Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren

Part 9

Chapter 93,731 wordsPublic domain

Des morgens, als het dier zich stil houdt, is de huid gewoonlijk geelachtig en zijn de beide strepen roodachtig; men ziet dan van de stippels weinig of niets. Later op den dag heeft de huid nog weinig verandering ondergaan; de strepen zijn echter witachtig en de stippels donkergroen geworden; bovendien komen langs den rugkam donkere schaduwen te voorschijn. Als men het dier 's morgens in de handen neemt, ziet men de groene vlekken eveneens verschijnen. In geprikkelden toestand wordt de rug groenachtig, de buik blauwachtig, terwijl de strepen een witachtige, de vlekken een zwarte kleur aannemen. Dikwijls is het dier roodachtig bruin met heldere strepen en zijn de stippels en schaduwen bijna geheel afwezig. Bovendien kunnen nog allerlei andere kleurswisselingen bij deze dieren voorkomen. Bij hevige aandoeningen heeft men ze melkwit, en ook wel bijna geheel zwart zien worden; andere exemplaren worden lichtrood met purperkleurige en violette stippels. Over 't algemeen loopen de kleur en de teekening des te duidelijker in 't oog, naarmate het dier gezonder en meer opgewonden is. Ook op dezen regel komen echter uitzonderingen voor. Dat licht en warmte op de kleursverandering een belangrijken invloed oefenen, blijkt o. a., wanneer men slapende Kameleons met een brandende kaars nadert tot op een afstand van 6 à 10 cM. Na eenige minuten ziet men, uitsluitend aan de verlichte zijde van het dier, op de geelachtige, ongevlekte huid lichtbruine vlekken ontstaan, die allengs donkerder, ten slotte bijna zwart worden en na het wegnemen van het licht langzamerhand verdwijnen. Jegens zijne soortgenooten is de Kameleon niet verdraagzamer dan andere Reptiliën, zooals blijkt, wanneer een enkele keer zijn onverschilligheid jegens ieder wezen, dat niet als buit kan dienen, plaats maakt voor een ander gevoel. Iets dergelijks geldt van zijn verhouding tot andere dieren. Zoowel bij de nadering van een vijand als bij een ontmoeting met een niets kwaads bedoelenden Vogel is hij gewoon zich op te blazen, zoodat zijn romp bijna cirkelrond wordt, en vervolgens een sissend geblaas te laten hooren. De Kameleon hapt soms naar de hand, waarmede men hem omvat; hij kan met zijn gebit onze huid een weinig knijpen, maar niet doorboren. Intusschen ondergaat de Kameleon allerlei kleursveranderingen en verkrijgt zijn lichaam door het opblazen een geheel anderen vorm; alle ribben puilen uit en de romp wordt min of meer doorzichtig, zoodat men soms de takken of de staven van de kooi als donkere strepen er doorheen ziet schemeren.

Evenals de meeste Kruipende Dieren, kan de Kameleon weken en misschien maanden lang zonder voedsel in 't leven blijven; tegen dorst is hij minder goed bestand.

Herhaaldelijk is men getuige geweest van het eierleggen van den Gewonen Kameleon, voor zoover mij bekend echter steeds bij gevangen exemplaren. "Een van mijne Kameleons", verhaalt Vallisnieri, "toonde een buitengewone onrust en begaf zich eindelijk langzaam, zonder af te wijken van zijne gewone luiheid, uit het boompje in zijn hok naar den bodem, liep hier besluiteloos rond, bleef ten slotte staan in een hoek, waar geen zand of stof, maar niets dan harde aarde lag en begon met één voorpoot te graven. De harde grond bood zooveel weerstand, dat het dier twee dagen achtereen werken moest om een gat te graven van 10 cM. middellijn en 15 cM. diepte. In dezen kuil afgedaald, legde het, naar mij bij onderzoek bleek, meer dan 30 eieren. Nadat deze arbeid met de grootst mogelijke zorgvuldigheid verricht was, krabde het de kuil met één achterpoot weer vol zand, juist zooals de Katten doen, als zij hun drek verbergen willen. Hiermede nog niet tevreden, sleepte het droge bladen, stroo en dorre rijsjes aan en bedekte hiermede het reeds gevormde heuveltje." De 25 à 35 eieren van den Kameleon zijn eirond en effen wit; hun schaal is perkamentachtig.

