Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 11

Chapter 113,878 wordsPublic domain

Indien ik het begrip „beer of stier” kon verbinden aan iemand, zoo zachtmoedig als mijnheer Mell, zou ik zeggen, dat hij dien namiddag, toen het tumult het toppunt bereikt had, zeer veel overeenkomst vertoonde met zulk een dier, wanneer het door duizend honden wordt vervolgd en opgejaagd. Ik zie hem nog voor mij, met het gloeiende hoofd in de magere hand, gebogen over het groote boek op zijne schrijftafel en te vergeefs beproevend voort te gaan met zijn vervelend en eentonig werk te midden van een kabaal, dat zelfs den voorzitter van het Lager Huis zou hebben doen duizelen. De jongens zaten geen oogenblik op hunne plaatsen, speelden stuivertje verwisselen in de hoeken van de zaal; daar waren lachende jongens, zingende jongens, pratende jongens, dansende jongens, brullende jongens; daar waren jongens, die met hunne voeten zaten te schuifelen, jongens, die om mijnheer Mell heendraaiden, jongens, die grijnsden, die leelijke gezichten trokken of grimassen maakten achter zijn rug, den spot dreven met zijne armoede, zijne laarzen, zijn jas, zijne moeder, ja met alles, dat hem toebehoorde en—dat zij hadden behooren te eerbiedigen.

„Stilte!” riep mijnheer Mell, terwijl hij plotseling opstond en met zijn boek op de lessenaar sloeg. „Wat moet dat beduiden? Dat is niet uit te staan! Het is om razend te worden! Hoe kunt gij mij dat nu aandoen, jongens?”

Het was mijn boek, waarmede hij op de tafel sloeg, en terwijl ik naast hem stond en den blik volgde, waarmede hij de zaal rondkeek, zag ik dat de jongens ophielden; sommige schenen verrast, andere bevreesd, enkelen gevoelden wellicht spijt.

Steerforth's plaats was aan het andere einde van de lange zaal. Hij leunde met den rug tegen den muur, had de handen in de zakken en toen mijnheer Mell sprak, keek hij hem aan en begon te fluiten.

„Stilte, jongeheer Steerforth!” riep mijnheer Mell.

„Houd zelf je mond,” gaf Steerforth terug, met een kleur als vuur. „Tegen wien spreekt gij?”

„Ga zitten,” zei mijnheer Mell.

„Ga zelf zitten,” antwoordde Steerforth, „en doe je werk.”

Er werd gegiegel en een zacht applaus gehoord, maar mijnheer Mell was zoo bleek geworden, dat er onmiddellijk stilte volgde en een jongen, die achter hem geslopen was om op nieuw zijne moeder na te apen, hield plotseling op en gaf voor dat zijne pen vermaakt moest worden.

„Indien gij meent, Steerforth,” zei mijnheer Mell, „dat ik niet weet welk eene macht gij op iedereen hier oefent”—hij legde, zonder te weten wat hij deed, veronderstel ik, zijne hand op mijn hoofd—„of dat ik niet heb opgemerkt, hoe gij de kleintjes opzet tegen mij, dan vergist gij u.”

„Ik geef mij zelfs de moeite niet om over je te denken,” antwoordde Steerforth op onverschilligen toon; „er is dus van vergissen geen sprake.”

„En zoo gij van uwe bevoorrechte positie in dit huis gebruikt maakt om een fatsoenlijk man te beleedigen,” vervolgde mijnheer Mell met trillende lippen....

„Een wat?.... Waar is die?” vroeg Steerforth.

Op dit oogenblik riep een van allen: „Schaam je, Steerforth! Dat is te erg!” Het was Traddles, wien mijnheer Mell, door hem te verzoeken zijn mond te houden, onmiddellijk uit het veld sloeg.

.... „Iemand te beleedigen, die niet gelukkig is in zijn leven en u nooit iets heeft misdaan; terwijl gij oud en wijs genoeg zijt om de vele redenen te begrijpen, die er zijn om hem niet te beleedigen,” vervolgde mijnheer Mell, terwijl zijne lippen hoe langer hoe heviger begonnen te trillen, „dat is laag en karakterloos. Gij kunt opstaan of blijven zitten, zooals gij verkiest, jongeheer Steerforth. Ga voort, Copperfield.”

