Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels

Part 4

Chapter 43,683 wordsPublic domain

Zijn voedsel, dat in hoofdzaak wel gelijk zal zijn aan dat van den Groenpootigen Ruiter, zoekt hij aan den waterkant of in het moeras; hij waadt door het water, zoover zijne pooten zulks toelaten, duikt ook dikwijls met het voorste deel van het lichaam om een dieper verborgen buit te bereiken, maar houdt zich bovendien op akkers en droge weiden met de insectenjacht bezig.

De Tureluurs komen meestal gepaard bij ons terug en beginnen onmiddellijk te nestelen. Hun nest is een met weinige halmen bekleede uitholling, die in den regel niet ver van den waterkant, zoo mogelijk midden in het moeras tusschen biezen, zeggen en grassen ligt. Gewoonlijk bevat het reeds in het midden van Mei het noodige aantal eieren. Deze zijn tolvormig en iets kleiner dan die van den Kievit; de gladde, fijnkorrelige, glanslooze schaal is op bleek bruinachtigen of soms okergelen grond met talrijke, meer of minder dicht bijeengeplaatste, grijsachtige, donkerbruine en purperbruine stippen, vlekken en puntjes van verschillende grootte geteekend. Het wijfje broedt alleen; de jongen komen na 14 of 15 dagen uit den dop en worden dan door de moeder gebracht naar plaatsen, waar voedsel te vinden is; zij bewaakt, leidt en onderricht hare kinderen, waagt haar leven om het hunne tegen gevaar te beveiligen, tracht op de gewone wijze den vijand te misleiden en geeft haar bezorgdheid te kennen door een angstig geschreeuw; ook het mannetje schreeuwt dan luid, maar verliest niet zoo vaak de zorg voor eigen veiligheid uit het oog. Ongeveer vier weken na het verlaten van het ei zijn de jongen in staat om te vliegen en kort daarna ook geschikt om zich zelf te redden; na dien tijd wordt de innige band tusschen hen en hunne ouders spoedig losser.

De eieren van de Tureluurs zijn zeer smakelijk en worden, evenals die van de Kieviten, Gruttos, Kemphanen en Wulpen, veelvuldig opgezocht en in den handel gebracht. Ook op den Vogel zelf wordt jacht gemaakt, hoewel hij geen uitmuntend wildbraad oplevert. In de gevangenschap wordt hij even spoedig tam als zijne verwanten en gedraagt zich op dezelfde wijze.

Zeer na verwant aan de zooeven beschreven soort is de Zwarte Ruiter [Totanus (Totanus) fuscus], die 30 cM. lang wordt (staartlengte 7-1/2 cM.); hij heeft donkerbruine pooten en een aan den wortel roodachtigen, overigens bruinen bek. Behalve door zijn meerdere grootte onderscheidt hij zich door zijn donkerder, in den zomer grootendeels leizwart vederenkleed. Hij vervangt de Tureluur of vergezelt hem in het hooge noorden van de Oude Wereld en bewoont ook IJsland en de Fär-öer. Ons vaderland en de overige landen van Middel- en Zuid-Europa bezoekt hij op den trek in het voor- en najaar; men treft hem dan en gedurende den winter, van Augustus tot Mei, vooral op de schorren en buitengronden aan. Zijn voedsel bestaat uit allerlei waterdiertjes, vooral Wormen, Insecten en kikkerlarven, die hij veelal zwemmend en met den kop onder water vangt. Zijn stem is een helder en luid gefluit. Des nachts wordt hij niet zelden in steekgarens gevangen.

Het Witgatje, in Friesland ook wel Poolsche Snip genoemd [Totanus (Heliodromas) ochropus], heeft den kop en den mantel donkerbruin met bronsgroenen weerschijn en met kleine, witachtige vlekken, den hals, de keel en den krop wit met gelijkmatige, donkerder, overlangsche strepen, die ook op den bruinachtigen nek voorkomen, den vleugelrand effen donkerbruin, den staartwortel, evenals de kin en de overige onderdeelen, zuiver wit; de slagpennen zijn bruinzwart, de okselveeren donker bruingrijs met witte dwarsbanden, de overigens zwarte staartpennen aan de wortelhelft wit, aan de tophelft met drie of vier smalle, witte dwarsbanden geteekend. Het oog is donkerbruin, de snavel groenachtig bruin, aan de spits donkerder, de voet groenachtig loodgrijs. In het herfstkleed zijn de witte vlekken zeer klein en de zijden van den krop donkerder. Totale lengte 26, staartlengte 4 cM.

