Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 10
Ik vernam ook dat de man met het houten been Tungay heette en een onhandelbare barbaar was; hij had medegedaan in de hop en was aan de school verbonden, omdat hij, volgens sommige jongens, zijn been gebroken had in dienst van mijnheer Creakle, allerlei oneerlijke handelingen met mijnheer Creakle bedreven had en al diens geheimen kende. Ik vernam, dat Tungay allen, die tot de inrichting behoorden, meesters zoowel als jongens,—mijnheer Creakle uitgezonderd—als zijne natuurlijke vijanden beschouwde en dat zijn eenige genoegen daarin bestond altijd knorrig en kwaadaardig te zijn. Ik vernam dat mijnheer Creakle een zoon had, die geen vriend was geweest van Tungay en die, in de school helpende, zich eens verzet had tegen zijn vader, toen deze eene bijzonder wreede tuchtiging had bedacht; ook zou hij—maar dit wist men niet zeker—zijn opgekomen tegen de wijze, waarop mijnheer Creakle zijne moeder behandelde. Mijnheer Creakle zou hem toen de deur hebben gewezen en mijnheer en mevrouw Creakle zouden na dien tijd steeds in onmin geleefd hebben en nog leven.
Het verwonderlijkste, dat ik echter aangaande mijnheer Creakle vernam, was dat er één jongen op de school was, dien hij het niet waagde ook maar met een hand aan te raken en dat deze jongen J. Steerforth was. Steerforth bevestigde dit verhaal zelf en voegde er bij, dat hij wel eens zou willen zien, dat mijnheer Creakle het probeerde. Toen een van de zachtzinnigste jongens (ik niet) hem vroeg, wat hij dan zou doen, stak hij een lucifer af, opdat wij niet alleen zouden hooren, maar ook zouden zien wat hij doen zou. „Ik zou hem,” zei hij, „een slag geven met de inktflesch tegen het voorhoofd, zoodat hij neerviel als een gedolde stier.” Wij zaten na dit antwoord eenigen tijd sprakeloos en ademloos in het duister.
Ik vernam, dat mijnheer Sharp en mijnheer Mell, volgens het vermoeden van de jongens, erbarmelijk betaald werden en dat, wanneer er warm en koud vleesch op mijnheer Creakle's tafel was, van mijnheer Sharp altijd verwacht werd, dat hij het koude vleesch zou verkiezen; dit werd al weder door J. Steerforth bevestigd, de eenige jongen die wel eens aan mijnheer Creakle's tafel at. Ik vernam, dat mijnheer Sharp's pruik hem niet paste en hij er niet zoo mede behoefde te pronken—„er mee te geuren,” zei een van de jongens—want dat zijn roode haren er van achteren toch onderuit kwamen.
Ik vernam, dat van een jongen, een zoon van een kolenkoopman, de schoolrekening met kolen betaald werd en hij daarom „Wissel- of Ruilhandel” genoemd werd, een naam, dien men in een der rekenboeken gevonden had. Ik vernam, dat het bier aan tafel een middel was om de ouders af te zetten, en dat de pudding niets was dan bedrog. Ik vernam dat men algemeen geloofde, dat juffrouw Creakle verliefd was op Steerforth, en ik moet zeggen, toen ik daar in het donker zijne welluidende stem hoorde en aan zijn knap gezicht, zijne aangename manieren en zijn krullekop dacht, toen achtte ik dit volstrekt niet onwaarschijnlijk. Ik vernam, dat mijnheer Mell over het geheel niet kwaad was, maar dat hij nooit een stuiver op zak had en dat de oude juffrouw Mell, zijne moeder, zoo arm was als Job. Ik dacht toen aan mijn ontbijt in Londen en aan iets, dat geklonken had als „mijn Karel,” maar ik zweeg hierover als een muis; ik herinner mij dat altijd nog met genoegen.
Al deze en nog vele andere verhalen duurden nog voort, toen het souper reeds was afgeloopen. Het grootste gedeelte van de gasten was naar bed gegaan, toen er niets meer te eten en te drinken was; en wij, die half ontkleed waren blijven fluisteren en luisteren, volgden eindelijk hun voorbeeld.
„Goeden nacht, Copperfieldje”, zei Steerforth. „Ik zal voor u zorgen, hoor!”
„Gij zijt wel vriendelijk”, antwoordde ik dankbaar. „Ik ben u zeer verplicht.”
„Hebt gij ook eene zuster?” vroeg hij geeuwende.