„Copperfieldje,” zei Steerforth nadertredende, „wacht nog even. Ik zal u eens vooral wat vertellen, mijnheer Mell. Als gij de vrijheid neemt mij laag en karakterloos te noemen of iets van dien aard, zijt gij een onbeschaamde bedelaar. Gij zijt altijd een bedelaar, begrijpt gij, maar als gij dat doet, zijt gij een onbeschaamde bedelaar.”

Ik weet niet of hij mijnheer Mell te lijf wilde of dat mijnheer Mell hem wilde slaan, of dat beiden dat plan hadden. Ik zag echter plotseling de geheele school als het ware versteenen; ik zag mijnheer Creakle midden tusschen ons staan met Tungay aan zijne zij; ik zag mevrouw en juffrouw Creakle met den angst op het gelaat door de geopende deur kijken. Mijnheer Mell stond roerloos met de ellebogen op zijn lessenaar en het gelaat in zijne handen begraven.

„Mijnheer Mell,” zei mijnheer Creakle, terwijl hij hem bij een arm heen en weer schudde—hij sprak nu zoo verstaanbaar, dat Tungay zijne woorden niet behoefde te herhalen—„gij hebt u zelven immers niet vergeten, hoop ik?”

„Neen, mijnheer, neen,” antwoordde mijnheer Mell, terwijl hij hem hoofdschuddend aankeek en in de grootste vertwijfeling in zijne handen wreef. „Neen, mijnheer. Neen. Ik ben mij zelven gebleven, mijnheer. Neen, mijnheer Creakle, ik heb mij zelven niet vergeten.... ik.... ik ben mij zelven gebleven, mijnheer. Ik wilde wel, dat gij wat eerder aan mij gedacht hadt, mijnheer Creakle. Dat..... dat zou vriendelijker geweest zijn, mijnheer, veel vriendelijker en rechtvaardiger ook, mijnheer. Dat zou mij iets bespaard hebben, mijnheer.”

Mijnheer Creakle keek hem strak aan, legde zijne hand op Tungay's schouder, zette den voet op de naastbij zijnde bank en ging op de lessenaar zitten. Na nogmaals mijnheer Mell strak aangekeken te hebben, terwijl deze voortging zenuwachtig in de handen te wrijven, keerde mijnheer Creakle zich tot Steerforth en zeide:

„Nu, jongeheer Steerforth, als hij zich niet verwaardigt mij te vertellen, wat er gebeurd is, doe gij het dan.”

Steerforth was door deze vraag een oogenblik van zijn stuk gebracht; hij keek zijn tegenstander minachtend en toornig aan en bewaarde het stilzwijgen. Ik kon het niet helpen, dat ik op dit oogenblik dacht—ik herinner het mij zeer goed—wat is hij toch een kranige figuur, vergeleken met mijnheer Mell, die daar zoo treurig en hulpeloos tegenover staat.

„Waarom sprak hij over gunstelingen of iets dergelijks?” zei Steerforth eindelijk.

„Gunstelingen?” herhaalde mijnheer Creakle, terwijl de aderen op zijn voorhoofd hevig zwollen. „Wie sprak van gunstelingen?”

„Hij,” zei Steerforth.

„Wat bedoeldet gij daarmede, mijnheer?” vroeg mijnheer Creakle, terwijl hij zich met een toornigen blik naar zijn onderwijzer richtte.

„Ik bedoelde, mijnheer Creakle,” antwoordde mijnheer Mell op zachten toon, „wat ik zeide; dat geen der leerlingen het recht heeft van zijne begunstigde positie gebruik te maken, om mij te beleedigen.”

