Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels

Part 13

Chapter 133,849 wordsPublic domain

Het wijfje legt slechts één zeer groot, tolvormig ei; het heeft een dikke, grofkorrelige, op lichten grond met donkerder vlekken geteekende schaal; de teekening biedt echter zooveel afwisseling aan, dat men onder de 100 eieren er moeielijk twee volkomen gelijke zal kunnen vinden. Van een eigenlijk nest is geen sprake; het wijfje legt hare eieren op het naakte gesteente, zonder dit ergens mede te bedekken, zelfs zonder er van te voren de grove kiezelsteenen af te krabben. Zoodra het ei gelegd is, neemt het broeden een aanvang; bij deze werkzaamheid lossen de beide echtgenooten elkander af; zelfs treft men op alle vogelbergen goedhartige, ongepaarde Vogels aan, die zich met ware vreugde neervleien op ieder ei, dat zij onbezet zien, om het spoedig een weinig te bebroeden. Na een broedtijd van 30 à 35 dagen komt uit den dop het jong te voorschijn; dit gelijkt meer op een grauwzwarte prop wol, dan op een Vogel; het groeit schielijk, legt het donskleed spoedig af en heeft dit reeds door een vederenkleed vervangen, voordat het één maand oud is. Nu verlaten de jongen hun zitplaats op de rots om zich naar de zee te begeven, "welke verhuizing," zegt Naumann, "niet geheel vrij is van gevaar, zooals duidelijk blijkt uit het in 't oogvallend, angstig heen en weer trippelen en het geschreeuw van het gezin bij het naderen van deze gebeurtenis. Gevolgd door de ouders, werpt het jong zich met één sprong van den kant van de rots in zee; voor de eerste maal met het water in aanraking komend, duikt het, wederom gevolgd door de ouden, dadelijk in de diepte; als allen weer boven gekomen zijn, dringt het jong zich onder luid gefluit angstig tegen de ouders aan, als 't ware om bij hen bescherming te zoeken en op hun rug te klimmen; het moet zich echter een nadere kennismaking met het natte élement getroosten, waarmede het door herhaaldelijk met de ouden onder te duiken weldra meer vertrouwd wordt. Al dadelijk is het dus in de gelegenheid om zelf zijn voedsel te zoeken; het wordt gedrongen zich met ijver hierop toe te leggen, daar zijne ouders zich niet meer met zijn voedering bemoeien; deze blijven echter bij hun kind om het tegen gevaar te beschermen en begeleiden het naar de opene zee; hier ziet men gewoonlijk tal van gezinnen bijeen, die met voor 't meerendeel slechts halfvolwassen jongen weer en wind trotseeren. Menige jonge Zeekoet verongelukt, terwijl hij zich van de rotsen naar de zee begeeft en valt zich op de steenen te pletter."

De vogelbergen worden door de menschen geregeld afgezocht en leveren, al naar hun uitgestrektheid en het aantal Vogels, dat er broedt een meer of minder rijken oogst van eieren en jongen. De eerstgenoemde worden in het noorden tamelijk ver verzonden, de jongen gezouten en voor den winter bewaard. Op de Fär-öer vormen de vogelvangers een afzonderlijke kaste; van deze menschen, die geen gevaar schuwen en den dood in allerlei gedaanten moedig onder de oogen zien, sterft er ternauwernood één in zijn bed. Zij beklimmen de rotsen van onderen af, of laten zich aan lange touwen naar beneden zakken, om vervolgens, hieraan slingerend, een met broedende Vogels bedekte rotspunt te bereiken, van welke zij soms wel 15 M. ver verwijderd zijn: zij zetten den voet op terrassen, waar nauwelijks plaats genoeg is voor een Vogel, kortom, verrichten werkzaamheden, die ongelooflijk schijnen. In Groenland schiet men 's winters duizenden Zeekoeten met het geweer; ook krijgt men ze op de volgende zeer eigenaardige wijze in handen: De Vogels zoeken hunne broedplaatsen op, voordat het kustijs losgeraakt is en brengen hier den korten nacht slapend door. In dezen nacht begeven de Groenlanders zich zoo stil mogelijk naar de vogelbergen, om, zoodra zij hier gekomen zijn, de Vogels schrik aan te jagen door plotseling te schreeuwen en te schieten. De arme Zeekoeten denken er niet om, dat de zee aan den voet van de rots nog met ijs bedekt is storten zich hals over kop naar beneden en vallen zich te pletter op het ijs. Behalve door den mensch worden zij onophoudelijk vervolgd door Roofvogels, Raven en Jagers; onder water loopen zij gevaar door roofvisschen verslonden te worden. Ondanks deze vervolgingen neemt hun aantal niet af.

