Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels
Part 11
Niet zelden maakt de Skoea zich van den Vogel zelf meester: Graba zag, dat hij met één houw een Papegaaiduiker den schedel stuk hakte; anderen hebben opgemerkt, dat hij Meeuwen en Zeekoeten doodde, verscheurde en verslond. Doode of gekwetste Vogels, die op de zee drijven, worden steeds door hem gegrepen; gave Vogels ontgaan dit lot, door onder te duiken, zoodra de Jager zich vertoont. Zonder mededoogen plundert hij op de vogelbergen de nesten der daar broedende Vogels, neemt de eieren en jongen weg en brengt ze naar zijn kroost. "Uit duizend kelen," schrijft Naumann, "weerklinkt het angstgeschreeuw, wanneer de vermetele roover zulk een broedplaats nadert; toch durft geen der beangste bewoners zich krachtdadig verzetten tegen zijne booze plannen. Hij pakt het eerste het beste jong en vliegt er mede heen, zonder zich te storen aan de ongelukkige moeder, die, luid schreeuwend, den Skoea, wiens snavel haar van pijn krimpend kind omknelt, nog een eindweegs navliegt, maar geen hulp kan bieden. Zoodra hij geen stoornis meer behoeft te duchten, strijkt hij neer op den waterspiegel, doodt den buit en verslindt hem, vliegt vervolgens naar zijne jongen en braakt de prooi weer voor hen uit."
Beter dan alle overige soorten kent men den Kleinen Jager (Stercorarius parasiticus), die in den nazomer en den herfst op de Wadden niet zelden aangetroffen wordt. Hij is slanker gebouwd dan de beide vorige soorten en aanmerkelijk kleiner dan de Skoea; door de lengte van het lichaam zonder den staart evenaart hij echter den Middelsten Jager. Zijn totale lengte is n.l. 60 cM., waarvan 28 cM. op den staart komen (welks spits toeloopende middelste pennen 10 cM. voorbij de overige uitsteken). Met uitzondering van een witte of geelachtig witte vlek op het voorhoofd en de eveneens witte keel is hij effen roetbruin, of op de bovendeelen roetbruin, op de keel geelachtig grijs, op de onderdeelen witachtig grijs; ouderdom of sekse hebben niets met dit verschil in kleur te maken. Het oog is bruin, de snavel zwart, de washuid donker loodkleurig grijs, de voet blauwzwart.
Zoover onze waarnemingen reiken, is de Kleine Jager de algemeenst verbreide soort van zijn geslacht. Ook hij bewoont de noordelijke streken van beide werelden; van Spitsbergen en Groenland strekt zijn broedgebied zich uit tot aan het midden van Noorwegen; op IJsland, de Fär-öer en de andere eilanden ten noorden van Schotland, voorts op Labrador, Newfoundland, in de zeeën van Behring en van Ochotsk is hij veelvuldig. In den winter zwerft hij geregeld naar de zuidelijkste kusten van de Noordzee en dwaalt soms ook naar 't binnenland af. Behalve in den broedtijd leeft hij steeds op zee, volstrekt niet altijd in de nabijheid van eilanden en klippen, maar ook, en naar het schijnt weken achtereen, ver van het vaste land verwijderd.