"Een Kameleon, die gezien wordt, is een verloren Kameleon", beweert een Spaansch spreekwoord zeer te recht, want het beschuttingsmiddel van dit dier tegen het tallooze heir van vijanden, die het vervolgen, is de kleur, die, ondanks alle veranderingen, waaraan zij onderhevig is, weinig in 't oog valt. Niet slechts alle kleine viervoetige roofdieren en de meeste Roofvogels, maar ook Raven en Hoornvogels, Reigers en Ooievaars, benevens de groote soorten van Slangen zijn vijanden van deze weerlooze dieren. De mensch wijdt hun overal een grootere aandacht dan goed voor hen is. Vermoedelijk worden zij nergens vergiftig of gevaarlijk geacht; maar hun vreemdsoortige gestalte valt overal zoozeer in 't oog, dat ieder zich beijvert om het dier te vangen.

Aanvankelijk toonen de gevangen Kameleons zich zeer prikkelbaar: zij sissen en blazen als men hen nadert, trachten zelfs te bijten, kortom, willen van hun verzorger niets weten; weldra echter verandert hun gedrag: zij zijn aan den mensch gewend geraakt en laten zich nu zeer veel welgevallen. Bij doelmatige behandeling kan men ze maanden lang in den gevangen staat in 't leven houden. In de eerste plaats hebben zij een gelijkmatige temperatuur noodig. Het best blijven zij gezond in broeikassen, welker standvastige warmtegraad hen zelfs in staat stelt een langdurigen vastentijd te verduren. Aan een voldoenden voorraad voedsel mag het hun nooit ontbreken: zij hebben voor hun onderhoud een aanmerkelijke hoeveelheid Vliegen, Meelwormen, Spinnen, Sprinkhanen en dergelijke dieren noodig. Nooit nemen zij een dood Insect aan, hoe smakelijk het er ook moge uitzien. Geen andere levende wezens worden door hen verslonden. Bovendien zijn een vochtige lucht en gelegenheid om te drinken hoofdvereischten voor hun welvaren.

In 't zuiden van Spanje houdt men den Kameleon geenszins tot tijdverdrijf in de kamer, maar trekt partij van zijne eigenaardige talenten. Men hangt een pot met honig op aan den zitstok van dit dier, dat nu als kamerjager dienst doet en op onverbeterlijke wijze werkzaam is tot het verdelgen van de zoo lastige Vliegen.

Derde Onderorde: SLANGEN (Ophidia).

Het belangrijkste kenmerk van de Slangen is de merkwaardige beweeglijkheid der aangezichtsbeenderen, die het buitengewoon sterk verwijden van den bek mogelijk maakt. Verscheidene andere Kruipende Dieren komen, zooals reeds gebleken is, met haar in vorm overeen; eerst nadat men deze heeft buitengesloten, mag men als kenmerk eenige waarde hechten aan den langwerpigen, wormvormigen, door een stevig, zoogenaamd schubbenkleed omsloten romp, die zoomin van voren, bij den kop, als van achteren, bij den staart, eenige bijzonder in 't oog loopende begrenzing vertoont. Volgens de overtuiging van de hedendaagsche dierkundigen is de groep der Slangen een eigenaardig ontwikkelde zijtak van de orde der Geschubde Reptiliën; het verschil tusschen haar en de tot dusver behandelde Kruipende Dieren wettigt geen scherpere scheiding, dan die, welke in de plaatsing dezer wezens in verschillende onderorden opgesloten ligt.