De Zeekoeten op Helgoland mogen niet lastig gevallen worden voor den 24en Juli; op dezen dag wordt de jacht op genoemde Vogels geopend, in 't eerst alleen voor de badgasten, later ook voor de bewoners van het eiland.

De onderzoekers, die de levenswijze van de kleinste van alle Zeekoeten, van de Kleine Alk (Mergulus alle), den eenigen vertegenwoordiger van het geslacht der Krabbenduikers, hebben nagegaan, noemen haar eenstemmig een van de bevalligste kinderen der zee. Door den korten en dikken, van boven gewelfden snavel, die bij oude Vogels vóór de eironde neusgaten nog flauwe groeven vertoont, houdt zij in zekeren zin het midden tusschen de Alken en de Zeekoeten. Het vederenkleed is op de bovendeelen donkerzwart, op den onderhals dofzwart, op de overige onderdeelen wit; de handpennen en stuurpennen zijn zwart; de armpennen hebben aan de spits een breeden, witten zoom. Het oog is donkerbruin, de snavel dofzwart, de voet blauwachtig zwart. In het winterkleed is ook de keel witachtig en de hals donkergrijs. Totale lengte 25, staartlengte 3 cM.

De Groenlandvaarders noemen de Kleine Alk "IJsvogel", omdat men gewoonlijk rekenen kan op de nabijheid van groote ijsmassa's, wanneer zij zich in grooten getale vertoont. Van alle Alkvogels is zij de bewegelijkste, wakkerste en behendigste. Betrekkelijk snel en vlug gaat zij met kleine trippelpasjes op de teenen, sluipt behendig tusschen de steenen rond, of kruipt als een Muis in rotsspleten. Haar bekwaamheid in 't zwemmen en duiken is zelfs voor een lid van haar familie buitengewoon; zij blijft 2 minuten of langer onder den waterspiegel en kan gedurende geruimen tijd zeer slecht weer verdragen. In de zee gevoelt zij zich steeds volkomen thuis; slapend, met onder de schouderveeren verborgen snavel, zoowel als wakend drijft of zwemt zij welgemoed op de golven, hetzij deze hoog gaan, of zich slechts weinig verheffen. Van 't water, evenals van 't land, vliegt zij vlug en zonder merkbare inspanning op. Meer nog dan hare verwanten herinnert zij dan aan een vliegend Insect, daar zij hare kleine vleugels zeer snel moet bewegen. Haar voedsel schijnt hoofdzakelijk te bestaan uit kleine, dicht bij den zeespiegel levende Schaaldieren; slechts zelden vindt men overblijfselen van Visschen in haar maag.

