Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 12
„Ik ben er zeker van, dat gij ook uw best doet, jongeheer,” zei baas Peggotty, zijn hoofd schuddend—„en meer kan men niet doen. Ik ben u zeer verplicht voor uwe vriendelijke ontvangst, jongeheer. Ik ben wat ruw, jongeheer, maar ik meen het goed—ten minste, ik doe mijn best, begrijpt gij? Aan mijn huis is niet veel te zien, maar het staat voor u open, wanneer gij eens met jongeheer Davy wilt komen om het te zien. Ik ben een echte plakker,” vervolgde hij, waarmede hij bedoelde, dat hij maar niet kon wegkomen; want na elk gezegde had hij daarmede een begin gemaakt, maar was telkens weder teruggekomen; „maar ik wensch u beiden gezondheid en voorspoed!”
Ham herhaalde dezen wensch en wij namen op de hartelijkste wijze afscheid. Ik kwam dien avond in groote verzoeking om Steerforth het een en ander van de lieve, kleine Emily te vertellen, maar ik was te beschroomd om haar naam te noemen en te bevreesd, dat hij mij zou uitlachen. Ik herinner mij nog, dat ik langen tijd en met een gevoel van onrust nadacht over baas Peggotty's gezegde, dat zij bijna een volwassen meisje was, maar kwam toch tot het besluit, dat dit gekheid was.
Wij brachten de versnapering, die baas Peggotty meegebracht en zelf dien naam gegeven had, onopgemerkt naar onze kamer en dien avond was er groot souper. Voor Traddles had dit echter onaangename gevolgen; hij was te ongelukkig om, zooals alle anderen, goed door zulk een souper heen te komen. Des nachts werd hij ziek tengevolge van de krab en na volgens Demple, wiens vader apotheker was, genoeg drankjes en pillen te hebben geslikt om een paard te vergeven, kreeg hij een pak slaag met mijnheer Creakle's rietje en zes hoofdstukken uit het Grieksche testament over te schrijven, omdat hij weigerde de namen te noemen van zijne mededischgenooten.
Het overige gedeelte van het halfjaar is in mijne herinnering een mengelmoes van dagelijks terugkeerende rietslagen en ellende; van het heengaan van den zomer en het wisselende jaargetij; van de kille ochtenden, wanneer de bel ons uit het bed luidde en de koude, donkere avonden, wanneer wij er weer in geluid werden; van de slecht verlichte en karig verwarmde zaal, waar de avondschool werd gehouden, en van de morgenuren op school, waarin wij allen zaten te bibberen; van de geregelde afwisseling tusschen gekookt ossenvleesch en gebraden ossenvleesch, van propjes klei, die met den weidschen naam van boterhammen betiteld werden, van gekookt schapenvleesch en gebraden schapenvleesch; van boeken met ezelsooren, gebarsten leien, met tranen doortrokken schrijfboeken, stokslagen, afstraffingen met de liniaal, haarsnijden, regenachtige Zondagen, vette poddingen, alles in een atmospheer, waarvan inkt het hoofdbestanddeel uitmaakte.
Ik herinner mij echter nog zeer goed, hoe het verwijderd vooruitzicht op de vacantie, eerst zoo ver af, langzamerhand begon in te krimpen; hoe wij van maanden op weken en van weken op dagen kwamen en hoe bang ik was, dat ik niet zou gaan. Hoe Steerforth mij uit den brand hielp door mij te zeggen, dat ik zeker gaan zou en hoe bevreesd ik was, dat ik voor dien tijd mijn been nog zou breken. Hoe de dag van vertrek naderde, eerst over drie weken, dan over veertien dagen, eindelijk de volgende week, over-overmorgen, overmorgen, morgen, van avond—toen zat ik weder in den omnibus naar Yarmouth, op weg naar huis.
Ik deed menig dutje in den Yarmouther omnibus en werd door tallooze droomen over al deze dingen bezig gehouden; maar als ik nu en dan wakker werd, was hetgeen ik uit het raampje zag niet meer de speelplaats van Salem House en de geluiden, die ik opving, waren niet meer de slagen op den rug van dien armen Traddles, maar die van de zweep op de ruggen der paarden.
