Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels

Part 6

Chapter 63,421 wordsPublic domain

De Pluvieren i. e. z. (Charadrius) hebben een middelmatig langen, kolfvormig gezwollen snavel van meerdere of mindere dikte, tamelijk hooge, gewoonlijk drieteenige pooten, welker bevedering kort boven het spronggewricht aanvangt, spitse vleugels, waarin de eerste handpen de langste is en een middelmatig langen, afgeronden staart; bij de meeste soorten is een aanmerkelijk verschil op te merken tusschen het (bonte) zomer- en het (eenvoudiger) winterkleed. Men verdeelt de Pluvieren in een aantal groepen, die soms als ondergeslachten, soms als geslachten worden beschouwd.

De Goudkievit, in Friesland Zeewilster, Blanke Wilster of Zilverpluvier genoemd (Charadrius squatarola) is de eenige vertegenwoordiger van het ondergeslacht der Zilverpluvieren (Squatarola), dat zich kenmerkt door het bezit van een zeer kleinen achterteen. Zij gelijkt overigens in gestalte, kleur, aard en levenswijze veel op de Goudpluvier en weinig op den Kievit. De bovendeelen zijn bruinzwart met witte of bruinachtige vlekken; de staartwortel is wit, de staart wit met 6 à 7 zwarte dwarsbanden; de onderstaartdekveeren zijn wit, de ondervleugeldekveeren wit, verder achterwaarts grijs, de okselveeren zwart, de voorhoofdsrand, de teugel en de onderdeelen zwart; in den winter zijn de onderdeelen witachtig met donkere schaftvlekken. Totale lengte 30, staartlengte 9 cM.

Evenals de Goudpluvier, bewoont de Goudkievit de toendra, van deze echter slechts de noordelijkste gedeelten en, naar het schijnt, alleen het kustgebied van de Poolzee, misschien met uitzondering van IJsland, Spitsbergen en Nowaja Semlja, waar hij nog niet gevonden werd. Van hier begeeft hij zich in den herfst zuidwaarts en doorreist bijna de geheele aarde; slechts op Nieuw-Zeeland en in de zuidelijkste landen van Amerika heeft men hem nog niet ontmoet. Ons land en meer bepaaldelijk het zeestrand bezoekt hij van October tot April; vooral in den trektijd wordt hij hier, hoewel nooit in grooten getale, waargenomen en met de andere Pluvieren gevangen.

De Goudpluvier, bij Oirschot Tuter en in Friesland Wilster genoemd (Charadrius pluvialis), van het ondergeslacht der Echte Pluvieren (Charadrius), heeft de kruin, den nek, den achterhals, den mantel en den rug zwart, alle veeren met goudgroene randen en topvlekken. Wit zijn het voorhoofd, de wenkbrauwen en de zijden van hals, borst en buik, die met elkander een onafgebroken streep vormen; dezelfde kleur hebben de stuit en de onderdekveeren van den staart. De handpennen zijn dofbruin, de armpennen op zwarten grond met goudgroene dwarsstrepen, de onderdekveeren van den vleugel wit, bij de vleugelbocht met bruinachtige teekening, de okselveeren zuiver wit, de staartveeren op bruinzwarten grond met 7 à 9 lichtere banden. De onderdeelen zijn in den zomer zwart, in den winter wit met donkere vlekken op den buik. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet grauwzwart. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM.

