Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 8: De Vinduikers; Hoofdstuk 9: de Stormvogels

Part 2

Chapter 23,526 wordsPublic domain

Door zijn onverzadelijken honger wordt de Albatros genoopt, zulke uitgestrekte afstanden te doorvliegen en verreweg het grootste deel van zijn leven in de lucht door te brengen. Daar zijn spijsvertering buitengewoon snel geschiedt, verlangt hij telkens naar nieuwen buit; hoewel hij soms het genoegen smaakt een voldoende hoeveelheid voedsel te vinden om zich te verzadigen, veroordeelt langdurige storm hem niet zelden tot vasten en mager worden. Men hoort wel eens beweren, dat stormen voor de zeevogels gunstig zijn, hun het verkrijgen van voedsel gemakkelijk maken, door Visschen en Weekdieren aan de oppervlakte te brengen, het tegendeel is waar; juist bij storm komen de Albatrossen en hunne verwanten nader bij de schepen dan gewoonlijk, in de hoop hier hun nijpenden honger te kunnen stillen. Bij stil weder eten de Albatrossen waarschijnlijk niets anders dan verschillende soorten van Koppootige en andere weekdieren, die zij dan in de bovenste waterlaag aantreffen. Zij zijn niet in staat om levende Visschen in 't water te vangen; men ziet hen daarom niet op de wijze van de Meeuwachtige Vogels plotseling uit de lucht op het water neerstorten; zij zetten zich op den zeespiegel neer, wanneer er iets op drijft, dat als voedsel kan dienen, nemen het met den snavel op en verslinden het zwemmend.

Volgens Gould broedt de Albatros op de eilanden Auckland en Campbell in November en December. Op hellende, met gras begroeide terreinen, die zich boven de wouden verheffen, bouwt hij zijn nest. Dit bestaat uit riet en droog gras, met dorre bladen dooreengekneed, heeft van onderen een omtrek van 2 M., van boven een middellijn van 70 cM. en is 50 cM. hoog. Gewoonlijk bevat het slechts 1 ei van 12 cM. lengte en 8 cM. dikte. Den bezoeker van de broedplaats valt de zittende Albatros reeds van verre in 't oog door zijn witte, bij 't gras sterk afstekende kop. Gedurende het broeden schijnt hij te slapen, of verbergt althans den kop dikwijls onder de vleugels. Bij het naderen van een vijand verdedigt hij zijn ei en wil niet van zijn nest opstaan, totdat men hem er toe dwingt; dan waggelt hij als een in 't broeden gestoorde Alk een kort eind weegs voort, zonder echter een poging te doen om weg te vliegen. Zijne grootste vijand is een brutale Jager, die, zoodra de broedende Vogel van het nest opstaat, op het ei neerschiet en het opvreet; de Albatros kent hem zeer goed en kleppert hevig met den snavel, zoodra hij hem bemerkt.

Het is voldoende een stevigen hoek, die aan een lijn bevestigd en met een stuk spek of vleesch als lokaas voorzien is, uit te werpen, om een Albatros te vangen. Als een van deze Vogels aan den hoek vastgeraakt is en binnen boord wordt getrokken, vliegen zijne metgezellen met een luid, onaangenaam, krijschend geschreeuw in kringen om hem heen. De op het dek gebrachte Vogel is volkomen weerloos; hoewel hij zich in het bewustzijn van zijn zwakheid ongelooflijk veel laat welgevallen, bijt hij soms hevig in 't rond. Het harde en tranige vleesch van dit dier wordt niet gegeten, tenzij door zeelieden, die groot gebrek aan versche voedingsmiddelen hebben.

De Stormvogels i. e. z. (Procellariinae), die de tweede onderfamilie, de kern van de orde, vormen, hebben een forsch gebouwden romp met korten hals en grooten kop; hun snavel is korter dan de kop, stevig en hard, met voren aan de zijden, waardoor de spits van den bovensnavel, die in een sterk gekromden haak eindigt, als 't ware van het overige deel is afgescheiden; ook van de onderkaak is de spits benedenwaarts gebogen; de neuskokers, aan welker voorste uiteinde zich de neusgaten bevinden, zijn onderling en met het achterste deel van den snavelrug vergroeid; de voet is middelmatig groot en dik en heeft een korten, zijdelings samengedrukten loop; de drie voorteenen zijn vereenigd door volkomen zwemvliezen, de achterteen wordt slechts door een klein wratje aangeduid; de vleugels gelijken op die der Meeuwen, maar zijn spitser en minder lang; de staart is uit 12 à 14 pennen samengesteld en sterk afgerond. De kleine bekleedingsveeren zijn zeer overvloedig en zacht. Het vederenkleed heeft meestal sombere kleuren, die in verband met ouderdom, geslacht en jaargetijde weinig verschillen.