De Kleine Jager is kenbaar aan zijn wijze van vliegen, die, volgens Naumann, meer afwisseling aanbiedt dan bij eenigen anderen Vogel. Dikwijls gelijkt zijn vlucht gedurende geruimen tijd op die van een Valk, daar hij nu eens met langzame wiekslagen door de lucht roeit, dan weer over een grooten afstand op zijne vleugels drijft en af en toe met tamelijk steil naar boven gericht lichaam als een Toren valk "wiekelt" of "bidt"; het is op eenigen afstand vaak moeielijk hem van een Kuikendief te onderscheiden. Plotseling echter laat hij zich, na eenige zeer haastige, trillende of wapperende vleugelslagen, langs een booglijn naar beneden ploffen om dadelijk weer langs een kronkelenden, uit kleine en groote bogen bestaanden weg op te stijgen, nogmaals met razende snelheid omlaag te schieten en langzaam naar boven terug te keeren. In 't eene oogenblik schijnt hij afgemat en verslapt, in 't volgende is hij als "door den duivel bezeten"; nu eens vlug zich wendend en keerend, dan weer spartelend en fladderend, alsof hij hulp behoeft, vertoont hij achtereenvolgens verschillende bewegingsvormen.--Vele karaktertrekken heeft hij met den Skoea gemeen, maar hij is gezelliger dan deze: buiten den broedtijd ziet men de Kleine Jagers vaak tot kleine vluchten vereenigd; op de broedplaatsen echter leven zij bij paren, die niet, zooals hunne verwanten, in elkanders onmiddellijke nabijheid nestelen, maar ieder een bepaald gebied als hun eigendom beschouwen. In hun maag vond ik nooit iets anders dan Visschen en Lemmingen. Dat zij nesten plunderen, is mij niet gebleken; wel zag ik hen aanhoudend Kleine Zeemeeuwen vervolgen, om deze te dwingen tot het afstaan van haar pas gevangen buit. Nog meer dan de Meeuwen worden, naar men zegt, de Zeezwaluwen en de Zeekoeten op deze wijze gekweld. Toch vormt het hierdoor verkregen voedsel stellig niet een hoofdbestanddeel van het maal der Kleine Jagers; want, even vaak als men hen andere Zeevogels ziet vervolgen, merkt men hen in de toendra op, waar zij zich bezig houden met de jacht op Lemmingen en ook Ongewervelde dieren en zelfs bessen zoeken, of aan het zeestrand, waar zij dieren verslinden, die door de golven op de kust geworpen werden.
De Kleinste Jager (Stercorarius cephus) stemt in kleur met de vorige soort overeen, maar heeft een geringere lengte, een korteren snavel en veel langere middelste staartpennen; deze steken ongeveer 15 cM. voorbij de overige uit en eindigen spits. Totale lengte 55, staartlengte 30 cM.
Ook deze Jager broedt in 't hooge noorden van 't oostelijk zoowel als van 't westelijk halfrond. Enkele exemplaren dwalen naar zuidelijker zeeën af; men heeft ze tot bij St. Helena waargenomen. Zelden komen zij aan onze kusten voor, nog zeldzamer meer binnenslands. In Siberië voeden zij zich met Insecten, vogeleieren, Muizen, doch ook met bessen.
Alkvogels (Alcinae) noemt men een 30-tal over de noordelijke zeeën verbreide, in 't duiken zeer ervaren zeevogels, die zich kenmerken door een forsch gebouwden romp, een korten hals, een dikken kop, een middelmatig langen, zeer verschillend ingerichten snavel, middelmatig hooge, drieteenige voeten, die met groote zwemvliezen voorzien zijn, korte, smalle (bij uitzondering voor 't vliegen ongeschikte) vleugels, een korten staart en een zacht, meestal tweekleurig vederenkleed.
Alle Alkvogels behooren in de Noordelijke IJszee en in de hiermede samenhangende zeeboezems en straten thuis; ten zuiden van den poolcirkel, die door de meeste soorten des winters op den trek geregeld overschreden wordt, komen slechts hier en daar broedplaatsen van Alkvogels voor. Zij zijn echte zeevogels, die eigenlijk slechts gedurende den broedtijd aan land verkeeren, voor 't overige echter op en in het water hun bedrijf uitoefenen. Zij zijn meesters in het zwemmen en duiken; zwemmend en duikend verkrijgen zij hun voedsel, op dezelfde wijze trekken zij (althans de meeste soorten); zwemmend rusten zij, brengen hunne veeren in orde, vermaken zich en slapen. Vele Alken vliegen tamelijk goed, hoewel hare vleugels te kort schijnen om het gewicht van het lichaam te dragen en men zich er over verbazen moet, dat de snelle beweging van deze organen zonder al te groote vermoeienis zoo lang voortgezet kan worden. Zij loopen niet gaarne, maar doen dit tamelijk snel, liever stappend op de zool der teenen dan glijdend op den loop; bij alle echter dienen de pooten hoofdzakelijk voor 't zwemmen en door vele worden ook de vleugels meer voor het duiken in 't water dan voor de beweging in de lucht gebruikt. Zij hebben scherpe zinnen; hunne overige geestvermogens zijn volstrekt niet zoo gering, als men gewoonlijk meent: men moet niet uit het oog verliezen, dat deze Vogels niet in de gelegenheid zijn om zich op veelzijdige wijze te ontwikkelen. Visschen en Schaaldieren, die voor een deel op zeer groote diepten buitgemaakt worden, maken haar eenig voedsel uit. Alle Alkvogels leven en visschen gaarne gezellig en vereenigen zich gedurende den broedtijd tot meer of minder groote zwermen, die bij sommige soorten stellig wel uit honderdduizenden paren bestaan. Voor de bewoners van het noorden zijn de Alkvogels, en meer bepaaldelijk de Zeekoeten en Alken, een ware zegen. Een soort is naast de Zeehond het voornaamste voedsel van de bevolking van verscheidene koloniën in 't zuiden van Groenland; hier zou hongersnood ontstaan, indien deze Vogel zich minder talrijk vertoonde.
