Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels

Part 2

Chapter 23,802 wordsPublic domain

Zij broedt in de toendra van de Oude Wereld, waar zij de eenige vertegenwoordiger is van haar geslacht. Reeds in Skandinavië nestelt zij betrekkelijk zelden, nog zeldzamer in de verder zuidwaarts gelegen gematigde gewesten van Europa; enkele paren zijn bij ons broedende gevonden in moerassige streken van Limburg en Noordbrabant, zeer enkele ook in andere provinciën (bij Suawoude in Friesland en in Groningen). Zij heeft hare winterkwartieren in Afrika en Zuidwest-Azië. Daar haar broedgebied eerst laat bevrijd is van sneeuw en de winter er vroeg begint, begeeft zij zich in 't najaar vroegtijdig op reis en keert laat in 't voorjaar terug. Ons land wordt door haar op den trek slechts weinig bezocht, in 't najaar ontmoet men haar hier veelal slechts van het laatst van Juli tot September, in het voorjaar in April en Mei.

Beter bekend is hier te lande en in geheel Europa de Watersnip (Gallinago gallinago of Gallinago caelestis). De bovenzijde is op bruinzwarten grond geteekend met een breede, roestgele streep, die over het midden van den kop loopt en vier lange, roestgele strepen, die zich over den rug en de schouders uitstrekken, bovendien met roestkleurige vlekken en dwarsbanden op alle veeren; de onderzijde is wit, de voorhals grijs en, evenals de bovenborst en de zijden, bruin gevlekt. De staart bestaat uit 14 stuurpennen. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet vuil vleeschkleurig met groenblauwachtige tint. Totale lengte 29, snavellengte ruim 7, staartlengte 6 cM.

Het noorden van Europa en Azië is het vaderland van de Watersnip; zij broedt overal, waar groote moerassen zijn, waarschijnlijk nog in het zuiden van Europa en misschien zelfs in Noord-Afrika. In Nederland broedt zij algemeen op lage veenachtige gronden, hier en daar ook op de klei. Voorts broedt zij in Noord-Duitschland, Denemarken, Skandinavië, Lijfland, Finland en Zuid-Siberië; in al deze landen is zij op geschikte plaatsen buitengewoon veelvuldig. Op den trek bezoekt zij alle groote en kleine moerassen, broeklanden en veengronden, die tusschen haar zomer- en haar winterverblijf gelegen zijn. Het laatste is misschien nog uitgestrekter dan het eerste, daar het van Zuid-China tot aan den Senegal (tusschen 45 en 10° N.B.) reikt. Gedurende den trek is zij in ons geheele land op lage, vochtige plaatsen zeer menigvuldig. De najaarstrek heeft plaats van September totdat de vorst invalt, de voorjaarstrek in Maart en April. In zachte winters blijven enkele voorwerpen bij ons over op plaatsen waar stroomend water is. In Duitschland vindt men ze bij de zoogenaamde warme bronnen zelfs in sneeuwrijke winters. Droge streken trekt zij zoo schielijk mogelijk door. Men ontmoet haar uitsluitend in vochtige laaglanden, sompen, moerassen, drasse weiden, kortom op plaatsen, die in meerdere of mindere mate op het eigenlijke moeras gelijken. Zij verlangt op haar verblijfplaats een bodem begroeid met grassen, zeggen, riet en andere moerasplanten, die geen hinderpalen oplevert bij 't boren met den snavel. In zulke oorden, die wij kortweg moerassen zullen noemen, leeft zij, behalve in den broedtijd zoo stil, dat men van haar aanwezigheid niets bespeurt. Ook zij arbeidt bij voorkeur in de schemering, maar is toch veel meer dagvogel dan de Houtsnip.

Haar buitengewoon snelle vlucht kenmerkt zich door den uit verscheidene zigzaglijnen bestaanden weg, dien zij kort na het opstijgen volgt en die eerst daarna recht wordt. Bijna iedere Watersnip verheft zich plotseling in de lucht, ijlt met snelle vleugelslagen ver weg, beschrijft een grooten boog, komt nagenoeg op de plaats van uitgang terug, vouwt eensklaps de vleugels op en stort zich in schuinsche richting weer in het moeras. Dat zij uitmuntend kan zwemmen en deze kunst ook beoefent, zonder er door den nood toe gedwongen te zijn, werd dikwijls waargenomen. In tijd van gevaar, vooral als zij door een Roofvogel vervolgd wordt, tracht zij zich te redden door onder te duiken.

