Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels

Part 7

Chapter 73,174 wordsPublic domain

Iedere reiziger langs den Nijl merkt deze aardige, levendige, behendige en schreeuwlustige Vogels op. Zij trekken de aandacht, wanneer zij met de haast, die aan de leden van hun familie eigen is, voortrennen, maar vallen nog meer in 't oog, wanneer zij hunne fraaie, wit en zwart gestreepte vleugels uitbreiden en over 't water vliegen. Zij doen dit zeer snel, zooals men reeds bij 't zien van de spitse vleugels zou verwachten, en zonder merkbare inspanning; toch begeven zij zich in één vlucht zelden ver, hoogstens van den eenen zandbank naar den anderen; steeds scheren zij dicht bij de oppervlakte van 't water langs. Onder het vliegen laten zij geregeld hun luide, fluitende stem hooren, deze bestaat uit een reeks van tonen en klinkt ongeveer als "tsjiep tsjiep hoit". Maar ook gedurende het zitten en rondloopen schreeuwen zij dikwijls. Zij doen dit telkens, als er iets bijzonders in hun omgeving voorvalt: de nadering van ieder schip, van iederen mensch, van ieder Zoogdier, van iederen grooten Vogel wordt door een luid geschreeuw aangekondigd. Op deze wijze vervult de "Wachter" niet alleen bij den Krokodil, maar bij ieder dier, dat op hem let, de rol, die door zijn naam wordt aangeduid. Hij onderscheidt zich door een merkwaardige sluwheid, een scherp oordeel en een bewonderenswaardig geheugen: het is, alsof hij geen gevaren vreest, omdat hij ze kent en hun omvang weet te schatten. Met den Krokodil leeft hij werkelijk in vriendschap, evenwel niet, omdat het vraatzuchtige Reptiel hem genegen is, maar, omdat de Vogel door zijn schranderheid en behendigheid aan de boosaardige aanslagen van het monster weet te ontkomen. Als bewoner van de zandbanken, waarop de Krokodil slaapt en zich in de zon koestert, heeft hij van jongs af met dit ondier verkeerd. Op diens gepantserden rug loopt hij even onbeschroomd rond als op een weiland en zoekt er de Insecten en Bloedzuigers af, die op het bloed van den Krokodil belust zijn; zelfs ontziet hij zich niet het gebit van zijn kolossalen vriend schoon te maken, d. w. z. de stukken voedsel, die tusschen de tanden overgebleven zijn, of de dieren, die zich aan de kaken en aan het tandvleesch vastgehecht hebben, weg te pikken. Het geschreeuw van den Vogel bij het zien van een wezen, dat hem vreemdsoortig of gevaarlijk voorkomt, doet den slapenden Krokodil ontwaken en noopt dezen zich naar de veilige diepte te begeven.

Mogelijk is het, dat de Krokodilwachter met zijn spijs nu en dan enkele zaden doorslikt; zijn gewone voedsel ontleent hij echter aan het dierenrijk. Hij eet allerlei Insecten, vooral Zandkevers, Vliegen, Waterspinnen, Wormen, kleine Schelpdieren, Visschen en, naar uit de bovenstaande mededeelingen blijkt, ook stukjes vleesch van grootere Gewervelde Dieren.

Het wijfje legt hare eieren in een kuiltje in den grond en bedekt ze met zand, wanneer zij bij 't broeden gestoord wordt. Slechts toevallig komt men dus op het spoor van de broedplaats.

De Steenloopers (Arenaria) zijn fraai geteekende, zeer beweeglijke vogeltjes, die van de overige bevederde strandbewoners, behalve door hun gestalte, ook in vele opzichten door hun levenswijze verschillen. Men heeft ze nagenoeg over de geheele wereld verspreid gevonden, aan de kusten van IJsland en Skandinavië, zoowel als aan die van Griekenland, Zuid-Italië en Spanje, in Australië zoowel als in Middel-Amerika en Brazilië, in Egypte en in het Kaapland, in China zoowel als in Indië. Zij zijn dus wereldburgers in de strengste beteekenis van het woord. Men ontmoet ze overal echter het veelvuldigst aan de zeekust, slechts gedurende den trektijd, en ook dan steeds in zeer kleinen getale, bij binnenwateren.