De kop van de Slangen is nooit zeer groot, in den regel echter breeder dan het daarop volgende deel van den romp, van dezen slechts bij weinige soorten zeer scherp gescheiden, maar toch duidelijk herkenbaar, van boven gezien eivormig of driehoekig, gewoonlijk in verticale richting samengedrukt, d. i. van boven en van onderen afgeplat. De mondspleet strekt zich dikwijls zoover uit, dat de mondholte zich nog achter de uiterste grenzen van den kop schijnt voort te zetten. De gehooropeningen zijn steeds afwezig. De oogen zijn ongeveer boven het midden van de mondspleet, aan de zijden van den kop en dicht bij den rand van de bovenkaak gelegen. De neusopeningen zijn steeds vooraan, dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van de spits van den snuit geplaatst. De bekleeding van den kop verschilt in meerdere of mindere mate van die van den romp. Een eigenlijke hals is niet aanwezig; de romp begint bijna onmiddellijk achter den kop en gaat eveneens op een van buiten bijna onmerkbare wijze in den min of meer verlengden en hierdoor spits- of stomp-kegelvormigen staart over. De gezamenlijke lengte van romp en staart is het twintig- à negentigvoud van de dikte. De kop, de romp en de staart zijn met een stevige huid bekleed, die een samenhangend geheel vormt; men kan er duidelijk een lederhuid en een deze bedekkende opperhuid aan onderscheiden. De lederhuid is niet overal even dik; ook is zij niet effen; maar met verhevenheden bezaaid met vrij uitstekenden achterrand, zoodat plooien ontstaan in den vorm van schubben, die elkander dakpansgewijze bedekken. Daar de opperhuid ook deze verdubbelingen van de lederhuid volgt, zich op de naar buiten gerichte oppervlakte verdikt en daarentegen dunner wordt daar, waar zij in de plooien doordringt, komen de schubben duidelijker uit. Naar den vorm onderscheidt men: "schubben," welker lengte de breedte overtreft, dikwijls in 't midden een overlangsche kiel bezitten en vooral aan de rugzijde van het dier voorkomen;--voorts "schilden," die meestal een zes- of vierhoekige gedaante hebben, dikwijls breeder zijn dan lang en vooral op den kop en aan den buik waargenomen worden. Eigenaardig voor de slangen zijn de "groefschilden", die gewoonlijk ten getale van twee paar achter elkander aan de "kingroeve" gelegen zijn en de twee "onderlipsschilden", die meestal in het midden achter het "kinschild" liggen, en, aan weerszijden vóór de groefschilden geplaatst, de begrenzing van de kingroeve van voren voltooien.

De kleur en de teekening van de huid bieden een buitengewoon groote verscheidenheid aan, zoodat hiervan niets in 't algemeen gezegd kan worden. Er zijn effen gekleurde en bont gevlekte, met ringen, traliën, strepen, banden, stippels en wolken geteekende Slangen. Enkele soorten hebben een zeer bescheiden voorkomen, andere prijken met de prachtigste tinten. Altijd echter harmonieeren teekening en kleur min of meer met het terrein, dat door de Slang als verblijfplaats wordt gekozen. Hoewel de kleur en de teekening niet willekeurig veranderd kunnen worden, zijn zij toch slechts binnen zekere grenzen bestendig, want, wel beschouwd, vertoonen beide veelvuldige variaties, bij enkele soorten meer, bij andere minder. Zoo draagt onze Adder bv. wel een dozijn namen, omdat vroegere onderzoekers de verscheidenheden, die zij opmerkten, als afzonderlijke soorten meenden te moeten beschouwen en benoemen. In vele gevallen hebben leeftijd en geslacht hierop meer invloed, dan men gewoonlijk aanneemt.

De eenvoudigheid en gelijkmatigheid van den lichaamsbouw is in overeenstemming met den bouw van het beenderenstelsel. Dit bestaat n.l. alleen uit schedel, wervelkolom en ribben, want de rudimentaire heupbeenderen en voetstompjes, die bij enkele familiën voorkomen en de achterste ledematen der overige Reptiliën vervangen, zijn er slechts onduidelijke sporen van. Toch verdienen zij onze aandacht, wijl hieruit blijkt, dat de Slangen in vroegere tijdperken uit vierpootige, hagedisachtige dieren ontstaan moeten zijn. Het belangrijkste deel van het skelet en tevens dat, waarvan de bouw en de vorm het eigenaardigst zijn, is de schedel. De tusschenkaaks- en de neusbeenderen zijn onbeweeglijk met elkander verbonden, daarentegen zijn de bovenkaaks-, de vleugel- en de gehemeltebeenderen bij de meeste Slangen zeer beweeglijk en kunnen zoowel naar de zijden als naar voren verschoven worden. Een niet minder groote verschuiving kunnen de bestanddeelen van de onderkaak ondergaan. Het tepelbeen hangt slechts door banden en spieren met den schedel samen en draagt aan zijn uiteinde het staafvormige vierkantsbeen, waaraan de onderkaak door een gewricht verbonden is. Deze bestaat gewoonlijk uit twee volledig vaneengescheiden, staafvormige helften, die van voren slechts door rekbare, losse vezels onderling vereenigd zijn. Deze inrichting stelt de Slang in staat haar bek aanmerkelijk te verwijden en een veel grooteren buit te verzwelgen dan met oog op de grootte van de mondopening bij gesloten bek mogelijk schijnt. Op den schedel volgt onmiddellijk de romp, daar er bij de Slangen geen onderscheid tusschen hals-, borst-, lende- en heiligbeenwervels bestaat. Reeds de 2e, 3e of 4e wervel achter den schedel draagt, evenals iedere volgende wervel van den romp, een paar ribben, die zich van de verder achterwaarts gelegen paren slechts door een iets geringere grootte onderscheiden. Bij den schedel te beginnen, hebben alle wervels ongeveer denzelfden bouw. De ribben bewijzen aan de Slangen een eigenaardigen en buitengewoon belangrijken dienst, daar zij tot op zekere hoogte de ontbrekende ledematen vervangen. Zij eindigen aan de buikzijde in een spierlaag, die met de groote buikschilden samenhangt, en drukken, als zij van voren naar achteren bewogen worden, de vrij uitstekende achterranden dezer schilden tegen de oppervlakte, waarover het dier zich beweegt; men vindt hier dus een zeer groot aantal hefboomen, die, hoewel zij geen pooten zijn, toch een soortgelijken arbeid verrichten. De ribben worden aan den staart al kleiner en kleiner en komen aan de laatste wervels in 't geheel niet meer voor. Het aantal wervels loopt bij Slangen van verschillende soort en ongelijke grootte zeer uiteen; het schijnt slechts bij uitzonderingen minder dan 200 te bedragen en stijgt bij enkele soorten tot boven 430. Alle Slangen missen het borstbeen; men bemerkt bij haar geen spoor van een schoudergordel of van voorste ledematen.