De Boschruiter [Totanus (Rhyacophilus) glareola], die in Friesland ook wel eens "Witgatje", in Noord-Holland Liewietje wordt genoemd, is kleiner dan de vorige soort (totale lengte 22, staartlengte 5 cM.), van welke hij zich onderscheidt door de meerdere grootte van de lichte vlekken der bovendeelen, door de witte schaft van de eerste groote handpen, door de zwarte en witte dwarsbanden van den staart, die niet alleen smaller en veel talrijker zijn, maar bovendien reeds aan den wortel aanvangen, en eindelijk door de groenachtig gele kleur van den voet.

Middel- en Noord-Europa benevens Middel- en Noord-Azië bevatten de broedplaatsen der beide laatstgenoemde soorten van Ruiters; hun verbreidingsgebied omvat nagenoeg geheel Europa, Azië en Afrika. Op IJsland en de Fär-öer komen zij, naar 't schijnt, niet voor; in alle overige landen van Europa heeft men ze waargenomen. De Poolsche Snip broedt in ons land niet, maar komt hier op den najaarstrek, die van Augustus tot October (soms tot December) duurt en houdt zich dan meestal op aan slootkanten in moerassige, hier en daar met struiken begroeide, zandige landstreken. In April en Mei trekt hij hier opnieuw door. De Boschruiter daarentegen vertoeft hier van April tot Augustus en broedt op veengronden; zijn in het noorden broedende soortgenooten, die hier in Augustus komen en soms veelvuldig aan poelen en slooten waargenomen worden, trekken in October verder zuidwaarts. Ten deele overwinteren beide soorten reeds in Zuid-Europa (enkele Poolsche Snippen zelfs in Duitschland) andere exemplaren strekken hun reis tot aan de Kaap de Goede Hoop en de Soenda-eilanden uit. Zij leiden een verborgen leven: de Poolsche Snip geeft de voorkeur aan de oevers van kleine waterstroomen, welker oevers met struikgewas begroeid zijn; de Boschruiter houdt zich het liefst op in het eenzame, stille, duistere woud; in Skandinavië en Siberië vond ik hem slechts bij uitzondering op andere terreinen en heb ik hem dikwijls op de twijgen van hooge boomen zien zitten, zelfs in den top. Afwijkingen van dezen regel werden echter niet zelden waargenomen in streken, waar de gewenschte terreinen ontbreken en andere omstandigheden heerschen.

Hun stem is buitengewoon hoog en luid, maar zoo zuiver en klankvol, dat enkele tonen die van de beste Zangers bijna evenaren. In Augustus hoort men hier te lande dikwijls kort na zonsondergang de trillers van den Boschruiter.

De Poolsche Snip nestelt zoowel op den grond als op oude boomen in daar reeds aanwezige nesten van Eekhoorns, Duiven, Gaaien en Lijsters, zelfs in 10 M. boven den grond gelegen holten van stammen, in dit geval echter steeds in de onmiddellijke nabijheid van het water. Voor den Boschruiter, die volgens mijne ervaringen nog meer boomvogel is dan zijn naaste verwant, geldt misschien hetzelfde; voor zoover mij bekend is, zijn van deze soort echter nog geen nesten op boomen gevonden. Bij ons maakt hij zijn nest nog steeds op den grond en legt daarin vier bleek olijfgroene, met groote, olijfbruine vlekken en paarsachtige stipjes bedekte, tolvormige eieren. Die van de Poolsche Snip hebben op licht olijfgroenen grond kleine vlekken, vegen en stippen, welker kleur van bruinachtig aschgrauw tot donker groenbruin afwisselt. Na een bebroeding van ongeveer 15 dagen komen de jongen uit, die het nest verlaten, zoodra zij droog geworden zijn en, als zij op een boom het eerste levenslicht aanschouwden, zonder zich te beschadigen naar beneden springen in het gras. Onder de trouwe, zelfverloochenende leiding hunner ouders groeien zij schielijk en worden even spoedig zelfstandig als de andere leden van hun geslacht.