VIII.
Mijne vacantie; meer bepaald een zekere gelukkige namiddag.
Toen wij vóór het aanbreken van den dag hij het logement aankwamen, waar de omnibus stilhield—het was niet hetzelfde, waar die vriend van mij kellner was—werd mij een klein, net slaapkamertje gewezen, op welks deur een dolfijn was geschilderd. Ik herinner mij, dat ik, in weerwil van den kop heete thee, dien men mij beneden bij een groot haardvuur had laten opdrinken, steenkoud was; dat ik met innig welgevallen in bed kroop, de dekens over het hoofd sloeg en weldra rustig sliep.
Te negen uur zou ik door mijn vriend Barkis gewekt worden, maar ik was reeds om acht uur op, een weinig huiverig ten gevolge van de korte nachtrust, en stond op den bepaalden tijd vóór hem. Hij ontving mij zooals hij zou gedaan hebben, als wij elkander vijf minuten geleden nog gezien hadden en ik even de gelagkamer was binnengegaan om een shilling te wisselen of iets dergelijks te doen.
Zoodra ik en mijn koffer waren opgeladen en de voerman gezeten was, stapte het luie paard in zijn gewonen gang met ons voort.
„Gij hebt u goed gehouden, Barkis,” zei ik, meenende dat hij gaarne zoo iets zou hooren.
Barkis veegde zijn wang af met zijne mouw en bekeek deze daarna, vermoedelijk in de onderstelling, dat hij er iets van zijn blos op zou terugvinden; hij gaf echter op geen andere wijze te kennen, dat hij erkentelijk was voor mijn complimentje.
„Ik heb uwe boodschap overgebracht, Barkis,” zei ik; „ik schreef aan Peggotty.”
„Zoo!” zei hij. Hij scheen knorrig te zijn en antwoordde op zeer stroeven toon.
„Was het zoo niet goed, Barkis?” vroeg ik na eene kleine aarzeling.
„Wat niet?” vroeg Barkis.
„De boodschap?”
„De boodschap was zeker goed genoeg,” zei hij, „maar daarmede was het uit.”
Ik begreep volstrekt niet wat hij bedoelde en herhaalde op vragenden toon: „Was het uit, Barkis?”
„Er is niets van gekomen,” verklaarde hij, mij eenigszins scheel aankijkende. „Geen antwoord.”
„Hadt gij dan een antwoord verwacht, Barkis?” vroeg ik met groote oogen. Er ging een nieuw licht voor mij op.
„Wanneer een man zegt, dat hij wel wil,” zei Barkis, terwijl hij mij voor de eerste maal zijn geheele gelaat toonde, „dan wil dat zooveel zeggen als dat hij een antwoord verwacht.”
„Jawel, Barkis.”
„Jawel,” herhaalde hij, terwijl hij weer tusschen de ooren van zijn paard doorkeek, „die man heeft sinds dien tijd op een antwoord gewacht.”
„Hebt gij haar dat ook gezegd, Barkis?”
„N....een,” bromde hij; maar hij scheen toch over deze wijsgeerige opmerking na te denken. „Ik kon toch niet naar haar toegaan en haar dat vertellen. Ik heb nog geen zes woorden met haar gewisseld. _Ik_ kan niet naar haar toegaan en haar dat vertellen.”
„Wenscht gij, dat ik het zal doen, Barkis?” vroeg ik aarzelend.
„Als gij wilt, moogt gij het haar zeggen,” antwoordde hij en keerde mij nogmaals zijn gelaat toe. „Barkis wacht op antwoord. Zeg maar—hoe is haar naam ook?”
„Haar naam?”
„Ja, ja,” zei Barkis knikkende.
„Peggotty.”
„Doopnaam?”
„Neen, dat is haar doopnaam niet. Haar doopnaam is Clara.”
„Zoo, waarlijk!” zei Barkis.