De eilanden van het hooge noorden herbergen gedurende den broedtijd ontelbare zwermen van deze vogeltjes. Op de kusten van Spitsbergen hoort men, volgens Mallingren, nog op een halve mijl afstands van de kust onophoudelijk, over dag zoowel als 's nachts, van de berghellingen, die zij tot woonplaats hebben uitgekozen, hun als "trr, trr, tet, tet, tet" of als "gief" klinkend geschreeuw. Volgens Faber broeden zij op IJsland slechts op één plaats, n.l. op de noordelijkste spits van het eilandje Grimsö. Ieder paartje zoekt diep onder de neergestorte steenklompen een geschikte plaats om te nestelen; men vindt in dit hol één wit, blauwachtig getint, zelden zwak roodachtig gevlekt ei van 50 mM. lengte en 35 mM. dikte. Zoodra de jongen zelfstandig geworden zijn, vereenigen de Kleine Alken van verschillende broedplaatsen zich tot de ontzaglijke scharen, die de zeevaarders in het noorden tot op de hoogste breedten waargenomen hebben. In den winter, vooral bij storm en ijsgang, komen zij ook aan de kusten van de Oost- en Noordzee voor; aan onze kust ontmoet men ze dan dikwijls in menigte, enkele exemplaren soms reeds in het einde van Augustus. Bij ijsgang in zee treft men ze niet zelden binnenslands in slooten en vaarten aan. De van roof levende Vogels en Visschen richten misschien onder de Kleine Alken geen grooter slachting aan dan de mensch. Naast het vleesch van het Rendier is dat van deze zeevogels een van de grootste lekkernijen van het hooge noorden. Bij duizenden worden zij gedood, soms meer dan 30 in één schot.

De groote, drijvende bladen van verschillende waterplanten, vooral van plompen, die de oppervlakte van stilstaande of langzaam stroomende wateren bedekken, dienen in warme landen tot jachtgebied aan eenige hoogst sierlijk gebouwde Vogels, die Parra's heeten en een afzonderlijke groep uitmaken (Parrae), die slechts één familie bevat (Parridae). Men ontmoet ze in de keerkringslanden van de Oude zoowel als van de Nieuwe Wereld. Ieder werelddeel heeft zijne eigene soorten, die evenwel alle in levenswijze overeenkomen. Slechts bij uitzondering, vooral in den broedtijd, verlaten zij hunne drijvende eilanden.

In tegenstelling met andere moerasvogels, zijn zij jegens den mensch volstrekt niet schuw, maar vertoonen zich integendeel steeds ongedekt, laten toe, dat een boot dicht bij hen langs vaart, vliegen eerst op 't laatste oogenblik weg, fladderen even over het water heen en strijken spoedig weer neer. Het zijn zeer bevallige, argelooze Vogels, die nevens de waterleliën en andere fraaie waterplanten zulk een bekoorlijken indruk maken, dat zij iedereen voor zich innemen, hoewel hun aard niet in alle opzichten beantwoordt aan de gunstige meening, die hun aanblik wekt. Door het loopen op bladen, die geen anderen Vogel van deze grootte kunnen dragen, bekoren zij den reiziger; dit feit heeft aanleiding gegeven tot de bijgeloovige verhalen, waarin zij een rol spelen. Overal elders dan op hunne bladen toonen zij zich onbeholpen. Wel zijn zij ook geschikt om over weeke modder te loopen, zonder er in te verzinken; ternauwernood echter kunnen zij zich door het hooge gras bewegen; evenmin zijn zij ervaren in het zwemmen of in het vliegen. Eenige soorten heeft men nog nooit zien zwemmen, van andere is het bekend, dat zij goed kunnen duiken. Zij hebben een vreemdsoortige stem, die bij sommige als lachen klinkt. Zij is niet slechts voor hunne soortgenooten maar ook voor andere Vogels een waarschuwing tegen gevaar.

Zij voeden zich gedurende een deel van 't jaar bijna uitsluitend met de zaden van de planten, waarop zij zich ophouden, maar bovendien ook met allerlei kleine dieren.