„Neen”, antwoordde ik.
„Dat is jammer”, hernam hij. „Indien gij er eene hadt, zou zij zeker een mooi, lief, klein meisje zijn met schitterende oogjes. Ik zou dan wel eens kennis met haar willen maken. Goeden nacht, Copperfieldje.”
„Goeden nacht, mijnheer”, antwoordde ik.
Toen ik te bed lag, moest ik voortdurend aan hem denken, en ik herinner mij, dat ik in bed ging opzitten om hem te zien, zooals hij daar door de maan beschenen in bed lag, met zijn mooi gezicht naar mij toe en den arm onder het hoofd. Hij was in mijne oogen iemand, die veel had in te brengen, en daarom was mijne ziel zoo met hem vervuld. Van de schaduw, die de toekomst over zijn beeld zou werpen, was nog niets te zien. Zijne voetstappen hadden nog geen sporen achtergelaten in den heerlijken tuin, waarin ik dien geheelen nacht in mijne droomen met hem wandelde.
VII.
Mijn eerste halfjaar op Salem House.
Den volgenden dag begon de school. Ik herinner mij nog zeer goed, welk een indruk het op mij maakte, toen het gegons der stemmen in het schoollokaal plotseling ophield—mijnheer Creakle stond in de deur en keek op ons neer, zooals de reus uit het sprookje op zijn slachtoffers. Tungay stond naast hem, maar behoefde, naar het mij voorkwam, volstrekt niet zoo doordringend „Stilte!” te roepen, want alle jongens zaten zwijgend en onbewegelijk op hunne plaatsen.
Wij zagen mijnheer Creakle spreken en hoorden Tungay het volgende uitbulderen:
„Nu, jongens, zijn wij aan het begin van een nieuw halfjaar. Past op, dat gij uw best doet in dit halfjaar. Leert uwe lessen flink, want ik sla er flink op los. Ik zal niet zwak zijn. Het helpt niet of gij u al wrijft; de striemen blijven toch zichtbaar. En nu, alle jongens aan het werk!”
Toen deze geduchte toespraak geëindigd was en Tungay stampend was heengegaan, kwam mijnheer Creakle naar de plaats, die mij aangewezen was en vertelde mij, dat als ik zoo'n kwade bijter was, hij ook een kwade bijter zijn kon. Hij liet mij toen een Spaansch riet zien en vroeg mij of ik niet dacht, dat dit ook voor tand kon dienen? Was het een scherpe tand, zeg? Was het een oogtand, zeg? Was het er een met een scherpe punt, zeg? Beet hij goed, zeg? Beet hij goed? Bij elke vraag gaf hij mij een slag met het riet, die mij deed krimpen van de pijn; ik was dus al heel spoedig thuis op Salem House—zooals Steerforth later zei—en ook heel spoedig in tranen.
Ik heb niet willen zeggen, dat alleen mij zulk eene onderscheiding te beurt viel, integendeel, aan een groot aantal jongens—vooral aan de kleinsten—werd dezelfde eer bewezen, toen mijnheer Creakle de school rondging. De helft van de jongens zaten, nog voor de les begon, te wrijven en te schreien; en hoeveel er nog gewreven en geschreid hadden voor de dagtaak was afgedaan, durf ik niet neerschrijven, uit vrees, dat men mij van overdrijving zou beschuldigen.
Ik geloof, dat er nooit een man geleefd heeft, die meer van zijn beroep genoot dan mijnheer Creakle. Hij vond het bepaald een genot de jongens te ranselen, zooals een hongerig mensch geniet van een goeden maaltijd. Ik merkte op, dat hij het vooral op dikke jongens gemunt had; zulke jongens schenen een toovermacht op hem uit te oefenen, zoodat hij geen rust scheen te hebben, eer hij hen weder had afgerost. Ik behoorde blijkbaar niet tot de mageren, zooals ik maar al te gevoelig ondervond. Wanneer ik nu nog aan dien „kerel” denk, begint mijn bloed te koken van dezelfde onpartijdige verontwaardiging, die in mij zou opkomen, indien ik alles van hem wist zonder ooit in zijn macht te zijn geweest; maar het kookt over, omdat ik hem heb leeren kennen als een redeloos dier, als iemand, die niet meer recht had op het vertrouwen, dat hij genoot, dan op eene aanstelling als Admiraal van de vloot of Commandant van het leger; in beide betrekkingen zou hij zeker minder onheil gesticht hebben dan in die van opvoeder der jeugd.