Een der merkwaardigste zeevogels is de Papegaaiduiker of Zeepapegaai (Fratercula arctica of Mormon articus), een middelmatig groote, korthalzige en dikkoppige Vogel met hoogst eigenaardig gevormden snavel. Deze heeft van ter zijde gezien een driehoekige gedaante, is aan den wortel even hoog als de kop, zijdelings buitengewoon sterk samengedrukt, van achteren begrensd door een lijstvormig gezwollen huid, die zich ook over den mondhoek voortzet, verder naar voren met verscheidene dwarse groeven voorzien, niet bijzonder spits, maar met zeer scherpe zijranden. Aan den drieteenigen voet, die tamelijk lange zwemvliezen heeft, vallen de dikke, zijwaarts gekromde nagels in 't oog. De vleugels zijn klein, smal, van achteren met afgeronde, korte spitsen; de staart bestaat uit 16 pennen en is zeer kort; het vederenkleed is op de bovendeelen dicht, hard en glad aanliggend, op de onderdeelen vachtvormig en uit iets langere veeren samengesteld, alle bekleedingsveeren zijn losbaardig. De bovenkop, de rug en een band om den hals zijn zwart, de wangen en de keel aschgrauw, de onderdeelen wit, langs de zijden grauw of witachtig. Het oog is donkerbruin, de ring gevormd door de randen der oogleden koraalrood; het hoornachtige huidlapje boven, en de langwerpige, naakte plek onder het oog zijn aschgrauw; de snavel is van voren bleek koraalrood, aan den wortel blauwgrijs, aan den mondhoek oranjegeel. Totale lengte 31, staartlengte 6 cM. Bij de jongen heeft de bek een veel geringere hoogte en ontbreekt de halskraag.
De Papegaaiduiker bewoont de Noordzee, het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan en de IJszee tot 80° N.B., komt derhalve aan de Europeesche zoowel als aan de Aziatische en Amerikaansche kusten voor; in 't noorden van de Stille Zuidzee wordt hij echter door een verwante soort vervangen. Nu en dan worden doode exemplaren op onze kusten gevonden; enkele malen werden er ook levende, oude en jonge voorwerpen waargenomen, geschoten of gevangen. Op Helgoland broeden eenige paren; verder noordwaarts zijn de broedplaatsen veelvuldiger: in de IJszee komen de Papegaaiduikers in ontelbare menigte voor; bij honderdduizenden en millioenen bevolken zij gedurende den zomer alle geschikte broedplaatsen. Deze zijn gelegen op loodrecht uit de zee opstijgende rotsen en hooge klippen; vooral de naar 't zuiden en zuidwesten gerichte rotswanden zijn gedurende den voortplantingstijd, van den waterspiegel tot op een hoogte van verscheidene honderden meters, dicht bezet met nesten. Op alle terrassen, lijsten, uitsteeksels staan zij op reeksen gerangschikt naast en boven elkander, de eene soort van Alken laag, de andere in de middelste streek, de derde boven aan. Tusschen deze broeden, eveneens gordelsgewijs, Drieteenige Meeuwen, Aalscholvers, Zilver- en Mantelmeeuwen. Dit zijn de beroemde noordsche "Vogelbergen", waarvan de (thans nagenoeg geheel ontvolkte) rotsen van Helgoland als zuidelijkste, zeer zwakke voorposten moeten worden beschouwd, maar die reeds op de Fär-öer, op IJsland, op de kusten en klippen van Noorwegen en elders een zeer indrukwekkenden omvang hebben. Tegen de donkere rotsen teekenen de rechtopstaande, als soldaten in gelederen gerangschikte, met de witte buikzijde naar de zee gekeerde gestalten zich duidelijk af. Het eeuwig knikken en buigen dezer Vogels, hun strijd om de niet te ruime plaatsen, het komen en gaan van enkele individuen is natuurlijk slechts van nabij zichtbaar, maar reeds op een afstand gezien schijnen deze met witte, horizontale lijnen geteekende rotsen als door bijenzwermen bevolkt. Duizenden vliegen af en aan. Daar de Alken zich niet van den vlakken bodem kunnen opheffen, moeten zij om weg te vliegen zich laten vallen en gedurende den val de vleugels uitspreiden; aanvankelijk dalen zij dus snel, langzamerhand vermindert hun snelheid, en zacht komen zij op den waterspiegel neer. Omgekeerd moeten zij op een