Het scheen wel, dat deze omstandigheid hem ontzaglijk veel stof tot overdenking gaf, want hij zat een geruimen tijd te peinzen en zachtjes te fluiten.
„Welnu!” hernam hij eindelijk. „Gij zegt: „Peggotty, Barkis wacht op antwoord.” Zegt zij dan wellicht: „Waarop wacht Barkis antwoord?” Dan zegt gij: „Op hetgeen ik u schreef!” Dan zegt zij: „Wat schreeft gij mij dan?” En zegt gij: „Barkis wil wel!””
Deze buitengewoon vernuftige ingeving liet Barkis vergezeld gaan van een elleboogstoot, die mij gedurende eenige oogenblikken pijn in de zijde berokkende. Daarna bleef hij op de gewone wijze recht vooruit kijken met den voorarm op de knie en roerde het onderwerp niet meer aan; een half uur later haalde hij een stuk krijt uit den zak en schreef tegen den binnenwand van de kar: „Clara Peggotty,” blijkbaar om nu en dan zijn geheugen eens te gemoet te komen.
O, wat was het eene vreemde gewaarwording, naar huis te gaan terwijl het mijn thuis niet meer was; te ondervinden dat elk voorwerp, dat ik zag, mij herinnerde aan den heerlijken ouden tijd, die mij toescheen als een droom, dien ik nimmer meer droomen kon. De tijd, toen mijne moeder en ik en Peggotty alles en alles voor elkander waren, toen er nog niemand tusschen ons was gekomen, stond mij zoo helder voor den geest, doch wekte zulke droeve herinneringen bij mij op, dat ik niet zeker ben of ik niet liever had willen wegblijven en alles in Steerforth's gezelschap vergeten. Maar daar was ik er; ik zag ons huis weder en de kale oude olmen, die hunne takken als even zoo vele armen in de koude winterlucht staken en de overblijfselen van de verlaten kraaiennesten naar alle winden hadden verstrooid.
De voerman zette mijn koffer bij het tuinhek neer en liet mij alleen staan. Ik wandelde langs het pad naar huis, turende naar de vensters en bij elken stap vreezende het gelaat van mijnheer of juffrouw Murdstone te zullen ontdekken. Maar er was geen enkel gezicht te zien, en toen ik het huis genaderd was, opende ik de deur, die als van ouds bij dag niet gesloten was, en ging naar binnen.
God weet met welk een kinderlijk gevoel ik daar in de gang stond, terwijl het geluid van de stem mijner moeder uit de huiskamer tot mij doordrong. Zij zat zachtjes te zingen. Ik vermoed, dat zij ook zoo gezongen heeft toen ik als een zuigeling in hare armen lag. De wijs was nieuw voor mij en toch zoo oud, dat mijn hart tot berstens toe vol was.
Uit den mijmerenden toon, waarop mijne moeder haar liedje neuriede, meende ik te kunnen opmaken, dat zij alleen was. Zachtjes ging ik de kamer binnen; zij zat bij den haard, met een kindje aan de borst, dat het kleine mollige handje om haar hals had geslagen. Hare oogen waren op het kleine gezichtje gevestigd, terwijl zij het in slaap trachtte te zingen. In zoo ver had ik dus goed geraden; ander gezelschap had zij niet.
Ik sprak haar toe; zij schrikte en gaf een gil. Maar toen zij mij zag, noemde zij mij haar lieve David, haar eigen jongen! en terwijl zij mij halverwege te gemoet liep, knielde zij voor mij neer en kuste mij en legde mijn hoofd tegen hare borst naast het kleine schepseltje, dat zich daar genesteld had, en bracht de kleine handjes naar mijne lippen.
O, ware ik op dat oogenblik gestorven! Ware ik gestorven met dat gevoel in mijn hart! Ik zou dan zeker meer recht hebben gehad op eene plaats in den Hemel dan ooit daarna.
„Het is uw broertje,” zei mijne moeder, mij liefkoozend. „Davy, beste jongen! Mijn arm kind!” Daarna kuste zij mij nogmaals en nogmaals en sloeg den arm om mijn hals. Zoo stonden wij nog, toen Peggotty kwam aansnellen en op den grond naast ons neerviel en gedurende een kwartier ongeveer zich aanstelde of zij dol was.
