.

Onder welk een ontzettenden dwang zat ik daar, uur op uur, in dezelfde houding, bang om een arm of been te bewegen, uit vrees, dat juffrouw Murdstone zou klagen—zooals zij bij het minste deed—over mijne ongedurigheid; bang ook om een oog te verdraaien, uit vrees, dat ik een ontevreden of uitvorschenden blik zou ontmoeten, die in mijn oogopslag nieuwe reden tot klagen zou vinden. Hoe ondragelijk vervelend daar te zitten luisteren naar het tikken van de pendule; te zitten kijken, hoe juffrouw Murdstone de kraaltjes aan een draadje reeg; mij duizendmaal af te vragen of zij wel ooit trouwen zou en zoo ja, hoe ongelukkig die man dan wel zou zijn; telkens en telkens weer de afdeelingen te tellen in het snijwerk van den schoorsteenmantel en mijne oogen langs de figuren en de krullen van het behangsel naar boven te laten dwalen, tot de zoldering!

Hoeveel wandelingen maakte ik niet langs modderige paden in het gure winterweer, de huiskamer met mijnheer en juffrouw Murdstone er in in gedachten meedragende, overal heen: een ontzaglijk zware vracht, die ik verplicht was te torsen; een dagmerrie, die ik onmogelijk kon afwerpen; een gewicht, dat mijn geest drukte en mij suf maakte!

Hoeveel maaltijden gebruikte ik niet, zwijgend en verlegen voor mij kijkende, telkens weder voelend, dat daar een mes en een vork te veel waren—de mijne; een bord en een stoel te veel waren—de mijne; een honger te veel was—de mijne; een persoon te veel was—ik zelf!

Hoeveel avonden bracht ik niet door, wanneer de kaarsen binnengebracht waren en men van mij verwachtte, dat ik mij bezig zou houden, terwijl ik geen onderhoudend boek durfde lezen, maar op een onbegrijpelijk, wreed uitgedacht rekenboek zat te turen; wanneer de tafels van maten en gewichten zich op wijzen zetten, als ‚Rule Britannia’ of ‚Weg zijn nu al mijn zorgen’; en als ze dan niet wilden stil staan om geleerd te worden, maar, gelijk de draad door het oog van mijn grootmoeder's naald, naar mijn ongelukkig hoofd kropen, het eene oor in, het andere uit!

Wat zat ik soms te gapen en te slapen, in weerwil van al mijn strijd; wat kon ik opschrikken, meenende, dat men het woord tot mij richtte, terwijl ik nooit antwoord kreeg op de enkele opmerking, die ik waagde te maken; ik had een gevoel alsof allen langs mij heen keken—ik was niets, ik bestond eigenlijk niet voor hen—en toch was ik hun allen te veel; het eenige genotvolle oogenblik van den geheelen avond was, als ik juffrouw Murdstone met een zucht hoorde zeggen, dat het negen uur en voor mij dus bedtijd was!

Zoo ging de vacantie voorbij, tot de morgen aanbrak, dat juffrouw Murdstone zei: „Dit is de laatste dag!” en mij het laatste kopje thee inschonk. Ik vond het volstrekt niet onaangenaam, dat ik weder zou vertrekken. Ik was langzamerhand in een staat van verdooving geraakt en het vooruitzicht Steerforth te zullen terugzien—al doemde het gezicht van mijnheer Creakle achter hem op—bracht mij weder eenigszins op streek. Nogmaals verscheen Barkis met zijne kar voor het tuinhek en nogmaals hoorde ik de waarschuwende stem van juffrouw Murdstone zeggen: „Clara!” toen mijne moeder zich over mij heen boog en mij vaarwel wenschte.

Ik kuste haar en het kleine broertje en was toen erg bedroefd; niet omdat ik heenging, want er was toch reeds een klove tusschen ons, die met elken dag grooter werd. En niet de kus, dien zij mij bij het heengaan gaf, leeft in mijne herinnering voort, al was die zoo hartelijk mogelijk, maar wel hetgeen op die omhelzing volgde.

Ik zat reeds in de kar, toen ik haar nog hoorde roepen; ik keek achterom en zag haar in het tuinhek staan met haar kindje hoog opgelicht, om mij mijn broertje nog eens te laten zien. Het was koud, stil weer en geen haar op haar hoofd, geen plooi van haar kleed bewoog, terwijl zij daar naar mij stond te kijken met haar kindje in de hoogte.