Het geluid, dat zij gewoonlijk bij het opvliegen laat hooren, is een heesch "ketsj", dat soms verscheidene malen herhaald wordt. In den trektijd hoort men van haar het heesche geluid "grek, gek gè" en ook somtijds den hoogen toon "tsiep".

In vele opzichten verschilt haar aard van dien der beide reeds genoemde Snippen. Wel is ook zij zeer schuw en vreesachtig, maar tevens veel beter geschikt en meer geneigd om zich te bewegen; zij vliegt dikwijls uitsluitend voor haar genoegen rond, zonder eenige andere merkbare bedoeling; alleen als zij zeer vet geworden is, maakt zij eenigszins den indruk van traag te zijn. Het mannetje en het wijfje zijn zeer aan elkander gehecht en houden veel van hun kroost.

Haar voedsel bestaat uit Insecten, Wormen, kleine naakte Slakken en Weekdieren met dunne schelp. Deze vangt zij in de schemering en den nacht; men ziet haar n.l. alleen in dezen tijd van de eene plaats naar de andere zwerven en plaatsen bezoeken, waar zij zich over dag niet vertoont. Als zij rijkelijk voedsel kan vinden, wordt zij buitengewoon vet.

Reeds lang voor het leggen beginnen de zeer merkwaardige minnespelen. "Het mannetje," schrijft Naumann, "vliegt meestal bliksemsnel van zijn zitplaats op, eerst in scheeve richting naar boven, daarna met groote schroefvormige wendingen loodrecht omhoog, bij helder weder zoo ver, dat slechts een geoefend oog hem nog als een Vogel herkent. Op deze hoogte vliegt hij met fladderende vleugelbeweging in een kring rond en schiet vervolgens met geheel uitgebreide, onbewogen wieken langs een vertikalen boog beurtelings naar boven en naar beneden; dit geschiedt met zooveel kracht, dat de snelle trillingen van de toppen der groote slagpennen een gonzenden, knorrenden of brommenden toon doen ontstaan, die zeer veel op het blaten van een Geit gelijkt, en aanleiding heeft gegeven tot de in Duitschland gebruikelijke namen "Hemelgeit, Haverbok," enz. Later is men tot de overtuiging gekomen, dat niet de slagpennen, maar de staartveeren het geluid veroorzaken.

De Watersnip is wegens haar verblijfplaats en haar groote bekwaamheid in 't vliegen aan minder gevaren blootgesteld dan de Houtsnip. De Europeaan vervolgt haar wegens haar smakelijk vleesch, dat stellig de voorkeur verdient boven dat van de Houtsnip; deze jacht wordt echter niet overal met grooten ijver beoefend, omdat het rondwaden in het moeras en het treffen van een Vogel in de vlucht niet ieders zaak is. Zeer veel werk maken de Hongaren en de Europeanen in Egypte en Indië van deze jacht; nergens levert zij trouwens betere uitkomsten op dan in de door hen bewoonde landen.

Men kan ook Watersnippen in de kooi houden; het kost echter veel moeite om haar aan de veranderde omstandigheden te doen gewennen.

De kleinste soort van Snip is het Bokje, in Zeeland Lapper, in Noordbrabant Dooverik, Halfke en Pink, in Limburg Doover en Kleine Watersnep genoemd (Gallinago gallinula of Limnocryptes gallinula): zij is slechts 16 cM. lang (staartlengte 4 cM.). De teugel en een streep onder de wang, die achter de oorstreek langs weer naar het oog gericht is, zijn bruin, twee strepen boven en onder het oog roodgeelachtig, de mantelveeren zwartblauw met groenen en purperen weerschijn en met vier roestgele, overlangsche strepen, de gorgel, de krop en de zijden grijs met bruinachtige golflijnen en vlekken, de onderdeelen overigens wit, de slagpennen en staartveeren dofzwart, deze met roestgelen zoom. De staart bestaat uit 12 pennen, waarvan de beide middelste langer en spitser zijn.

Men ontmoet haar gedurende den herfst- en den voorjaarstrek op dezelfde plaatsen als de Watersnip, doch iets later dan deze en nooit in zoo grooten getale. Het is niet onmogelijk, dat deze soort hier enkele malen broedt, zooals ook in Duitschland hier en daar geschiedt; haar eigenlijk vaderland is echter Rusland en West-Siberië.

