Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren

Part 8

Chapter 83,524 wordsPublic domain

Nog zeldzamer dan de vorige soort is bij ons de even sierlijke als behendige Muurhagedis (Lacerta muralis), die op droge, steenachtige, zonnige plaatsen leeft en enkele malen nabij Nijmegen aan den voet der walmuren, aan de randen van grindkuilen en greppels op de heide; bovendien in en bij Groningen aan muren gevonden werd. In Zuid-Italië bereikt deze soort een lengte van 20 à 24 cM.; in de noordelijke landen wordt zij slechts 18 à 19 cM. lang. Van hare verwanten onderscheidt zij zich zoo duidelijk door de slankheid van den romp, den langen kop met smallen snuit en den zeer spitsen staart, waarvan de lengte meer dan de helft van de totale lengte bedraagt, dat het bijna niet mogelijk is haar met een van deze te verwarren. Volgens Leydig is de grondkleur van den rug bij de in Duitschland gevangen exemplaren bruin of groen; bij goede verlichting, vooral in 't zonlicht, vertoonen zij duidelijk een bronsgroenen weerschijn; voorts kan men er een donkerder, reeds bij den kop beginnende zijdestreep en een uit vlekken of wolkjes bestaande teekening aan waarnemen. De grensscheiding tusschen zijde en buik wordt aangewezen door een overlangsche reeks van blauwe vlekken; de kleur van den buik is meer of minder donkerbruin en wisselt af van melkwit door geel tot koperrood; soms is zij effen, dikwijls echter met wolkjes of vlekken geteekend. Van deze soort komen talrijke kleurverscheidenheden voor.

De Muurhagedis wordt in alle landen, die de Middellandsche Zee omgeven, zoo niet veelvuldiger dan iedere andere soort van haar familie, dan toch buitengewoon talrijk en overal gevonden. Van Zuid-Europa uit heeft zij zich, naar 't schijnt, langzamerhand over 't midden van ons werelddeel verbreid.

Hare bewegingen en gewoonten, haar aard en levenswijze komen nog het meest met die van de Smaragdhagedis overeen. Al hare bewegingen geschieden plotseling, veel vlugger en behendiger dan die van hare inheemsche verwanten, maar zijn toch niet onbevallig. Voor een Reptiel is haar verstand opmerkelijk groot; zij toont dit duidelijk bij iedere gelegenheid door een juiste beoordeeling van den mensch en van de omstandigheden, waarin zij verkeert: inniger dan eenige andere soort komt zij met den mensch in aanraking; de ervaring leert haar, in welke gevallen zij den mensch vertrouwen kan, en wanneer niet. Toch laat ook zij zich soms op een bijna onbegrijpelijke wijze verschalken. Eimer leerde, toen hij niet naar wensch slaagde bij de vangst van Muurhagedissen, die op Capri zeer veelvuldig, maar ook zeer schuw zijn, van de knapen van dit eiland een bijna nimmer falend middel om deze vlugge en behendige dieren in handen te krijgen. Hiervoor is niets anders noodig dan een lange grashalm, welks dunste uiteinde tot een strik wordt vervormd, die zóó met speeksel wordt bevochtigd, dat dit als een dun plaatje de opening van de lus vult. Bij 't zien van de Hagedis gaat de jager op den grond liggen of zitten, brengt in deze houding zoetjes aan de strik nader bij het diertje en houdt het eindelijk met ver uitgestrekten arm de lus vlak voor den kop. De Hagedis blijft als betooverd staan en kijkt verwonderd naar het onbekende voorwerp; uit nieuwsgierigheid laat zij haar beschroomdheid varen en volgt den achteruit bewogen strik, die plotseling haar over den kop geworpen en toegetrokken wordt. Eimer, die aanvankelijk meende, dat het bonte kleurenspel van het speekselplaatje of het zien van haar spiegelbeeld de Hagedis aanlokte, bemerkte later, dat het dier zich ook wel laat verschalken door een strik zonder dergelijk toevoegsel. Met schitterend succes werd zijn jacht bekroond, toen hij na deze ontdekking bij latere uitstapjes gebruik maakte van de hulp van knapen, die in deze wijze van vangst ervaren zijn. Een tot heden gespaard, prachtig beeld uit ouden tijd (de Sauroktonos) bewijst, dat deze verrassende kunstgreep niet nieuw is; zij was reeds voor 2000 jaar aan de Zuid-Italiaansche knapen bekend.