De Grutto's (Limosa) zijn het naast verwant aan de Ruiters, hoewel het niet te ontkennen valt, dat zij ook op de Wulpen gelijken en aan den anderen kant ook aan de Snippen herinneren. Van deze onderscheiden zij zich echter door de grootere lengte hunner pooten en vooral van het naakte gedeelte der schenkels; voorts hebben zij minder groote oogen, zijn nachtvogels in plaats van dagvogels en dragen een grijs winterkleed, dat van het rosse zomerkleed zeer verschilt. Hun grootendeels met een zachte huid bekleede snavel is langer dan de loop, twee- à driemaal zoo lang als de kop, aan de harde spits lepelvormig verbreed en zwak naar boven gebogen. De vleugels zijn meer dan middelmatig lang, de eerste slagpen is de langste. De buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden (bij een enkele soort ook de binnenste en de middelste); de achterteen is klein en niet zeer hoog aangehecht. De staart is kort.

De zes soorten van dit geslacht broeden in het noordelijk halfrond, maar strekken hun winterreis uit tot in Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en Nieuw-Holland. Zij bewonen uitgestrekte, moerassige, open vlakten, vochtige en natte weidegronden en ook heidevelden, loopen hier, bedaard stappend, rond, om hun voedsel te zoeken, dat uit kleine dieren bestaat, richten zich bij 't naderen van een gevaar op, blijven, evenals de Ruiters, stokstijf staan, in plaats van zich te "drukken", gelijk de Snippen, en vliegen plotseling op, terwijl hun vijand nog ver af is.

De Grutto, in Noord-Holland ook Marel, op Terschelling Griet, in Limburg Oeversnip, in Friesland Schries, Schrier of Grieto genoemd (Limosa aegocephala), is de grootste van de beide inheemsche soorten. Het wijfje is 43 cM. lang, waarvan er 12 op den bek en 9 op den staart komen. De lengte van het mannetje bedraagt 3 of 4 cM. minder. De pooten zijn zwart, bij de jongen donkergrauw. De bek is vuil roodgeel, bij de jongen vleeschkleurig, maar steeds bij de spits zwartbruin. De slagpennen zijn zwartbruin, bij den wortel echter wit; de staart is zwart, maar aan de kleinste wortelhelft wit. In den winter zijn alle bovendeelen, de hals en de kop grijsbruin, de borst, de buik, de stuit en een streep aan weerszijden van het voorhoofd wit. In den zomer heeft het voorste gedeelte van het lichaam tot over de schouders, den rug en de zijden van den romp een roestroode grondkleur; de rug en de vleugels hebben dan zwarte, dwarse vlekken en banden.

De Grutto broedt op lage, vochtige of moerassige plaatsen van het gematigde en warme Europa, op gelijke breedte ook in Azië en Noord-Amerika; in het gure seizoen verhuist hij tot in Noord-Afrika. Hij houdt zich het meest in de kustlanden op, maar is toch in de moerassen van Hongarije zeer algemeen gedurende den zomer. Bij ons behoort hij in vele oorden, op vochtige weilanden en in moerassige streken, tot de zeer gewone Vogels; bij voorkeur nestelt hij in het hooiland. Hij verlaat zijne broedplaatsen, zoodra de jongen behoorlijk geoefend zijn in 't vliegen, vertoeft gezellig nog eenigen tijd op de banken aan de monden der rivieren, verlaat ook deze weldra (in September) om zuidwaarts te trekken en keert in Maart naar zijn zomerverblijf terug. Onze naam Grutto is aan het geluid ontleend, dat hij vooral gedurende het vliegen laat hooren, zoowel in den paartijd, als wanneer men zijn nest nadert. De vier eieren, die in het zeer eenvoudige nest gevonden worden, zijn olijfgroen van kleur, met donkerbruine en grijze vlekken en stippen bedekt. Daar zij grooter dan kievietseieren en zeer smakelijk zijn, worden zij, evenals deze, ijverig gezocht en voor hooge prijzen verkocht.

De Rosse Grutto, op Terschelling Rosse Griet, in Limburg Rosse Oeversnip, in Friesland Roode Schrier en Hooiwulp genoemd (Limosa lapponica), is op de kruin en in den nek licht roestrood met bruine, overlangsche strepen, op den rug en de schouders zwart met roestkleurige vlekken en randen; de keel, de zijden van den hals en de onderdeelen zijn fraai donker roestrood, de zijden van de borst en de onderdekveeren van den staart hebben zwarte, overlangsche vlekken, de slagpennen zijn zwart, wit gemarmerd, de stuurpennen hebben grijze en witte dwarsbanden. Het oog is bruin, de snavel roodachtig, aan de spits grauwzwart, de voet zwart. Totale lengte 41, staartlengte 7 cM.