En wij, kleine aanbidders van een onbarmhartigen afgod, wij kropen voor hem! Wanneer ik nu aan dit begin van ons eigenlijk leven terugdenk, o hoe komt mijn ziel dan in verzet tegen zulk eene laagheid! Hoe vreeselijk om zoo slaafsch onderworpen te zijn aan zulk een onmensch!
Daar zit ik in gedachten weder aan mijn lessenaar, naar hem opkijkende—ootmoedig naar hem opkijkende, terwijl hij een rekenschrift linieert voor een ander slachtoffer, wiens hand juist kennis heeft gemaakt met dezelfde liniaal en die nu de striemen poogt weg te wrijven met een zakdoek. Ik heb werk genoeg. Het is geen luiheid van mij dat ik hem zit aan te kijken, maar omdat ik in zijne oogen wil lezen wat hij verder doen zal, en of ik zelf het eerstvolgende slachtoffer zijn zal, dan wel een ander. Een geheele rij jongens van mijne grootte staren hem met dezelfde angstige belangstelling aan. Ik vermoed dat hij het wel ziet, al beweert hij het tegendeel. Onder het liniëeren trekt hij allerlei leelijke gezichten en nu valt zijn oog plotseling op onze rij en wij kijken in onze boeken en beven over al onze leden. In het volgende oogenblik zijn onze blikken weder op hem gevestigd. Een ongelukkig slachtoffer, dat zijne thema's niet netjes genoeg heeft geschreven, nadert op zijn bevel. De schuldige stottert eene verontschuldiging en belooft het den volgenden dag beter te zullen doen. Mijnheer Creakle zegt een aardigheid voor hij hem begint te ranselen, en wij—wij lachen! Ellendige kleine slaven, wij lachen, met gezichten zoo bleek als de muur en het hart in de schoenen!
Daar zit ik weder aan mijn lessenaar. Het is een heete, loome zomernamiddag. Er is een gebrom en gegons in de zaal alsof er paardevliegen in plaats van jongens om mij heen zitten. Ik heb nog den nasmaak in den mond van het walgelijk vette, lauwe vleesch—wij hebben eenige uren geleden het middagmaal gebruikt—en mijn hoofd is zoo zwaar als lood. Ik zou wel, ik weet zelf niet wat, willen geven als ik mocht slapen. Terwijl ik elke beweging van mijnheer Creakle met de oogen volg, zit ik te knipoogen als een jonge uil. Op een oogenblik overmant mij de slaap, maar ik blijf hem toch zien liniëeren; daar nadert hij zachtjes en wekt mij met een bloedigen striem over mijn rug.
Nu ben ik op de speelplaats en ofschoon ik hem niet zien kan, oefenen zijne oogen toch macht op mij uit. Het venster van de kamer, waar hij zit te eten—en dat weet ik—vervult die taak, en mijne oogen zijn er voortdurend op gevestigd. Als zijn gelaat daar zichtbaar wordt, neemt het mijne eene smeekende, onderdanige uitdrukking aan. Als hij door het venster kijkt, blijft de onverschrokkenste jongen—Steerforth uitgezonderd—steken in een vreugdekreet of in zijn spel en staart peinzend voor zich uit. Op zekeren dag gooit Traddles—de ongelukkigste jongen van de wereld—een van de ruiten van dat venster in met een bal. Ik huiver nog wanneer ik aan dat vreeselijk oogenblik denk; toen ik het zag gebeuren, onmiddellijk beseffende, dat de bal op mijnheer Creakle's heilig hoofd moest zijn neergekomen!
Arme Traddles! In zijn nauw hemelsblauw buisje, waarin zijne armen op Duitsche worsten geleken, was hij de vroolijkste en ongelukkigste van ons allen. Hij kreeg altijd slaag—ik geloof, dat hij in dit half jaar elken dag slaag kreeg behalve op een Pinkster-Maandag, toen hij alleen maar met de liniaal op beide handen geslagen werd—en zou er altijd aan zijn oom over schrijven, maar deed het nooit.
Na eenige oogenblikken met het hoofd op de lessenaar gelegen te hebben, richtte hij zich weder op, begon te lachen en geraamten te teekenen op zijne lei, nog eer zijne oogen droog waren. In het eerst vroeg ik mij zelven met verbazing af, welke troost Traddles vinden kon in het teekenen van geraamten, ja, zelfs beschouwde ik hem eenigen tijd als een soort kluizenaar, die zich door dit symbool van de sterfelijkheid telkens weder wilde te binnen brengen, dat slaag krijgen toch niet eeuwig kon duren. Nu geloof ik echter, dat hij het alleen deed, omdat ze gemakkelijk te teekenen en er geen gelaatstrekken bij noodig zijn.