Hoewel alle soorten van deze onderfamilie oceaanbewoners zijn, blijft ieders verbreidingsgebied in den regel tot een bepaalden kring beperkt. Tusschen de keerkringen zijn zij minder talrijk dan in de gematigde en de koude gordels, wegens de grootere uitgestrektheid van de zee in het zuidelijk halfrond hier echter veel talrijker dan in het noordelijk. Zij zijn nagenoeg ongeschikt om zich op den vasten bodem te bewegen. Hoewel zij licht op het water rusten en zonder merkbare inspanning zwemmen, geschiedt dit zelden; het grootste deel van hun leven wordt vliegend gesleten. Alle dierlijke stoffen, die aan de oppervlakte van de zee drijven, zijn haar als buit welkom, zoowel lijken van groote dieren, doode en levende Visschen, als Weekdieren en dergelijke lagere wezens; zij zijn ongeloofelijk vraatzuchtig, gulzig en bijna onverzadelijk; want met hun onvermoeide bedrijvigheid gaat een zeer snelle spijsvertering gepaard. Na een overvloedig maal letten zij niet meer op gevaar, zoodat men ze met stokken doodslaan of met de handen grijpen kan.

Alle Stormvogels nestelen dicht bij de zee, liefst op eenzame, zoo veel mogelijk ontoegankelijke klippen of rotsachtige eilandjes. Zij bouwen geen eigenlijk nest, maar leggen hun zeer groot, dikbuikig, ruwschalig, vlekkeloos wit ei op den naakten bodem en beginnen direct na het leggen te broeden. Het jong komt in een grijsachtig donskleed ter wereld en groeit langzaam. De ouders toonen groote liefde voor hun kroost en wagen, wanneer het door een vijand bedreigd wordt, zonder aarzeling hun leven; een van hunne verdedigingsmiddelen bestaat in het bespuiten van den aanvaller met een straal van een op traan gelijkende vloeistof.

De Reuzenstormvogel (Procellaria gigantea) is aan de bovenzijde zwart en schubvormig gevlekt, omdat de meeste veeren hier vuilwitte randen hebben, de onderdeelen zijn wit; het oog is geelachtig wit, de snavel hooggeel, de voet lichtgeel. Het vederenkleed van den jongen Vogel is donker chocoladebruin, het oog donker zwartbruin, de snavel licht hoornkleurig, aan de spits wijnroodachtig, de voet zwartachtig bruin. Totale lengte 90, vlucht 200, staartlengte 18 cM.

Het verbreidingsgebied van den Reuzenstormvogel strekt zich uit over den gematigden en den kouden gordel van het zuidelijk halfrond. Hutton heeft de voortplanting van dezen Vogel waargenomen op Prins-Edwards-eiland; het wijfje legt slechts één wit ei. Het jong, dat na een langdurige bebroeding hier uit komt, is aanvankelijk gehuld in een fraai wit, uit lange donsveeren samengesteld kleed; het groeit langzaam en verkrijgt later een jeugdkleed, dat op donkerbruinen grond wit gevlekt is. Als iemand het nest nadert, wendt de oude Vogel zich een weinig zijwaarts en het jong spuwt dan op een afstand van meer dan 2 M. een afschuwelijk stinkende, olieachtige vloeistof over den aanvaller.

De Noordsche Stormvogel, IJsstormvogel of Foelmar (Procellaria glacialis), is wit, aan de buikzijde licht zilvergrijs, op den mantel meeuwkleurig blauw; de vleugels zijn zwartachtig. Het oog is bruin, de snavel op den rug licht hoorngeel, de voet geel met blauwachtige tint. Totale lengte 50, vlucht 110, staartlengte 12 cM. Bij de jonge Vogels zijn ook de veeren van de onderzijde blauwachtig.