Het scheen, dat men mij niet zoo vroeg had verwacht; de vrachtwagen was veel eerder dan gewoonlijk aangekomen. Ook scheen het, dat mijnheer en juffrouw Murdstone een bezoek brachten in de buurt en vóór den avond niet zouden terugkeeren. Ik had dit niet durven hopen. Ik had nooit aan de mogelijkheid durven denken, dat wij nog eens ongestoord met ons drieën bij elkander zouden zijn; voor het oogenblik had ik het gevoel alsof de oude tijd was teruggekeerd. Wij gebruikten te zamen het middagmaal. Peggotty wilde ons bedienen, maar mijne moeder wilde het niet toestaan; zij moest mede aanzitten. Ik at van mijn eigen bordje, waarop een oorlogsschip geteekend was in volle zeilen; Peggotty had het gedurende al dien tijd als een reliquie bewaard en zou het, zooals zij beweerde, voor geen honderd pond hebben afgestaan of gebroken. Ik dronk uit mijn oude kroesje met „David” er op en gebruikte mijn eigen vorkje en mijn eigen mes, dat nog altijd niet wilde snijden.
Terwijl wij zoo bij elkander zaten, meende ik eene geschikte gelegenheid te hebben om Peggotty over Barkis te spreken; maar nog eer ik had uitgesproken, begon zij te lachen en wierp den boezelaar over het gelaat.
„Peggotty,” vroeg mijne moeder, „wat is er aan de hand?”
Peggotty bleef maar lachen en hield den boezelaar stijf over haar gezicht, toen mijne moeder dien wilde wegtrekken.
„Wat, doet gij toch, mal schepsel!” vroeg mijne moeder lachend.
„Och, die dwaze vent wil met mij trouwen,” riep Peggotty.
„Dat zou nog zoo kwaad niet zijn, is 't wel?” sprak mijne moeder.
„O, dat weet ik niet,” zei Peggotty. „Spreek er niet van! Ik zou hem niet willen hebben, al was hij van goud gemaakt! Ik wil geen man hebben!”
„Waarom zegt gij hem dat dan niet, dwaze meid?” vroeg mijne moeder.
„Het hem zeggen?” antwoordde Peggotty, achter haar boezelaar uitkijkend. „Hij heeft er nog geen woord met mij over gesproken. Hij past wel op. Als hij er een woord van tegen mij durfde zeggen, zou ik hem een klap in het gezicht geven.”
Haar eigen gezicht was zoo rood als ik ooit een gezicht gezien heb; zij bedekte het echter opnieuw en kreeg weder een geweldige lachbui, die nog door twee of drie andere gevolgd werd, waarna zij weder begon te eten.
Ik maakte in mij zelven de opmerking, dat al glimlachte mijne moeder, wanneer zij naar Peggotty keek, zij toch in eene ernstige stemming verkeerde en over iets scheen na te denken. Voor het eerst zag ik nu ook, dat zij veranderd was. Wel was zij nog mooi, maar haar gelaat droeg de sporen van veel zorg en over het algemeen was zij veel tengerder geworden; hare handen waren zoo dun en mager, dat men er wel doorheen kon zien. Bovendien werd zij op dit oogenblik nog door vrees geplaagd; zij was nu eenmaal spoedig angstig en zwaartillend.
„Peggotty,” sprak zij, terwijl zij hare hand op den arm der oude dienstbode legde, „gij zult toch niet gaan trouwen?”
„Ik, mevrouw?” antwoordde Peggotty verbaasd, „lieve hemel, neen!”
„Immers niet zoo heel spoedig?” vroeg mijne moeder weder, zoo vriendelijk mogelijk.
„Nimmer!” riep Peggotty.
Mijne moeder nam Peggotty's hand in de hare en sprak: „Gij moogt mij niet verlaten, Peggotty. Gij moet bij mij blijven. Het zal misschien niet lang zijn. Wat zou ik beginnen zonder u?”