Zij hebben een slanke gedaante, een dunnen, langwerpigen snavel en hooge pooten met buitengewoon lange en dunne teenen, welker lengte door die der slanke, rechte nagels soms verdubbeld wordt. Daar de gezamenlijke teenen, wanneer zij uitgespreid zijn, een groot vlak beslaan en de romp zeer licht is, vindt de Vogel op een groot, drijvend blad een voldoenden steun. De vleugels zijn tamelijk lang, smal en spits; de staart is kort en uit smalle pennen samengesteld; bij één soort echter (bij Parra sinensis, die ook op de Soenda-eilanden gevonden wordt) zijn de middelste stuurpennen draadvormig verlengd. Het vederenkleed is eenigszins schraal voorzien, maar stijf en in den regel fraai van kleur. De naakte voorhoofdsplaat, die bij de meeste soorten voorkomt, is bij sommige--o. a. bij de Haantjesparra (Parra cristata), die op Celebes en Noord-Australië thuis behoort--verlengd tot een huidlel. Opmerkelijk is de stevige, meestal spitse, soms stompe "doorn", waarmede het handgewricht gewapend is.

Een van de algemeenste moerasvogels van Zuid-Amerika is die, welke in Brazilië Jassana, in Cayenne Chirurgien, in Suriname Kemphaan wordt genoemd (Parra jaçana). Bij den volwassen Vogel zijn de kop, de borst en de buik zwart, de rug, de vleugels en de flanken roodbruin, de slagpennen geelachtig groen, aan de spits echter zwart, de stuurpennen donker roodachtig bruin. Het oog is lichtgeel, de snavel rood, aan de spits geelachtig, de naakte voorhoofdsplaat, zoowel als de lel aan den mondhoek, bloedrood, het naakte deel van den poot loodkleurig grijs, de doorn geel. Totale lengte 55 cM.; de middelste teen is (met zijn 24 mM. langen nagel) 55 mM. lang en even lang als de loop; de achterteen is 64 mM. lang, waarvan 40 mM. op den nagel komen.

Van Guyana tot Paraguay ontbreekt de Jassana in geen enkel stilstaand water, wanneer dit voor een deel met groote, drijvende bladen bedekt is. Wegens hare fraaie kleuren ziet men haar gaarne en laat haar rustig begaan; zij vestigt zich daarom in de onmiddellijke nabijheid van woningen, vooral in de afwateringskanalen van plantages; houdt zich bovendien op in alle moerassige streken, op natte, moerassige weiden, in de nabijheid van de kust, zoowel als in 't binnenland of te midden van de oerwouden. Een prachtig schouwspel levert zij op te midden van de prachtige waterleliën, welker kleuren door de hare in de schaduw worden gesteld, pijlsnel loopend over de dicht dooreengegroeide, groote, groene bladen, voortdurend bezig met het zoeken van haar voedsel, dat vooral uit waterinsecten en hunne larven, doch ook uit zaden bestaat.

Het wijfje legt hare 4 à 6 eieren aan den waterkant op bladen van waterplanten, doch ook wel op den naakten grond. De jongen volgen hun moeder schielijk na.

De Trappen en Grielen vereenigt Fürbringer in één groep, die der Trapvogels (Otides).

De Trappen (Otididae) zijn groote of middelmatig groote, zwaarlijvige Vogels met een middelmatig langen, dikken hals, een tamelijk grooten kop, een dikken, aan den wortel van boven naar beneden samengedrukten, overigens kegelvormigen, vóór de spits van de bovenkaak een weinig gewelfden snavel, die ongeveer zoolang is als de kop. De middelmatig lange, zeer dikke loop draagt drie teenen; van de stevige, breede slagpennen der groote, goed ontwikkelde, aan de onderzijde zacht uitgeholde vleugels is de derde de langste; de korte staart bestaat uit 20 breede pennen; het glad aanliggend vederenkleed is aan den kop en den hals dikwijls verlengd ("baard") en steeds met levendige kleuren versierd. Het mannetje is altijd grooter dan het wijfje en gewoonlijk ook fraaier gekleurd.

