Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 1

Chapter 13,753 wordsPublic domain

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | De in het origineel als uitgespatieerde tekst is weergegeven | | als _uitgespatieerd_. | | Cursieve tekst is weergegeven als #cursief#. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder | | accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | +----------------------------------------------------------------+

HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN

VAN

DAVID COPPERFIELD

DOOR

CHARLES DICKENS.

[Decoratieve illustratie]

OPNIEUW VERTAALD

DOOR

DUTRIC.

[Decoratieve illustratie]

Met een Voorrede van B. TER HAAR Bzn.

[Decoratieve illustratie]

C. MISSET.—DOETINCHEM.

VOORREDE.

In den zomer van 1870, terwijl de Fransch-Duitsche oorlog de aandacht van geheel Europa geboeid hield, viel een Engelsch vaartuig, dat eene reis om de wereld had gedaan, in eene Engelsche haven binnen. Eer de nieuw aangekomenen, na de eerste begroeting, tot hunne landgenooten de zoo natuurlijke vraag konden richten: „Wat nieuws is er in Europa?” klonk hun reeds de droeve tijding te gemoet: „_Dickens_ is dood!” _Dickens_ is dood... dat was voor die Engelsche pikbroeken het belangrijkste nieuws van alles—aan den Fransch-Duitschen oorlog dachten zij niet.

Sprekender blijk van algemeene achting en waardeering, een schrijver door zijn volk toegedragen, valt er moeilijk uit te denken.

Zóó bekend, zóó geliefd nu als _Dickens_ bij de Engelschen is, zal hij in eenig ander land wel nooit worden. Zijne landgenooten toch vinden in zijne werken zich zelven terug met al hunne eigenaardige gewoonten, hunne bijzondere levensomstandigheden en hunne goede en slechte eigenschappen. Zij zien daarin niet alleen hunne wereldstad met haar onmiddellijken omtrek, maar tevens zoo menig hun bekend en geliefd landschap afgeschilderd met photografische nauwkeurigheid. Dat kan met een ander volk, ook met ons Nederlanders, nooit het geval worden.

Toch is _Dickens_, ook in ons vaderland, meer dan menig buitenlandsch schrijver bekend en geliefd.

Zijne werken danken dien opgang ongetwijfeld in de eerste plaats aan den fijnen geest, den echt Engelschen humor, waarvan zoo menige persoonsbeschrijving, zoo menig tafereeltje tintelt, maar niet minder aan de diepe menschenkennis, door den schrijver ten toon gespreid. Telkens is het ons, alsof het beeld van een onzer bekenden geteekend, ja meer nog, alsof een stukje van onze eigene innerlijke levensgeschiedenis geschreven werd. Hoevele door hem geschetste personen zijn, ook onder ons, tot een type geworden, zoodat wij telkens onwillekeurig uitroepen: „dat is precies...” Vul zelf de namen maar in, lezer. Hoevele gezegden, zijnen personen in den mond gelegd, zijn, ook onder ons, in een spreekwijze overgegaan! Maar bovenal danken _Dickens_' werken dien opgang aan zijne warme liefde voor de minder bedeelden in de maatschappij, gepaard aan zijn onwrikbaar _geloof aan menschenadel_.

Tengevolge van dit alles treffen wij bij hem de gelukkigste vereeniging van realisme en idealisme, of, juister gezegd, het ware, niet het eenzijdige en daardoor slechts schijnbare, in den grond onware realisme onzer dagen aan.

Volg hem gerust door de meest beruchte buurten, in de afschuwelijkste holen der misdaad, die Londen telt. Geen spatje van den modder der straten zal uw kleed bevlekken; geen kennismaking met eenige misdaad zal uwe verbeelding bezoedelen.

Dat juist geeft, naar mijne meening, _Dickens_ aanspraak op den hoogsten lof als schrijver voor zijn volk. Er gaat van zijne werken een verheffende, veredelende invloed uit. Men wordt er frisscher, krachtiger, moediger door.

Wie zijn werken leest, loopt geen gevaar, een weekelijke en zenuwzwakke speelbal van een spookachtig noodlot te worden.

Met groote ingenomenheid nam ik daarom kennis van het voornemen van den heer _Misset_ om het Nederlandsche volk een nieuwe, goedkoope uitgave van _Dickens' meesterstuk_ „David Copperfield” aan te bieden.