Traddles was een beste, edele jongen, die het als een heilige plicht beschouwde van jongens om elkander trouw te blijven. Hij moest daarvoor bij verscheidene gelegenheden zwaar boeten; vooral op zekeren Zondag, toen Steerforth in de kerk gelachen had en de kerkeknecht, meenende, dat Traddles de schuldige was, dezen wegjoeg. Ik zie hem nog wegbrengen, door de geheele gemeente veracht. Nooit heeft hij gezegd wie de dader was, hoewel hij er zwaar voor werd gestraft en zoo lang opgesloten werd, dat hij terugkomende zijn Latijnsch woordenboek geheel met geraamten had overdekt—genoeg voor een kerkhof vol. Hij werd echter beloond, want Steerforth zei, dat Traddles nimmer een lafhartigheid zou kunnen begaan en wij allen voelden, dat hem geen grooter lof kon worden geschonken. Wat mij aangaat, ik zou veel voor hem hebben kunnen verdragen—al was ik niet half zoo dapper en ook veel jonger dan Traddles—om zulk eene belooning te verdienen.
Steerforth naar de kerk te zien wandelen, gearmd met juffrouw Creakle, was een schouwspel, dat ik nooit heb kunnen vergeten. Ik was van oordeel, dat juffrouw Creakle lang zoo mooi niet was als de kleine Emily en ik was ook niet verliefd op haar—ik zou het niet gedurfd hebben—; maar ik vond haar een allerliefst en aantrekkelijk meisje. Wanneer Steerforth met zijn witte broek haar parasol mocht dragen, was ik er trotsch op hem Steerforth te mogen noemen; ik meende, dat zij hem niet alleen moest liefhebben, maar hem moest aanbidden. Mijnheer Sharp en mijnheer Mell waren in mijne oogen achtenswaardige personen, maar zij stonden tot Steerforth in dezelfde verhouding als de sterren tot de zon.
Steerforth ging voort mij te beschermen en bleek een zeer nuttig vriend voor mij te zijn, want geen van de jongens waagde het iemand te plagen, dien hij zijne vriendschap waardig keurde. Hij kon mij niet verdedigen—ten minste hij deed het niet—tegen mijnheer Creakle, die zeer streng voor mij was; maar wanneer ik eens erger mishandeld was dan gewoonlijk, zei hij altijd, dat ik wat van zijn moed moest overnemen en dat hij het niet zou hebben verdragen; ik begreep, dat hij dit zeide om mij aan te moedigen en vond het zeer vriendelijk van hem. Er was ééne goede zijde, maar ook slechts ééne, in mijnheer Creakle's overdreven gestrengheid. Het plakkaat zat hem in den weg, wanneer hij achter de bank doorging, waarop ik zat, en mij in het voorbijgaan wilde afrossen; om deze reden werd het spoedig verwijderd en zag ik het nooit terug.
Eene toevallige omstandigheid versterkte den vriendschapsband tusschen Steerforth en mij op eene wijze, die niet weinig mijne eigenliefde streelde en mij groote voldoening schonk, hoewel er somtijds wel eens onaangenaamheden uit voortvloeiden. Bij zekere gelegenheid, dat hij mij de eer bewees op de speelplaats tegen mij te spreken, waagde ik de opmerking, dat iets of iemand—ik weet het nu niet meer—leek op iets of iemand in Peregrine Pickle. Hij antwoordde niet op deze opmerking, doch toen wij des avonds naar bed gingen, vroeg hij mij of ik dat boek had.
Ik antwoordde, dat ik het niet had en vertelde hem toen ook, wanneer ik dat boek en alle andere boeken, waarvan ik reeds vroeger melding maakte, gelezen had.
„En hebt gij er wat van onthouden?” vroeg Steerforth.
„O, zeker,” antwoordde ik, „ik heb een goed geheugen en zal er zeker wel wat van onthouden hebben.”
„Dan zal ik u eens wat zeggen, kleine Copperfield; gij moet er mij van vertellen. Ik kan 's avonds nooit in slaap komen en word 's morgens altijd veel te vroeg wakker. Wij zullen ze allen een voor een doorloopen. Wij zullen er ware Arabische nachten van maken.”