Zoo zag ik haar voor het laatst. Zoo zag ik haar later in mijne droomen naast mijn bed staan, mij aankijkende met denzelfden strakken blik en met haar kindje in de armen.

IX.

Een merkwaardige verjaardag.

Ik ga in stilte alles voorbij wat op de school voorviel tot mijn verjaardag in Maart. Behalve dat Steerforth beminnenswaardiger was dan ooit, herinner ik er mij niets meer van. Hij zou tegen het einde van het semester, zoo niet vroeger, heengaan, en was knapper en flinker nog dan te voren—in mijne oogen ten minste—zoodat ik nog meer met hem was ingenomen; verder herinner ik mij niets. De groote gebeurtenis, waardoor dit tijdsbestek gekenmerkt is, schijnt de herinnering aan alle minder belangrijke feiten te hebben verduisterd en is alleen levendig gebleven. Het is mij zelfs moeilijk, aan te nemen, dat er tusschen mijn terugkeer op Salem House en dien verjaardag twee maanden zijn verloopen; ik moet het echter wel aannemen, omdat het een feit is; omdat ik thans weet, dat het zoo moet geweest zijn; anders zou ik geneigd zijn om te gelooven, dat de eene gebeurtenis de andere op den voet is gevolgd.

Hoe goed herinner ik mij welk soort weder het was dien dag! Ik ruik den mist nog, die over de speelplaats hing; ik zie nog den glinsterenden rijp, die over alles was verspreid; ik voel nog hoe vochtig en klam mijne haren langs mijn hoofd hingen; ik zie de schoolzaal nog, half in de schemering, hier en daar een kaars om ten minste iets te kunnen lezen; en den adem van de jongens, zich kronkelend door de koude ochtendlucht, wanneer zij in de handen bliezen en met de voeten op den grond stampten om eenige doorstraling te krijgen.

Wij hadden ontbeten en waren van de speelplaats naar binnen geroepen, toen mijnheer Sharp binnentrad en zeide:

„David Copperfield wordt in de spreekkamer verzocht.”

Ik verwachtte een mandje van Peggotty en sprong verheugd op. Enkelen van de jongens fluisterden mij in, dat zij bij de verdeeling van de verwachte heerlijkheden niet vergeten mochten worden, en met een gelaat, dat van blijde verwachting straalde, ging ik naar de spreekkamer.

„Haast u maar niet zoo, David,” zei mijnheer Sharp. „Er is tijd genoeg, beste jongen, haast u maar niet zoo.”

Had ik er acht op geslagen, dan zou ik zonder twijfel getroffen zijn geweest door den gevoelvollen toon, waarop hij sprak; maar ik lette daar niet op. Ik snelde naar de spreekkamer en vond daar mijnheer Creakle met de courant en het onafscheidelijke rietje naast zich en mevrouw Creakle met een geopenden brief in de hand. Geen mand echter.

„David Copperfield,” sprak mevrouw Creakle, terwijl zij mij naar de canapé geleidde en naast mij kwam zitten, „ik moet eens met u spreken. Ik heb u iets te vertellen, mijn jongen.”

Mijnheer Creakle, dien ik natuurlijk voortdurend in het oog hield, schudde het hoofd, zonder naar mij te kijken, en drong een zucht terug met een groot stuk geroosterd brood.

„Gij zijt nog te jong om te weten hoe de wereld dagelijks verandert,” sprak mevrouw Creakle, na eene kleine pauze.... „waren allen tehuis wel?”...... Nogmaals eene pauze.... „Was uwe mama wel?”

Ik begon te beven, al wist ik zelf niet waarom, en keek haar vragend aan, zonder echter een woord uit te brengen.

„Omdat,” vervolgde zij, „omdat ik tot mijn spijt u vertellen moet, dat uwe mama erg ziek is.”

Het scheen mij plotseling toe of er een nevel opkwam tusschen mevrouw Creakle en mij en of haar gelaat daarin zweefde. Daarna voelde ik heete tranen langs mijne wangen glijden en was de nevel verdwenen.

„Zij is zeer gevaarlijk ziek,” voegde zij er bij.

Nu wist ik alles.

„Zij is dood.”