„U te beleedigen?” riep mijnheer Creakle. „Groote Goedheid! Maar sta mij toe u te vragen, mijnheer—Hoe heet gij ook weer?”—mijnheer Creakle sloeg de armen, met stok en al, over elkander en trok de wenkbrauwen zoo dicht bij elkaar, dat er bijna niets meer van zijne oogen te zien was, „of gij, toen gij van gunstelingen spraakt, den noodigen eerbied hebt bewezen aan mij? Aan mij, mijnheer,” herhaalde hij, zijn hoofd met een ruk voor en weder achterover buigend, „uw patroon, het hoofd van de school?”

„Het was niet oordeelkundig, mijnheer, dat wil ik wel aannemen,” antwoordde mijnheer Mell. „Ik zou het niet gedaan hebben, indien ik kalm gebleven was.”

Nu viel Steerforth in.

„Hij heeft ook gezegd, dat ik laag was en hij heeft gezegd, dat ik karakterloos was en toen noemde ik hem een bedelaar. Als ik kalm was geweest, zou ik hem wellicht geen bedelaar hebben genoemd. Ik deed het en ben nu bereid de gevolgen te dragen.”

Zonder te vermoeden welke gevolgen hij zou te dragen hebben, rees hij door dit kloeke gezegde zoo mogelijk nog meer in mijne achting. Ook op de andere jongens maakten zijne woorden indruk; er kwam eenige opschudding onder hen, hoewel niemand een woord durfde spreken.

„Het verbaast mij, Steerforth, al doet uwe oprechtheid u eer aan,” zei mijnheer Creakle,..... „u zeer zeker eer aan—het verbaast mij, Steerforth, dat moet ik zeggen, dat gij iemand, die aan Salem House verbonden is en door mij betaald wordt, zulk een bijnaam kunt geven.”

Steerforth lachte even.

„Dat is geen antwoord, jongeheer,” zei mijnheer Creakle, „dat is geen antwoord op mijne opmerking. Ik verwacht eene nadere verklaring van u, Steerforth.”

Mocht mijnheer Mell er zooeven nietig hebben uitgezien tegenover den knappen Steerforth, het is onmogelijk te zeggen, hoe nietig mijnheer Creakle thans in mijne oogen was geworden.

„Laat het hem ontkennen als hij kan,” zei Steerforth.

„Ontkennen dat hij een bedelaar is?” riep mijnheer Creakle. „Waar gaat hij dan bedelen?”

„Indien hij zelf al geen bedelaar is, dan is toch een zeer nauwe bloedverwant van hem een bedelaar,” antwoordde Steerforth. „Dat is hetzelfde.”

Hij glimlachte tegen mij en mijnheer Mell klopte mij vriendelijk op den schouder. Ik keek op met een blos op het gelaat en schaamte in het hart, doch mijnheer Mell's oogen waren op Steerforth gericht. Hij ging voort mij vriendelijk op den schouder te kloppen, maar bleef Steerforth aankijken.

„Indien gij wenscht, dat ik mij rechtvaardigen zal, mijnheer Creakle,” zei Steerforth, „dat ik zeggen zal wat ik bedoel.... wat ik te zeggen heb, is dat zijne moeder van aalmoezen leeft in een hofje.”

Mijnheer Mell bleef hem aankijken en mij op den schouder kloppen en zei, als ik het goed vernam, fluisterend tot zich zelven. „Dat dacht ik wel.”

Mijnheer Creakle keerde zich tot zijn ondermeester met een streng gelaat en gemaakt beleefden toon:

„Gij hoort wat deze jongeheer zegt, mijnheer Mell. Heb de goedheid hem in het bijzijn van de geheele school te logenstraffen.”

„Hij zegt de waarheid, mijnheer, ik behoef hem niet te logenstraffen,” sprak mijnheer Mell te midden van eene doodsche stilte. „Het is de zuivere waarheid.”

„Wil dan zoo goed zijn te verklaren”, vervolgde mijnheer Creakle, terwijl hij zijn hoofd op zijde hield en zijne oogen door hunne kassen rolden, „of ik daarvan tot op dit oogenblik iets geweten heb?”

„Ik geloof niet rechtstreeks”, antwoordde mijnheer Mell.