Deze Vogel broedt in het noorden van Europa en van Azië; op den trek bezoekt hij het grootste deel van Zuid-Azië, geheel Zuid-Europa en Afrika tot Zuid-Nubië en de Gambia. Op deze reis bezoekt hij in grooten getale de Duitsche en de Nederlandsche kusten. In zachte winters blijven vele van Augustus tot Mei. Bij strenge vorst overwinteren hier slechts enkele exemplaren. Tweemaal (bij Vlijmen en aan den Hoek van Holland) heeft men deze soort broedend in ons land aangetroffen. Op hun reis verwijderen de Rosse Grutto's zich niet gaarne van de zee, zoeken hun voedsel op de bij eb droogliggende zandbanken en wadden, keeren bij intredenden vloed naar het vaste land terug, zenden, als de eb aanvangt, boodschappers uit, vliegen, als deze hun de gewenschte tijding gebracht hebben, onder oorverdoovend getier naar den waterkant en volgen de terugwijkende golven.

Wormen, insectenlarven, volkomen Insecten, kleine Schelpdieren, kleine Schaaldieren en Vischjes zijn het voedsel van de Grutto's; een grooteren buit kunnen zij niet verzwelgen. Of hun snavel werkelijk, zooals gezegd wordt, zoo fijngevoelig is, dat zij, zonder gebruik te maken van hun gezichtsorgaan, hun voedsel kunnen opsporen, moeten wij in 't midden laten. Het bij de Snippen voorkomende tastwerktuig is bij hen niet aanwezig.

In de gevangenschap gedragen de Grutto's zich als de andere Waterloopers; zij eten, wat hun voorgezet wordt, geraken aan de veranderde levensomstandigheden spoedig gewend, leeren hun verzorger onderscheiden en blijven jaren lang gezond.

De Wulpen (Numenius) zijn slank gebouwde Vogels met zeer langen, zwak benedenwaarts gebogen, aan den wortel hoogen, naar voren langzamerhand dunner wordende snavel; deze is, met uitzondering van de hoornachtige spits met een zachte huid bekleed; de bovenkaak is iets langer dan de onderkaak en een weinig er over heen gebogen. De pooten zijn slank en hoog, tot ver boven het spronggewricht onbevederd; alle drie voorteenen zijn door duidelijke spanvliezen aaneenverbonden. In de groote, spitse vleugels is de eerste slagpen de langste; de middelmatig lange, uit twaalf pennen samengestelde staart is aan de spits afgerond. Het harde, dicht aansluitende vederenkleed herinnert door zijn kleur aan dat van den Leeuwerik en stemt bij de mannetjes en wijfjes onderling en in de verschillende jaargetijden overeen.

De Wulp of Groote Wulp, in Noord-Holland Drupen, in Noordbrabant Heidetuter, in Gelderland Tuter en Zandtuter, Regenfluiter en Bergfluiter, in Limburg Kliet, in Groningen Wilp en Groote Wilp, in 't Friesch Wylp en Wettergulp genoemd (Numenius arquatus), is de grootste der drie in Europa en ook bij ons inheemsche soorten. Zijn lengte bedraagt 70 à 75 cM., waarvan 18 à 20 cM. op den staart komen. De veeren van de bovenzijde zijn bruin met licht roestgele randen; de benedenrug is wit met bruine schaften en overlangsche vlekken; de slagpennen zijn zwart met witte kanten en vlekken, de drie eerste aan de binnenvlag wit gezoomd, de overige met spitse, lichtere vlekken, de stuurpennen op witten grond met zwartbruine banden. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, aan den wortel van den ondersnavel olijfkleurig grijs, de voet loodkleurig grijs.

