Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels

Part 14

Chapter 141,812 wordsPublic domain

De Trap wordt tot de "groote" jacht gerekend en overal ijverig vervolgd. In vroegere tijden gebruikte men voor de trappenjacht de zoogenaamde "karbuks", een echte helsche machine, die uit vele onderling vereenigde geweerloopen bestond, maar wegens haar zwaarte niet anders dan van een kar gehanteerd kon worden. Ervaren jagers besluipen in den baldertijd de fier rondstappende hanen en dooden hen met den kogel; dikwijls verkleeden zij zich vooraf als een boerenarbeider en nemen een draagkorf op den rug, of duwen een kruiwagen voort, of hebben een ploegpaard bij zich, dat zij berijden, of waarachter zij zich gedurende het besluipen van het wild verbergen. In de Russische steppen worden de Trappen niet zelden met Windhonden "gehitst", in Azië "beit" men ze met Edelvalken of getemde Steenarenden. Ook wacht men in de steppen soms nevelachtig, vriezend weer af en jaagt dan op flinke Paarden gezeten de Trappen achterna; in dit weder zijn n.l. de vleugels van het wild met een ijskorst bedekt en hierdoor minder geschikt voor het gebruik. De vallen en strikken, die soms aanbevolen worden, leiden zelden tot de gewenschte uitkomst.

In 't zuiden van Europa vindt men, nevens de zooeven genoemde soort, de Kleine Trap (Otis tetrax). Haar geringere grootte en afwijkende kleur onderscheidden haar van de Groote Trap; bovendien zijn de veeren van bovenhals en achterkop naar de zijden eenigszins verlengd. Bij het mannetje is de zwarte hals geteekend met een van de ooren naar den gorgel afdalenden, witten ringband en heeft de krop een breeden, witten dwarsband; het aangezicht is donkergrijs, de bovenkop licht geelachtig met bruine vlekken, de mantel op licht roodachtigen grond in dwarse richting zwart gevlekt en gegolfd; de vleugelrand, de boven- en onderdekveeren van den staart en de veeren van de onderzijde zijn wit, de handpennen aan den wortel wit, aan de spits donkerbruin, de bovendekveeren van den vleugel en de staartveeren wit, dichtbij de spits met twee banden versierd. Het oog is licht- of bruingeel, de snavel hoorngrijs, aan de spits zwart, de voet stroogeel. Totale lengte 50, staartlengte 13 cM.

Ook de Kleine Trap is een steppenvogel; haar eigenlijk gebied begint, waar de steppe of een hiermede overeenkomend terrein haar geschikte verblijfplaatsen verschaft, n.l. in Zuid-Hongarije en Zuid-Frankrijk; van hier strekt het zich aan de eene zijde uit over Turkije en Griekenland, Zuid-Rusland, geheel Middel- en West-Azië (vooral Toerkestan, Indië, Perzië, Klein-Azië en Syrië), naar de andere zijde over Italië, Spanje en Noordwest-Afrika. De Russische en Siberische steppen moet men als het brandpunt van haar verbreidingsgebied beschouwen. Ook op Sardinië schijnt zij zeer veelvuldig te zijn, terwijl zij in Spanje wel is waar niet in grooten getale voorkomt, maar toch nergens ontbreekt. Na den broedtijd zwerft zij rond en trekt vervolgens uit sommige landen naar zuidelijker streken. Gedurende hare zwerftochten verdwaalt zij ook naar koudere gedeelten van Europa, o. a. naar Nederland; herhaaldelijk zijn hier (van September tot Januari) enkele exemplaren van deze vogelsoort geschoten. Vóór 1870 verscheen zij op deze wijze ook in Duitschland, zoowel in de lente als in den herfst, bleef er altijd echter slechts korten tijd om zich vervolgens hetzij naar het zuidwesten of naar het oosten van Europa te begeven. Sedert het genoemde jaar heeft zij zich in het kale, heuvelachtige, maar vruchtbare gewest van Thuringen, dat tusschen de steden Weissense, Kölleda, Erfurt, Langensalza en Greuszen gelegen is, en later ook in Silezië als broedvogel gevestigd. Toch behoort de Kleine Trap in Duitschland, gelijk bij ons, nog altijd tot de groote zeldzaamheden.

In tegenstelling met haar grootere verwant voedt de Kleine Trap, zelfs als zij volwassen is, zich grootendeels met Insecten, vooral met Sprinkhanen, Kevers en verschillende larven, zonder echter het plantaardige voedsel geheel te versmaden. Niet slechts om deze reden, maar ook omdat zij een uitstekend wildbraad oplevert, moet men haar als een nuttige Vogel beschouwen. In Spanje wordt dit wild onder den naam "Fazant" opgedischt.