„Hoe, weet gij dat niet?” zei mijnheer Creakle. „Weet gij dat niet, man?”

„Ik vermoed, dat gij mijne omstandigheden nooit voor schitterend hebt gehouden”, antwoordde mijnheer Mell. „Gij weet hoe mijne positie is en altijd hier is geweest.”

„En ik vermoed”, zei mijnheer Creakle, terwijl de aderen op zijn voorhoofd hoe langer hoe dikker werden, „dat gij hier nooit op uwe plaats zijt geweest en deze school voor een liefdadigheidsinrichting hebt aangezien. Wij zullen scheiden, mijnheer Mell—hoe eerder hoe beter.”

„Niet beter dan terstond,” antwoordde mijnheer Mell, zich oprichtende.

„Zeer juist, mijnheer!” zei mijnheer Creakle.

„Ik zal afscheid van u nemen, mijnheer Creakle, en van u allen!” zei mijnheer Mell, terwijl hij de geheele school rondkeek en mij nogmaals vriendelijk op den schouder klopte. „En u, James Steerforth, kan ik niets beters toewenschen dan dat gij u nog eens zult schamen over hetgeen gij heden hebt gedaan. Op het oogenblik zou ik liever alles anders in u willen zien dan een vriend van mij of van iemand in wien ik belang stel.”

Nogmaals klopte hij mij op den schouder, nam toen zijne fluit en eenige boeken uit de schrijftafel, waarin hij den sleutel achterliet voor zijn opvolger, en verliet de school met zijn eigendom onder den arm. Mijnheer Creakle hield toen met Tungay's mond een toespraak, waarin hij Steerforth bedankte, dat hij—misschien met wat al te veel ijver—den goeden naam en het fatsoen van Salem House had opgehouden, en die hij besloot met Steerforth de hand te schudden, terwijl wij driemaal „hoezee!” riepen; ik wist niet goed waarom, maar onderstelde, dat het voor Steerforth was, zoodat ik met vuur meeschreeuwde, hoewel ik volstrekt niet vroolijk gestemd was. Daarop werd Traddles afgerost, omdat mijnheer Creakle tranen op zijn gezicht ontdekte en hij geen hoezee riep, waarna mijnheer Creakle terug ging naar de sofa of het bed, waarop hij gelegen had.

Wij waren nu aan ons zelve overgelaten en ik herinner mij zeer goed, dat wij elkander eenigszins verlegen aankeken. Wat mij zelven aangaat, ik voelde zooveel zelfverwijt en wroeging over hetgeen er was voorgevallen, dat alleen de vrees voor Steerforth mijne tranen terug hield. Ik zag, dat hij telkens naar mij keek, en vreesde dat hij het onkameraadschappelijk of, ons verschil in leeftijd in aanmerking genomen, ongepast zou vinden, indien ik toonde, dat ik bedroefd was over het voorgevallene. Op Traddles was hij zeer boos en hij verklaarde blijde te zijn, dat Traddles een pak slaag had gehad.

Arme Traddles! Hij was het tijdperk van met het hoofd op de lessenaar te liggen reeds voorbij en troostte zich als gewoonlijk met het teekenen van geraamten.

„Ik geef er niets om, maar mijnheer Mell is gemeen behandeld!” riep hij.

„Wie heeft hem gemeen behandeld, jongejuffrouw?” vroeg Steerforth.

„Wie? Gij!”

„Wat heb ik dan gedaan?”

„Wat gij gedaan hebt?” vroeg Traddles. „Gij hebt hem beleedigd en hem zijne betrekking doen verliezen.”

„Beleedigd!” herhaalde Steerforth op minachtenden toon. „Hij zal dat wel spoedig te boven komen, dat verzeker ik u. Hij is niet zoo teergevoelig als gij, juffrouw Traddles. En zijne betrekking was toch al niet zoo bijzonder schitterend—vindt gij wel? En dacht gij niet, dat ik naar huis zal schrijven en zorgen dat hem wat geld gezonden wordt?”