Niet minder opmerkelijk dan het geraamte is het gebit. De tanden kunnen een belangrijk verschil in maaksel vertoonen, hetwelk aanleiding geeft tot de onderscheiding van familiën en onderfamiliën. Tanden vindt men niet alleen aan de boven- en onder-, maar dikwijls ook aan de tusschenkaaks-, meestal ook aan de gehemelte- en vleugelbeenderen. Steeds zijn zij aan het hen dragende been vastgegroeid en worden vervangen, zoodra het noodig is, doordat een nieuwe tand zich achter of naast den ouden ontwikkelt. Men onderscheidt drieërlei soort van tanden: massieve, gevoorde, (die aan de convex gekromde voorzijde voorzien zijn met een diepe, gootvormige groeve, welke zich van den wortel tot aan de spits uitstrekt) en holle (die aan de voorzijde bij den oorsprong een gat en vóór de spits een spleetvormige opening vertoonen, met elkander in gemeenschap staande door een "giftkanaal", dat den geheelen tand doorboort). Alle zijn haakvormig naar achteren gekromd en zeer spits, kunnen slechts voor het bijten en vasthouden van den buit dienen en zijn ongeschikt om een prooi te verscheuren of om voedsel te kauwen. De massieve tanden zijn kegelvormig; het harde tandbeen, waaruit zij bestaan, is met een dunne emaillaag bedekt; de gevoorde tanden zijn te beschouwen als onvoltooide doorboorde tanden, daar het gifkanaal ontstaan is door de vereeniging der randen van een vroeger aanwezige groeve.

Voor de levenswijze der Slangen zijn de klieren in den kop van zeer groot belang; bij de giftige soorten der onderorde kunnen zij een buitengewoon sterke ontwikkeling bereiken. In 't geheel heeft men zes paar klieren en één onparige klier opgemerkt. Hoewel zij bij hetzelfde dier niet altijd voltallig aanwezig zijn, heeft iedere Slang er toch steeds verscheidene: de voorste ondertongsklieren, de achterste ondertongsklieren, de neusklier, de traanklieren, de onderste en de bovenste wang- of lipklieren en eindelijk de gifklieren. De laatstgenoemde, die zich bijna altijd achter en onder de oogen en boven de bovenkaak bevinden, zijn langwerpig en zeer groot; bij enkele soorten strekken zij zich zoover naar achteren uit, dat zij voor een deel op de ribben rusten. Zij bestaan uit een bladerig weefsel en bevatten een groote holte. Bovendien onderscheiden zij zich van alle overige genoemde klieren door haar lange afvoerbuis, die langs de buitenste oppervlakte van de bovenkaak naar voren loopt, om hier vóór en boven den giftand uit te monden in de vliezige scheede, die deze tand omgeeft, zoodat het gif door het in den tand aanwezige kanaal kan afvloeien. De gifklier is omhuld door een zeer dikke spierlaag, die (met de kauwspier) dient om haar samen te drukken. Zulke gifklieren komen voor bij alle Slangen met doorboorde tanden; die van de Groeftandigen zijn niet met een dichte spierlaag bedekt; zij kunnen hoogstens door de voorste slaapspier een weinig samengedrukt worden en zijn dus minder geschikt om het gif in de wonde te brengen.