Haar houding komt met die van de overige Snippen overeen; zij loopt ongeveer als deze over den grond, maar vliegt minder goed, n.l. minder vast, hoewel zij behoorlijk snel voortschiet en de meest verschillende zwenkingen kan uitvoeren; zij verheft zich niet gaarne hoog in de lucht, maar fladdert soms letterlijk over het moeras heen, zoodat zij aan een Vleermuis herinnert. Haar voedsel is in hoofdzaak gelijk aan dat van de overige Watersnippen, vaker dan bij de andere soorten heeft men echter in haar maag fijne zaden gevonden.

De Bastaardsnippen (Rhynchaea) naderen tot de Watersnippen in levenswijze, maar haar snavel is korter en harder en eenigszins gekromd. De 3 of 4 soorten van dit geslacht worden gevonden in de tropische gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld en van Australië. Een van deze--de Goudsnip (Rhynchaea capensis)--bewoont als broedvogel een groot deel van Afrika en Zuid-Azië (Japan, China, Indië en de Soenda-eilanden) en begeeft zich op den trek naar Zuid-Australië. In grootte komt zij met de Watersnip overeen. Zij houdt zich op in moerassen, broeklanden en waterrijke velden, doch ook tusschen struiken en in het riet; zij loopt zeer snel, doch vliegt slecht. Des nachts of in de schemering zoekt zij haar voedsel; zooveel mogelijk vermijdt zij het open veld. In 't voorjaar leeft zij paarsgewijs, later in kleine vluchten van 5 à 6 stuks. De wijfjes zijn grooter en fraaier gekleurd dan de mannetjes. Bij beide zijn de slag- en stuurpennen met goudgele vlekken versierd.

Onder den naam Strandloopers (Tringa) vat men een 25-tal soorten van kleine Moerasvogels samen, waarvan slechts enkele de grootte van een Lijster bereiken. Gewoonlijk worden zij in een 6-tal ondergeslachten gesplitst, waaraan men ook wel den rang van geslachten toekent. Hun voorkomen herinnert in zoover aan dat der Snippen, dat hals en pooten ongeveer dezelfde betrekkelijke lengte hebben. De kop en de oogen zijn echter kleiner, de gehooropeningen verder naar achteren geplaatst. De snavel is korter, hoewel nog steeds iets langer dan de kop, recht of aan de spits flauw benedenwaarts gebogen, slank, zwak, zacht, doch aan de eenigszins breedere spits harder; hij dient eveneens als tastorgaan, maar is voor dit doel minder geschikt dan de snavel der Snippen. De vleugels zijn middelmatig lang en spitser dan bij de Snippen; de lange schouderveeren vormen een tweede vleugelspits. De voeten zijn middelmatig lang; het onderbeen is verder onbevederd dan bij de Snippen; de teenen zijn korter; de achterteen is klein, hooger ingeplant en reikt niet tot op den grond. De veeren worden in den herfst gewisseld; het winterkleed, dat dan voor den dag komt, is van boven aschgrauw of blauwachtig aschkleurig en zonder teekening; de onderdeelen zijn wit of witachtig. In de lente doemt op de rugveeren, in de nabijheid van de schaft, een donkere vlek van onbepaalden vorm allengs op; dit is de aanvang van de in korten tijd plaats hebbende verkleuring, waarna deze Vogels door hun donker roodbruine en zwarte teekening een geheel ander uitzicht vertoonen dan gedurende den winter.

Zij bewonen de noordelijke gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld tot op zeer hooge breedten. Hier broeden zij; de meeste vereenigen zich vervolgens tot talrijke zwermen en reizen van het eene strand naar het andere in zuidelijke richting. Tegen het einde van Augustus of in September komen zij aan de kusten van de Oostzee en Noordzee, vormen hier scharen van duizenden stuks en trekken daarna steeds bij de kusten langs naar de Middellandsche Zee of zelfs naar de Kaap de Goede Hoop. Zij reizen het meest in de schemering, en zoeken over dag hun voedsel. Kort nadat zij het zuidelijkste punt van hun tocht bereikt hebben, begeven zij zich weer op den terugweg. Vele komen echter in 't geheel niet in hun noordelijk vaderland terug, maar zwerven ver van daar in hun fraai bruiloftskleed rond, zonder zich voort te planten. Er is (behalve Juni) ter nauwernood een maand, waarin men geen doortrekkende Strandloopers aan onze Noordzeekusten waarneemt. Nadat in Mei de laatste exemplaren naar 't noorden zijn vertrokken, ziet men reeds in Juli weer eenige terugkeeren; dit aantal neemt in Augustus sterk toe, terwijl in September alle kusten er mede bevolkt zijn. Hun leven schijnt uit een aaneenschakeling van reizen te bestaan. Zij vliegen meestal laag, eenige vormen kleine gezelschappen, andere op wolken gelijkende zwermen. Op den bodem loopen zij meestal trippelend rond; wanneer een gevaar hen bedreigt, "drukken" zij zich niet neder, zooals de Snippen, maar maken dadelijk gebruik van hunne uitmuntende vliegorganen. Hun stem bestaat meestal uit de eenigszins trillende klanken "ti-i-i-i" of "triet-triet". Zij voeden zich met kleine Insecten, hunne larven, Wormen, Schaaldieren en Weekdieren. De larven van Muggen, die in het hooge noorden in ontzaglijke hoeveelheid voorkomen, verschaffen hun een overvloed van voedsel; dit maakt de snelle ontwikkeling van de jongen mogelijk. Hunne eieren zijn groot en gelijken op die van de Snippen.