De prijs is zoo laag gesteld, dat de kosten thans geen beletsel meer zijn om _David Copperfield_ onder alle rangen der maatschappij te verbreiden.

Wat deze nieuwe vertaling betreft, zij heeft boven de bestaande _dit_ voor, dat zij minder letterlijk en daarom gemakkelijker en aangenamer te lezen is. Toch is daarbij de geest van het oorspronkelijke getrouw bewaard.

De vertaler heeft getracht de dingen zoo te zeggen als _Dickens_, naar zijne overtuiging, ze gezegd zou hebben, indien hij een Nederlander was geweest.

Moge de Uitgever in zijne onderneming gelukkig slagen; menigeen zal hem dan voor de hoogst aangenaam doorgebrachte uren oprecht dankbaar zijn.

B. TER HAAR Bzn.

NIJMEGEN, Maart 1894.

HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN

VAN

DAVID COPPERFIELD.

I.

Ik word geboren.

Of ik zelf dan wel een ander de held van deze geschiedenis worden zal, zullen de volgende bladzijden moeten leeren. Om te beginnen met het begin van mijne lotgevallen, deel ik mede dat ik—naar men mij verteld heeft en ik ook voor waarheid aanneem—geboren ben op een Vrijdag, te twaalf uur middernacht. De opmerking is gemaakt dat ik begon te schreeuwen op hetzelfde oogenblik dat de klok hare twaalf slagen deed hooren.

Dag en uur van mijne geboorte brachten de baker en eenige hoogst wijze vrouwen uit de buurt, die gedurende de eerste maanden levendig belang in mij stelden zonder dat ik persoonlijk kennis met haar maakte, tot het besluit dat mij een leven vol tegenspoed te wachten stond en ik in staat zou zijn spoken en geesten te zien; beide deze eigenschappen waren naar haar oordeel onherroepelijk verbonden aan kinderen, die des Vrijdags te middernacht het levenslicht aanschouwden.

Wat de eerste voorspelling betreft, daarvan behoef ik niets mede te deelen, want deze bladzijden zullen voldoende aantoonen of er al dan niet waarheid in gelegen is. Wat de tweede echter aangaat kan ik slechts verklaren dat, indien deze gave mij ten deel is gevallen, ik die als zuigeling moet hebben opgemaakt, aangezien mij daarvan op lateren leeftijd niets is overgebleven. Ik beklaag mij daarover in geenen deele en mocht iemand anders zich in het bezit er van verheugen, dan zij hem dat van harte gegund.

Ik werd met een helm geboren, die in de nieuwsbladen tegen den geringen prijs van vijftien guinjes te koop werd aangeboden. Ik weet niet of de zeevarenden op dat tijdstip slecht bij kas waren of de voorkeur gaven aan zwemgordels, maar het is een feit dat er slechts één bod werd gedaan en dit wel door een wisselmakelaar, die aanbood twee pond in contanten en de rest in sherry te betalen, maar geen penny meer wilde geven om tegen verdrinken gewaarborgd te zijn. Dientengevolge waren de onkosten van de advertentie noodeloos gemaakt—mijne arme moeder was in die dagen genoodzaakt haar eigen wijn zelfs te verkoopen—en tien jaar later werd de helm ergens in onze buurt onder vijftig deelnemers verloot tegen een halve kroon per hoofd, terwijl de winner nog vijf shilling zou toegeven. Ik was er bij tegenwoordig en herinner mij nog zeer goed hoe verlegen en beschaamd ik was, dat daar met een stukje van mij zelven op zulk eene wijze werd omgesprongen.

De helm werd gewonnen door eene oude juffrouw, die, hoewel met tegenzin, de afgesproken vijf shilling in halvestuivers uit haar hengelmandje te voorschijn haalde; zij gaf echter twee en een halven stuiver te weinig en er was heel wat tijd en heel wat rekenkunst noodig om haar dit aan het verstand te brengen. Als een hoogst merkwaardig feit moet ik hier vermelden, dat zij niet verdronken, doch zacht en kalm op haar bed overleden is, op haar tweeënnegentigste jaar. Later heb ik vernomen dat zij er zich op beroemde nooit op het water te zijn geweest dan op een brug en op hare theekransjes, waarvan zij eene eerste liefhebster was, meermalen hare verontwaardiging lucht gaf over de goddeloosheid van zeelieden en anderen, die de roekeloosheid begingen om door de wereld „rond te dolen.” Te vergeefs werd haar voorgehouden, dat allerlei geriefelijkheden—thee waarschijnlijk daaronder begrepen—aan dit verafschuwde bedrijf te danken waren; zij kwam telkens met nog grooter nadruk en voor zich zelve overtuigd van de onomstootelijke waarheid terug op hare meening: „Dat ronddolen moest niet plaats hebben.”