Deze soort bewoont de Noordelijke IJszee en komt uiterst zelden in zuidelijker zeeën. Oceaanvogel evenals alle zijne verwanten, begeeft de Noordsche Stormvogel zich, behalve in den broedtijd, slechts dan naar den vasten wal, als hij door de nevels uit den gewonen koers geraakt of door langdurige stormen geheel uitgeput is. Den naam IJsstormvogel draagt hij niet geheel te recht, daar hij het ijs, de groote ijsmassa's althans, vermijdt; de zeelieden, welker vaartuigen door het ijs ingesloten zijn, houden het verschijnen van Noordsche Stormvogels voor een betrouwbaar kenteeken van open water.

De vlucht van den Noordschen Stormvogel heeft eenige overeenkomst met die van sommige Meeuwen, vooral met die van den Raadsheer. Men ziet hem met uitgespreide, bijna onbewogen vleugels licht over de onstuimige golven glijden en zooveel mogelijk op denzelfden afstand van den waterspiegel blijven; wakker verzet hij zich tegen den storm en rust slechts zelden uit. Hij toont een groote bekwaamheid in 't zwemmen, zoowel bij het doorklieven van de snelste stroomingen tusschen de klippen als bij het roeien aan de oppervlakte van 't water, dat slechts onbeduidend ingedeukt wordt door zijn gewicht; op het land evenwel beweegt hij zich gebrekkig, meer schuivend dan stappend, terwijl de geheele loop op den grond rust. Zijn kakelend, als "gègègègerr" klinkend geluid wordt in toorn door een ratelend "karw" vervangen. In aard komt hij met de andere soorten der familie overeen. Onbevreesd voor den mensch, nadert hij de schepen en hindert de visschers en walvischvangers door zijn brutaliteit. De walvischvangers beweren, dat hij een groote voorliefde heeft voor spek; nauwgezette onderzoekers hebben opgemerkt, dat hij allerlei zeedieren verslindt en zelfs het lepelblad, dat op de klippen groeit, als voedsel gebruikt. Volgens Faber is hij de eenige Vogel, die Kwallen eet.

Op alle eilanden van het hooge noorden, o.a. op Jan-Mayen en Spitsbergen vindt men zijne broedplaatsen, ook op bewoonde Europeesche eilanden, o. a. op St. Kilda, een van de Hebriden, en op IJsland. Op de Westman-öer bij IJsland broeden deze Vogels, volgens Faber, in zeer grooten getale; daar de bewoners van deze eilanden ieder jaar minstens 20000 jongen verzamelen, moeten hier minstens 40000 Vogels nestelen. Daar vele nesten onbereikbaar zijn voor de Vogelvangers, die zich aan sterke touwen bij de rotswanden laten afzakken, neemt hun aantal ieder jaar toe. Het jong verlaat het ei niet voor de eerste dagen van Juli; tegen het einde van deze maand is het halfwassen en met lang, grijsblauw dons bedekt. Reeds dan spuwt het even goed als de volwassen Vogels, soms meer dan 2/3 M. ver, een traanachtige vloeistof uit over ieder, die het grijpen wil. De voorraad van dit slijm, dat door braakbewegingen uit het onderste deel van den slokdarm naar boven wordt geperst, is niet schielijk uitgeput. Tegen het einde van Augustus zijn de jongen in staat om te vliegen en buitengewoon vet, maar verbreiden een onaangenamen reuk. De bewoners van de Westman-öer, die dan alle broedplaatsen dezer rotsachtige eilandjes bezoeken, dooden de jonge Stormvogels bij duizenden en zouten ze als wintervoorraad in. Buiten den broedtijd zwerft deze Vogel rond en dwaalt bij zware noordwest-stormen soms naar de zuidkusten der Oost- en Noordzee en ook naar de onze af.

Een aan alle zeelieden welbekende Stormvogel is de Kaapsche Duif (Procellaria capensis). Bij deze zijn de bovenkop en de achterhals, evenals de zijden van kop en hals donker ijzergrauw, de mantel, benevens de bovendekveeren van vleugel en staart wit, met groote topvlekken geteekend, de staartveeren wit, met uitzondering van een zwarten band aan den top. Totale lengte 38, vlucht 110, staartlengte 9 cM.