Er is geen land in Europa, waar de Wulp nog niet waargenomen werd, want hij broedt in het noorden en vertoeft in het zuiden, terwijl hij trekt. Op dezelfde wijze treft men hem in het grootste deel van Azië aan. Gedurende het winterhalfjaar doorreist hij Afrika even geregeld, als hij Indië bezoekt: hij komt er in September en blijft er tot Maart. Ook in het noordwesten van Amerika is hij geen zeldzame verschijning. In ons land vertoeft hij van Maart tot September en broedt in kleinen getale op de eilanden, op heidevelden en in lage moerassige streken. Van alle Snipvogels is hij het minst exclusief, wat de keuze van een verblijfplaats betreft. Elke landstreek acht hij geschikt, de zeekust zoowel als de verschillende binnenwateren, vlakten zoowel als heuvelachtige gewesten. Van het water vliegt hij soms naar de dorste oorden, van deze naar velden en weiden, van hier weer naar het water terug, geheel willekeurig. Zijne handelingen verraden steeds een schuwen, voorzichtigen en wantrouwenden aard, zelfvertrouwen zoowel als vreesachtigheid. Gezelliger dan vele andere Snipvogels, maakt hij gaarne deel uit van kleine gezelschappen; wegens zijn waakzaamheid verzamelen zich steeds een aantal minder schrandere strandvogels om hem heen; hij bemoeit zich echter met dit gespuis niet meer, dan hem goeddunkt. Zijn stem bestaat uit afgeronde, volle, klankrijke tonen, die men door de lettergrepen "taü taü" en "tlaüied tlaüied" kan nabootsen, volgens anderen beter door "u lu lu, u lu lu", "keloeje keloeje" en "hoepe hoepe". Hoewel hij ook in sommige gewesten van Middel-Europa nestelt, moet men toch de noordelijke landen, en van deze hoofdzakelijk de toendra, als zijn eigenlijk broedgebied beschouwen. Men vindt het nest van dezen Vogel bij ons op den grond tusschen hoog gras of heidekruid. Het is uit gras en worteltjes van planten vervaardigd. De eieren, vier in getal, zijn groot, olijfgroen en van groote, zwartbruine vlekken voorzien; zij worden voor een groote lekkernij gehouden. Na den broedtijd verlaten de Wulpen het binnenland en begeven zich naar moerassige plaatsen, slib- of zandgronden aan de monden onzer rivieren. Zij en ook de Regenwulpen blijven aan de kust in grooten getale den winter over en worden dan veelvuldig in zoogenaamde "stalnetten", een soort van warflouwen, gevangen. Van beide soorten hoort men in de tweede helft van Maart bij donker, regenachtig weer de fluitende lokstem dikwijls den geheelen nacht door: vandaar hun naam.

Insecten van allerlei soort en in alle ontwikkelingstoestanden, Wormen, Schelp- en Schaaldieren, ook kleine Visschen en Amphibiën, voorts velerlei plantaardige stoffen, vooral bessen, vormen het voedsel van de volwassen Wulpen; de jongen eten niet anders dan Insecten en in het hooge noorden uitsluitend Muggen en hunne larven. Zij verdragen de gevangenschap goed, geraken spoedig gewend aan het gewone kooivoedsel en aan hun verzorger, worden zeer tam en geven ook hierdoor bewijzen van goede geestvermogens.

De jacht op deze Vogels is niet gemakkelijk; het toeval is daarbij de beste helper van den jager. De vangst levert aan de broedplaatsen de zekerste uitkomsten op en gelukt ook dikwijls met het watersnippennet. In den ijverigen vogelvanger wekt de Wulp evenveel belangstelling als de Auerhaan of het Hert in den jager. Als wild wordt deze Vogel geschat, hoewel hij ver achterstaat bij de echte Snippen.

De Regenwulp, Kleine Wulp of Regenfluiter, in Groningen Kleine Wilp en Regenwilp, in 't Friesch Reinwylp, Wetterwylp, Litse Wylp geheeten (Numenius phaeopus), is veel kleiner dan de vorige soort (totale lengte 52, staart 11, snavel 11 cM.); zijn naar verhouding kortere snavel is sterker gekromd; zijn kleur, hoewel in hoofdzaak gelijk, is somberder; de veeren van den kop zijn donkerbruin, ongevlekt, met een witachtige, overlangsche streep over de kruin; de flanken zijn wit met zwartbruine pijlvlekken en dwarsstrepen, de staartveeren witachtig grijs, aan den wortel aschgrauw, met 7 of 8 donkere, aan den rand uitvloeiende banden versierd. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs.