Wij vonden dit denkbeeld zeer edel van Steerforth, wiens moeder eene rijke weduwe was en, zooals ik reeds vertelde, alles deed wat hij vroeg. Wij waren blijde, dat Traddles op zulk eene wijze den mond gesnoerd werd en verhieven Steerforth hemelhoog, vooral toen hij ons vertelde, zooals hij zich wel verwaardigde te doen, dat hetgeen hij had gedaan, alleen om ons, tot ons bestwil was gedaan en dat hij meende recht te hebben op onze dankbaarheid door zoo onbaatzuchtig te handelen. Toen het avond was en ik in het duister zat te vertellen, meende ik echter voortdurend het klagende geluid van mijnheer Mell's fluit te hooren, en toen Steerforth, die vermoeid was, niet meer luisterde en ik in mijn eigen bed lag, verbeeldde ik mij telkens, dat hij ergens in mijne nabijheid heel treurig zat te spelen en voelde ik mij diep ongelukkig.

Al heel spoedig echter had het verdriet over mijnheer Mell plaats gemaakt voor bewondering van Steerforth, die geheel vrijwillig en zonder boeken—het kwam mij voor, dat hij alles van buiten kende—eenige lessen waarnam tot er een nieuwe onderwijzer was gevonden. Deze kwam van een gymnasium en werd, voor hij in functie trad, uitgenoodigd om in den familiekring het middagmaal te gebruiken, ten einde aan Steerforth te worden voorgesteld. Steerforth roemde hem zeer en vertelde ons, dat hij een kraan was. Zonder duidelijk te begrijpen wat Steerforth daarmee bedoelde, keek ik toch reeds hoog tegen hem op en twijfelde er niet aan of hij moest wel zeer knap zijn; hij trok zich echter veel minder van mij aan—niet dat hij mij had moeten begunstigen—dan mijnheer Mell gedaan had.

Er gebeurde in dit eerste halfjaar nog iets buiten het gewone schoolleven, dat om verscheidene redenen een indruk op mij maakte voor het leven.

Op zekeren namiddag, terwijl er in de school eene treurige verwarring heerschte en mijnheer Creakle duchtig van zijn rietje gebruik maakte, kwam Tungay binnen en riep met zijne gewone forsche stem: „Bezoek voor Copperfield!”

Er werden eenige woorden gewisseld tusschen hem en mijnheer Creakle aangaande den aard van het bezoek en over de kamer, waarin de bezoekers ontvangen moesten worden; daarna werd mij, die, volgens de gewoonte in dergelijke gevallen, was opgestaan en van verbazing en verlegenheid een kleur had gekregen, bevolen de achtertrap op te gaan en een schoon boordje om te doen eer ik mij naar de eetzaal begaf. Ik gehoorzaamde werktuigelijk aan dit bevel, maar was zoo gejaagd en zenuwachtig als ik mij zelven nooit had gezien; toen ik den knop van de eetkamerdeur reeds in de hand had en de gedachte in mij opkwam, dat het misschien mijne moeder kon zijn—ik had aan niemand dan aan mijnheer en juffrouw Murdstone gedacht—trok ik de hand terug en moest ik eerst uitsnikken voor ik binnenging.

In het eerste oogenblik zag ik niemand, maar aangezien ik eene drukking tegen de deur voelde, keek ik eens rond en ziet, daar stonden tot mijne niet geringe verbazing baas Peggotty en Ham, buigingen makende met de hoeden in de hand en elkander tegen den muur drukkende. Ik kon het niet helpen, dat ik lachte, maar het was veel meer uit pleizier van hen terug te zien dan om de dwaze vertooning, die zij maakten. Wij schudden elkander op de meest kameraadschappelijke wijze de hand en ik lachte en lachte, tot ik mijn zakdoek te voorschijn moest halen om mijne oogen af te wisschen.

Baas Peggotty, die gedurende dit bezoek geen oogenblik den mond sloot, scheen zeer aangedaan, toen hij mij dit zag doen en stiet Ham met den elleboog aan, om iets te zeggen.