Van alle zeevogels is de Kaapsche Duif de trouwste begeleider der schepen. Haar verbreiding is opmerkelijk, daar zij in den Atlantischen Oceaan ten zuiden van den Steenbokskeerkring blijft en hoogst zelden in de tropische zeeën, of zelfs in den gematigden gordel, b.v. aan de westkust van Europa, verdwaalt; in de Stille Zuidzee echter ontmoet men haar, althans aan de westkust van Amerika, ook ten noorden van den evenaar.

De Kaapsche Duif zwemt zonder merkbare inspanning, maar doet dit zelden; zij vliegt over dag en 's nachts, slechts nu en dan op het water neerstrijkend om een hier drijvend, eetbaar voorwerp gemakkelijker te kunnen opnemen. Bij helder weer is zij tamelijk schuw en wantrouwig; bij stormweer echter als de honger haar plaagt, schijnt zij zich om geen gevaar te bekommeren en laat zich zeer licht vangen. Aan boord getrokken, verdedigt zij zich dapper met den snavel en weet zeer goed te mikken met de vettige, op olie gelijkende vloeistof, die zij haar belager in 't gelaat spuwt.

De Zwaluw-stormvogels (Thalassidroma) kenmerken zich door geringe grootte, slanken romp, korten hals en betrekkelijk grooten kop, zeer lange vleugels, welke aan die der Zwaluwen herinneren, en een middelmatig langen staart; de kleine, zwakke snavel loopt grootendeels recht, behalve aan de spits, waar de bovenkaak haakvormig over de eveneens benedenwaarts gekromde onderkaak heen gebogen is; de kleine, zwakke voeten hebben een langen, netvormig geschubden of gelaarsden loop en drie lange, dunne door volledige zwemvliezen vereenigde voorteenen; de achterteen is zeer klein en hooger ingeplant; het dichte, op een vacht gelijkende vederenkleed heeft een somber bruine grondkleur en een witachtige teekening. De neuskokers gelijken op die van het vorige geslacht.

Het Stormvogeltje of de Stormzwaluw, door de Engelsche zeelieden Petrel (naar den op zee wandelenden apostel) of Mother Carey's Chicken genoemd (Thalassidroma pelagica), heeft een recht afgesneden staart; zijn vederenkleed is roetbruin, op den bovenkop glanzig zwart, bij het voorhoofd bruinachtig, op den mantel zwartbruin; de spitse van de middelste vleugeldekveeren zijn lichter, soms zelfs vuilwit van kleur en vormen een meer of minder duidelijken dwarsband op den vleugel; de staartwortel, de stuit, de buitenste onderdekveeren van den staart en de wortels der stuurpennen zijn wit. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet roodachtig bruin. Totale lengte 14, staartlengte 5 cM.

Het Vale Stormvogeltje (Thalassidroma leucorrhoea), kenbaar aan zijn diepgevorkten, betrekkelijk langen staart, is 20 cM. lang, waarvan 9 cM. op den staart komen. Zijn hoofdkleur is roetbruinachtig zwart, de staartwortel en de buitenste onderdekveeren van den staart zijn wit.

Alle Zwaluwstormvogels behooren thuis boven de wereldzee en hebben dus een uitgestrekt verbreidingsgebied. De beide genoemde soorten bewonen, met uitzondering van het hoogste noorden, den geheelen Atlantischen Oceaan en de Stille Zuidzee. In de Noordzee ontmoet men ze zelden, in de Oostzee nog minder dikwijls en steeds in kleinen getale; in de IJszee zwerven zij veelvuldiger rond, hoewel, naar 't schijnt, slechts in sommige tijden van 't jaar. Als de omstandigheden gunstig zijn, verlaten zij hun jachtveld, de open zee, niet anders dan gedurende den broedtijd; door langdurige stormen worden zij echter genoodzaakt nader bij de kust hun heil te zoeken; zelfs ziet men dan geheele zwermen boven het land verschijnen en naar het binnenland vliegen, zonder twijfel in de meening dat zij zoo de zee zullen terugvinden. Verdwaalde Zwaluwstormvogels zijn na zware stormen uit het noordwesten niet zelden aan of op eenigen afstand van onze kust dood gevonden, in voor andere Vogels bestemde netten gevangen of geschoten. Eenige malen heeft men ze zelfs ver in het binnenland, tot in Silezië en Zwitserland, waargenomen.

