Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels

Part 10

Chapter 103,702 wordsPublic domain

De verst verbreide en meest algemeen bekende soort van deze groep is de Kokmeeuw, Kapmeeuw of Lachmeeuw, in Friesland Kob genaamd [Larus (Chroicocephalus) ridibundus]. De bovenkop en de voorhals zijn roetbruin, de nek, de onderdeelen, de staart en de slagpennen tot dicht bij de spits wit, de mantelveeren licht blauwgrijs, de spitsen van de slagpennen zwart. Het oog is donkerbruin, de ooglidrand rood, de snavel en de voet karmijnrood. In het winterkleed ontbreekt de kap. Totale lengte 42, staartlengte 13 cM.

Zij bewoont een groot deel van Europa, Azië en Afrika en houdt zich hier te lande op van Maart tot October. Zij broedt in koloniën op moerassige plaatsen, nabij meren en plassen, in Zeeland aan de binnenzijde der duinen, alsmede op de eilanden. Na den broedtijd, in September, verlaat zij het binnenland, overwintert in grooten getale aan de kust en is in dit jaargetijde met de Kleine Zeemeeuw talrijk boven de binnengrachten van Amsterdam (Albarda).

De Kleine Kokmeeuw [Larus (Chroicocephalus) capistratus], misschien slechts een verscheidenheid van de vorige soort, is een weinig kleiner en zwakker dan deze, ook zijn de bek en de pooten donkerder rood. Nu en dan komt zij op den voorjaarstrek in kleine vluchten tot ons over; des zomers speelt zij de rol van onze Kokmeeuw in Schotland en Ierland.

Een bekoorlijke Vogel is de Dwergmeeuw [Larus (Chroicocephalus) minutus], de kleinste van alle bekende Meeuwen. Haar kop is donker roetzwart, de mantel teer licht blauwgrijs, de nek wit, de onderzijde wit met een rozerood waas, de staart wit; de licht blauwgrijze slagpennen hebben breede, witte spitsen. In het winterkleed is de kap slechts flauw te onderscheiden en de onderzijde wit. Het oog is bruin, de snavel zwartachtig rood, de voet koraalrood. Totale lengte 28, staartlengte 9 cM.

Als brandpunt van haar broedgebied moet men Oost-Europa en West-Siberië aanmerken; van hier uit bezoekt zij in den winter Zuid-Azië, Zuid-Europa en Noord-Afrika. Zeldzaam komen enkele exemplaren van deze soort in de wintermaanden aan onze kusten voor; in enkele jaren, vooral bij stormweder, verschijnt zij er in troepen, zonder er te vertoeven. "Naar het schijnt, heeft deze soort vroeger aan den Hoek van Holland gebroed. Daar zij dit echter nooit aan zee doet, zal het waarschijnlijk zijn geweest aan een toen daar bestaand meertje, hetwelk later is verdwenen. Al mijne pogingen om van daar, van Calantsoog of van de eilanden eieren te verkrijgen, waren vruchteloos, zoodat ik van meening ben, dat deze soort niet meer tot onze broedvogels behoort. Zij heeft trouwens geen bekende broedplaatsen meer in Europa, dan westelijk van de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen." (Albarda).

De Kokmeeuw, wiens levensgeschiedenis een tamelijk zuiver beeld kan geven van den aard en de gewoonten der inheemsche Kapmeeuwen, wordt in Midden-Europa aan plassen, meren, rivieren of moerassen aangetroffen. Vroeger was zij meer algemeen verbreid dan thans: de toenemende bebouwing van den bodem heeft haar verdrongen uit vele gewesten, die zij thans nog geregeld op den trek bezoekt. In Zuid-Europa blijft zij het geheele jaar door bij hare broedplaatsen; ons vaderland verlaat zij reeds in September om in Maart terug te keeren uit het Middellandsche-zee-gebied, waar zij den winter doorbrengt. De zee bezoekt zij slechts in dit jaargetijde. Zelfs komt het zelden voor, dat de Kokmeeuwen op een eiland dicht bij de kust broeden. Het liefst vestigen zij zich bij zoet water, dat door akkers omgeven is. Steeds broeden zij gezellig, broedkoloniën vormend, die in den regel uit honderden en zelfs duizenden paren bestaan, zoodat de nesten in een kleine ruimte zoo dicht mogelijk opeengedrongen zijn. In Friesland worden in deze koloniën, "kobbevlechten" genaamd, de eieren ijverig geraapt; men laat echter ieder van de Vogels één ei uitbroeden, uit vrees dat zij anders de plaats verlaten (Albarda).