„Ik u verlaten, mijn schat!” riep Peggotty. „Voor al het goud der wereld niet! Wie heeft u dit toch in dat kleine, onnoozele hoofdje gehaald?”—Peggotty had tot gewoonte aangenomen mijne moeder somtijds nog als een kind toe te spreken.
Mijne moeder antwoordde niet dan om haar te bedanken, waarop Peggotty voortging: „Ik u verlaten? Ik wilde mij zelve dat wel eens zien doen! Peggotty van u heengaan? Ik wilde haar wel eens daarop betrappen! Neen, neen,” vervolgde zij, het hoofd schuddend en met de armen kruiselings over de borst, „dat doet zij niet, liefste. Er zijn weliswaar een paar katten, die dat gaarne zouden zien, maar ik zal hun dat genoegen niet gunnen. Ik zal hen sarren, zoo lang ik kan. Ik blijf bij u tot ik een suf, oud vrouwtje ben. En wanneer ik te doof en te lam en te blind en te aftands ben om nog ergens goed voor te zijn, zelfs niet om bekeven te worden, dan ga ik naar mijn Davy en vraag hem om mij op te nemen.”
„En Peggotty,” zei ik, „ik zal heel blijde zijn als gij komt, en gij zult een leven bij mij hebben als een prinses.”
„Groote goedheid!” riep zij uit, „dat weet ik; daarvoor ken ik u genoeg!” En bij voorbaat kuste zij mij uit dankbaarheid voor mijne gastvrijheid. Daarna bedekte zij het hoofd weder met haar boezelaar, en lachte nog eens hartelijk om Barkis. Zij nam daarop het kleintje uit de wieg en suste het in slaap, ruimde vervolgens de tafel op en kwam weder binnen met een andere muts en haar werkdoosje en het ellemaatje en het stukje waskaars, juist zooals vroeger. Wij zaten om de kachel en praatten heel gezellig. Ik vertelde hun welk een gestrenge en hardvochtige meester mijnheer Creakle was, en beiden hadden medelijden met mij. Ik vertelde hun hoe Steerforth mij in bescherming had genomen, en Peggotty verklaarde, dat zij twintig mijlen zou willen loopen om hem te zien. Daarna nam ik mijn kleine broertje, dat weer wakker was geworden, van haar over, om het op mijne beurt te sussen. Toen hij in slaap was, kroop ik dicht tegen mijne moeder aan, zooals lang geleden mijne gewoonte geweest was, en zat met mijne armen om haar middel, en mijne kleine roode wang tegen haar schouder, en voelde heur zachte haren over mijn gezicht vallen—ik herinner mij, dat ik ze altijd vergeleek bij de vleugels van een engel—en was volmaakt gelukkig.
Terwijl ik daar zoo in het vuur zat te kijken en allerlei figuren zag in de gloeiende kolen, begon ik bijna te gelooven, dat ik nooit weg was geweest; dat mijnheer en juffrouw Murdstone slechts in mijne verbeelding bestonden en zouden verdwijnen evenals de figuren in het vuur; en dat van al hetgeen ik in het laatste jaar had ondervonden alleen mijne moeder en Peggotty en ik werkelijk bestaande wezens waren.
Peggotty zat zoo lang zij maar eenigszins zien kon hare kous te stoppen, en bleef toen zitten met de kous als een handschoen om hare linkerhand en een naald in de rechter, gereed om nog een steekje te doen, telkens wanneer het vuur eens opvlamde. Ik kan mij niet voorstellen wiens kousen Peggotty altijd, zoolang ik mij harer herinner, zat te stoppen of waar die onuitputtelijke hoeveelheid altijd vandaan kwam. Van mijne vroegste jeugd af heb ik haar nooit aan iets anders bezig gezien.
„Ik zou wel eens willen weten,” zei Peggotty eensklaps—zij had dikwijls zulke wonderlijke invallen—„wat er toch wel van Davy's oud-tante mag geworden zijn?”