Deze Vogels broeden uitsluitend in 't hooge noorden, dringen ver in de poolgewesten door, hebben den toendra en de hooge heidevelden van Groenland, IJsland, het noorden van Skandinavië, de Fär-öer en Siberië tot zomerverblijf en begeven zich op den trek even ver zuidwaarts als hunne grootere verwanten. In den nazomer en het najaar vindt men ze bij ons in vluchten in de hooilanden, in de herfst- en wintermaanden aan de kust, in het voorjaar vertoeven zij in vluchten van 20, 30 en meer stuks langen tijd op onze weilanden, waar zij soms van Maart tot December blijven rondzwerven, zonder dat hier ooit eieren van hen gevonden zijn. Gedurende het vliegen brengen zij een opmerkelijk trillenden loktoon ("hüüüüüüh") voort.

De Dunbekwulp (Numenius tenuirostris), die in de kustlanden van de Middellandsche Zee, vooral in Noord-Afrika (Egypte) en op Sicilië, broedt en wiens reizen zich over een groot deel van Azië en Afrika uitstrekken, dwaalt eene enkele maal naar 't noorden af; tot dusver werden 4 exemplaren van deze soort in ons vaderland (Friesland, Noord-Holland, Zeeland) geschoten. In grootte komt hij met den Regenwulp overeen, van wien hij zich vooral onderscheidt door zijn aanmerkelijk dunneren snavel en de lichtere kleur van zijn kleed.

De Franjepooten (Phalaropus of Crymophilus) zijn kleine, Strandlooper-achtige Snipvogels, die zich van alle overige leden hunner orde onderscheiden door een buitengewone geschiktheid voor het zwemmen. Hunne voorteenen hebben, behalve een spanvlies een aan den rand fijn getanden huidzoom, die dikwijls bij de teengewrichten ingesneden is. Hun snavel is zoo lang als de kop, aan de wortelhelft zacht, overigens hard, recht, zeer zwak, aan de spits een weinig benedenwaarts gebogen of afgeplat. Zij hebben lange, spitse vleugels, welker eerste slagpen de langste is, een korten, afgeronden, uit 12 pennen samengestelden staart, sterk verlengde staartdekveeren en een buitengewoon rijk vederenkleed. Hun vaderland is het hooge noorden van de Oude en de Nieuwe Wereld; slechts bij uitzondering komen zij op lagere breedten; want, als zij trekken, begeven zij zich niet naar zuidelijker landen, maar naar de open zee.

Door hun levenswijze onderscheiden zij zich van alle bekende Vogels. Zij zijn allerliefste schepsels, op het land even behendig als in 't water. Hun gang komt overeen met die van de Strandloopers; het zwemmen geschiedt zonder merkbare inspanning en op een buitengewoon bevallige wijze, niet slechts op het effene watervlak der kleine vijvers, aan welker oevers zij broeden en gedurende den zomer verblijf houden, maar zelfs in de onstuimigste zee, bij hevige stormen, vele mijlen van het land verwijderd. De zee is hun eigenlijke woonplaats; aan het land komen zij slechts om eieren te leggen en hunne jongen groot te brengen. Juist daarom komt hun levenswijze ons nog in vele opzichten duister en raadselachtig voor.

De eenige soort van dit geslacht, die in Europa, n.l. in Lapland, broedt, is de Aschgrauwe Franjepoot, de Odinshen van de IJslanders (Phalaropus hyperboreus). De veeren van de bovendeelen zijn zwartgrijs, die van den onderrug en de schouders zwart met roestgele randen; de zijden van het achterste deel van den hals zijn roestrood, de keel en de onderdeelen wit, de krop en de zijden van den romp grijs. In den winter is de rug lichtgrijs met zwarte vlekken. Totale lengte van het mannetje 18, van het wijfje 20 cM., staartlengte 5 cM.

In den zomer bewoont deze Vogel de kusten van Finmarken, IJsland, Zuid-Groenland en waarschijnlijk ook den noordrand van de Aziatische toendra; soms vliegt hij van hier naar zuidelijker gewesten: men heeft hem herhaaldelijk in Amerika, Duitschland, Nederland (in den nazomer en den herfst op de Hollandsche en Friesche kust) en Frankrijk, ja zelfs in Spanje geschoten, ook wel op binnenwateren, die hij bereikte, door met de Strandloopers langs de stroomen te trekken. In de maag van gedoode exemplaren vond men larven van verschillende Insecten. Op Spitsbergen voedt de Odinshen zich gedurende den zomer hoofdzakelijk met een kleine Alge, die daar in de moerassen veelvuldig voorkomt.