Op de bovenstaande, grootendeels aan Altum ontleende schets, laten wij een korte beschrijving van de 9 hier te lande waargenomen soorten volgen.

Als een overgangsvorm tusschen de Snippen en de eigenlijke Strandloopers beschouwt men den Breedbekkigen Strandlooper [Tringa (Limicola) platyrhyncha], die in ons land tweemaal (in 1862 en 1870) telkens in Augustus en aan den Hoek van Holland, werd waargenomen (Albarda). Hij heeft ongeveer de grootte van een Musch en kenmerkt zich door het ontbreken van den achterteen en door den snavel; deze is aan de spits verbreed, duidelijk benedenwaarts gebogen en iets langer dan de kop. De hoofdkleur is roestbruin met zwarte vlekken.

Eveneens drieteenig is de Zandlooper [Tringa (Calidris) arenaria], wiens rechte snavel den kop in lengte evenaart; hij is ongeveer zoo groot als een Kuifleeuwerik. De hoofdkleur van zijn zomerkleed is witachtig, op de bovenzijde in de jeugd met zwartachtige, op lateren leeftijd met zwartachtige en roestbruine teekeningen; het winterkleed is eenvoudig blauwachtig aschkleurig. Op den trek bezoekt hij, naar het schijnt, alle werelddeelen; men heeft hem zoowel op Java, als in Chili en Zuid-Afrika gevonden. Reeds in September komen deze Vogels in kleine vluchten langs ons zeestrand, waar zij zich dikwijls aan de monden der rivieren en op de Wadden in tallooze menigte verzamelen. Deze wintergasten blijven bij ons tot April, soms tot in het begin van Mei.

Alle overige soorten zijn vierteenig. De grootste van deze is de Kanoet-Strandlooper [Tringa (Tringa) canutus], in Friesland Mients of Knot genoemd. (Van den laatsten, ook in Engeland gebruikelijken naam zijn de beide eerstgemelde aanduidingen afgeleid). Hij evenaart in afmetingen onze Groote Lijster. Zijn snavel is recht, langer dan de kop en dan de loop, breeder en dikker wordend aan de spits. De loop is langer dan de middelste voorteen met den nagel. De staart is flauw afgerond. Het zomerkleed is aan de onderzijde donker bruinrood, aan de bovenzijde zwart met groote, roestroode kantvlekken, witachtige vederspitsen en roestgele zoomen. In het winterkleed is de onderzijde witachtig, aan den krop met kleine, zwarte, overlangsche, op de zijden van den romp met dwarse, grijsbruine vlekken; de bovendeelen zijn dan bruingrijs. Van het laatst van Augustus of het begin van September af hoort men gedurende een groot deel van den winter en van het voorjaar de zeer schelle stem van deze Vogels langs ons strand, vooral aan de steenen hoofden, op de Wadden, soms ook aan de oevers der rivieren en meren en in de lage hooilanden. Zij worden hier vrij veelvuldig gevangen. Behalve in Europa brengen zij den winter door in geheel Azië, een groot deel van Amerika en Afrika; zelfs heeft men ze op Nieuw-Zeeland aangetroffen. Op deze reizen verlaten zij slechts bij uitzondering de zeekust om nabij gelegen binnenwateren te bezoeken, verder binnenslands behooren zij steeds tot de zeldzaamheden. Op het zeestrand vormen zij talrijke troepen, die gemeenschappelijk leven en werken.