De Steenloopers zou men kunnen beschouwen als Pluvieren met dikke en tamelijk korte pooten. Hun lichaam is forsch gebouwd, de kop betrekkelijk groot, het voorhoofd hoog, de snavel recht, bijna zoo lang als de kop, korter dan de loop, kegelvormig, aan de spits een weinig naar boven gebogen en stomp, maar niet verdikt, op den rug afgeplat, geheel met een harde huid bedekt; de neusgaten zijn aan den snavelwortel gelegen; in de lange, spitse vleugels is de eerste handpen de langste; de ternauwernood middelmatig lange staart is uit 12 pennen samengesteld; de voorteenen zijn niet verbonden, de achterteen is klein en hoog aangehecht; het vederenkleed is goed voorzien, maar glad aanliggend en onderscheidt zich door levendige kleuren; de schouderveeren zijn sterk verlengd.

Van de beide soorten van dit geslacht bewoont de eene de Nieuwe, de andere de Oude Wereld. Bij deze--bij den Gewonen Steenlooper (Arenaria interpres)--zijn in volwassen toestand en gedurende den zomer het voorhoofd, de wangen, een breede band in den nek, de onderrug, de keel en de onderdekveeren van den vleugel zuiver wit; een streep, die op het voorhoofd begint, voor het oog langs en over den hals naar beneden loopt, is zwart, evenals de onderhals met het voorste deel en de zijden van de borst; de veeren van den mantel zijn zwart en rood gevlekt, die van de kruin wit en zwart overlangs gestreept, de vleugeldekveeren kastanjebruinrood met zwarte vlekken; over den staartwortel loopt een breede, bruine band; de slagpennen zijn zwartachtig, de stuurpennen aan den wortel en aan de spits wit, vóór de spits met een breeden, zwarten band geteekend. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet oranjegeel. Totale lengte 24, staartlengte 6 cM.

De Steenlooper broedt in de koude streken van de Oude Wereld, in Europa niet zuidelijker dan Jutland. Gedurende den winter werd hij op Madeira en in Noord-Afrika, in Azië tot op Java waargenomen. Men mag aannemen, dat hij vooral langs de zeekust trekt en daarom zoo zelden in het binnenland gezien wordt. De komst van de Steenloopers in Skandinavië, op IJsland en Groenland duurt van de laatste dagen van April tot in het midden van Mei; reeds vóór het einde van Augustus vertrekken zij. In deze maand ziet men ze, hoewel niet talrijk, op onze kust verschijnen en ook aan de noordelijke en zuidelijke oevers van de Middellandsche Zee. Die, welke zich naar ons land begeven, blijven meestal den winter over en kiezen bij voorkeur de steenen hoofden langs de kust tot rust- en verblijfplaatsen. De Steenlooper houdt evenwel niet van rust; hoogstens verdroomt hij in de middaguren eenige minuten. Gedurende den overigen tijd van den dag is hij aanhoudend in beweging, van 's morgens tot na zonsondergang, dikwijls zelfs 's nachts. Hij gaat trippelend en bij 't zoeken van voedsel tamelijk langzaam; maar kan zich ook rennend en buitengewoon snel over groote afstanden verplaatsen, hoewel hij gewoon is om, na als een pijl uit den boog een zekeren weg doorloopen te hebben, op de een of andere verhevenheid een tijdlang stil te staan en daarna opnieuw vooruit te schieten. In 't vliegen is hij even ervaren als zijne verwanten.

Zoolang hij in beweging is, houdt de zorg voor 't voedsel hem bezig. Hij eet allerlei kleine zeedieren, vooral Wormen en teere Schelpdieren, maakt deze buit door met den snavel in 't zand te boren of door het omwentelen van steenen, en ontleent hieraan zijn naam. De Insecten, die binnen de hoogwaterlijn komen, worden natuurlijk ook opgepikt, voornamelijk is zijn proviand echter afkomstig uit de kuststrook, die bij eb droog valt, waar Insecten tot de uitzonderingen behooren.

Iedere bezoeker van de Noordzeekust zal er zeer zeker kennis maken met een hier bijna overal voorkomenden Strandvogel, die men wegens zijn eigenaardige levenswijze niet licht over het hoofd zal zien. De Scholekster, aan den Dollard Slijkaakster, op Texel Lieuw, op Terschelling Bonte Piet, in Friesland Strandkievit, Bonte Lieuw of Oostindische Kievit, in 't Friesch Stranljiep, in Vlaanderen Zeeekster genoemd (Haematopus ostralegus), valt ook door haar gestalte in 't oog en heeft behalve de leden van haar geslacht geen verwanten, die veel op haar gelijken. Haar kenmerken een gedrongen lichaamsbouw, een groote kop, die in een dubbel zoo langen, rechten, naar voren zeer sterk samengedrukten, wigvormigen, harden snavel eindigt, middelmatig hooge, krachtige voeten met drie korte en breede teenen, waarvan de buitenste en de middelste door een groot spanvlies vereenigd zijn, middelmatige lange, doch spitse vleugels en een uit 12 pennen samengestelden, tamelijk korten, recht afgesneden staart. Op de bovendeelen, den voorhals en den krop zijn de veeren zwart, een weinig iriseerend, op den onderrug en den staartwortel, onder het oog, op de borst en den buik wit; de hand- en stuurpennen zijn aan den wortel wit, overigens zwart; de grootste vleugeldekveeren vormen over den vleugel een witten band. Het oog is bloedrood, aan den rand oranjekleurig, een naakte ring er omheen menierood. De bek is oranjerood, bij de jongen roodachtig bruin, maar aan de spits geel. De pooten zijn donker vleeschkleurig. Totale lengte 42, staartlengte 11 cM.