Ten einde ook zelf niet te gaan ronddolen, keer ik terug naar mijne geboorte.

Ik werd geboren te Blunderstone in Suffolk, zes maanden nadat mijn vader voor eeuwig de oogen gesloten had, zoodat ik een halve wees was. Zelfs nu nog komt er eene zonderlinge gewaarwording in mij op, wanneer ik bedenk dat hij mij nooit gezien heeft; maar vreemder nog wordt het mij te moede bij de vage herinnering aan mijne eerste kinderlijke opmerkingen over de witte zerk op het kerkhof, over de onbarmhartigheid, dat wij hem daar alleen lieten liggen in den duisteren nacht, terwijl in ons kleine kamertje de haard en de lamp brandden, ja, dat wij zelfs zoo wreed waren de deur te sluiten en te grendelen.

Eene tante van mijn vader en bijgevolg eene oudtante van mij, van wie ik bij gelegenheid nog wel eens iets heb te vertellen, was de voornaamste persoon in de familie. Miss Trotwood of miss Betsey, zooals mijne moeder haar altijd noemde, wanneer zij moed genoeg had om het gesprek op deze door haar zoo gevreesde persoon te brengen—hetgeen slechts zelden het geval was—was getrouwd geweest met een man, die jonger dan zij en heel mooi was, behalve in den zin van het aloude spreekwoord: „mooi is wie mooi doet”; hij stond namelijk onder verdenking miss Betsey geslagen en op zekeren dag, bij eene oneenigheid over geldelijke aangelegenheden, in drift gedreigd te hebben haar uit een venster van de tweede verdieping te zullen werpen. Dit zeer duidelijk bewijs van de onvereenigbaarheid hunner karakters had tante Betsey doen besluiten hem af te koopen en met wederzijdsch goedvinden van hem te scheiden. Hij vertrok met zijn geld naar Indië en volgens eene onzinnige overlevering in onze familie heeft iemand hem daar ontmoet, rijdende op een olifant en in gezelschap van eene Indische prinses. Hoe het zij, tien jaar later werd uit Indië zijn doodbericht ontvangen. Niemand heeft ooit geweten of dit bericht mijne tante bijzonder heeft getroffen; zij nam haar jongemeisjesnaam weder aan, liet een huisje voor zich bouwen in een klein dorpje aan de zeekust, vestigde zich daar metterwoon en bleef voortaan met ééne dienstmeid in de strengste afzondering leven.

Mijn vader had, naar ik meen, altijd een wit voetje bij haar gehad, maar zijn huwelijk kon zij hem nooit vergeven, omdat mijne moeder volgens hare bewering „een wassen popje” was. Zij had mijne moeder nooit ontmoet, maar wist dat zij nog niet ten volle twintig jaar oud was. Mijn vader heeft tante Betsey nooit meer gezien. Hij was twee malen zoo oud als mijne moeder en niet bijzonder sterk. Een jaar na het huwelijk stierf hij en, zooals ik reeds meedeelde, zes maanden na zijn dood aanschouwde ik het levenslicht.

Zoo was de stand van zaken in den namiddag van dien merkwaardigen Vrijdag—men zal het mij wel niet euvel duiden dat ik dien dag zoo noem. Ik kan er dus niet op bogen op dat tijdstip geweten te hebben hoe de zaken stonden of mij van hetgeen volgt iets te kunnen herinneren, dat op eigen waarneming is gegrond.