De Kleine Strandlooper, in Friesland Gril of Griltje genoemd [Tringa (Limonites) minuta], is zoo groot als een Musch en onderscheidt zich bovendien van de vorige soort, doordat de eveneens rechte snavel zoo lang is als de kop; de staart is dubbel uitgesneden; de snavel en de voeten zijn zwart, de buitenste staartpen is zuiver wit, de 2e en de 3e zijn grootendeels wit. Het zomerkleed is aan de onderzijde wit, aan de bovenzijde zwart, iedere veer met roestroode kanten. De onderdeelen zijn ook in het winterkleed wit, de bovendeelen echter aschgrauw.--De broedplaatsen van deze Vogels liggen binnen den poolcirkel. Hun winterreis strekt zich tot Zuid-Afrika en de Molukken uit. Op den trek bezoeken zij in grooten getale ons land; in het voorjaar, in Mei en Juni, en in het najaar, van Augustus tot October, zijn zij menigvuldig bij meren, poelen en plassen. Soms worden zij in menigte onder het wilsternet gevangen, waarbij echter vele door de mazen gaan (Albarda). Hun stem klinkt zacht en aangenaam als "duurrr" of "duurruï," soms ook als "dierriet", zoo ook die van de volgende soort.

De Kleinste Strandlooper, in Friesland Kleine Gril genoemd [Tringa (Limonites) Temminckii], die in grootte een Roodborstje evenaart, heeft den snavel even lang als de kop, zeer weinig gebogen, den staart wigvormig verlengd, den snavel en de voeten zwart, de eerste groote handpen met witte schaft, de buitenste staartveeren effen grijs. Des zomers zijn de onderdeelen wit met uitzondering van de bruingrijze onderhals en krop, de bovendeelen bruinachtig grijs met zwarte en roestkleurige vlekken. Van het winterkleed is de onderzijde wit, op den krop echter bruinachtig grijs met donkerder overslagsche streepjes, de bovenzijde bijna effen bruinachtig aschgrauw. Deze soort wordt op dezelfde plaatsen en in denzelfden tijd als de Kleine Strandlooper, doch in zeer kleinen getale op den trek bij ons waargenomen.

De drie overige inheemsche soorten onderscheiden zich door een flauw benedenwaarts gekromden snavel. Zoo de Paarse of Violette Strandlooper [Tringa (Arquatella) maritima], die de grootte heeft van een Spreeuw. Zijn snavel is langer dan de kop; de loop evenaart in lengte de middelste voorteen zonder den nagel; het onderbeen is boven het spronggewricht slechts zeer weinig naakt; de loop en het achterste deel van den snavel zijn geel; de staart is wigvormig. De bovenzijde is bruin- of grauwzwart met witachtige vederkanten, de onderzijde heeft dezelfde kleur met uitzondering van kin en buik, die wit zijn; de staart is aschgrauw; de bovendekveeren van den staart zijn zwart met witten top, de onderdekveeren wit met lange, donkere schaftvlekken. Het zomerkleed is bruinachtiger.--Deze Vogel, die ook nog kenbaar is aan zijn helder fluitend stemgeluid, bezoekt op den trek, die zich tot Middel-Afrika en Australië uitstrekt in kleinen getale ook ons land; men ontmoet hem in het voor- en najaar (soms nog in December) op de steenglooiingen, hoofden en andere zeeweringen langs de kust.

De Krombekstrandlooper [Tringa (Ancylochilus) subarquata] is een weinig kleiner dan de vorige soort, hoewel hij een iets langeren staart heeft. Zijn snavel is veel langer dan de kop en in 't oogvallend naar beneden gebogen. De loop is langer dan de middelste voorteen met den nagel. De snavel en de loop zijn zwart, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart wit; de staart is dubbel uitgesneden, de middelste veeren rondachtig toegespitst; de borst en de krop zijn ongevlekt of zeer weinig gevlekt. Zijn kleur heeft overigens veel overeenkomst met die van den Kanoetstrandlooper. De Krombekstrandloopers, die op den trek Zuid-Azië en Zuid-Afrika bezoeken, vertoonen zich in den nazomer en herfst, aan onze kust, op de eilanden en op de lage weilanden in de nabijheid van de kust, soms in koppels, maar gewoonlijk in kleinen getale. Op den trek volgen zij niet slechts de kust, maar (in Afrika althans) ook den loop der groote rivieren; men heeft ze in den winter aan den Witten en den Blauwen Nijl ontmoet.