De Aziatische Kraagtrap [Otis (Houbara) Macqueenii], die door haar grootte het midden houdt tusschen de beide reeds genoemde soorten, is in ons land geen volslagen vreemdeling, daar zij éénmaal bij Zeist geschoten werd. Ook in Duitschland, België, Frankrijk zijn afgedwaalde exemplaren waargenomen. De Kraagtrap is gemakkelijk kenbaar aan haar kuif, die uit smalle, gekromde, zwarte en witte veeren bestaat, aan den zeer langen en grooten, deels zwarten, deels witten vederkraag aan weerszijden van den hals en aan de zeer fijne, golvende dwarslijnen op de bleek grijsachtig rosbruine bovendeelen en vleugels.

De Hoebara [Otis (Houbara) undulata], die vaak met de Kraagtrap verward werd en veel op haar gelijkt, is iets grooter en heeft zuiver witte kuifveeren, terwijl de veeren van den rug en van de vleugels donkerder, meer bruinachtig zijn.

De Kraagtrap bewoont de vlakten van Pandsjab en de daaraan grenzende gedeelten van Sindh, dwaalt echter ook wel naar andere gewesten van Indië af, wordt veelvuldig aangetroffen in de droge steenachtige vlakten van Afghanistan en komt bovendien voor in andere Aziatische landen, vooral in Toerkestan, Zuidwest-Siberië, Perzië en Mesopotamië.

De Hoebara vervangt haar in de landen ten zuiden van de Middellandsche Zee, van de Kanarische eilanden tot Arabië, is niet zeldzaam in Marokko, Algerië, Tunis en Tripolis, aan de Libysche kust zelfs veelvuldig, maar vertoont zich slechts bij uitzondering in het Nijlgebied.

Beide geven de voorkeur aan heete, dorre, zandige en steenachtige, schaars met struiken begroeide vlakten en bewonen dus het liefst de echte woestijn. De Arabieren en Indiërs zijn hartstochtelijke liefhebbers van de Trappenjacht, die een voortreffelijk wildbraad oplevert; zij maken hierbij hoofdzakelijk gebruik van gedresseerde Valken.

Op een der eerste avonden, die ik in een min of meer bouwvallige woning in een der voorsteden van Kaïro doorbracht, zag ik tot mijn niet geringe verrassing van de platte daken der huizen groote Vogels naar beneden vliegen, die zich naar het struikgewas in den tuin begaven en hier verdwenen. Ik dacht eerst aan Uilen, hoewel hun vlucht niet strookte met deze onderstelling, die ik geheel verwierp na het hooren van het luide geschreeuw van een der Vogels. Deze zag ik bij het licht der volle maan hoe langer hoe drukker zich bewegen in den tuin, naarmate het later werd. Als spookgestalten glipten zij uit de oranjeboomboschjes en verdwenen even plotseling, als zij gekomen waren. Een goed gemikt schot verschafte mij de gewenschte inlichting. Ik repte mij naar buiten en bemerkte, dat ik een landgenoot had geschoten, een Vogel, die ik dikwijls opgezet had gezien, een Griel, den middelvorm tusschen de Trap en de Pluvier, de Nachttrap, gelijk men hem zou kunnen noemen. Later had ik gelegenheid genoeg om den vreemdsoortigen klant na te gaan, want ik ontmoette hem of een zijner verwanten, die geheel dezelfde levenswijze hebben, in alle landen van Zuid-Europa en van Noordoost-Afrika, die ik bezocht.

De kenmerken van de Grielvogels (Oedicnemidae) zijn: een betrekkelijk aanzienlijke grootte, een middelmatig lange, dunne hals, een dikke kop met groote oogen, een rechte, vóór het voorhoofd verhoogde, aan de spits kolfvormige, aan den wortel zachte, aan de spits harde snavel, hooge, aan het spronggewricht verdikte pooten, drieteenige voeten, middelmatig lange vleugels, waarin de tweede slagpen de langste is, een middelmatig lange, bijna wigvormige, uit 12 à 14 stuurpennen samengestelde staart en een tamelijk dicht vederenkleed, welks kleuren aan die van den Leeuwerik herinneren en bij ouden en jongen, bij mannetjes en wijfjes, in den zomer en in den winter nagenoeg gelijk zijn. De 9 soorten van deze familie behooren uitsluitend tot het oostelijk halfrond.