Mijne moeder zat in eene droefgeestige stemming en verre van gerust door hare tranen heen in het vuur te staren, vol angst en kommer over zich zelve en het kleine vaderlooze wezentje, dat door een paar lood spelden in eene lade op de bovenkamer welkom werd geheeten in eene wereld, wie zijne komst geen greintje belang inboezemde; mijne moeder zat, zooals ik zeide, bij het vuur op dien helderen, stormachtigen achtermiddag in Maart. Zij was verre van opgewekt en twijfelde of zij de proef, die zij zou moeten doorstaan, wel zou te boven komen. Terwijl zij nu het hoofd oplichtte om de oogen af te wisschen, zag zij plotseling eene vreemde dame door den tuin aankomen. Een onbedriegelijk voorgevoel zeide haar, dat die dame tante Betsey was. Zooals die vreemde dame daar, door de ondergaande zon over het tuinhek beschenen, kwam aanwandelen in eene stijve houding, bedaard alsof zij daar thuis was, kon het niemand anders zijn dan tante Betsey, en toen zij de woning bereikt had, gaf zij een overtuigend bewijs dat zij het was en niemand anders. Mijn vader had meermalen ter loops gezegd, dat zij zich zelden gedroeg als een gewoon christenmensch en ziet.... in plaats van te bellen, keek zij door het venster en drukte daartoe haar neus zoo hard tegen de ruiten dat, volgens verklaring van mijne moeder, dit lichaamsdeel in een oogenblik geheel plat en wit was geworden.

Mijne moeder was door deze verschijning zoo ontsteld, dat ik het ongetwijfeld aan tante Betsey te danken heb op een Vrijdag geboren te zijn. In hare ontsteltenis was mijne moeder van haar stoel opgestaan en had de wijk genomen naar een hoek van de kamer; maar tante Betsey bleef onderzoekend het vertrek rondkijken tot zij mijne moeder ontdekte, waarbij hare oogen in haar hoofd ronddraaiden als een moorenkop in eene ouderwetsche Friesche klok. Toen nam zij mijne moeder van het hoofd tot de voeten op en maakte, als iemand die gewoon is onmiddellijk gehoorzaamd te worden, een gebaar om de deur te komen openen. Mijne moeder voldeed aan haar verlangen.

„Mevrouw David Copperfield, onderstel ik?” vroeg tante Betsey; de nadruk, dien zij op deze laatste woorden legde, had waarschijnlijk betrekking op de rouwkleederen, die mijne moeder droeg en op den belangwekkenden toestand, waarin zij verkeerde.

„Jawel,” antwoordde mijne moeder schuchter.

„Juffrouw Trotwood,” stelde de bezoekster zich voor. „Gij zult wel eens over mij hebben hooren spreken, nietwaar?”

Mijne moeder antwoordde dat zij dit genoegen wel eens had gehad, maar had daarbij de onaangename gewaarwording, dat haar toon niet zulk een bijzonder groot genoegen te kennen gaf.

„En nu ziet gij haar voor u,” hernam tante Betsey.

Mijne moeder knikte en noodigde haar uit om binnen te komen.

Zij gingen naar het kamertje, waar mijne moeder gezeten had—in de mooie kamer brandde geen vuur en had sinds den dood van mijn vader geen vuur gebrand—en toen beiden hadden plaats genomen en tante Betsey niets zeide, begon mijne moeder, na zich vruchteloos er tegen verzet te hebben, te schreien.

„Tut, tut, tut,” zei tante Betsey met veel drukte, „dat behoeft nu volstrekt niet! Kom, kom!” Mijne moeder kon het echter niet laten en schreide daarom eerst uit.

„Neem uw mutsje eens af, mijn kind,” zei tante Betsey, „laat ik u eens bekijken.”

Hoewel mijne moeder lust gevoelde om aan dit zonderlinge verzoek geen gevolg te geven, was zij toch zoo bevreesd voor haar dat zij dit niet durfde. Zij deed daarom wat haar verzocht werd, maar met zulke zenuwachtig bevende handen dat haar volle, mooie haar los ging en over haar gelaat viel.

„Wel, lieve Hemel!” riep tante Betsey, „gij lijkt waarlijk nog op een schootkindje!”

Het was niet te loochenen dat mijne moeder er zelfs voor haar leeftijd buitengewoon jong uitzag; zij liet haar hoofdje hangen alsof het haar eigen schuld was, 't arme schepsel, en zei snikkend dat zij bang was eene kinderachtige weduwe te zijn en ook eene kinderachtige moeder te zullen wezen—als zij het leven er afbracht. Er volgde op deze woorden een oogenblik van stilte, waarin mijne moeder meende tante Betsey's hand op heur haar te voelen—heel zachtjes en vriendelijk—maar toen zij zich schuchter en bedeesd omwendde, hopende zich niet vergist te hebben, zag zij haar met den rand van haar rok opgeslagen, de handen over een knie gevouwen en de voeten op den haardrand naar het vuur staren.