Met uitzondering van Amerika bewonen de Trappen alle werelddeelen, vooral echter Afrika en Azië. Haar levenswijze herinnert in vele opzichten aan die van de Hoendervogels, maar evenzeer aan die van de Pluvieren en hare verwanten. Als zij niet gestoord worden, blijven zij den geheelen dag op den bodem; in de middaguren zoeken zij hun voedsel, schreeuwen of vechten met elkander; des middags "gullen" zij (baden zich, op hun gemak uitgestrekt, in het zand), tegen den avond zoeken zij op nieuw voedsel en kiezen ten slotte de meest veilige plaats uit, om er 's nachts te rusten. Zij eten even graag zaden als bladen, knoppen en knollen, plukken echter bij voorkeur de bladen zelf, laten b.v. gesneden kool onaangeroerd, terwijl zij een geheele kool met smaak verorberen. Aan brood kunnen zij gemakkelijk gewend worden; later beschouwen zij het als een lekkernij.

Hun voortplantingsperiode valt samen met het laatste gedeelte van de lente in hun vaderland. Volgens de meeste onderzoekers leven zij in monogamie. In een korenveld of tusschen het hooge steppengras krabt de hen een ondiep kuiltje, bekleedt het op gebrekkige wijze, en legt er een gering aantal eieren in; zonder hulp van haar gemaal bebroedt zij ze en hoedt de met een sierlijk donskleed bedekte, maar eenigszins plompe jongen; later komt het mannetje bij zijn gezin terug om voor de veiligheid van vrouw en kinderen te zorgen.

De Trappen worden in alle landen met hartstochtelijken ijver gejaagd, omdat haar groote voorzichtigheid den jager prikkelt tot het toonen van zijn meerderheid.

De Groote Trap of Trapgans, in Noord-brabant en Zeeland Wilde Kalkoen genaamd (Otis tarda), is de grootste Europeesche landvogel. Haar lengte bedraagt 1 M. of meer (staartlengte 28 cM.), haar gewicht kan tot 14 à 16 KG. toenemen. De kop, de bovenborst en een deel van den bovenvleugel zijn licht aschgrauw; de rug is op roestgelen grond met zwarte dwarsbanden geteekend, de nek roestkleurig, de onderzijde vuilwit of geelachtig wit; de slagpennen zijn donker grijsbruin, aan de smalle buitenvlag en aan de spits zwartbruin, hare schaften geelachtig wit, de laatste bijna zuiver wit, de stuurpennen fraai roestrood, vóór de witte spits met een zwarten band versierd, de buitenste bijna geheel wit. De "baard" bestaat uit ongeveer 30 lange, teere, smalle, losbaardige, grijsachtig witte veeren. Het oog is donkerbruin, de snavel zwartachtig, de voet grijsachtig.

Van Zuid-Zweden en Middel-Rusland af vindt men de Trap in geheel Europa en Middel-Azië; in Noordwest-Afrika komt zij slechts enkel en uitsluitend gedurende den winter voor. In Groot-Britannië is zij reeds uitgeroeid, in Frankrijk zeer zeldzaam, in Spanje slechts in eenige gewesten te vinden; in Hongarije, Moldavië en Wallachije, in Roemelië en Thessalië, in de Zuid-Russische steppe en in geheel Middel-Azië daarentegen treft men haar buitengewoon veelvuldig aan. Gedurende hare zwerftochten (men kan bij haar eerder van zwerven dan van trekken spreken) bezoekt zij niet slechts de zuidelijke, maar ook de meer westwaarts gelegen landen, b.v. Nederland en Zwitserland. In vroegere eeuwen geschiedde dit op grooter schaal dan thans en verschenen deze Vogels bij ons jaarlijks in den herfst in zoo groote menigte, dat (gelijk Merula in zijn "Vlugchtbedrijf" bericht) geheele velden er mede bedekt waren. Ook thans echter strekken enkele exemplaren hun tocht naar 't westen zoo ver en zelfs tot in Groot-Britannië uit. Hun aantal is evenwel alleen dan van eenige beteekenis, wanneer in Oost- en Middel-Europa een strenge koude heerscht en veel sneeuw valt, gelijk het geval was in December 1890 en Januari 1891. In de meeste provinciën van Nederland zijn in genoemden winter Trappen waargenomen, soms vluchten van 18 stuks; 10 exemplaren werden geschoten. In Groot-Britannië heeft men er in denzelfden tijd 7 bemachtigd. Veel grooter slachting werd destijds in Roemenië onder de Trappen aangericht; op den met ijs bedekten bodem geen voedsel vindend, kwamen deze Vogels, die in den regel op 250 à 400 passen met de buks moeten worden geschoten, in de nabijheid van boerenwoningen en werden in grooten getale gedood. Het aantal Trappen, dat destijds te Boekarest op de markt werd gebracht, schat men op niet minder dan 800 stuks (Albarda).