De Kokmeeuw broedt ook in menigte op de Zeeuwsche eilanden langs de binnenzijde der duinen. Na veel getwist en geschreeuw over de plaats, die ieder paar zal innemen, worden de nesten gebouwd op kleine, door open water of door moerassig land omgeven pollen riet of biezen, rietstoppels of hoopen afgesneden riethalmen, soms ook in het moeras tusschen het gras, steeds echter op moeielijk toegankelijke plaatsen. Nadat door het neerdrukken van het riet of gras een kuiltje gevormd is, worden hierin moerasplanten, stroo enz. opgehoopt en deze met zachtere stoffen bekleed. In ieder nest worden 2 of 3, zelden 4, eieren gelegd. Deze zijn geel- of grijsachtig olijfgroen en met bruine vlekken bedekt. Het broeden neemt een aanvang in het begin van Mei. Het mannetje en het wijfje doen dit om beurten; 's nachts zitten zij voortdurend op de eieren, gedurende de middaguren wordt de zonnewarmte voldoende geacht. De jongen, die na 18 dagen uit den dop komen, zijn drie à vier weken later in staat om te vliegen. Indien het nest door water omgeven is, verlaten zij het in de eerste levensdagen niet; op kleine eilandjes echter loopen zij al spoedig naar buiten, maar blijven aanvankelijk op den vasten grond. De jongen, die een week oud zijn, begeven zich reeds nu en dan te water; in de tweede week beginnen zij te fladderen, reeds in de derde kunnen zij zich tamelijk goed zelf redden. De ouders zijn in de hoogste mate bezorgd voor de veiligheid van hun kroost en duchten voortdurend gevaar. Iedere Roofvogel, die in de verte zichtbaar is, iedere Kraai, iedere Reiger brengt hen in een toestand van opgewondenheid; onder luid geschreeuw vliegen alle op, zelfs de broedende Vogels verlaten de nesten om met de overige den vijand aan te vallen en alle middelen aan te wenden om hem te verjagen. Met woede schieten zij op een Hond of een Vos neer; in enge kringen vliegen zij om een naderend mensch heen. Met ware vreugde vervolgen zij hun belager, als deze zich terugtrekt. Eerst geruimen tijd later komen de opgewonden Vogels tot bedaren.

De Kokmeeuw beweegt zich op een zeer bevallige en behendige wijze en zonder merkbare inspanning. Zij loopt snel en geruimen tijd achtereen, volgt soms uren lang den ploegenden landman of houdt zich op weiden en akkers met de vangst van Insecten bezig; zij zwemt zeer sierlijk, maar niet bepaald snel en vliegt zacht, als 't ware op haar gemak. Hoewel voorzichtig en eenigszins wantrouwig van aard, vestigt zij zich gaarne in de onmiddellijke nabijheid van woningen van menschen, doet onderzoek naar hun gezindheid en richt hiernaar hare handelingen in. In alle buurtschappen, die dicht bij hare broedplaatsen of bij de zee gelegen zijn, gedraagt zij zich half en half als een huisvogel: onbezorgd oefent zij hier haar bedrijf uit, wel bewust, dat niemand haar kwaad zal doen. Haar stem is zeer wanluidend: de loktoon klinkt krijschend als "krie"; "kek" en "sjerr" zijn de geluiden voor het gezellig verkeer; woede wordt uitgedrukt door een krijschend "kerrekkektek," of een heesch "gier," dat gewoonlijk door "krie" wordt gevolgd.

Insecten en kleine vischjes zullen wel de hoofdbestanddeelen van het voedsel van de Kokmeeuw zijn; een Muis wordt echter niet versmaad en ook van een kreng wordt partij getrokken.

In Noord-Duitschland bestaat de gewoonte om op een bepaalden dag tegen de onschuldige Kokmeeuwen te velde te trekken en een verdelgingsoorlog tegen haar te voeren, die aan honderden Vogels het leven kost. Deze nuttelooze slachting, die onder den naam van "meeuwenschieten" als een soort van volksfeest wordt beschouwd, herinnert aan de ruwheid van zeden der bewoners van Zuid-Europa en is op geenerlei wijze te verontschuldigen.