De Goudpluvieren zijn kenmerkende Vogels voor de toendra: zij behooren tot dit gebied zooals de Renvogels en de Woestijnloopers tot de woestijn. Als men de moerassen doorkruist, die zich over het geheele noorden van de aarde uitstrekken, hoort men van alle zijden het droefgeestige, bijna klagende geschreeuw van deze Vogels, die men, al naar de zomer meer of minder ver gevorderd is, tot paren, kleine troepen, familiën of talrijke vluchten vereenigd ziet. Het eene paar woont hier dicht bij het andere; de jager, die deze Vogels tot buit kiest, kan van den vroegen morgen tot den laten avond onafgebroken bezig blijven. Omstreeks den 57en graad N.B. beginnen zij zeldzamer te worden. In Nederland en Duitschland broeden zij slechts in kleinen getale, bij ons op heidevelden van Gelderland, Noord-brabant en Friesland en op Ameland. Op deze broedplaatsen komen zij in April, om in September weer te vertrekken. De exemplaren, die in noordelijker gewesten broeden, bezoeken ons vaderland ieder jaar in groote menigte tweemaal op den trek; deze begint tegen het einde van September en eindigt in Maart. In zachte winters blijven sommige in Middel-Duitschland achter; het hoofdleger begeeft zich echter verder zuidwaarts: van Lapland en Finland trekt het naar de kustlanden van de Middellandsche Zee en naar Noordwest-Afrika, van Noord-Azië naar Indië en China, van het hooge noorden van Amerika naar het zuiden van de Vereenigde Staten en zelfs naar Brazilië. De reis wordt gewoonlijk in gezelschap aangevangen en heeft hoofdzakelijk gedurende den nacht plaats. De trekkende Goudpluvieren vliegen zeer hoog, soms in ongeregelde zwermen, meestal echter in wigvormige rangorde, evenals de Kranen.

In aard verschilt de Goudpluvier weinig van de andere leden van haar geslacht en van haar familie. Zij is een wakkere, schuwe Vogel, die voortreffelijk loopt, d. w. z. op bevallige wijze voortstapt of buitengewoon snel voortrent en slechts na een langen marsch even stilstaat. Zij vliegt snel en behendig, recht op het doel af, wanneer zij een langen weg heeft af te leggen; in de nabijheid van het nest vermeit zij zich echter in allerlei fraaie wendingen en vliegkunsten. Haar welluidend, helder gefluit, dat als "tluïe" klinkt, maakt een aangenamen indruk, hoewel de intonatie ons eenigszins zwaarmoedig voorkomt; in den paartijd wordt het tot een triller ("taluudl-taluudl-taluudl-taluudl") verlengd. Hare zintuigen en geestvermogens zijn goed ontwikkeld. Bovendien toont zij een gezelligen, vreedzamen aard, liefde voor gade en kroost en andere goede eigenschappen. Wormen en insectenlarven vormen de hoofdbestanddeelen van haar voedsel; in den zomer eet zij bijna uitsluitend Muggen in allerlei ontwikkelingstoestanden, op den trek Kevers, Slakken, Regenwormen en dergelijke kleine dieren; ook slikt zij tot bevordering van de spijsvertering zandkorrels door. Water om te drinken en om zich te baden kan zij volstrekt niet ontberen.

De Goudpluvieren zijn bekend als smakelijk wild. Vooral in Friesland levert wilstervangst (waarvoor groote enkele slagnetten dienen) soms belangrijke voordeelen op. Meer dan eens bedroeg de marktprijs van deze Vogels te Londen een shilling per stuk. Het is wel eens voorgekomen, dat een vogelvanger op één dag er 400 stuks bemachtigde.

Eén enkele maal werd in Nederland (Friesland) een aan de Goudpluvier nauw verwante soort waargenomen, die in het oosten van Azië en in 't noorden van Amerika broedt en soms naar Europa, o. a. naar Helgoland, afdwaalt. De Aziatische Goudpluvier (Charadrius fulvus) is iets kleiner dan de vorige soort, hare vleugels zijn korter en de schenkels minder ver bevederd, de vleugelspitsen strekken zich voorbij den staart uit, de staartveeren hebben slechts 5 of 6 heldere dwarsbanden en de okselveeren zijn bruinachtig grijs.

De Morinelpluvier [Charadrius (Eudromias) morinellus], draagt een kleed, dat voortreffelijk past bij de kleur van den bodem op een steenachtige glooiing in het gebergte. De bovendeelen zijn zwartachtig, door de roestroode randen der veeren lichter geteekend; de grijze kleur van den kop is door een smallen, zwarten en een witten gordel van de borst gescheiden; deze is roestrood, de onderborst in het midden zwart, de buik wit; boven ieder oog bevindt zich een breede, lichte streep; deze beide strepen komen in den nek samen. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet groenachtig geel. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM.