„Lieve Hemel, Peggotty!” riep mijne moeder, die door deze vraag uit haar gepeins ontwaakte, „hoe komt gij daar nu op eens aan?”
„Ik zou het waarlijk gaarne eens weten, mevrouw.”
„Hoe komt dat mensch u zoo opeens in de gedachten?” vroeg mijne moeder. „Zijn er geen menschen genoeg om aan te denken?”
„Ik weet niet hoe het komt,” zei Peggotty; „het zal wel zijn omdat ik zoo dom ben, maar ik kan de menschen, aan wie ik moet denken, nooit zelf kiezen. Zij gaan en komen en zij gaan niet en komen niet, juist, zooals zij zelve willen. Ik ben waarlijk heel nieuwsgierig naar hetgeen van haar geworden is.”
„Wat kunt gij toch dwaze invallen hebben, Peggotty,” antwoordde mijne moeder. „Men zou meenen, dat gij gesteld waart op een tweede bezoek van dat mensch.”
„De Hemel beware mij daarvoor!” riep Peggotty.
„Welnu, spreek dan niet over zulke onverkwikkelijke dingen, dwaze meid!” zei mijne moeder. „Juffrouw Betsey woont veilig en wel in haar huisje aan het strand en zal daar ongetwijfeld wel stilletjes blijven. Vermoedelijk is zij ook niet voornemens ons ooit weder lastig te komen vallen.”
„Neen!” mompelde Peggotty. „Neen, dat is niet waarschijnlijk; ik ben toch nieuwsgierig of zij Davy nog iets zal nalaten bij haar dood!”
„Goede Hemel, Peggotty!” barstte mijne moeder uit. „Wat kunt gij toch dwaze taal uitslaan! Gij weet immers hoe boos zij was toen de arme jongen ter wereld kwam!”
„Ik vermoed, dat zij nu in het geheel niet geneigd zal zijn om het hem te vergeven,” mompelde Peggotty.
„Waarom zou zij dat niet?” vroeg mijne moeder, ietwat scherp.
„Omdat hij nu een broertje heeft, bedoel ik,” antwoordde Peggotty.
Mijne moeder begon onmiddellijk te schreien en verwonderde zich over Peggotty's driestheid om zoo iets te durven zeggen.
„Alsof dat kleine onschuldige ding daar in de wieg u of iemand anders ooit leed heeft gedaan, jaloersche meid!” sprak zij snikkend. „Gij deedt maar beter met Barkis, den voerman, te trouwen. Waarom doet gij het niet?”
„Als ik dat deed, zou ik juffrouw Murdstone al te gelukkig maken,” antwoordde Peggotty.
„Wat zijt gij toch eigenlijk slecht, Peggotty!” hernam mijne moeder. „Gij zijt zoo jaloersch op juffrouw Murdstone als zoo'n mal schepsel maar zijn kan. Gij zoudt zelve de sleutels wel in uw bezit willen hebben en alles uitgeven, nietwaar? Het zou mij niets verbazen, als gij dat wildet. Gij weet, dat zij het alleen uit vriendelijkheid en met de beste bedoelingen doet. Dat weet gij, Peggotty—dat weet gij heel goed.”
Peggotty mompelde nog iets van „beste bedoelingen, die de drommel mocht halen” en dat zij van die bedoelingen al meer dan genoeg had.
„Ik weet wel wat gij bedoelt, knorrepot, die gij zijt. Ik begrijp u heel goed, Peggotty,” vervolgde mijne moeder. „Gij weet wel, dat ik het doe en het verbaast mij, dat gij geen kleur krijgt als vuur. Maar laat ons bij juffrouw Murdstone blijven en dat andere punt laten varen, maar wat juffrouw Murdstone betreft..... gij hebt haar dikwijls genoeg hooren zeggen, dat zij mij te gedachteloos vindt en.... te.... te....”
„Te mooi,” vulde Peggotty aan.
„Welnu,” hernam mijne moeder lachend, „als zij dwaas genoeg is om dat te zeggen, kan ik dat helpen?”