afstand van de kust beginnen zich langzamerhand te verheffen, hetwelk hen in staat stelt in de nabijheid van de rots snel en met kracht omhoog te stijgen. Graba beschrijft de Färö-vogelberg op de volgende wijze: "In een diepe, huiveringwekkende kloof, die door onbestijgbare rotswanden van 1000 voet hoogte begrensd wordt, maakten wij halt. Hier was de vogelberg. Welken kant men ook uitkeek, overal zag men Vogels en niets dan Vogels. Duizenden van Zeekoeten en Alken zwommen in gezelschappen van verschillende grootte om onze boot, keken ons nieuwsgierig aan en verdwenen plotseling onder den waterspiegel om in de onmiddellijke nabijheid weer boven te komen. Kleine Zeekoeten (Uria grylle) kon men met de roeiriemen raken; Zeehonden staken hun kop hoog boven het water uit, de schending van deze vrijplaats niet begrijpend; Groote Jagers schoten neer op Zeekoeten en Drieteenige Meeuwen, die onder het vliegen in den kop getroffen en gedood werden. Hier zocht een ongelukkige Drieteenige Meeuw, die kort te voren het geluk had een Visch te vangen, met jammerlijk geschreeuw te midden van een troep soortgenooten bescherming tegen een haar aan alle zijden bestokenden Skoea; steeds heviger werd de aanval van den vervolger, steeds angstiger het geschreeuw van de vervolgde; eindelijk werkte de angst als braakmiddel, de Visch werd uitgebraakt en door den roover in de lucht gegrepen, nog voordat hij tijd had om in zee te vallen. De Vogels, die op de naburige rotsen stonden, en die, welke op het water dreven, verraadden bij dit tooneel eenige onrust, maar waagden het niet den gevreesden vijand het hoofd te bieden. De lucht wordt doorkruist door af- en aanvliegende Alken, die naar hunne eieren terugkeeren, of ze tijdelijk aan de zorg van hun gade overlaten; sommige zijn zoo hoog gestegen, dat men ze voor Bijen zou kunnen houden, die langs de rots vliegen, andere zoo laag, dat men ze met een stok zou kunnen treffen. Maar, laat ons het eigenlijke domicilie van deze volkplanting in oogenschouw nemen. Op rotsen, die een weinig boven den zeespiegel uitsteken, zitten glinsterend zwarte Aalscholvers, die hunne lange halzen naar alle richtingen wenden en angstig uitzien naar eenige Skoea's (Groote Jagers) boven hen. Dan volgt de lijn der Drieteenige Meeuwen. Het eene nest grenst aan het andere; samen vormen zij een lange reeks, die zich over de geheele breedte van de rots uitstrekt. Het eene nest volgt ook op het andere in bovenwaartsche richting; overal ziet men koppen van broedende Vogels; de lager gelegen rotsen zijn wit van hunne uitwerpselen. Een weinig hooger, op kleine vooruitstekende punten van de rots, staan Alken en Zeekoeten dooreengemengd in parade opgesteld; alle hebben de witte borst naar de zee gekeerd; de eene staat tegen de andere aan, zoodat er geen hagelkorrel tusschen door kan, aanhoudend neigend voor de ongewenschte bezoekers. Enkele paren, die een kleine rotspunt voor zich alleen hebben ingenomen, wuiven met de vleugels; de eene liefkoost de andere, die, beschaamd rondtrippelend, het ontvangen teeken van genegenheid op dezelfde wijze, n.l. door aanraking met den snavel, beantwoordt. Zwermen Vogels vliegen af en aan; toch weet ieder van deze duizenden zijn plaats spoedig zonder fout te bereiken. Wel komt er soms eenige verwarring. Hier staan er een twintigtal borst tegen borst; plotseling komt een Alk aangevlogen, die zich door de rij heendringt, totdat hij zijn plaats heeft ingenomen en intusschen eenige van zijne buren naar beneden stoot. De hoogste plaats nemen de Papegaaiduikers in; zij zijn minder goed te onderscheiden, behalve wanneer zij af en aan vliegen. Bij een vogelberg heerscht zulk een oorverdoovend geraas, dat men de woorden van zijn buurman niet kan verstaan. Het afschuwelijk stemgeluid van de Drieteenige Meeuw klinkt over alles heen, daartusschen hoort men het eentonige "orr" van den Alk en het met allerlei klinkers