De Morinelpluvier behoort thuis in hooge bergstreken en in de hooge toendra. Hier houdt zij zich op van April tot Augustus. Haar broedgebied strekt zich uit van Finmarken tot in het Taimirland en van Spitsbergen of Nowaja Semlja tot Middel-Duitschland (op het hoogste deel van het Reuzengebergte), de Schotsche Hooglanden en Zuid-Siberië (op bergvlakten, die 2000 à 3000 M. boven den zeespiegel liggen). De Nederlandsche duinen en heidevelden bezoekt zij geregeld op den trek, van Augustus tot October en van April tot Mei. Evenzoo bezoekt zij Duitschland, Frankrijk, Hongarije en Noord-Italië. Zelden wordt de reis verder voortgezet dan tot de landen om de Middellandsche Zee en de hiermede overeenkomende gewesten van Middel-Azië; haar winterverblijf heeft zij dus reeds in Spanje, Griekenland en Turkije of in Tartarije en Perzië bereikt. Waarschijnlijk bewoont zij ook hier de gebergten.

De Morinelpluvier is een van de aantrekkelijkste leden harer familie. Haar houding is zeer bevallig, haar gang gracieus en behendig, bovendien licht en snel. Zij vliegt uitmuntend, pijlsnel en, indien dit noodig is, met bewonderenswaardige wendingen. Haar stem is een zachte, op gefluit gelijkende, hoogst aangename toon, dien men door de klankteekens "duurr" of "duuru" ongeveer weergeven kan. Zij is lieftallig, vreedzaam en gezellig van aard en, daar zij eenzame streken bewoont, weinig schuw. De voor haar kroost bezorgde moeder, verstaat meesterlijk de kunst om, als zij menschen ziet, gebreken te veinzen, om hierdoor hare jongen de gelegenheid te geven een schuilplaats te zoeken. Zij loopt, hinkt, fladdert, waggelt dicht voor de verstoorders van haar rust langs. Eens, toen ik gedurende een rendierenjacht in de gebergten van Noorwegen getuige was van dit komediespel, werd het door de Lappen, die mij vergezelden, voor ernst opgenomen; zij vervolgden ijverig de oude en zagen de kleine, lieve kuikentjes, die zich tegen den grond aangedrukt hadden, geheel over 't hoofd. Vlak voor mij lagen zij alle drie, den hals languit op den bodem gestrekt, ieder gedeeltelijk achter een steentje verborgen, de kleine, heldere oogjes geopend, onbeweeglijk, zonder eenig teeken van leven. Ik stond dicht bij hen; zij verroerden zich niet. De moeder leidde hare vervolgers hoe langer hoe verder van den weg af en vloog daarna plotseling pijlsnel terug naar de plaats waar de jongen zich verborgen hadden; toen zij mij daar zag staan en geen van hare kinderen bespeurde, hervatte zij onmiddellijk haar listig bedrijf. Ik nam de kuikentjes, die zich gewillig lieten grijpen, in de handen en toonde ze aan de moeder. In 't zelfde oogenblik staakte zij haar komediespel, kwam dicht bij mij, zoo dicht, dat ik haar werkelijk had kunnen grijpen, zette de veeren op, bewoog trillend hare vleugels en maakte allerlei gebaren om mijn gemoed te verteederen. De kleintjes liepen uit mijne handen weg op den grond: een onbeschrijfelijke juichkreet van de moeder weerklonk, toen zij haar kroost weer bij zich had. Overstelpt van vreugde door het herkrijgen van hare kinderen, ging zij voor mij zitten, bedekte de kleintjes, die vlug onder hare veeren waren gekropen, als een hen en bleef verscheidene minuten op dezelfde plaats, misschien in de meening verkeerend, dat zij een nieuw middel had gevonden tot beveiliging van hare geliefden. Hoewel ik mijn vader en andere vogelkenners een groot genoegen zou hebben bereid door de jongen in het donskleed voor hen mede te nemen, kon ik het niet van mij verkrijgen als jager te handelen. Ongelukkig denken sommige verzamelaars van eieren hierover anders: vooral aan hen is het te wijten, dat de Morinelpluvier in de Noordduitsche Alpen, op de hooge toppen van het Reuzengebergte, bijna uitgeroeid is.