De Zwaluwstormvogels zijn voornamelijk 's nachts werkzaam; hoewel zij op alle uren van den dag wakker zijn, ziet men ze eerst met den aanvang van de schemering druk aan 't werk; gedurende den geheelen nacht hoort men hun stem. Te midden van den Oceaan ontmoet men ze soms alleen, gewoonlijk echter, zoowel bij mooi als bij slecht weer, in meer of minder talrijke gezelschappen. Dagen achtereen zwerven zij boven de golven, soms hoog in de lucht zooals de Zwaluwen, soms onmiddellijk boven de oppervlakte van het water, welks op- en neergaande beweging zij nauwkeurig volgen, zonder met het zilte nat in aanraking te komen. 't Is, alsof zij door een tooverkracht op een bepaalden, steeds gelijken afstand van de golven gehouden worden. Hunne vleugelslagen zijn niet talrijk, maar krachtig; hun vlucht is zeer gevarieerd. Eenige minuten lang zweven zij met uitgespreide, niet merkbaar bewogen vleugels langs het water, plotseling schieten zij omhoog, bewegen de vleugels snel en hevig op de wijze der Gierzwaluwen, maken op meesterlijke wijze zwenkingen in alle richtingen, storten zich in scheeve richting naar beneden en gaan weer op hunne wieken drijven. Loopend over de golven achterhalen zij hun buit en grijpen hem met den snavel, waarna zij weer opvliegen en verder zweven. Volgens zorgvuldige waarnemers zwemmen zij nooit en zetten zich uitsluitend om te rusten op het water neer.

Hun buitengewone bekwaamheid in 't vliegen stelt hen in staat deze beweging dagen achtereen vol te houden, zonder te rusten; hoogstens verpoozen zij zich door een anderen stand aan te nemen, b.v. door, na het zweven, een tijd lang werkelijk te vliegen of omgekeerd. Na langdurige stormen geraken zij soms uitgeput, niet zoozeer door den strijd tegen den wind als wel door den honger, omdat de storm de gelegenheid tot het verkrijgen van voedsel vermindert. De wind, wel verre van hen te vermoeien, maakt het vliegen gemakkelijker: zij worden er door gedragen en gesteund, wanneer zij hunne met zeilen vergelijkbare vleugels den juisten stand geven. Onder het vliegen hoort men zelden hun geluid, het minst nog over dag, deze tijd schijnt voor de rust bestemd; het meest opgewekt zijn zij tegen den avond en kort na zonsondergang. Vooral dan hoort men, als de wind het geluid niet verzwakt, hun op "oeïeb oeïeb oeïeb oeè, oeè" gelijkenden loktoon.

De Stormvogeltjes zijn, naar het schijnt, buitengewoon zachtzinnig van aard. Met hunne soortgenooten leven zij steeds in vrede; om andere Vogels bekommeren zij zich niet. Deze vlugge, sierlijke wezens, worden, hoewel waarschijnlijk ten onrechte, voor de domste van alle Vogels gehouden wegens de wijze, waarop zij zich gedragen, als men ze aan hun element ontrukt: zij geraken geheel van streek, zien in 't geheel geen kans om zich te redden. De volgende episode uit de beschrijving van Graba's reis naar de Fär-öer heeft hierop betrekking: "Mijn gevangene was zoo zachtzinnig mogelijk en deed volstrekt geen pogingen om zijne belagers te bijten of zich op een andere wijze te verweren, nadat hij zijn voorraad traan had uitgeput. Op mijn kamer gebracht, was hij zoo mak, dat ik hem aanvatten en ronddragen, streelen en wegjagen kon, zoo vaak ik maar wilde. De diepste neerslachtigheid sprak uit zijn houding. Hij zat onbeweeglijk op de beide loopen, zonder dat de veeren van den buik den grond aanraakten, liet den kop hangen en nam dadelijk weer deze houding aan, zoodra men hem met rust liet. Nooit trachtte hij in de kamer zijne vliegwerktuigen te gebruiken, maar deed eenvoudig op onbeholpen wijze eenige schreden vooruit, zoodra hij opgejaagd werd. Gedurende het staan, dat hem moeite scheen te kosten, geleek hij door de richting en de houding van het lichaam op een Jager; de pooten ondersteunden den waterpas gerichten romp in het midden, de hals werd rechtop gehouden, waardoor de borst sterk naar voren uitpuilde. Hij deed geen pogingen om voedsel te zoeken of op te nemen: evenals de meeste zeevogels was zijn moed verdwenen, nu hij geen water meer zag. Ik droeg hem los op de hand de straat over naar zee; zelfs toen bleef hij nog bewegingloos zitten; onmiddellijk nadat ik hem omhoog had geworpen, vloog hij echter met verbazende snelheid in den wind op en repte zich vervolgens met halven wind voort naar de open zee."