Gevangen Kokmeeuwen zijn allerliefste huisgenooten, vooral die, welke jong uit het nest genomen worden. Zij moeten met vleesch en visch gevoederd worden, maar geraken ook aan 't eten van brood gewoon, zoodat haar onderhoud eigenlijk niet veel kost. Als men zich veel met haar bemoeit, worden zij weldra zeer tam, loopen haar verzorger als een Hond na, begroeten hem vol vreugde, als hij zich vertoont en volgen hem later vliegend over 't erf, in den tuin en ook wel naar buiten in 't veld.

"Wie nog nooit een met Drieteenige Meeuwen bezetten vogelberg gezien heeft," zegt Holböll, "kan zich zoomin van de schoonheid als van het aantal dezer Vogels een goed denkbeeld vormen. Men zou zulk een meeuwenberg misschien kunnen vergelijken met een reusachtige duiventil, bewoond door millioenen Duiven van gelijke kleur. De berg Inoejoeatock is een kwart mijl lang en over zijn geheele lengte meer of minder sterk bezet met verschillende soorten van Meeuwen en dit tot op zulk een hoogte, dat de bovenste Vogels zich slechts als witte puntjes vertoonen."--Korter en schilderachtiger drukt Faber zich uit. "Op Grimsö's vogelbergen nestelen zij in zoo grooten getale, dat zij bij hun opvliegen de zon verduisteren, als zij zitten, de rotsterrassen bedekken, door hun geschreeuw de ooren verdooven en in den broedtijd de groene kleur van de met lepelblad begroeide rotsen in wit veranderen."--Toen ik gereed was om een reis naar Lapland te doen, had ik natuurlijk beide beschrijvingen gelezen, een juiste voorstelling van een meeuwenberg kreeg ik echter eerst op den voor mij onvergetelijken 22en Juli, bij het voorbijvaren van het voorgebergte Suärholm niet ver van den Noordkaap; ik kreeg haar eerst, nadat mijn waarde vriend, de gezagvoerder van den poststoomboot, die mij overvoerde, een kanon had laten afschieten om de Meeuwen op te jagen. Een kolossale rotswand had zich aan mijn oog vertoond als een reusachtige, met millioenen witte stippeltjes bedekte lei, onmiddellijk na de losbranding van het geschut scheidden een aantal van deze stipjes zich af van den donkeren achtergrond en werden levend; het waren Vogels, schitterend witte Meeuwen; eenige minuten achtereen daalden zij naar beneden in de zee, zoo dicht opeengepakt, zoo aanhoudend, alsof er onverwachts een sneeuwstorm was opgekomen, die reusachtige vlokken uit de lucht naar beneden deed warrelen. Eenige minuten achtereen sneeuwde het Vogels, die een onafzienbaar deel van de oppervlakte der zee bedekten; toch scheen daarna de wand nog altijd bijna even dicht met stippen bedekt als vroeger.

De Drieteenige Meeuw (Rissa tridactyla) vertegenwoordigt een gelijknamig geslacht, welks belangrijkste kenmerk hierin gelegen is, dat de achterteen ontbreekt of zich als een kort, al of niet genageld stompje vertoont. Bij de volwassen Vogels zijn de kop, de hals, de onderrug, de staart en de onderdeelen schitterend wit, de mantel is licht grijsachtig blauw; de slagpennen zijn witachtig grijs, de spitsen van de eerste handpennen zwart. Het oog is bruin, de ooglidrand koraalrood, de snavel citroengeel, aan den mondhoek bloedrood, de voet zwart. Totale lengte 43, staartlengte 13 cM.

Ook de Drieteenige Meeuw broedt in het hooge noorden; zij verlaat echter in den winter de Poolzee en verschijnt dan in grootere of kleinere vluchten aan de kusten der Noord- en Oostzee, ook aan de onze (het meest vroeg in 't voorjaar). Vooral bij stormweer en op den doortrek dwaalt zij, den loop der stroomen en rivieren volgend, soms ver naar het binnenland af, waar zij zich 's winters vaker en in grootere troepen vertoont dan de eigenlijke Zeemeeuwen. In aard en gewoonten verschilt zij van hare even groote verwanten misschien alleen door haar grootere gezelligheid en schreeuwlust.