Van de Noordkaap of van de Finsche Golf tot aan Kaap Tarifa heeft men de Scholekster aan alle Europeesche kusten waargenomen, veelvuldig vooral op plaatsen waar de kust rotsachtig is. Eveneens ontmoet men haar op de Noordzee-eilanden en aan alle kusten van de Noordpoolzee, opmerkelijkerwijze ook bij de groote stroomen van Noord-Azië, volgens onze waarnemingen o. a. aan den geheelen benedenloop van den Ob. Zuid-Europa bezoekt zij 's winters, hoewel volstrekt niet in grooten getale; haar wijze van trekken is in vele opzichten eigenaardig. Zoo verlaat zij vóór den winter geregeld het strand van de Oostzee, terwijl zij op IJsland eenvoudig van de noordkust naar de zuidkust trekt. De verklaring hiervoor is niet moeielijk te geven. Daar waar de Golfstroom de kust bespoelt, blijft deze Vogel gedurende het geheele jaar; op plaatsen waar de zee 's winters dichtvriest, is hij tot trekken gedwongen.

Bij ons komen de Scholeksters in April en vertrekken in September. Zij broeden overal in de duinen, maar ook uren ver van deze, in de weilanden. Na den broedtijd trekken zij naar de kust, waar een groot aantal overwinteren en steeds andere doortrekken, zoodat zij hier voortdurend te vinden zijn en bijna den geheelen winter door in steekgarens gevangen worden. Vooral op de Noordzee-eilanden zijn zij zeer menigvuldig. Hoewel de Scholekster plomp en log van uiterlijk is, kan zij zich toch uitstekend bewegen. Haar gang gelijkt op dien van den Steenlooper; zij loopt bij rukken, gewoonlijk stappend of trippelend, maar kan in geval van nood ook buitengewoon snel rennen; hare breedzoolige voeten stellen haar in staat om zelfs op de weekste slib te loopen. Zij zwemt voortreffelijk, ook wanneer zij er niet toe genoodzaakt is en heeft een zeer krachtige en snelle vlucht; meestal vliegt zij rechtuit, dikwijls echter ook in koene bogen en zwenkingen; meer dan de meeste overige strandvogels drijft zij op hare wieken. Haar stem, een als "hie iep" klinkend gefluit, laat zij bij iedere gelegenheid hooren, soms met een lang gerekt "kwierrr" als inleiding, dikwijls ook kort samengetrokken, zoodat het geluid als "kwiek kwiek kewiek kewiek" klinkt. De lang aanhoudende trillers, die zij in den paartijd voortbrengt, zijn zeer welluidend en vol afwisseling. Vooral door haar levenswijze trekt de Scholekster onze aandacht. Geen andere strandvogel is zoo bedrijvig, onrustig, moedig, plaag- en strijdlustig en toch voortdurend zoo goed geluimd. Als zij zich verzadigd en een weinig gerust heeft, begint zij dadelijk met andere Vogels, althans met hare soortgenooten, te stoeien en hen na te jagen; lang stil zitten, rustig op dezelfde plaats blijven kan zij niet. Op dit gestoei volgt soms een ernstig gemeende twist, daar zij iedere beleediging onmiddellijk tracht te wreken. Overal waar Scholeksters zijn, spelen zij de eerste viool, regelen, plooien als 't ware, het leven van alle strandbewoners naar hare inzichten.