„Wees maar vroolijk, jongeheer Davy!” zei Ham met zijn gewoon onnoozel lachje. „Wel, wel, wat zijt gij groot geworden!”

„Ben ik groot geworden?” vroeg ik, mijne oogen afdrogend. Ik schreide niet om iets of om een reden, maar het terugzien van oude vrienden deed mij zonder twijfel zoo aan—anders begrijp ik het niet.

„Groot geworden, jongeheer Davy? Of hij groot geworden is!” zei Ham.

„Of hij groot geworden is!” herhaalde baas Peggotty.

Zij lachten beiden, zoodat ik ook weder moest lachen en toen lachten wij alle drie, totdat ik weder op het punt was om in tranen uit te barsten.

„Weet gij ook hoe mijne mama het maakt, baas Peggotty?” vroeg ik. „En hoe mijne oude, lieve, lieve Peggotty het maakt?”

„Opperbest,” antwoordde baas Peggotty.

„En de kleine Emily en juffrouw Gummidge?”

„Opperbest,” herhaalde baas Peggotty.

Nu volgde er een oogenblik stilte. Ten einde daaraan een einde te maken haalde baas Peggotty twee reusachtige kreeften, een groote krab en een zak van zeildoek vol versche garnalen te voorschijn en stapelde die op Ham's armen op.

„Gij ziet,” zei baas Peggotty, „wij hebben goed onthouden, dat gij veel van een lekker hapje houdt, en daarom waren wij zoo vrij dit voor u mede te brengen. Ons oudje heeft ze gekookt. Juffrouw Gummidge heeft ze gekookt. Ja,” herhaalde hij zachtjes, bij het onderwerp blijvende, omdat hij op het oogenblik geen ander bij de hand had, „ja, juffrouw Gummidge heeft ze gekookt.”

Ik betuigde hun mijn dank en nadat baas Peggotty eerst Ham had aangekeken, die met zijn schaapachtig gezicht maar stond te grinniken, zonder een enkele maal eene poging te doen om zijn oom te helpen, zei hij:

„Wind en getij waren gunstig, ziet gij, en daarom zijn wij met een van onze Yarmouther loggers naar Gravesend gekomen. Mijne zuster schreef mij den naam van deze plaats en dat, als ik eens te Gravesend kwam, ik hierheen moest gaan en vragen hoe jongeheer Davy het maakt en hare groeten doen en hem gezondheid wenschen en zeggen, dat allen het opperbest maken. De kleine Emily, ziet ge, zal nu, als ik terugkom, aan mijne zuster schrijven, dat ik u gezien heb en dat gij het ook opperbest maakt—zoo gaat het als in een molentje rond.”

Ik moest een oogenblik nadenken, eer ik deze vergelijking van baas Peggotty begreep. Ik bedankte hem toen hartelijk en zeide, ongetwijfeld met eene kleur als vuur, dat kleine Emily zeker veel veranderd en grooter geworden zou zijn, sinds wij schelpen zochten aan het strand?

„O, zij is al haast een groote meid, dat is ze,” antwoordde baas Peggotty. „Vraag dat maar aan Ham.”

Ham's gezicht straalde van genoegen boven den zak met garnalen, terwijl hij toestemmend knikte.

„Zij krijgt een gezichtje!” zei baas Peggotty en zijn eigen gezicht straalde daarbij van louter vreugde.

„En zij leert zoo goed!” zei Ham.

„En zij schrijft zoo mooi!” vulde baas Peggotty aan. „De letters zijn zoo zwart als gitten en zoo groot, dat gij ze in de verte al kunt lezen.”

Het was een waar genot te zien met welk een geestdrift baas Peggotty bezield werd, als hij over zijn aangenomen dochtertje sprak. Terwijl ik dit schrijf, staat hij weder voor mij met zijn ruw en harig gezicht, waarop niets dan liefde en trots te lezen zijn, een gezicht, dat ik onmogelijk beschrijven kan. Zijne eerlijke oogen schitteren en flikkeren, alsof daar binnen iets in beweging wordt gebracht. Zijne ademhaling gaat sneller dan gewoonlijk en zijne groote, slappe handen schijnen elkaar onwillekeurig te vinden en worden gevouwen; terwijl hij in het volgend oogenblik, als om den ernst van zijne woorden ingang te doen vinden, den rechterarm oplicht, die in de oogen van een dwergje, zooals ik, een voorhamer gelijkt.