verbonden "rrrrrr" der Zeekoeten. Nadat ik lang genoeg de bewegingen van het vogelenheir had nagegaan, werd het verlangen naar het bezit van een met een kuif prijkenden Aalscholver, die op 60 schreden afstands van onze boot op een klip zat, mij te machtig. Ik vuurde. Waar de Aalscholver te recht gekomen is, weet ik niet: de werking van mijn schot was te hevig. De lucht werd verduisterd door de uit hun nest opgeschrikte Vogels. Vele duizenden vluchtten onder ontzettend geraas uit de kloof; waaiervormig breidde de zwerm zich over de zee uit. Waarheen wij onze oogen wendden, zagen wij niets anders dan vliegende Alken, Zeekoeten en Meeuwen. Verwonderd kwamen de Papegaaiduikers uit hunne holen te voorschijn, keken met komische gebaren naar de algemeene verwarring en lieten langzaam hun "orr" hooren. De Drieteenige Meeuwen bleven voor 't meerendeel rustig op hunne nesten zitten. Alle Aalscholvers stortten zich, door schrik bevangen, in zee."--In dezen tijd halen de bewoners van de noordelijke gewesten het voornaamste deel van hun vleesch- en eieren-proviand voor het geheele jaar van de vogelbergen. Zij varen er met een schuit heen, dooden of vangen de laagstgezeten Vogels, laten zich aan stevige touwen van den top naar beneden zakken, of beklimmen met groot levensgevaar van onderen of van de zijden uit den rotswand; in den regel zijn dan twee personen door een touw verbonden om elkander te steunen. De buit wordt naar beneden geworpen en door lieden, die in de schuit zijn gebleven, opgezocht.
De Papegaaiduikers zijn geen trekvogels, hoewel zij zich 's winters dikwijls in zuidelijker gewesten vertoonen en soms, al verder en verder zwervend, in de Middellandsche Zee verdwalen.
Het eerste wat bij dezen Vogel de aandacht trekt, is zijn zeer merkwaardige wijze van vliegen op korten afstand van de golven, alsof hij niet voornemens is zich er boven te verheffen, doch er slechts over voortglijden wil. Hierbij doen zoowel de vleugels als de pooten dienst: de Vogel schuifelt snel van de eene golf naar de andere, ongeveer als een half vliegende, half zwemmenden Visch; hij slaat met de vleugels en de pooten aanhoudend op het water, volgt de gebogen vlakken der golven, beschrijft den eenen boog na den anderen, en verplaatst zich op deze wijze, oogenschijnlijk met groote haast, maar met nog grooter inspanning. De snavel snijdt intusschen door de golven heen, zoodat deze wijze van vliegen levendig herinnert aan die van den Schaarbek. Zoodra de Papegaaiduiker zich boven den waterspiegel verheven heeft, vliegt hij rechtuit met gonzenden vleugelslag en doet dit zoo snel, dat de hieraan niet gewende jager aanvankelijk steeds achter den Vogel schiet. In het zwemmen behoeft hij stellig voor geen der overige leden van zijn familie onder te doen. Hij ligt gemakkelijk op de golven, of daalt, zoodra hij dit wenscht, onder den zeespiegel af, zonder dat dit hem eenige moeite schijnt te kosten en zonder eenig gedruisch, blijft soms wel 3 minuten lang onder water en kan, naar men zegt, een diepte van 60 M. bereiken. Op den vasten grond gaat hij trippelend en waggelend, maar toch beter dan men zou verwachten; vliegend kan hij van zijn zitplaats onmiddellijk naar boven stijgen en na het vliegen zonder bezwaar op den vasten bodem neerstrijken; bij 't zitten rust hij gewoonlijk op de zolen zijner voeten en den staart, of gaat plat op den buik liggen. Evenals zijne verwanten beweegt hij onophoudelijk den kop en den hals, zelfs als hij rustig zit, alsof hij iets moet zoeken, of verschillende zaken zorgvuldig nagaan moet. Zijn stem onderscheidt zich slechts door haar diepte van het geratel zijner verwanten en gelijkt nog het meest op die van de Alk; zij klinkt diep en gerekt als "orr orr," volgens Faber soms ook als het geluid, dat een slaperig mensch bij 't geeuwen voortbrengt; toorn gaat gepaard met een knorrend geluid, ongeveer als dat van een kwaadaardig hondje.