Allerlei soorten van Weekdieren, kleine Schaaldieren en misschien ook vischjes maken het voedsel van de Zwaluwstormvogels uit; als er vet, olie b.v., op het water drijft, maken zij ook hiervan gebruik. Meer kan hiervan niet gezegd worden, daar hun maag nooit eenig spoor van dieren, maar uitsluitend een tranige vloeistof bevat.

Ook over de voortplanting van de Stormvogeltjes deelt Graba eenige merkwaardige feiten mede. "Vele Färingers," zegt hij, "kenden den "Droenkwietie" slechts bij name; zij wisten niets anders van hem te berichten, dan dat hij zich op het land onder den grond in gaten, maar nooit daarbuiten ophoudt. Zoolang ik op Färö geweest ben, heb ik hem nooit op de kust aangetroffen, hoewel hij in de open zee, vooral in de nabijheid van de Noordereilanden, veelvuldig voorkomt. Verscheidene weken voor het broeden, begeven de Stormvogeltjes zich naar de holen en spleten van de rotsen niet ver van de zee. Hier graven zij een gat in den grond en maken dit zoo diep mogelijk, soms is het wel 60 cM. lang; het nest wordt van eenige grashalmen vervaardigd en tegen het einde van Juli met een enkel rond en wit ei belegd. Reeds eenigen tijd van te voren plukt de Vogel een plek voor aan den buik kaal; ik vond deze broedplek bij de meeste reeds 8 dagen vóór den tijd van 't leggen." Vermoedelijk lossen het mannetje en het wijfje elkander bij het broeden af.

Behalve door den Jager wordt de Stormzwaluw op zee door geen enkelen Vogel aangevallen. De aan land verdwaalde exemplaren vallen iedere Raaf ten buit, daar zij eigenlijk zonder zich te verdedigen hun vijand afwachten. De mensch vervolgt hen niet: de traanlucht, die zij verbreiden, is zoo doordringend, dat zelfs de bewoners van het noorden er door afgeschrikt worden. Nog in Graba's tijd (1828) gebruikte men echter op Färö doode Stormvogeltjes bij wijze van kaarsen; men reeg hun een pit door 't lijf en stak deze aan.

Het laatst komen de Pijlstormvogels, de Puffins der Engelschen (Puffininae), aan de beurt, hoewel zij tot de meest begaafde leden van hun familie behooren. Den slanken snavel, met benedenwaarts gebogen bovenkaak- en onderkaakspits, hebben zij met de Zwaluw-stormvogels gemeen; hunne neuskokers zijn vaneengescheiden door een breeder tusschenschot dan bij de echte Stormvogels. Hoewel ook zij de zee niet anders dan in den broedtijd verlaten, komen zij vaker en nader bij het land dan hunne verwanten, en bezoeken niet zelden b.v. de havens. Gewoonlijk tot troepen van 8 à 20 stuks vereenigd, die, gemeenschappelijk jagend, een bepaalde streek afzoeken, vormen zij in den broedtijd groote zwermen, die enkele eilanden letterlijk bedekken.

Hun voedsel, dat hoofdzakelijk uit Visschen en Koppootige Weekdieren bestaat, vormt in hun maag geen op traan gelijkende vloeistof, zooals bij de Zwaluwstormvogels.