Ik voelde mij uitermate gestreeld door deze afspraak en wij brachten ons plan reeds denzelfden avond ten uitvoer. Hoe ik mijne uitverkoren schrijvers mishandelde, terwijl ik hunne verhalen trachtte na te vertellen, kan ik nu niet meer zeggen en zou ik ook niet gaarne weten; maar ik beschouwde al hetgeen ik van hen gelezen had, als de zuivere waarheid en voor zoover ik het mij herinneren kan, vertelde ik alles op eenvoudige, ernstige wijze, en deze beide eigenschappen hielpen er mij goed doorheen.
De keerzijde van de medaille was, dat ik 's avonds dikwijls slaperig of niet helder was en dientengevolge weinig lust had om mijn verhaal te beginnen; dan was het eene moeielijke taak, maar zij moest toch afgedaan worden, want Steerforth teleur te stellen kwam zelfs niet in mij op. Ook 's morgens, wanneer ik nog heel gaarne een uurtje zou hebben geslapen, was het verre van aangenaam, gewekt te worden, evenals de sultane Scheherezade, en eene lange geschiedenis te vertellen voor de bel werd geluid, die het sein gaf om op te staan; maar Steerforth bleef op zijn stuk staan en wanneer hij mij dan hielp bij mijne sommen en thema's of mij iets, dat te moeilijk voor mij was, uitlegde, was ik in geenen deele de verliezende partij. Laat ik echter rechtvaardig zijn jegens mij zelven. Ik werd volstrekt niet door zelfzuchtige beweegredenen gedreven, noch door vrees voor hem. Ik bewonderde hem en hield van hem en zijn tevreden gezicht was belooning genoeg voor mij. Ik schatte die belooning zoo hoog, dat ik met weemoed aan al deze beuzelarijen terugdenk. Steerforth was ook steeds bezorgd voor mij en toonde dit bij zekere gelegenheid op in het oog loopende wijze; voor den armen Traddles en de overige jongens was dit eene ware Tantaluskwelling. Al heel spoedig namelijk kwam Peggotty's brief—welk een heerlijke brief was dat!—vergezeld van een koek, eenige sinaasappelen en twee flesschen kruidenwijn. Zooals de plicht het gebood, legde ik dezen schat aan de voeten van Steerforth, met verzoek uitdeeling te houden.
„Ik zal u eens wat vertellen, Copperfieldje,” zei hij; „wij zullen den wijn bewaren om uw keel te smeren wanneer gij aan het vertellen zijt.”
Ik bloosde bij de gedachte aan zulk een zelfzuchtig gebruik en verzocht hem in mijne bescheidenheid, dat denkbeeld te laten varen. Hij zeide echter opgemerkt te hebben dat ik wat schor was—wat schraperig, zei hij eigenlijk—en daarom zou geen droppel op andere wijze gebruikt worden dan hij had besloten. Dientengevolge werden de flesschen in zijn koffer weggesloten, door hem zelven overgegoten in een medicijnfleschje en wanneer ik een hartversterking noodig had, mocht ik er wat van gebruiken door een penneschacht, die door de kurk gestoken was. Ten einde het middel wat krachtiger te maken, kneep hij er nu en dan een sinaasappel in uit of liet hij er pepermunt of gemberkoekjes in smelten en hoewel ik niet kan toegeven, dat door deze bijvoegsels de smaak werd verhoogd, of dat dit mengsel nu bepaald gekozen zou zijn voor eene maagversterking—hetzij des morgens of des avonds—slurpte ik het toch dankbaar op en was zeer gevoelig voor zijne herhaalde oplettendheden voor mij.
Het komt mij nu voor alsof wij maanden aan Peregrine en nog eens maanden aan de overige verhalen besteed hebben. Ik ben overtuigd, dat het nooit haperde, omdat ik uitverteld was en de hoeveelheid wijn was even rekbaar als de stof. Traddles—ik kan nooit aan dien jongen denken zonder een eenigszins vreemdsoortigen aandrang tot lachen, terwijl mij tevens tranen in de oogen komen—trad gewoonlijk op als publiek en deed, alsof hij bij de grappige gedeelten een stuip kreeg van het lachen en alsof de angst hem om het hart sloeg, wanneer het verhaal een akelige wending nam. Meermalen werd ik door zijne hartstochtelijke uitbarstingen afgeleid. Een van zijne grappen bestond in de bewering, dat hij het klappertanden niet kon nalaten, wanneer er sprake was van een Alguazil in verband met de avonturen van Gil Blas en ik herinner mij nog, dat toen Gil Blas den rooverkapitein in Madrid ontmoette, de onverbeterlijke grappenmaker zich uit louter angst—zooals hij beweerde—zoo aanstelde, dat mijnheer Creakle, die op de gang spionneerde, hem hoorde en hem een pak ransel gaf wegens wanordelijk gedrag op de slaapzaal.