Zijn voedsel bestaat uit kleine Schaaldieren en vischjes; met deze voedert hij zijne jongen groot. Op de vogelbergen eet hij, naar men zegt, soms groene plantendeelen, b.v. de bladen van het Lepelblad.
In 't midden van April of in 't begin van Mei, al naar de sneeuw vroeger of later smelt, begeeft hij zich naar de vogelbergen en zoekt nu zoo schielijk mogelijk het hol, waarin hij vroeger broedde, weder op, of graaft een nieuw gat. In dit opzicht verschilt hij van de Zeekoeten en Alken: nooit legt hij zijn ei op den naakten grond. Niet alle paren graven zelf het hol, waarin zij nestelen; zij maken bij voorkeur gebruik van de een of andere spleet of van een donker gat in het gesteente, en gaan slechts in geval van nood zelf aan 't werk. De nestgaten gelijken op konijnenholen, maar zijn meestal zoo kort, dat men den broedenden Vogel door den ingang er achterin kan zien zitten. Naar het schijnt, neemt zoowel het mannetje als het wijfje aan dezen arbeid deel; de werktuigen voor 't graven zijn de snavel en de pooten. Terwijl de Vogels bezig zijn, is hun kleed zoo bestoven of liever besmeerd met veengrond, dat men de kleuren bijna niet meer onderscheiden kan; vóór het broeden maken zij zich terdege schoon. Het wijfje legt niet meer dan één ei; dit is echter zeer groot, ongeveer 70 mM. lang. De grofkorrelige en oneffen schaal is aanvankelijk zuiver wit van kleur, maar wordt door den veengrond zeer spoedig geelachtig, later zelfs bruinachtig. Beide ouders broeden, naar men zegt, ongeveer 5 weken lang. Het jong komt met een dicht kleed van langbaardige, koolzwarte en lichtgrijze donsveeren ter wereld, piept jammerlijk gedurende zijne eerste levensdagen, krijgt later een krachtiger stem, maar leert het ratelende "orr" van den volwassen Vogel eerst na het uitvliegen. De beide ouders brengen hunne lievelingen voedsel, dat zij soms van een afstand van vele mijlen moeten aanvoeren en stellen zich zonder schroom aan gevaren bloot, wanneer zij hierdoor de veiligheid van hun kind meenen te kunnen bevorderen; ook verdedigen zij het, zoo noodig, door woedende beten met den snavel.
De eigenaars van de vogelbergen ontnemen den Papegaaiduiker in den regel het eerste ei, als het nest zich op een voor den mensch bereikbare plaats bevindt, maar laten gewoonlijk het tweede door de ouders uitbroeden en zijn dan wreed genoeg om het jong te rooven, voordat het vliegen kan, om het in verschen toestand op te eten, of ingezouten voor den winter te bewaren. In gevangenschap worden de Papegaaiduikers niet gehouden, omdat men niet in de gelegenheid is hun het noodige voedsel te verschaffen.
De Alken (Alca) vertoonen eenige overeenkomst met de Papegaaiduikers door den bouw van den snavel. Deze is middelmatig lang, zeer smal en hoog, heeft den rug boogvormig omhoog gekromd, en een uitstekenden kinhoek aan de onderkaak; de zijden van den bovensnavel zijn gegroefd, de gebogen zijranden zeer scherp; de spits van den bovensnavel is haakvormig, die van den ondersnavel eveneens benedenwaarts gekromd. De vleugels zijn slank, eenigszins sabelvormig en hebben een lange spits; de korte staart bestaat uit 12 smalle pennen.
Alle gewesten en zeegedeelten, waarin de Papegaaiduiker voorkomt, herbergen ook de Alk (Alca torda). Het bruiloftskleed is aan de bovenzijde en aan den voorhals zwart; een smalle strook, die van den snavel tot het oog reikt, een zoom aan den top van de slagpennen van den tweeden rang, de borst en de buik zijn wit. Het oog is donkerbruin, de snavel, met uitzondering van een witten dwarsband, zwart, de voet eveneens zwart. Totale lengte 42, staartlengte 9 cM.