„Waarom toch in 's Hemels naam Kraaiennest?” vroeg tante Betsey plotseling.

„Bedoelt gij het huis, tante?”

„Waarom, Kraaiennest?” herhaalde zij. „Hoe is het mogelijk dat menschen met gezond verstand zulk een naam aan hun huis kunnen geven?”

„Copperfield heeft dien naam gekozen,” antwoordde mijne moeder. „Toen hij het huis kocht, nestelden hier tallooze kraaien in den omtrek.”

De avondwind blies op dit oogenblik zoo hevig door eenige oude olmen in den tuin, dat mijne moeder noch mijne tante konden nalaten dien kant uit te kijken. Wanneer de olmen tot elkander overbogen gelijk reuzen, die geheimen hadden te verhandelen, en, na een oogenblik rust, weder in heftige beweging kwamen en hunne takken als armen uitstaken, alsof hunne vertrouwelijke mededelingen zoo snood waren dat ze hunne gemoedsrust verstoorden, werden werkelijk op de hoogste takken eenige verlaten kraaiennesten heen en weer geslingerd als wrakken op eene onstuimige zee.

„Waar zijn de vogels?” vroeg tante Betsey.

„De.....?” Mijne moeder had aan andere dingen zitten denken.

„De kraaien? Wat is er mee gebeurd?” herhaalde tante Betsey.

„Zoolang wij hier gewoond hebben is er geen enkele kraai geweest,” zei mijne moeder. „Wij meenden.... Copperfield meende.... dat er heel veel waren, maar het bleken oude nesten te zijn, die door de vogels waren verlaten.”

„David Copperfield op en top!” riep tante Betsey uit. „David Copperfield op en top! Noemt het huis ‚Kraaiennest’, terwijl er geen kraai in de buurt is en neemt maar op goed geloof aan dat er vogels zijn als hij de nesten ziet! O! O!”

„Mijn beste Copperfield is dood,” zei mijne moeder. „Ik verwacht dat gij niet op minachtenden toon over hem zult spreken....”

Ik geloof waarlijk dat mijne goede moeder een aanval op mijne tante op het oog had, die haar met een pink zou hebben kunnen omgooien, zelfs al was mijne moeder in gunstiger omstandigheden voor een gevecht geweest dan op dezen avond. Het bleef er echter bij dat zij van haar stoel opstond en weer ging zitten, waarna zij in eene flauwte viel.

Toen zij weder bijkwam of door tante Betsey was bijgebracht, stond deze bij het venster. De schemering was intusschen door volslagen duisternis opgevolgd en had de haard niet gebrand, dan zouden zij elkander in het geheel niet hebben kunnen zien.

„Wel?” zei tante Betsey, weder plaats nemende alsof er niets gebeurd was, „wanneer verwacht gij de nieuwe wereldburgeres?”

„Ik weet niet.... ik beef zoo....” stamelde mijne moeder. „Ik zal het zeker niet overleven”.

„Gekheid.... drink maar een kopje thee.”

„O, lieve Hemel, zou dat goed voor mij zijn?” riep mijne moeder radeloos uit.

„Zeker, zeker.... het is niets dan verbeelding,” hernam tante Betsey. „Hoe heet uw meisje?”

„Maar ik weet immers niet of het een meisje zijn zal,” antwoordde mijne moeder onschuldig.

„De Hemel beware het kind!” riep tante Betsey, de tweede spreuk op het bakerkussen in de lade herhalend, doch in plaats van op mij, op mijne moeder toepassende. „Dat bedoel ik niet; ik bedoel uw dienstmeisje.”

„Peggotty,” zeide mijne moeder.

„Peggotty!” herhaalde tante Betsey. „Gij zult toch niet beweren dat er ooit een menschelijk wezen in een christenkerk gedoopt is met den naam Peggotty?”

„Het is haar familienaam,” hernam mijne moeder bedeesd. „Copperfield noemde haar altijd zoo, omdat zij denzelfden voornaam heeft als ik.”

„Hela! Peggotty!” riep tante Betsey, de kamerdeur openende, „breng wat thee. Mevrouw is niet wel. Vlug wat!”

