Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 8: De Vinduikers; Hoofdstuk 9: de Stormvogels
Part 3
Van de soorten, die de Europeesche kusten bewonen, is de Noordsche Pijlstormvogel (Puffinus anglorum) de meest bekende. De bovendeelen zijn grijsbruinachtig zwart, de onderdeelen zuiver wit, aan de zijden van den hals (op de grensscheiding tusschen het zwart en het wit) met een schubvormige, grijze teekening, op de buitenzijde van de schenkels bruinzwart gevlekt. Het oog is bruin, de snavel loodkleurig grijs, de voet groenachtig geel. Totale lengte 36, staartlengte 8 cM. Bij stormweer uit het noordwesten worden soms, hoewel zeer zelden, exemplaren van deze soort [en misschien ook van den nauw verwanten Kleinen Pijlstormvogel (Puffinus obscurus)] aan onze kust waargenomen. In levenswijze komen de Pijlstormvogels zoozeer met elkander overeen, dat wij met de beschrijving van de meest bekende soort, volstaan kunnen. Deze bewoont het noordelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan met inbegrip van de Middellandsche Zee en wordt nu en dan ook in de Oostzee aangetroffen. Van alle overige Stormvogels verschilt hij op het eerste gezicht door zijn vreemdsoortige wijze van vliegen. Mij is geen zeevogel bekend, die even onstuimig als deze zijn weg vervolgt. Men ziet hem niet zelden zwemmen en duiken, maar toch nog vaker vliegen; hij zweeft niet slechts boven het water, zooals de andere leden zijner familie, maar schiet ook door de golven heen. Met uitgespreide wieken rept hij zich voort, geeft aan zijn lichaam de noodige snelheid, door verscheidene, gonzende vleugelslagen, die buitengewoon snel opeenvolgen, maakt draaiingen en wendingen, niet slechts zijwaarts, maar ook naar boven en naar onderen, zoodat men in 't eene oogenblik de donkere bovenzijde, in 't andere de lichte onderzijde te zien krijgt; hij volgt een tijdlang de oppervlakte der golven, bij de bergen opwaarts, in de dalen neerwaarts vliegend, verheft zich plotseling tot een hoogte van ongeveer 3 M., stort zich in scheeve richting op het water neer en duikt. Nadat hij, op de wijze van de Vinduikers met de vleugels en pooten roeiend, een tamelijk grooten weg heeft afgelegd, rijst hij uit het water weer in de lucht omhoog, dikwijls met geen ander doel dan om adem te halen, daar hij onmiddellijk weer in de diepte verdwijnt. De andere Stormvogels vliegen op een sierlijker wijze; geen hunner brengt echter zooveel afwisseling in zijn beweging als de Pijlstormvogels doen.
Zij broeden in tamelijk grooten getale op St. Kilda en de andere Hebriden en op de Fär-öer; volgens de berichten van de eilandbewoners, komen zij in het begin van Mei uitsluitend gedurende den nacht, den gewonen tijd van werkzaamheid dezer Vogels. Evenals vele Duikers graven zij met snavel en klauwen in de veenlaag diepe gaten; dikwijls zijn deze één meter lang en gelijken meer op konijneholen dan op woningen van Vogels. Het achterste deel van de gang is een weinig ruimer; een eigenlijk nest vindt men hier evenwel niet; het ei wordt eenvoudig op den grond of op eenige grashalmpjes gelegd. Een van de ouders bevindt zich altijd in het hol, ook als het jong in zijn bruingrijs kleed, dat uit dichte, lange donsveeren bestaat, het ei reeds verlaten heeft. Het jong groeit langzaam, hoewel het door de beide ouders met een overvloed van voedsel wordt voorzien, en is, naar men zegt, eerst na verscheidene maanden zoover ontwikkeld, dat het de broedplaats verlaten en naar de zee vliegen kan. Op dezen leeftijd zijn de Pijlstormvogels zeer vet: een speklaag van één centimeter dikte bedekt hun borst. Zij worden door de bewoners van sommige noordelijke eilanden, vooral van de Orkaden, in grooten getale gevangen, hoofdzakelijk ter wille van de veeren; hier en daar worden zij ook wel als winterproviand ingezouten.