Ook hij, die een voorstelling meent te hebben van den oneindigen rijkdom der zee, verbaast zich er over, dat een zoo kleine oppervlakte aan millioenen Vogels voedsel kan verschaffen. Men weet, dat de Drieteenige Meeuw bijna niets anders dan Visschen eet, bovendien heeft Holböll opgemerkt, dat gedurende haar broedtijd de Noordelijke IJszee als 't ware gevuld is met Lodden (Mallotus villosus), dat de Zeehonden, door deze Zalmachtige Visschen van onderen af te vervolgen, de vischvangst voor de Meeuw zeer gemakkelijk maken en dat deze later wel tien en meer zeemijlen ver moet vliegen om het noodige voedsel te verkrijgen. Dit alles geeft echter nog geen voldoende opheldering over de spijziging van zoovele vraatzuchtige wezens. Hoe ontzaglijk rijk de zee is, hoe vrijgevig zij ook van deze Meeuw den disch voorziet, bemerkt men, als zij, uit de koers gebracht en afgedwaald, het binnenste van het vasteland bezoekt. Hier vindt men haar dikwijls dood aan den waterkant liggen; bij het onderzoeken van de maag blijkt deze volkomen ledig te zijn: zij, die door de vrijgevigheid van de zee verwend werd, lijdt op het land gebrek en verhongert.

Alle meeuwenbergen bestaan uit verscheidene boven elkander gelegen terrassen en zijn rijk aan holen en uitstekende punten; in de holen en op de terrassen liggen de nesten tegen elkaar aan, van den voet van den berg tot zijn top; van elk plekje is partij getrokken; ieder terras dient tot broedplaats aan duizenden paren. Kort na hun aankomst ziet men de paren naast elkander zitten, het mannetje en het wijfje elkander in de bevalligste houdingen liefkoozend, als Duiven trekkebekkend en elkander in de veeren pluizend, en hoort men hun gekir. De berg is voortdurend omhuld door een wolk van Vogels, die zonder ophouden door elkander heen wemelen en krioelen. Het nest zelf bestaat hoofdzakelijk uit zeewieren, maar wordt in den loop der jaren door den vogeldrek met hooge randen voorzien; het is voldoende, dat het in den aanvang van den broedtijd een weinig hersteld wordt. De jongen blijven tot het midden van Augustus in het nest, zijn intusschen volkomen geschikt geworden voor het bedrijf hunner ouders en zwermen nu naar buiten boven de open zee, nadat zij vooraf, gelijk van zelf spreekt, naar vermogen hebben bijgedragen tot het oorverdoovende geschreeuw, waaraan een vogelberg reeds op een afstand kenbaar is.

Een enkele maal (Oct. 1892) werd aan onze kust (en wel aan den Hoek van Holland) een exemplaar gevangen van de Vorkstaartmeeuw (Xema Sabinei), een soort, die in Azië, Oost-Siberië en in Amerika de kusten en eilanden van de Noordelijke IJszee bewoont. De oude Vogels schijnen in het koudere jaargetijde slechts weinig zuidwaarts te trekken (tot Spitsbergen en Zuid-Groenland); van de jongen in het eerste of tweede levensjaar echter dwalen enkele naar de kusten van de Noordzee (tot Rouaan) en zelfs naar het binnenland (tot in Hongarijë) af. Van de overige Meeuwen onderscheidt zich deze door den (ondiep) gegaffelden staart en de buitengewoon lange vleugels. De bovenrug en de schouders zijn aschgrauw, de 5 eerste slagpennen zwart met witte spits, de overige aschgrauw met witte spits, de overige veeren in den winter wit, in den zomer aan den kop grauwzwart met zwarten halsring. Totale lengte 35, vleugellengte 28, staartlengte 12 cM.

De gestalte en de kleur van de Roofmeeuwen of Jagers (Stereorariinae) geven ons het recht om deze Vogels als een afzonderlijke onderfamilie te beschouwen. De 7 soorten waaruit zij bestaat, gelijken op de Meeuwen. Haar romp is forsch gebouwd, de kop klein, de snavel betrekkelijk kort, maar stevig en dik, slechts van voren zijdelings samengedrukt, de bovensnavel aan den wortelhelft met een washuid bekleed, aan de spits sterk gewelfd en haakvormig naar beneden gekromd, de onderkaak hoekig uitgebogen. De voet is middelmatig hoog; de betrekkelijk korte voorteenen zijn door echte zwemvliezen aaneenverbonden en met sterk gekromde, spitse, scherprandige nagels gewapend; de achterteen is kort. De vleugels zijn groot, lang, smal en spits; de eerste handpen is de langste. De middelmatig lange staart bestaat uit 12 pennen, waarvan de beide middelste in den regel voorbij de overige uitsteken. Het vederenkleed is rijk en dicht, op de onderdeelen op een vacht gelijkend; zijn dofbruine hoofdkleur vertoont bij de volwassene Vogels zelden, bij de jongen dikwijls lichtere plekken.