Mevrouw Creakle behoefde mij dit niet meer te vertellen. Ik had reeds een kreet van wanhoop geuit, want ik voelde, dat ik nu geheel alleen stond in de wereld. Mevrouw Creakle was zeer lief voor mij; zij hield mij den geheelen dag bij zich en liet mij ook nu en dan alleen; en ik schreide en viel van uitputting in slaap, werd wakker en schreide opnieuw. Toen ik niet meer kon schreien, begon ik na te denken en nu eerst voelde ik de zwaarte van den slag ten volle en begon ik te begrijpen, dat voor zulk een smart geen leniging te vinden was. Toch kon ik mijne gedachten niet bepalen bij de ramp zelve; maar hielden ze zich bezig met bijzaken. Ik dacht aan ons huis, dat nu zeker gesloten zou zijn. Ik dacht aan mijn kleine broertje, dat, zooals mevrouw Creakle zeide, in den laatsten tijd erg kwijnde en nu ook wel sterven zou. Ik dacht aan het graf van mijn vader, op het kerkhof achter ons huis, en vroeg mij af of mijne moeder daar nu ook zou worden begraven onder den boom, dien ik zoo goed kende. Ik ging, toen ik alleen was, op een stoel staan, om in den spiegel te zien hoe rood mijne oogen waren en of ik erg bedroefd keek. Na eenige uren, toen mijne tranen, naar het scheen, niet meer zoo rijkelijk wilden vloeien, begon ik mij af te vragen wat mij, met betrekking tot mijn groot verlies, wel het meest zou aandoen wanneer ik naar huis reed—want ik zou naar huis gaan, om de begrafenis bij te wonen. Ik herinner mij, dat de jongens mij met een zekeren eerbied aankeken, dat ik tengevolge van mijne droefheid een persoon van gewicht geworden was in hunne oogen.

Indien ooit een kind oprecht bedroefd was, dan was ik het. Toch herinner ik mij dat deze belangrijkheid eene soort van voldoening voor mij was, toen ik dien namiddag op de speelplaats rondwandelde, terwijl de jongens in de school waren. Wanneer ik hen door de ramen naar mij zag kijken, terwijl zij van de eene klasse naar de andere gingen, gevoelde ik een zekere onderscheiding; ik keek bedroefder en wandelde langzamer. Toen de schooltijd om was en zij naar buiten kwamen en met mij spraken, vond ik het bijzonder welwillend van mij, dat ik niet hoogmoedig was en aan allen dezelfde aandacht bleef schenken als de vorige dagen.

Den volgenden avond zou ik naar huis gaan, niet met den postwagen, maar met een reusachtige diligence, die des avonds vertrok en de „boerenkar” werd genoemd, omdat zij gewoonlijk gebruikt werd door landlieden, die korte afstanden hadden af te leggen. Dien avond werd er niet verteld en Traddles stond er op mij zijn hoofdkussen te leenen. Ik weet niet waarom hij meende mij daarmede goed te doen, want ik had er zelf een; maar het was alles wat hij kon uitleenen, de arme jongen, behalve een velletje postpapier, vol geteekend met geraamten en dat gaf hij mij, toen ik vertrok, om troost en kalmte bij te vinden.

In den namiddag van den volgenden dag verliet ik Salem House, weinig denkende, dat ik er nimmer meer zou terugkomen. Wij reden den geheelen nacht zeer langzaam door en bereikten Yarmouth niet voor negen of tien uur in den morgen. Ik keek rond of ik Barkis ook zag, maar hij was er niet en in plaats van hem verscheen een dik, rond, kortademig, levendig, oud mannetje in het zwart, met vaalkleurige strikjes aan de knieën, zwarte kousen en een hoed met breeden rand, aan het portierraam en vroeg:

„Jongeheer Copperfield?”

„Die ben ik, Mijnheer.”

„Wilt gij wel zoo goed zijn met mij mede te gaan, jongeheer?” vroeg hij, het portier openend, „ik zal het genoegen hebben u naar mijn huis te brengen.”

Ik legde mijne hand in de zijne, nieuwsgierig om te weten wie hij was, en zoo wandelden wij naar een winkel in een nauw straatje, waar ik las: OMER, _Lakenhandelaar_, _Kleedermaker_, _Koopman_, _Bedienaar bij begrafenissen_, _enz._ Het was een benauwd, somber winkeltje, vol allerlei gemaakte en niet-gemaakte kleederen; terwijl één venster geheel ingenomen was door vilten mannen- en vrouwenhoeden.