In de Noordduitsche vlakte en in de uitgestrekte, niet met wouden bedekte velden van Middel- en Zuid-Duitschland bewoont de Groote Trap ook thans nog alle voor haar geschikte plaatsen. Zij is hier standvogel; het gebied, waarin zij zich beweegt, is zeer uitgestrekt; zij verlaat het slechts in zeer strenge winters. In Rusland en Middel-Azië echter verschijnt zij in de lente, blijft tot Augustus in het oord, waar zij zich voortplant en begeeft zich dan naar andere gewesten. Zij zwerft dus op geregelde tijden, of trekt, zij het dan ook in beperkte mate.

De Groote Trap vermijdt steeds boschrijke gewesten, omdat zij in iederen struik een hinderlaag ducht. Evenmin nadert zij in Duitschland bewoonde gebouwen. In den winter houdt zij zich bij voorkeur op in velden, die haar voedsel kunnen verschaffen, het meest dus in akkers met koolzaad of winterkoren. Gedurende dit jaargetijde is zij, zoo mogelijk, nog voorzichtiger dan in den zomer, die haar in het hoog opgeschoten graan een goede schuilplaats verschaft. Des nachts rust zij steeds op de meest afgelegen velden, meestal braakliggend of stoppelland, die zij eerst in de schemering opzoekt en waar, naar het schijnt, wachten uitgezet worden, die voor de veiligheid van het geheele gezelschap moeten waken.

De Groote Trap gaat met langzame en afgemeten passen, hetgeen aan haar voorkomen een zekere waardigheid verschaft; als het noodig is, kan zij echter zoo schielijk rennen, dat een Hond haar slechts met moeite kan inhalen. Om op te vliegen, doet zij een korten, uit 2 of 3 sprongen bestaanden aanloop en verheft zich daarna, wel niet bijzonder snel, maar toch zonder buitengewone inspanning met langzame vleugelslagen in de lucht; als zij eerst een zekere hoogte bereikt heeft, rept zij zich zoo schielijk voort, dat de jager om haar met de buks te treffen een geoefend oog en een vaste hand moet hebben.

Het gewone geluid van de Groote Trap is een vreemdsoortig, zacht gesnater, dat men alleen in de onmiddellijke nabijheid van den Vogel duidelijk kan waarnemen.

De ervaring leert, dat het oog het meest ontwikkelde zintuig is van de Groote Trap. Niet licht ontgaat iets aan haar scherpen blik. De reuk schijnt zeer zwak te zijn; zeker is het evenwel, dat de Trappen scherp hooren.