Ham gaf hem in opgewondenheid over de kleine Emily niets toe. Ik geloof, dat zij nog veel meer van haar verteld zouden hebben, als Steerforth niet onverwacht was binnengekomen, die, mij in gesprek vindende met twee vreemde mannen, het liedje, dat hij zong, afbrak en zeide: „Ik wist niet, dat gij hier waart”—het was niet de gewoonte bezoekers in de eetkamer te ontvangen—en ons voorbijstapte bij het verlaten van de kamer.

Of ik het deed uit trots op zulk een vriend als Steerforth dan wel uit verlangen om hem te verklaren, hoe ik aan zulke vrienden kwam als baas Peggotty en Ham, daarvan ben ik niet zeker, maar ik riep hem terug. Ik zei—Goede Hemel, hoe is het mogelijk, dat mij dit na zulk een langen tijd nog zoo helder voor den geest staat!—„Ga niet heen, Steerforth, als 't u blieft. Hier zijn twee Yarmouther visschers, goede, vriendelijke menschen, familie van het meisje, dat mij als kind verzorgd heeft; zij zijn van Gravesend gekomen om mij op te zoeken.”

„Wel, wel,” zei Steerforth. „Ik ben blijde u te zien. Hoe vaart gij?” Hij was zoo ongedwongen in zijne manieren, zoo vroolijk en luchtig zonder eenige aanmatiging, dat hij de menschen terstond voor zich innam. Ik geloof nog, dat hij door zijne houding, zijne levendigheid, zijne welluidende stem, zijn knap gelaat en zijne slanke gestalte en misschien ook door een zekere aangeboren aantrekkingskracht, zooals weinig menschen bezitten, eene toovermacht op hen uitoefende, waarvoor men uit natuurlijke zwakheid zwichten moest. Ik kon mijne oogen niet van hem afhouden, toen ik zag hoe ingenomen zij met hem waren en hoe zij in een oogenblik hunne harten voor hem openden.

„Gij moet ook in dien brief aan huis laten zetten, baas Peggotty,” zei ik, „dat mijnheer Steerforth zoo vriendelijk voor mij is en dat ik niet zou weten, hoe ik het hier stellen moest, indien hij er niet was.”

„Gekheid!” zei Steerforth lachend. „Gij moet zulke dwaasheden niet vertellen.”

„En als mijnheer Steerforth ooit in Norfolk of Suffolk komt, terwijl ik daar ben, baas Peggotty,” vervolgde ik, „kunt gij er op rekenen, dat ik hem medebreng naar Yarmouth. Hij moet uw huis eens zien. Gij hebt nooit zulk een aardig huis gezien, Steerforth. Het is van een schip gemaakt!”

„Van een schip gemaakt?” vroeg Steerforth. „Dan is het juist een huis voor zulk een onverschrokken zeeman.”

„Ja, ja, dat is het, mijnheer, dat is het,” zei Ham grinnikend. „Gij hebt gelijk, mijnheer. Jongeheer Davy, die mijnheer heeft gelijk. Een onverschrokken zeeman! Ha, ha, ha! Dat is hij ook, zeker, dat is hij ook!”

Baas Peggotty was niet minder ingenomen met dit compliment dan zijn neef, maar zijne bescheidenheid verbood hem het op even luidruchtige wijze te toonen.

„Wel, jongeheer,” antwoordde hij buigend en lachend, terwijl hij de uiteinden van zijne das wegmoffelde. „Ik dank u, ik dank u. Ik doe op mijne manier mijn best, mijnheer.”

„Men kan niet meer doen dan zijn best, mijnheer Peggotty,” antwoordde Steerforth. Hij had den naam reeds opgevangen.