De Roofmeeuwen bewonen vooral den noordelijken kouden aardgordel; meestal houden zij zich boven de open zee op, gedurende den voortplantingstijd echter in de toendra's der kusten en eilanden. Zij loopen vlug en goed, enkele soorten bijna even behendig als de Steltloopers en geven intusschen aan den romp een horizontale richting. Zij zwemmen goed, maar vliegen meer dan zij zwemmen, gaan of staan; zij doen dit op een andere wijze dan de overige zeevogels, maken koene, op velerlei wijzen afwisselende, dikwijls wonderlijke zwenkingen, bewegen zich echter ook glijdend door de lucht en kunnen met snellen vleugelslag op één plaats blijven zweven. Haar stem is een onaangenaam gekras, die van de jongen een zacht gepiep. Zij zijn niet slechts moediger en vermeteler dan hare verwanten, maar hebben ook volkomener zintuigen. Als echte Roofvogels vallen zij alle dieren aan, die zij overweldigen kunnen; evenals de tafelschuimers in deze groep kwellen zij andere Vogels zoolang, tot deze den pas verworven buit aan haar overlaten. Minder goed dan de overige Meeuwen verstaan zij de kunst om een in 't water waargenomen buit te vangen door er van uit de lucht op neer te schieten. Zij kunnen alleen dan Visschen vangen, als deze dicht onder den waterspiegel langs zwemmen. Haar roofzucht is echter niet minder groot dan die van de Zeemeeuwen. Niet slechts op Visschen zijn zij belust, maar ook op Vogels, vogel-eieren en kleine Zoogdieren, zelfs op ongewervelde zeedieren; zij vallen jonge lammeren aan, pikken hun de oogen uit, hakken hun den schedel open om er de hersenen uit te halen, kortom verslinden al wat voor hen eetbaar is, zoowel van levende als van doode dieren. Bovendien loeren zij op jagende Meeuwen en Zeezwaluwen, op den Jan-van-Gent en dergelijke zeevogels; zoodra een van deze iets gevangen heeft, schieten zij op den gelukkigen jager toe en plagen hem zoolang, tot hij uit angst den reeds verzwolgen buit uitbraakt; zonder fout weten zij het vallende voedsel te grijpen, nog voor het den waterspiegel bereikt heeft. Wegens deze onbeschaamde wijze van bedelen worden zij ten zeerste gehaat, wegens haar voor niets terugdeinzende roofzucht in hooge mate gevreesd door allen, die er de slachtoffers van zijn. Geen zeevogel waagt het in de nabijheid van een Roofmeeuw te broeden, of vertoeft op het binnenwater, waar zij uitrust; ieder let angstig op hare bewegingen, wanneer zij de ronde doet; de moedigste vallen haar aan, de meer beschroomde vluchten.

Als de broedtijd nadert, maakt het wijfje een rondachtig kuiltje in het zand of het mos der toendra, legt in dit eenvoudige nest 2 of 3 eieren, die door haar en het mannetje beurtelings met groote zelfverloochening bebroed worden. De ouders verdedigen hunne jongen moedig tegen iederen vijand en voederen hen gedurende verscheidene dagen in het nest met halfverteerde, dierlijke stoffen, later met vastere vleeschspijzen.

De Noordlanders rapen en eten ook de eieren van de Roofmeeuwen, maar weten overigens geen partij te trekken van deze Vogels, die zij te recht als schadelijke dieren beschouwen en met alle hun ten dienste staande middelen vervolgen. Deze jacht is niet moeielijk, daar de Roofmeeuwen in iedere val of door ieder lokaas gelokt kunnen worden en voor den mensch even weinig vrees toonen als voor andere dieren.