Eveneens bezoekers (en zelfs bewoners) van het binnenland zijn de beide volgende vormen, die gewoonlijk als verscheidenheden van één soort worden aangemerkt. De Bonte Strandlooper of het Strandbokje [Tringa (Pelidna) alpina], die zoo groot is als een Veldleeuwerik, komt in nagenoeg alle opzichten overeen met zijn merkbaar kleineren verwant, de Kleine Bonte Strandlooper of het Kleine Strandbokje, bij Oirschot Fluitsnipje genoemd [Tringa (Pelidna) alpina Schinzii]. Merkwaardig is het, dat het broedgebied van deze beide vormen zich verder zuidwaarts uitstrekt, dan dat der overige Strandloopers. De eerstgenoemde broedt in ons werelddeel nog in Skandinavië, de andere ook in verschillende gewesten van Duitschland; zelfs werd hij broedend waargenomen aan den Hoek van Holland; ook werd dit een paar malen in Friesland (Boornbergum, Oudega, Suawoude) en te Vlijmen in Noordbrabant opgemerkt (Albarda). De snavel is langer dan de kop en flauw benedenwaarts gebogen, de loop langer dan de middelteen met den nagel; de snavel en de loop zijn zwart, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart zwart of donkerbruin; de staart is dubbel uitgesneden en heeft de beide middelste veeren lang toegespitst; de borst en de krop zijn sterk bezet met donkere schaftvlekken. In 't zomerkleed zijn de onderdeelen wit met scherpe, zwarte schaftstrepen en een groot, zwart schild op de onderborst en den buik; de bovendeelen hebben een roestroode kleur met zwarte schaftvlekken. In het winterkleed is de onderzijde witachtig, de bovenzijde aschgrauw met zeer fijne, donkere schaftstrepen. In het voor- en najaar komen groote vluchten Strandbokjes op onze kusten en ook in het binnenland bij poelen en plassen in moerassige en veenachtige streken voor.

Hun trillend stemgeluid klinkt als "tititititi" of "tututututu".

Als een hoogpootige Strandlooper kan men den Kemphaan (Machetes of Pavoncella pugnax) beschouwen, den eenigen vertegenwoordiger van zijn geslacht. In Groningen heet hij Kappertje, in Friesland Haantje, in 't Friesch Hoantsje en Hintsje, op Terschelling Kraagman, op Texel Kragenmaker. De snavel is zoo lang als de kop (doch korter dan de loop), recht, aan de spits een weinig verlaagd en niet verbreed, over zijn geheele lengte zacht, de voet is hoog en slank, het onderbeen tot ver boven het spronggewricht naakt; van de drie voorteenen is de middelste met de buitenste door een spanvlies verbonden; de korte, hoog aangehechte achterteen raakt den grond niet; de vleugels zijn middelmatig lang en spits; de staart is kort, uit 12 pennen samengesteld, aan de spits flauw afgerond. Het bruiloftskleed van het mannetje is getooid met een zeer groote, schildvormige halskraag, die zich tot aan de zijden van den achterkop uitstrekt en hier in twee oorvormige bundels van verlengde veeren overgaat. Bovendien zijn de mannetjes aanmerkelijk grooter dan de wijfjes en hebben in 't voorjaar aan 't gelaat naakte, geelachtige wratjes; deze verdwijnen in den herfst, evenals de kraag. Een algemeen geldige beschrijving van de kleur van 't vederenkleed is niet mogelijk. De bovenvleugel is donker bruingrijs; de zes middelste veeren van den zwartgrijzen staart zijn zwart gevlekt; de buik is wit; de overige veeren zijn echter zeer verschillend van kleur en teekening. Dit laatste geldt vooral voor de stijve, ongeveer 5 cM. lange veeren van den kraag. Deze is op zwartblauwen, zwarten, zwartgroenen, donker roestbruinen, roodbruinen, roestgelen, witten of anders gekleurden grond lichter of donkerder gevlekt, gestreept of op een andere wijze geteekend, zoo verschillend, dat men bijna geen twee mannetjes kan vinden, die aan elkander gelijk zijn. De ervaring heeft geleerd, dat dezelfde kleuren en teekening zich in 't volgende jaar opnieuw bij den Vogel vertoonen. De veeren van borst en rug zijn soms op dezelfde wijze geteekend als de kraag, soms anders van kleur. Het oog is bruin, de snavel groenachtig of groenachtig geel; ook deze kleur verschilt min of meer in verband met die van de veeren; de voet is in den regel roodachtig geel. Totale lengte van het mannetje 29 à 32 (van het wijfje 24 à 26), staartlengte 8 cM.