Onder de zintuigelijke organen staan ongetwijfeld die van het gevoel, en meer bepaaldelijk de tastzintuigen, bovenaan. De van oudsher gevreesde tong, die door onkundigen ook thans nog voor het aanvalswapen van de Slangen wordt gehouden, dient niet als smaakorgaan, maar uitsluitend voor het tasten en is hierdoor juist van buitengewoon groot belang voor het dier. Zij is zeer lang en dun, van voren in twee draadvormige, spitse helften gespleten en met een hoornachtig laagje bedekt. Zij ligt verborgen in een onder de luchtpijp voorkomende, gespierde scheede, die op korten afstand vóór deze, dicht bij de spits van de onderkaak, zich opent. De tong kan geheel in deze scheede teruggetrokken, maar ook ver buiten den bek uitgestoken worden en onderscheidt zich door een buitengewone beweeglijkheid. Door een inham van de bovenkaak, die zelfs bij gesloten mond nog als een opening zichtbaar is, kan de tong zich gemakkelijk en snel afwisselend naar buiten en naar binnen begeven. Het oog is, na de voor 't tasten zoo uitstekend geschikte tong, het bruikbaarste orgaan voor het doen van waarnemingen, hoewel het zeer zeker minder volkomen is dan bij de overige Reptiliën. Een belangrijke eigenaardigheid van dit orgaan is zijn schijnbare onbeweeglijkheid, waardoor het een glazig uitzicht verkrijgt. Een doorzichtig vliesje neemt de plaats van de beweeglijke oogleden in en is bij wijze van een horlogeglas in een plooi van den rand der ronde oogholte vastgehecht; de hierdoor begrensde doos bevat den oogbol en staat aan haar binnenzijde door het wijde traankanaal in gemeenschap met de neusholte. De buitenste laag van dit doorzichtig vliesje, het verhoornde deel van de opperhuid, wordt verwijderd, als het geheele lichaam vervelt; gedurende het tijdperk tusschen de eene vervelling en de andere neemt de doorzichtigheid van de huid, die het oog bedekt, allengs af. De pupil is bij de dagslangen rond, bij de Nachtslangen langwerpig: soms dwars, soms verticaal geplaatst.

De eigenaardige bewegingswijze van de Slangen is een gevolg van haar lichaamsbouw, die, gelijk licht te begrijpen is, tot op zekere hoogte ook een verklaring levert van haar levenswijze; daar de begaafdheden der dieren, indirect althans, uit hun lichaamsbouw voortvloeien. Hoewel de Slangen meer dan de meeste overige leden harer klasse den naam "Kruipende" Dieren verdienen, is haar bewegingsvermogen veelzijdiger dan menigeen meent. Het kruipen geschiedt niet uitsluitend op een vlakken bodem, maar ook bij een helling naar boven en naar beneden, bij de stammen der boomen omhoog en naar alle richtingen in de kroon, voorts over den waterspiegel, op den bodem van het water en tusschen beide door; zij kruipen, klimmen, zwemmen en duiken dus, en doen dit alles nagenoeg even vlug en behendig. Het kruipen gaat niet met verticale krommingen, maar met horizontale golvingen van het lichaam gepaard. Het klimmen is eigenlijk niets anders dan een opkruipen bij loodrechte vlakken. Een boomstam, die door een Slang omstrengeld kan worden, levert voor haar volstrekt geen moeielijkheden op, tenzij de schors zeer glad is: zij schuifelt naar boven met schroefvormige windingen van het lichaam, dat natuurlijk voortdurend slangsgewijze bewogen wordt, en doet dit zeer snel, daar zij het naar beneden glijden met de scherpe achterranden der buikschilden voorkomen kan. Op de takken kronkelt zij zich bijna even veilig en snel voort als op den vlakken bodem, vooral wanneer de twijgen talrijk zijn. Geheel op dezelfde wijze gaat zij bij het zwemmen te werk, hoewel in dit geval ongetwijfeld de staart de belangrijkste rol vervult. Vermoedelijk kunnen alle soorten van Slangen zwemmen; zij, die niet in 't water leven en het gewoonlijk niet opzoeken, worden echter door de beweging in deze voor haar vreemde middenstof, naar het schijnt, spoedig vermoeid.