De Groote Jager of Skoea (Stercorarius catarrhactes), de meest typische soort van de onderfamilie, is bijna zoo groot als een Raaf. Bij deze soort hebben de middelste stuurpennen een nagenoeg gelijkmatig breede vlag en steken zoo weinig voorbij de overige uit, dat de staart aan 't einde afgerond is; de loop is iets korter dan de middelste teen met inbegrip van den nagel. Het vederenkleed heeft op grijsbruinen, aan de onderzijde lichteren grond roodachtige en lichtgrijze, overlangsche streepjes; aan den wortel van de donkere slagpennen komt een witte vlek voor. Het oog is roodbruin, de snavel aan den wortel loodkleurig grijs, aan de spits zwart, de voet zwartachtig grijs. Totale lengte 57, staartlengte 17 cM.

Als het vaderland van den Grooten Jager beschouwt men den gordel tusschen 60 en 70° N.B.; men heeft hem echter ook in de zeeën van den zuidelijken gematigden gordel ontmoet. In Europa bewoont hij Fär-öer, de Orkney- en de Shetlandsche Eilanden, de Hebriden en IJsland; in kleinen getale zwerft hij 's winters langs de Engelsche, Duitsche, Nederlandsche en Fransche kust; enkele exemplaren komen bij hevige stormen soms binnenslands. In Nederland werd tweemaal een exemplaar van deze vogelsoort geschoten, n.l. op Schollevaars-eiland (in de Zevenhuizensche plassen) en bij Zandvoort; bij Hallum op Ameland heeft men er één in een staltnet gevangen. De meeste Skoea's blijven echter ook gedurende het koude jaargetijde in 't noorden, en zoeken hun voedsel op plaatsen waar de zee open blijft.

De Middelste Jager (Stercorarius pomarinus) heeft de grootte van een Kraai; zijne beide middelste staartpennen steken 8 cM. ver voorbij de overige uit, behouden tot aan het einde ongeveer dezelfde breedte en zijn dakvormig ten opzichte van elkander geplaatst. De loop is langer dan de middelste teen met inbegrip van den nagel. De bovenvlakte en de zijden van den kop, de mantel, de vleugels en de staart zijn donker zwartbruin, de kin en de keel, benevens de onderdeelen wit, de zijden van den hals wit met duidelijk leemgeel waas; bruinachtige dwarsstrepen vormen in de kropstreek een halsband en komen ook op de zijden van den romp voor; de handpennen hebben witte schaften en zijn ook aan den wortel wit. Het oog is bruin, de snavel aan den wortel blauwgrijs, aan de spits zwartachtig hoornkleurig, de voet zwart. Totale lengte 55, staartlengte 23 cM.

Deze soort broedt in de toendra van de drie noordelijke werelddeelen, maar bezoekt, na den broedtijd rondzwervend, alle zeeën der aarde, zelfs de kusten van Afrika en Australië. Menigvuldig is zij aan de kusten van Groot-Britannië en komt, vooral bij stormen ook aan de zuidkust der Noord- en Oostzee voor, of dwaalt tot ver in 't binnenland af. Aan onze kust werd zij herhaaldelijk waargenomen.

Van de groote Meeuwen onderscheidt zich de Groote Jager, wiens levensbeschrijving ook voor de Middelste kan gelden, door de menigvuldigheid, behendigheid en vlugheid zijner bewegingen. Hij loopt snel, zwemt flink en maakt bij 't vliegen bewonderenswaardig koene en onverwachte wendingen, welke aan die der Valken herinneren. Zijn stem is een diepe, als "ach ach" klinkende toon of een heesch "iïa"; bij het aanvallen van een vijand hoort men van hem den diepen toon "hoo". Van alle Zeevogels is hij de meest gevreesde; met geen zijner klassegenooten leeft hij in vriendschappelijke verhouding; alle Vogels haten hem; slechts de moedigste durven hem aanvallen. Welken indruk zijn vermetelheid op de overige Vogels maakt, blijkt het best uit het feit, dat zelfs de grootste en sterkste zeevogels, die hem aan kracht verre schijnen te overtreffen, hem angstvallig ontwijken. Zijn bedrijvigheid vloeit voort uit een onverzadelijken honger; zoolang hij vliegt, houdt hij zich met de jacht bezig. Andere vleeschetende zeevogels in de verte ontwarend, komt hij nader om hen in 't oog te houden; zoodra één van hen een buit heeft gevangen, schiet hij toe, toont zich bij den aanval door kracht, behendigheid, moed en vermetelheid de evenknie van de Roofvogels die op gevleugeld wild stooten, en kwelt zijn slachtoffer zoolang, tot het den zooeven verworven buit uitspuwt.