Onze Griel, Doornsluiper, Scharluip of Scharlupen (Oedicnemus crepitans), het kleinste lid en de eenige Europeesche vertegenwoordiger van zijn familie, is ongeveer 45 cM. lang (staart 13 cM.); hij evenaart dus in grootte een Woudduif. De geheele bovenzijde is als die van een Leeuwerik gekleurd; de veeren zijn roestkleurig grijs en in het midden zwartbruin gestreept; het voorhoofd, een plek vóór het oog, benevens een streep er boven en een er onder zijn wit, zoo ook een streep op den bovenvleugel; de veeren van de onderzijde zijn geelachtig wit, de slagpennen zwart, de stuurpennen zwart, zijdelings en aan de spits wit. Het oog is goudgeel, de snavel geel, aan de spits zwart, de voet stroogeel.

Als het eigenlijke vaderland van den Griel moet men beschouwen de landen van Zuid-Europa, Noord-Afrika en Middel-Azië, waarin echte woestenijen of althans steppe-achtige gewesten voorkomen. In alle landen om de Middellandsche Zee, in Syrië, Perzië, Arabië, Indië enz. komt hij in grooten getale voor. In Hongarije, Oostenrijk en Duitschland ontbreekt hij evenmin, bovendien ontmoet men hem in Nederland, Groot-Britannië, Denemarken en het zuiden van Zweden. Bij ons komt hij van Mei tot October tamelijk zelden voor; hij werd broedend gevonden in de duinen van Noord- en Zuid-Holland en op de duinachtige heidevelden bij Oirschot in Noordbrabant; ook op de eilanden werd hij waargenomen. Op den trek bezoekt hij gaarne heidegronden. In Zuid-Europa vindt hij bijna overal woonplaatsen.

De Griel houdt van de eenzaamheid, bekommert zich nagenoeg niet om zijne soortgenooten en geeft zich nog minder met andere wezens af. Over dag merkt men hem slechts zelden op, meestal niet anders dan toevallig, want hij heeft den mensch, die zijn standplaats nadert, veel eerder gezien dan deze hem. Als hij zich op een uitgestrekte effene vlakte zonder beschuttend struikgewas bevindt, drukt hij zich plat op den bodem neer en maakt zich daardoor, dank zij zijn aardkleurig vederenkleed, bijna onzichtbaar. Als de nacht aanbreekt, wordt hij roerig, rent en vliegt onrustig heen en weer, laat zijn sterk fluitende, op grooten afstand hoorbare stem weerklinken, verheft zich spelenderwijs zonder inspanning tot op een betrekkelijk aanzienlijke hoogte en vertoont sterke toeren op het gebied der vliegkunst, die men van hem niet verwacht zou hebben.

Wormen, Insecten in allerlei ontwikkelingstoestanden, Slakken en andere Weekdieren, Kikvorschen, Hagedissen en Muizen zijn het wild, waarop de Griel jacht maakt; eieren en jonge vogeltjes, die het nest nog niet kunnen verlaten, worden waarschijnlijk eveneens door hem begeerd. De Veldmuizen, die hij als een Kat beloert, weet hij loopend zeer geschikt te vangen; na den buit door een krachtigen snavelhouw buiten gevecht gesteld te hebben, grijpt hij hem met den snavel aan, stoot hem herhaaldelijk tegen den grond, waardoor alle beenderen breken en verzwelgt vervolgens het letterlijk verpletterde slachtoffer. Ook de Insecten worden vóór het doorslikken gedood. Tot bevordering van de spijsvertering dienen de tevens ingeslikte, grove zandkorrels.

In het einde van April vindt men in een kuiltje in 't zand, 3 of 4 eieren; deze zijn ongeveer zoo groot als hoendereieren en op bruin groenachtig-gelen grond met grijze stippen en olijfbruine vlekjes en schrapjes geteekend. Het wijfje broedt, het mannetje houdt bij het nest de wacht. Na ongeveer 16 dagen komen de jongen uit; reeds den volgenden dag verlaten zij het nest en gaan onder toezicht van hun moeder voedsel zoeken.

AANTEEKENINGEN

[1] Een zeer lezenswaardig opstel van den Heer B. Boon, waarin "de Kievit" in den voortplantingstijd op duidelijke wijze beschreven wordt, komt voor in het tijdschrift "De Natuur in!", 1e Jaargang, pp. 49 enz.

[2] "In de levende Natuur", II: 43.