De snelheid van de Slangen werd dikwijls overdreven voorgesteld en schijnt door het telkens wisselen der kronkelingen grooter dan zij is; slechts weinige menschen geven zich de moeite de zaak nauwkeuriger te onderzoeken. Lenz zegt: "Geen slang beweegt zich zoo vlug, dat men haar niet met een flinken pas, zonder hard te loopen, kan bijhouden. Zij komt naar verhouding langzamer vooruit dan Hagedissen, Vorschen, Muizen en dergelijke dieren. Het snelst is haar beweging op mos en korte heide, waar de veerende onderlaag medehelpt, minder snel op den naakten grond. Het kruipen over een stuk vensterglas kost haar zeer veel moeite. Langs steile bergwanden schiet zij vliegensvlug naar beneden, soms zoo snel, dat het niet mogelijk is te bepalen, tot welke soort zij behoort en hoe groot zij is."

Bij de ademhaling van de Slangen, die geregeld, zonder tusschenpoozing, geschiedt, merkt men duidelijk de beweging van de ribben op, die beurtelings opgeheven worden en dalen. Toch is zij over 't geheel genomen niet zeer krachtig en wordt eerst bij toenemenden toorn versneld. Een heesch, lang aanhoudend gesis, dat de ontbrekende stem vervangt, verraadt deze gemoedstoestand. In verband met den langwerpigen vorm van het lichaam is slechts één van de longen goed ontwikkeld, de andere is zeer klein of ontbreekt geheel.

Behalve de tastzin (en bij enkele soorten het gezicht) zijn alle zinnen van de Slangen zwak. Het orgaan voor den tastzin is de tong. Hoewel deze een geheel andere rol speelt dan de ouden zich voorstelden, is zij van 't hoogste belang, zoo zelfs, dat een Slang, die de tong mist, geen voedsel meer gebruikt, niet in 't leven gehouden kan worden. Een feit is het, dat iedere Slang, die niet rust, onophoudelijk en in alle richtingen de tong beweegt om de voorwerpen in haar nabijheid te onderzoeken, dat zij nooit drinkt of zich te water begeeft, zonder vooraf den waterspiegel met de tong aan te raken; op dezelfde wijze onderzoekt zij den reeds gedooden buit vóór het verzwelgen, en zoo mogelijk ook haar slachtoffer, vóórdat zij het dooddrukt of vergiftigt. Wanneer er reden bestaat voor de vrees, dat de prooi, die zij op het oog heeft, haar zal ontsnappen, geeft zij toch vóór den aanval, door vele malen achtereen de tong uit te steken en weer terug te trekken, de bedoeling te kennen om de gewone onderzoekingen te verrichten. Het telkens weer terugtrekken van de tong geschiedt blijkbaar met het doel om haar door bevochtiging gevoeliger te maken.

De ervaring leert, dat de Slangen, ondanks haar dikke huid, zelfs voor een zwakke aanraking gevoelig zijn. Evenals andere Reptiliën, vinden zij warmte aangenaam, daar zelfs die, welke 's nachts werkzaam zijn, over dag haar schuilplaats verlaten om zich het genot te verschaffen van door de zon beschenen te worden.

Toch mag men zeggen, dat er over 't algemeen sterke prikkels noodig zijn om bij de Slangen gevoel te wekken. Eerder dan van gevoeligheid kan men bij haar van gevoelloosheid spreken. De Slangen zijn even taai van leven als de andere Reptiliën en verdragen martelingen, die hooger ontwikkelde wezens schielijk zouden dooden. De bewegingen van Slangen, die gewond of zelfs aan stukken gehouwen zijn, wekken de verbazing van den onderzoeker: een afgehouwen kop van een Adder beweegt de tong op de gewone wijze en kan ook bijten en het gebeten dier vergiftigen.

Uit alle bekend geworden feiten kan men afleiden, dat het gezicht bij alle Slangen, met uitzondering van eenige Boomslangen, zwak en onbeduidend is, hoewel de glans en de grootte van het oog het tegendeel doen vermoeden. Woedende Slangen, zoowel vergiftige als niet-vergiftige, bijten zelfs naar een schaduw, en missen dikwijls het voorwerp, waarop zij doelen, indien het niet groot is.