„Niemand beweert, dat gij 't kunt helpen,” antwoordde Peggotty.
„Nu, dat mag ik waarlijk ook hopen! Hebt gij haar niet herhaaldelijk hooren zeggen dat zij mij van alle zorgen wil ontheffen, waarvoor zij meent, dat ik niet berekend ben en waarvoor ik—dat heb ik zelve leeren inzien—niet berekend ben; en is zij niet het eerste op en het laatst in bed en loopt zij niet den geheelen dag trap op, trap af, en doet zij niet alles? Kruipt zij niet in het kolenhok en in de provisiekast en waarin al niet? Dat is toch ver van plezierig—en zoudt gij nu willen beweren, dat zij dat alles niet doet uit „liefde voor mij?” Zoudt gij haar in verdenking willen brengen?”
„Ik breng niemand in verdenking,” zei Peggotty.
„Dat doet gij wel, Peggotty,” antwoordde mijne moeder. „Behalve uw werk doet gij niets anders. Gij brengt altijd iedereen in verdenking. Gij hebt daar plezier in. En wanneer gij spreekt over de goede bedoelingen van mijnheer Murdstone....”
„Daarover heb ik nog nooit gesproken.”
„Neen, Peggotty, maar gij maakt ze verdacht. Dat is juist wat ik zooeven zeide. Dat is slecht van u. Gij _wilt_ iedereen in verdenking brengen. Ik zei zooeven, dat ik u begreep en nu ziet gij dat ik waarheid sprak. Wanneer gij spreekt over mijnheer Murdstone's goede bedoelingen—ik kan niet gelooven, dat gij die in uw hart zoudt minachten—dan moet gij wel evenals ik overtuigd wezen, dat ze goed zijn en hoe hij zich daardoor geheel laat leiden. En als hij voor zeker iemand wat streng schijnt te zijn, Peggotty—gij begrijpt en Davy zal het ook begrijpen, dat ik niemand bedoel, die hier aanwezig is—is dit alleen omdat hij overtuigd is, dat het voor het bestwil is van die zeker iemand. Om mijnentwil heeft hij zeker iemand lief en alles wat hij doet, is ter wille van die zeker iemand. Hij is beter in staat om dat te beoordeelen dan ik; want ik weet heel goed, dat ik een zwak, kinderachtig schepsel ben en dat hij een flink, ernstig man is. En hij heeft—de tranen keerden in hare oogen terug en biggelden langs hare zachte wangen—hij heeft veel moeite met mij; ik behoor hem zeer dankbaar en zelfs in mijne gedachten onderdanig te zijn. En als ik dat niet ben, Peggotty, dan heb ik berouw en beschuldig mij zelve van ondankbaarheid en voel twijfel opkomen in mijn hart en weet niet wat ik doen zal.”
Peggotty zat zwijgend, met de kin op den voet van de kous, in het vuur te staren.
„Kom, Peggotty,” sprak mijne moeder eindelijk, op geheel anderen toon, „laat ons vrede met elkander houden, want ik kan niet tegen onaangenaamheden. Gij zijt eene trouwe vriendin voor mij, dat weet ik; de trouwste, die ik in de wereld bezit. Wanneer ik u een lastig schepsel of een malle meid noem, of iets dergelijks, Peggotty, bedoel ik daar alleen mede, dat gij mijne trouwe vriendin zijt en altijd geweest zijt sinds den avond, toen mijnheer Copperfield mij dit huis binnen bracht en gij mij aan het hek te gemoet kwaamt.”
Peggotty draalde niet met het geven van een antwoord en bekrachtigde den vriendschapsband door mij eenige malen te omhelzen. Ik geloof wel, dat ik iets begreep van dit gesprek op dat oogenblik; maar thans ben ik er zeker van, dat het goede schepsel er alleen aanleiding toe gaf en er aan deelnam, opdat mijne moeder haar hart nog eens zou ontlasten. Haar doel werd volkomen bereikt, want mijne moeder was gedurende het overige gedeelte van den avond meer op haar gemak—ik herinner mij dit zeer goed.