Gedurende haar reis is de Morinelpluvier blootgesteld aan alle gevaren, die de Goudpluvier bedreigen; wegens haar niets kwaads vermoedende gemeenzaamheid wordt zij waarschijnlijk nog vaker gedood dan haar verwant. Als wild verdient zij, wegens de malschheid en smakelijkheid van haar vleesch, boven alle andere Vogels, zelfs boven de beste Snippen, de voorkeur.

De Bontbekpluvier, die in Friesland Bonte Wilster wordt genoemd (Charadrius hiaticula), behoort met de beide volgende soorten tot het ondergeslacht der Zandpluvieren (Aegialites), gekenmerkt door de betrekkelijk geringe grootte, den zwakken snavel, de lange, spitse vleugels en het zeer overeenstemmende vederenkleed, dat aan de bovenzijde zandkleurig, aan de onderzijde wit en met een witten, ringvormigen halsband versierd is. Zij houden zich niet in moerassen op, maar bewonen de zeekust en de met grind of zand bedekte vlakten in de nabijheid van zuiver helder water, zooals rivieroevers, zand- en grindbanken in stroomen enz.--De Bontbekpluvier is kleiner dan de vorige soort (totale lengte 19, staartlengte 6 cM.) en kenbaar aan de oranjeroode kleur van de pooten en van de wortelhelft van den snavel. Een smalle zoom aan den wortel van den bovensnavel, het voorste deel van de kruin en een met beide plekken samenhangende, breede teugel- en oorstreep, benevens een zeer breede dwarsband over den krop zijn zwart. Een smalle, door de zwarte plekken begrensde dwarsband over het voorhoofd, de slaapstreek, de kin en de keel en een van hier uitgaande, naar achteren smaller wordende, ringvormige halsband, benevens alle nog niet genoemde onderdeelen zijn wit. De kruin en de geheele bovenzijde zijn zandkleurig of licht olijfkleurig bruin, de slagpennen bruinzwart, op de binnenvlag aan den wortel met breeden, witten rand, op de buitenvlag (bij de vijfde pen te beginnen) met een witte vlek versierd, de bovendekveeren van de armpennen bruin met witten eindzoom, de staartpennen bruinzwart en vóór den breeden, witten eindrand het donkerst.

De Bontbekpluvier bewoont het noorden van de Oude Wereld: zij broedt in Siberië en in het noorden van Europa, ook nog langs de kust der Oostzee en zelfs in het Oldenburgsche en op de eilanden langs de Duitsche en Nederlandsche kust, hetzij aan het strand, hetzij aan de zandige oevers van rivieren en meren, of, indien zijn nest verstoord wordt, ook op plaatsen, die met kort gras begroeid zijn. Enkele paren broeden op onze Noordzee-eilanden; ook op Rozenburg bij Brielle zijn enkele malen jonge Vogels waargenomen. Zij strekken haar winterreis uit tot aan de zuidspits van Afrika, over geheel Azië en Australië. In het voor- en najaar zijn zij talrijk aan ons zeestrand, komen ten deele reeds in Augustus en blijven tot laat in het voorjaar; soms worden zij ook wel binnenslands onder het wilsternet gevangen (Albarda).