"Haar voedsel," schrijft Schlegel, "bestaat uit vischbroedsel, jonge Garnalen en Wormen. Om het te zoeken boort zij, evenals de Snippen, gaten in het zand of keert met haar bek de hoorns, schelpen en andere op het strand liggende voorwerpen om; waarschijnlijk heeft men haar hierom den naam Oestervisscher gegeven." Dat de Scholekster nooit Oesters vischt, ligt voor de hand. Wel eet zij graag kleine Weekdieren, of vreet een groot Schelpdier leeg, dat dood aan het strand werd gespoeld; zij is echter niet in staat om een levend Schelpdier te openen. Waarschijnlijk zijn Strandpieren een hoofdbestanddeel van haar maal. Dat zij intusschen een klein Schaaldier, een vischje en andere zeedieren niet versmaadt, behoeft niet uitdrukkelijk gezegd te worden en evenmin, dat zij op Insecten jacht maakt in de nabijheid van het vee, dat aan de kust graast.

De Scholeksters, die als standvogels beschouwd kunnen worden, beginnen omstreeks half April, die welke trekken, iets later haar nest te bouwen. Het liefste doen zij dit op met kort gras begroeide vlakten in de nabijheid van de zee; waar deze ontbreken, maken zij gebruik van de wieren, die door hooge vloeden aan het strand worden geworpen. Het nest is een ondiep kuiltje, dat het wijfje in den grond heeft uitgekrabd; het bevat, als het broeden aanvangt, 3 (soms ook maar 2) zeer groote, spitse of zuiver eivormige eieren, welker stevige, glanslooze schaal op licht bruinachtig roestgelen grond een zeer varieerende teekening vertoont, die uit licht paarse of donker grijsbruine en grauwzwarte vlekken en stippels, strepen, krullen enz. bestaat. Het broeden duurt ongeveer 3 weken. De jongen verlaten onmiddellijk het nest en worden geleid door de beide ouders, die in dezen tijd voorzichtiger en stoutmoediger zijn dan ooit te voren.

Het gemakkelijkst kan men de Scholekster verschalken, door haar op te zoeken, terwijl zij haar middagslaapje houdt; dan moet men haar zeer voorzichtig naderen, daar hare scherpe zintuigen zelfs zwakke voetstappen van den mensch hooren of althans opmerken. Dat zij een zeer flink schot kan verdragen, vergroot de moeielijkheid van deze jacht.

De Zwaluwpluvieren (Glareolidae) vereenigen als 't ware de kenmerken van verscheidene orden in zich. Haar snavel houdt ongeveer het midden tusschen dien van een Hoen en dien van een Nachtzwaluw. De slanke, boven het springgewricht naakte pooten hebben vier middelmatig lange, smalle teenen met slanke, spitse, bijna rechte nagels; de buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden. De overeenkomst van hare lange vleugels, welker eerste pen alle overige in lengte overtreft, met die van de Zwaluwen heeft aanleiding gegeven tot den naam van de familie. De tamelijk lange, recht afgesneden of gaffelvormige staart is uit 14 pennen samengesteld. Het vederenkleed is dicht en zacht, zeer overeenstemmend bij alle soorten, bij mannetjes en bij wijfjes, in den herfst en in den zomer; maar biedt tamelijk veel verschil aan bij ouden en bij jongen.

In alle landen, die de Middellandsche en de Zwarte Zee omgeven, voorts in de laagvlakten van den Donau en van den Wolga alsook in de steppen van Rusland en Siberië ontmoet men de Vorkstaartpluvier (Glareola pratincola). Zij is 26 cM. lang, waarvan 10 cM. op den staart komen. De veeren van de bovendeelen zijn olijfbruin, op de schouders en de dekveeren met metaalachtigen weerschijn; de staartwortel, de onderborst en de buik zijn wit; de roodachtig gele keel wordt door een bruine ring omlijst. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, aan den mondhoek koraalrood, de voet zwartbruin.

De Vorkstaartpluvier kan uitmuntend loopen, maar nog beter vliegen. Zij loopt in korte rukken, op soortgelijke wijze als de Pluvier. Haar wijze van vliegen gelijkt op die van de Zeezwaluw en kenmerkt zich door groote snelheid, fraaie zwenkingen, plotselinge wendingen, kortom, zij biedt velerlei afwisseling aan.