Nadat zij deze bevelen gegeven had op een toon van gezag, alsof er zoo lang het huis had bestaan nooit iemand anders aan het hoofd van de huishouding had gestaan dan zij, en na zich even vertoond te hebben aan de verbaasde Peggotty, die op het geluid van de vreemde stem met een kandelaar in de hand kwam aanloopen, sloot zij de deur en nam hare oude plaats weer in: met de voeten op den haardrand, den rok van de japon opgeslagen en de handen gevouwen over ééne knie.

„Gij zeidet zoo even dat gij niet wist of het een meisje zal zijn,” begon zij. „Ik ben er zeker van dat het een meisje zijn zal. Ik heb een voorgevoel dat het een meisje zijn zal. En, mijn kind, van het oogenblik van de geboorte van het meisje....”

„Misschien is het een jongen,” waagde mijne moeder op te merken.

„Ik zeg u: ik heb een voorgevoel dat het een meisje zijn zal,” herhaalde tante Betsey. „Spreek mij niet tegen. Van het oogenblik af, dat uw meisje geboren wordt, ben ik voornemens eene vriendin voor haar te zijn. Ik wil haar peet zijn en ik verzoek haar te noemen: Betsey Trotwood Copperfield. _Deze_ Betsey Trotwood mag het aan niets ontbreken in haar leven en vooral mag er niet met het hart van het arme kind gespeeld worden. Zij moet eene goede opvoeding hebben en er voor behoed worden, haar vertrouwen te schenken aan onwaardigen. Daarvoor zal ik weten te zorgen.”

Na elken volzin knikte tante Betsey met het hoofd, alsof al het geleden onrecht weder bovenkwam; blijkbaar kostte het haar moeite om er niet telkens over te beginnen. Mijne moeder kwam dit ten minste zoo voor, toen zij haar gadesloeg bij het doffe schijnsel van het haardvuur; eigenlijk was zij te bang voor tante Betsey, te verlegen en te pijnlijk om alles goed waar te nemen en te weten, wat zij antwoorden moest.

„En was David een goed echtgenoot, mijn kind?” vroeg tante Betsey na eenige oogenblikken gezwegen te hebben; de bewegingen met het hoofd hadden nu geheel opgehouden. „Kondt gij het goed met elkaar vinden?”

„Wij waren heel gelukkig,” antwoordde mijne moeder. „Copperfield was eigenlijk veel te goed voor mij.”

„Hij heeft u zeker erg bedorven,” hernam tante Betsey.

„Ja, ik vrees wel dat hij het gedaan heeft,” snikte mijne moeder, „nu ik geheel alleen ben achtergebleven en op mijne eigen beenen moet staan in deze ruwe wereld, voel ik het maar al te goed.”

„Kom! Gij moet nu niet schreien!” zei tante Betsey. „Gij pastet niet bij elkander—alsof ooit twee menschen bij elkander passen—daarom deed ik deze vraag. Gij waart wees, niet waar?”

„Ja.”

„Gouvernante?”

„Ik was bonne bij eene familie waar Copperfield aan huis kwam. Copperfield was altijd heel vriendelijk jegens mij, bewees mij allerlei oplettendheden en bood mij eindelijk hart en hand aan. Ik wees hem niet af en zoo trouwden wij,” antwoordde mijne moeder op hare ongekunstelde manier.

„Och! Arm kind!” mompelde tante Betsey, terwijl zij met gefronst voorhoofd naar het vuur keek. „En hebt gij ook verstand van een en ander?”

„Hoe bedoelt gij dat, mevrouw?” stotterde mijne moeder.

„Van de huishouding bijvoorbeeld?”

„Niet veel, naar ik vrees,” antwoordde mijne moeder. „Niet zooveel als ik wel wenschte, maar Copperfield was een goed leermeester....”

„En hij wist er zelf zooveel van!” riep tante Betsey uit.

„.... en ik zou zeker spoedig op de hoogte zijn geweest, want ik was zeer begeerig om te leeren en hij geduldig in het onderrichten, indien mij niet het groote ongeluk van zijn dood....” mijne moeder barstte opnieuw in tranen uit en kon niet voortgaan.

„Zoo, zoo!” zei tante Betsey.

„Ik hield mijn huishoudboek geregeld aan en maakte elken avond met Copperfield de balans op,” riep mijne moeder in wanhoop uit. Zij was op het punt om nogmaals flauw te vallen.

„Zoo, zoo!” herhaalde tante Betsey. „Maar schrei dan toch niet zoo.”