Nevens de vorige soort ontmoet men de iets kleinere Strandpluvier, op Texel Zandlooper en Froukie, op Terschelling Gultje, op Ameland Kreuteltje genoemd [Charadrius (Aegialites) cantianus]. Totale lengte 18, staartlengte 5-1/2 cM. Zij heeft niet, zooals de vorige soort, een zwarten dwarsband over den krop, wel aan weerszijden daarvan een zwarte vlek; voorts zijn bij haar de snavel en de voet zwart en het voorhoofd zuiver wit; wit zijn ook de schaften van de 4 à 6 eerste pennen. Haar verbreidingsgebied omvat het grootste deel van de aarde, uitgezonderd het hooge noorden, Australië en Amerika. Zij broedt aan de zeekust, zelfs nog aan de oevers van de Middellandsche en de Roode Zee. Bij ons houdt zij zich van Maart of April tot September op en broedt in grooten getale in de duinen van onze eilanden en aan den Hoek van Holland. Haar nest is een ondiep kommetje van ongeveer 1 dM. middellijn in het harde zeezand. Eigenaardig is de wijze, waarop deze en andere Pluvieren haar nest verfraaien, n.l. door 3 of 4 geheel gave, bijeen gegroepeerde, helder gekleurde schelpjes vast in den bodem te drukken; ook om het nest liggen dergelijke groepjes [2]. Reeds in Augustus begint zij hare broedplaatsen in noordelijker gewesten te verlaten en keert derwaarts terug in Mei. Zij trekt dan ook in zeer menigvuldige, kleine troepjes langs ons zeestrand.

De Kleine Pluvier [Charadrius (Aegialites) curonicus] is nauwelijks grooter dan een Leeuwerik, heeft roodachtig grijze pooten en een op iederen leeftijd zwarten snavel. De wangen, de kruin en het bovenste deel van den romp zijn aardkleurig grijs, de krop en een van hier naar achteren gerichte band donkerzwart, de onderdeelen overigens wit; het voorhoofd draagt een smallen, zwarten band, waarop een breede, witte volgt, die van achteren weer door een zwarten begrensd wordt; de teugels zijn zwartachtig. Het donkerbruine oog is door een tamelijk breeden, gelen ring omgeven. Totale lengte 17, staartlengte 5-1/2 cM.

Deze soort werd in geheel Europa, bijna geheel Afrika en ook in bijna geheel Azië gevonden. In het Noorden houdt zij zich bijna uitsluitend aan de oevers van binnenwateren, ver van de zee op; in hare winterkwartieren geeft zij aan dergelijke plaatsen de voorkeur, doch komt ook nu en dan aan 't zeestrand voor. Bij ons is zij niet zeer menigvuldig op den doortrek (Augustus en September): op het strand van Terschelling, in Friesland bij Suawoude, in Noord-Holland bij Diemen heeft men haar opgemerkt. Herhaaldelijk werd zij broedend gevonden in de putten onder Cromvoirt (Noord-brabant) (Albarda).

Op reis zijn de Kleine Pluvieren tot groote zwermen vereenigd en ook in den vreemde vormen zij steeds tamelijk groote gezelschappen.

De Renvogels (Cursorius) zijn slank van gestalte, hebben een middelmatig langen, zwak gekromden snavel, welke diep gespleten, aan den wortel zacht, aan de spits hoornachtig is, pooten met hoogen loop en drie korte, volledig gescheiden teenen, die met kleine, slanke nagels gewapend zijn, spitse vleugels, een korten staart en een zacht, glad vederenkleed.

De Gewone Renvogel (Cursorius gallicus) dwaalt somtijds naar Europa af en is een enkele maal ook in ons vaderland waargenomen. Hij valt in 't oog door zijn isabelkleurig vederenkleed en heeft een lengte van 23 cM., waarvan 7 cM. op den staart komen.