Gedurende den broedtijd ziet men deze sierlijke en onschadelijke Vogels paarsgewijs, loopend of vliegend jacht maken op Insecten, Kevers, Motten, Haften, Libellen en Sprinkhanen. Tijdelijk voeden zij zich bijna uitsluitend met Sprinkhanen, die zij zoo wonderbaarlijk snel verteren, dat reeds 10 minuten na het doorslikken van zulk een buit, het als 't ware uitgeperste, uitwendige skelet met den drek het lichaam verlaat. Alle Insecten, die zij vangen, worden in hun geheel verzwolgen, gelijk ook de Geitenmelker doet. Von der Mühle vond in het spijskanaal van Vorkstaartpluvieren, die hij op de jacht gedood had, zeldzame Kevers geheel onbeschadigd, volkomen geschikt voor een insectenverzameling. Evenals de Nachtzwaluwen, jagen de Vorkstaartpluvieren soms nog laat in den avond; zij zijn over 't geheel genomen eer schemeringvogels dan dagvogels; dit blijkt uit hun slapen of rusten gedurende de middaguren; in den voortplantingstijd doen zij dit in de nabijheid van haar nest, in den trektijd ziet men ze op een eindelooze reeks, aan den oever van een rivier of van een meer zitten.

Enkele voorwerpen, gewoonlijk jonge, verdwalen in den zomer naar noordelijker streken; ook in Nederland, en wel in Noordbrabant (bij 't meertje tusschen Vlijmen en Engelen), heeft men er eens (in Juli 1892) één gevangen, in gezelschap van Kieviten, Kemphanen enz. (Albarda).

In Hongarije en Rusland worden de eieren van de Vorkstaartpluvier veelvuldig ingezameld; in Griekenland wordt jacht gemaakt op den volwassen Vogel wegens zijn smakelijk vleesch, dat vooral in den herfst zeer vet is. Voor de kooi wordt hij zelden gevangen.

Eenige afwijkende uitheemsche Vogels, die vroeger nu eens bij de Hoenderachtigen, dan weer tot de Moerasvogels gerekend werden, brengt Fürbringer tot de groep der Meeuwpluviervogels en vormt er drie kleine familiën van. Deze zijn de Kluitsterns (Dromadidae), de IJshoenderen (Chionidae) en de Kwartelsnippen (Thinocoridae).

De familie van de Kluitsterns bevat slechts één geslacht met één soort (Dromas Ardeola). Deze komt in grootte met een Duif overeen, maar heeft pooten, welke door lengte en bevedering en door de aanwezigheid van halve zwemvliezen tusschen de voorteenen aan die van de Kluiten herinneren. Zij heeft een stevigen, lancetvormigen snavel met eironde neusgaten. Door hare kleuren herinnert zij (zelfs in het jeugdkleed) aan de Zeezwaluwen. Zij wordt aan de kust van de Roode Zee en op het vasteland van Indië gevonden, waar zij, volgens Von Heuglin, in de duinen een diep, schuins naar boven gericht hol graaft, dat als broedplaats dient. In het najaar trekt zij langs de oostkust van Afrika zuidwaarts tot Madagaskar.

De familie der IJshoenderen (Chionidae) omvat twee soorten, die rotsachtige eilanden in de koude zeeën van het zuidelijk halfrond bewonen en op de wijze der Scholeksters hun voedsel verkrijgen. Beide zijn wit bevederd. De kleinste bij de zeelieden onder den naam van Zuidpoolduif bekend (Chionis minor), komt op Kerguelen-eiland voor; de andere--de Zuidpoolkip (Chionis alba)--, die de grootte van een Patrijs heeft, wordt gevonden op Statenland (bij Vuurland), de Falklandsarchipel en andere naburige eilanden. Beide zijn gezocht wegens hun smakelijk vleesch. Zij hebben tamelijk spitse vleugels, een korten staart, pooten met onbevederd spronggewricht, een tamelijk korten, dikken loop en vier teenen: de achterteen is klein, de voorteenen zijn door spanvliezen verbonden. Merkwaardig is hun snavel, welke op dien van een Hoen gelijkt, doch aan den wortel, waar de neusgaten voorkomen, overwelfd wordt door een van voren getande, van boven gegroefde hoornplaat.

De familie van de Kwartelsnippen (Thinocoridae) omvat eenige tot de gematigde en koude gewesten van Zuid-Amerika beperkte soorten, welker grootte afwisselt tusschen die van een Duif en die van een Leeuwerik. Zij hebben spitse vleugels, korte, vierteenige pooten met hoog ingeplanten achterteen, een korten, nagenoeg kegelvormigen snavel en gelijken op de IJshoenderen o.a. door het met veertjes begroeide vlies, dat hare neusgaten overdekt. Zij komen niet aan de zeekust, maar in het binnenland voor; sommige (Attagis) zijn kortstaartig, bewonen de bosschen der hooge gebergten en herinneren door haar levenswijze aan de Sneeuwhoenderen; andere (Thinocorus) hebben een langen staart, houden zich in droge, met gras begroeide streken op en gelijken door hare gewoonten op Kwartels en Patrijzen. Zij voeden zich met Insecten en plantaardige stoffen.