De Groote Trap voedt zich in volwassen toestand bij voorkeur met groene plantendeelen, graanvruchten en zaden, in haar prille jeugd bijna uitsluitend met Insecten. Al onze landbouwplanten zijn van haar gading, aardappels laat zij echter gewoonlijk liggen; het liefst eet zij naar 't schijnt, jonge erwtenplanten en verschillende soorten van kool; zij gebruikt echter ook krodde- en mosterdplanten en graast in geval van nood de topspruitjes van het gewone gras af. In den winter voedt zij zich hoofdzakelijk met koolzaad- en graanplantjes; in den zomer gebruikt zij, behalve plantaardig voedsel, ook altijd eenige Insecten, zonder eigenlijk jacht op hen te maken; ook vervolgt zij ijverig Veldmuizen. Geregeld slikt zij ook kleine kwartskorrels door, tot bevordering van de spijsvertering. Haar dorst stilt zij met de dauwdroppels, die 's morgens aan het gras hangen.

Als de paartijd nadert, toonen de hanen een groote opgewondenheid; zij stappen met waaiervormig uitgespreiden, een weinig opgeheven staart, fier als Kalkoenen rond; intusschen is vooral een vliezige zak aan de keel zoo sterk opgeblazen, dat de hals meer dan eens zoo dik schijnt dan gewoonlijk. Er hebben dan hevige gevechten plaats, tot de zwakste hanen het veld ruimen. Alle bekende feiten pleiten voor de meening, dat de Trappen in monogamie leven.

Bij 't kiezen van de broedplaats geven zij steeds blijken van groote voorzichtigheid; door oude paren geschiedt dit echter zorgvuldiger dan door jonge. Als het koren reeds zoo hoog is opgeschoten, dat het broedende wijfje zich er in verbergen kan, krabt zij een ondiep kuiltje in den bodem, bekleedt dit soms met eenige droge stoppels, stengels en halmen en legt hierin twee, bij uitzondering ook wel drie, niet bijzonder groote, kort eivormige eieren; deze hebben een dikke, grofkorrelige glanslooze schaal, die op licht olijfkleurig groenen of dof grijsgroenen grond, donkerder gevlekt en gesprenkeld is. Zij nadert het nest steeds uiterst behoedzaam, sluipt er letterlijk heen, laat zich zoo weinig mogelijk zien en legt, zoodra zij iemand bespeurt, den hals, dien zij gedurende het broeden rechtop houdt, plat op den bodem. Als een vijand nadert, sluipt zij, zonder gezien te worden, door het koren weg; als een gevaar haar plotseling overvalt, vliegt zij omhoog, maar strijkt spoedig weer in 't koren neder en loopt dan verder. Na een bebroeding van 28 à 30 dagen komen de wollige, bruinachtige, zwart gevlekte jongen uit, die zoodra zij droog zijn met de moeder meegaan. Deze is zeer gehecht aan haar kroost; wanneer het gevaar loopt, fladdert zij angstig dichtbij den rustverstoorder langs en neemt allerlei listen te baat om hem van 't spoor te brengen; wanneer haar dit gelukt is, keert zij naar hare kinderen terug, die zich op een doelmatig gekozen plaats op den grond hebben gedrukt en in de overeenkomst van de kleur van hun kleed met die van den bodem een voortreffelijk middel tot beschutting hebben gevonden. Kleine Kevers, Sprinkhanen, larven van Insecten, die voor een deel door de moeder uit den grond gekrabd of gevangen en voor de kuikentjes neergelegd worden, maken hun eerste voedsel uit. In den beginne zijn zij zeer onbeholpen; hun gang is gebrekkig en waggelend; zij leeren eerst laat zelf hun voedsel op te pikken, maar beginnen dan spoedig groen voer te eten.

Om Trappen te temmen, moet men ze jong gevangen hebben, daar volwassene het verlies van haar vrijheid moeielijk te boven komen. Zeer ervaren vogelfokkers koopen ook wel eieren op, die door herders gevonden zijn en laten deze door Hoenderen of Kalkoenen uitbroeden. De Trappen zijn niet bestand tegen het leven in een stal, maar moeten 's zomers en 's winters in de vrije natuur gelaten worden.