Noord-Afrika, van de Roode Zee tot aan de Kanarische Eilanden, en West-Azië, van Palestina tot aan het noordwesten van Indië, vormen het vaderland van den Renvogel; hij houdt zich op in de woestijnen, die binnen de genoemde grenzen gelegen zijn. Andere woestijndieren kiezen in het gebied waar zij thuis behooren, plaatsen uit, die eenigszins minder schraal begroeid zijn dan de overige; de Renvogels daarentegen geven de voorkeur aan streken, die door hun dorheid en eenzaamheid ons onbewoonbaar voorkomen. Met onvergelijkelijke snelheid ziet men deze Vogels paarsgewijs over de vlakte rennen op ongeveer 15 schreden afstand van elkander (zelden meer of minder). Zoolang de Vogel loopt, ziet men alleen zijn romp, niet zijne pooten; deze ontgaan door hun voortdurend heen- en weerslingerende beweging geheel aan onze waarneming; men zou kunnen meenen, dat de Vogel geen pooten heeft en door een onverklaarbare kracht over den bodem wordt voortgedreven. Plotseling houdt de beweging op; de renner staat stil, om door rond te kijken zich te overtuigen, dat zijn veiligheid geen gevaar loopt, of misschien om een Insect op te pikken, en schiet eensklaps opnieuw vooruit. Op plaatsen waar hij geen vervolgingen ondervonden heeft, laat hij den onderzoeker tot op tamelijk korten afstand naderen; altijd echter weet hij de tusschenruimte zoo groot te houden, dat hij met een gewoon jachtgeweer niet getroffen kan worden: zoo kan men hem lang volgen, zonder dat hij zich genoodzaakt ziet te vliegen. Wegens deze geveinsde argeloosheid noemt men hem op de Kanarische Eilanden "Kinderbedrieger", omdat onervaren knapen meenen, dat zij den Vogel, die van zijne vleugels geen gebruik schijnt te maken, met de handen kunnen grijpen, maar tot hun teleurstelling ondervinden, dat het dier met zijne betrekkelijk korte pooten zich even snel kan bewegen als de mensch met zijne langere beenen. Niet slechts de pooten, maar ook de vleugels van den Renvogel zijn uitmuntend voor dit doel geschikt.

Op de Kanarische Eilanden vangt men hem op zeer eenvoudige wijze. "Een groote, diepe schotel," zegt Bolle, "of een andere steenen pot wordt in een schuinschen stand gehouden door een als lokaas dienende, van verre zichtbare, gele maïskolf, waaraan soms bovendien een Worm is vastgeprikt. Hoewel de Renvogel hoogst zelden zaden eet, onderzoekt hij toch de maïs om er larven uit te halen. Zoodra hij in de kolf pikt, valt de pan hem over den kop en is hij gevangen."--

"Terwijl de Krokodil met geopende bek op het land ligt," verhaalt Plinius in navolging van Herodotus, "komt de Vogel Trochilus aanvliegen en sluipt hem in den muil om dezen te reinigen. De Krokodil vindt dit aangenaam en laat daarom den Vogel begaan, opent den bek nog verder, opdat de "Trochilus", als hij er uit wil, zich niet zal kwetsen. Deze Vogel is klein, niet grooter dan een Lijster, houdt zich in de nabijheid van 't water op en waarschuwt den Krokodil voor den Ichneumon, door naar zijn vriend te vliegen en dezen, zoowel door geschreeuw als door pikken in den snuit, te wekken." Dit verhaal, dat men geneigd zou zijn voor een fabel te houden, is op een feit gegrond; wel degelijk bestaat er een vriendschapsbond tusschen den Krokodil en zijn "Wachter", gelijk de Arabieren den bedoelden Vogel noemen.

De Krokodilwachter (Cursorius aegyptius) vormt in zekeren zin den overgang van de Renvogels tot de Pluvieren, hoewel hij veel nader verwant is aan gene dan aan deze. De bovenkop, een breede teugelstreep, welke zich in den nek met die van de andere zijde vereenigt, de nek, een breede borstband en de smalle, verlengde veeren van den rug zijn zwart; een wenkbrauwstreep, die boven de neusgaten begint en aan den achterkop ineenvloeit met die van de andere zijde, de keel, de gorgel en alle overige onderdeelen zijn wit, de flanken en de borst echter licht roodbruin, de bovendekveeren van den vleugel en de schouderveeren licht leikleurig blauw of aschgrauw, de slagpennen zwart, aan den wortel en vóór de spits echter wit, waardoor twee breede banden ontstaan, die een groot sieraad zijn van den geopenden vleugel. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM. Het wijfje is een weinig kleiner dan het mannetje.

De Krokodilwachter, wiens beeld op de Oud-Egyptische gedenkteekenen dikwijls voorkomt, daar het in het hieroglyphische alphabet de klank u voorstelt, is in het geheele Nijlgebied veelvuldig. Van Kaïro af stroomopwaarts ontbreekt hij op geen voor hem geschikte plek van den Nijloever. Bij voorkeur kiest hij een zandbank als standplaats uit met het doel om er te blijven, totdat het wassen van den stroom hem verdrijft.