Al het romantische en droomerige in mijne natuur werd door dit sprookjes vertellen in het donker in geen geringe mate opgewekt en uit dat oogpunt zal het waarschijnlijk niet in mijn belang zijn geweest. Ik voelde dit toen reeds eenigszins, maar dat ik op onze kamer geliefkoosd werd als een stuk speelgoed, wetende, hoe er over mijn talent als verteller onder de jongens werd gesproken en dat ik, hoewel de jongste, daaraan een zeker aanzien te danken had, dat alles spoorde mij aan om er mede voort te gaan. Het is zeer onwaarschijnlijk, dat in eene school, waar wreedheid aan het roer is, al staat er geen domkop aan het hoofd, veel geleerd zal worden. Ik geloof dat onze jongens in het algemeen dommer waren dan welke andere jongens ook van onzen leeftijd; zij waren steeds bevreesd voor slaag—wanneer zij namelijk een pak gehad hadden—zoodat zij niet in staat waren hunne aandacht aan het leeren te wijden; zij konden dat evenmin met lust en ijver doen, als iemand iets met lust en ijver doen kan, die voortdurend geplaagd en mishandeld wordt en zich ongelukkig gevoelt. Mijne kinderlijke ijdelheid dreef mij echter met de hulp van Steerforth voort en zonder mij voor veel—zoo al voor eenige—straf te vrijwaren, was ik toch gedurende den tijd, dien ik op Salem House doorbracht, eene uitzondering op den algemeenen regel in zoover ik nog eenige, zij het ook weinige, kennis opdeed. Ik werd hierin zooveel mogelijk bijgestaan door mijnheer Mell, die veel van mij toonde te houden, waarvoor ik hem thans nog dankbaar ben. Het deed mij altijd onaangenaam aan, wanneer ik opmerkte, dat Steerforth hem met stelselmatige minachting behandelde en zelden eene gelegenheid liet voorbijgaan, om hem te kwetsen of anderen op te zetten het te doen. Dit kwelde mij langen tijd, te meer, omdat ik reeds heel spoedig aan Steerforth, voor wien ik evenmin een geheim kon bewaren als een koekje of eenig ander tastbaar voorwerp, verteld had, dat Mijnheer Mell mij medegenomen had naar twee oude juffrouwen en wat ik daar beleefd had; ik verkeerde na dien tijd in voortdurenden angst, dat Steerforth het aan het licht zou brengen of er hem een verwijt van maken.
Wij konden niet vermoeden—geen van beiden, durf ik zeggen—toen ik dien morgen mijn ontbijt gebruikte en in de schaduw van de pauwenveeren, bij het liefelijk fluitspel, in slaap viel, welke gevolgen het bezoek van mijn onbeteekenend persoontje in dit hofje hebben zou. Toch zou het onverwachte en in hunne soort zeer ernstige gevolgen hebben.
Op zekeren dag, dat mijnheer Creakle wegens ongesteldheid zijne kamer hield, hetgeen natuurlijk met onverdeelde vreugde werd vernomen, ging het gedurende de morgenuren zeer onstuimig toe in de school. De verademing en de blijdschap waren oorzaak, dat de meeste jongens onhandelbaar waren en hoewel de gevreesde Tungay twee of drie malen op zijn houten been kwam binnenstampen en de namen van eenige belhamels opschreef, maakte dit weinig indruk. Zij wisten immers zeker, dat zij den volgenden dag toch weder afgerost zouden worden, wat zij ook deden of nalieten, en gaven er daarom wijselijk de voorkeur aan, dien dag eens flink den baas te spelen.
Het was eigenlijk maar een halve dag, want het was Zaterdag; maar aangezien het leven op de speelplaats mijnheer Creakle gehinderd zou hebben en het weder niet gunstig was voor eene wandeling, werden wij in de school gehouden en kregen wij wat minder moeilijk werk dan gewoonlijk. Het was ook de dag, dat mijnheer Sharp uitging om zijne pruik te laten opkrullen, zoodat mijnheer Mell, die altijd de onaangenaamste baantjes kreeg, alleen in de school was.