De Skink- of Woelhagedissen (Scincidae) vormen een zeer soortenrijke familie, waarin niet minder verscheidenheid van gestalte wordt waargenomen dan in die der Teju- en Gordelhagedissen; ook hier vindt men door het rudimentair worden der ledematen en de verlenging van den romp allerlei overgangen van den typischen Hagedis-vorm tot dien der Slangen. De pooten zijn, voorzoover aanwezig, steeds kort. Regelmatige schilden bekleeden den kop, gelijksoortige schubben den rug, den buik en de zijden. Een zijdegroeve is hier niet aanwezig.

De Skinkhagedissen bewonen alle werelddeelen van de uiterste grenzen van den gematigden gordel tot aan den evenaar; zij zijn vooral in Australië, op de Zuidzee-eilanden, in Oost-Indië en in Afrika talrijk, in Europa en Amerika daarentegen schaars vertegenwoordigd.

Kleine Woelhagedissen, welker doorzichtige oogleden onbeweeglijk en met elkander vergroeid zijn, zoodat zij, als die der Slangen, bij wijze van een horlogeglas het oog bedekken, vormen het geslacht der Naaktoogigen (Ablepharus), welks vertegenwoordigers in de tropische en zuidelijke landen van Afrika, Australië en Zuidwest-Azië, maar ook in Zuidoost-Europa leven; één soort heeft een zeer ongewone verspreiding, daar zij de tropische gewesten van beide halfronden bewoont.

Vermelding verdient vooral de Sint-Jans-hagedis (Ablepharus pannonicus), omdat zij tot in Hongarije aangetroffen wordt. Dit aardige diertje heeft een langwerpig rolvormigen romp, die zoomin van den hals als van den langen, ronden, langzamerhand dunner wordenden staart duidelijk gescheiden is; de voorste ledematen zijn ver van de achterste verwijderd en korter dan deze; het kleed bestaat uit tamelijk gelijksoortige, gladde schubben. De bovenzijde is grootendeels bronskleurig olijfbruin, op 't midden van den rug dikwijls met twee zwarte, overlangsche lijnen geteekend; de zijden van het lichaam zijn iets donkerder; een zwartachtige, aan weerszijden lichter gezoomde streep begint bij het neusgat, loopt door tot achter het oog en zet zich achterwaarts voort als een langzamerhand flauwer wordende, donkere zijdestreep; de onderzijde is groenachtig zilverkleurig. Van de lengte, die 9 à 11 cM. bedraagt, komt juist de helft op den staart.

De Sint-Jans-hagedis wordt vooral in Hongarije en hier meer bepaaldelijk op met kort gras begroeide hellingen gevonden; zij komt echter ook in andere landen van Zuidoost-Europa, bijvoorbeeld in Griekenland en Turkije, voorts in Klein-Azië, Syrië en Noord-Arabië voor, zeer zeker veelvuldiger dan men gewoonlijk veronderstelt. In het Stadsboschje te Pest en aan de hellingen van de Vestingbergen van Ofen moet zij niet zeldzaam zijn.

Eén Woelhagedis--de Skink (Scinus officinalis), de Adda der Arabieren--heeft zich in den ouden tijd een grooten roem verworven en heeft dezen lang weten te behouden. Bijna alle lichaamsdeelen van dit dier werden als wonderdadige geneesmiddelen beschouwd, die bij alle mogelijke ziekten een gunstige werking heetten te oefenen. Als natuurlijk gevolg van deze meening, die thans ook nog bij enkele Mahomedanen bestaat, werden de bedoelde diertjes zoo ijverig mogelijk vervolgd en bij duizenden gevangen. Een drukke handel werd gedreven met hunne gedroogde of tot asch verbrande lichamen. Met dat al weten wij slechts weinig van hun levenswijze. Terwijl de andere leden van dit geslacht over de steppen en woestijnachtige Gewesten van Senegambië, Noord-Afrika, Arabië, Perzië en Sind verbreid zijn, bewoont de gewone Skink de Sahara en de woeste gewesten langs de oevers van de Roode Zee. In Egypte en Nubië is hij niet zeldzaam, in de Algerijnsche en Tripolitaansche Sahara zeer veelvuldig. Ondanks zijn snellen gang zal hij zich bij dreigend gevaar niet loopend trachten te redden, maar onder het zand kruipen; dit geschiedt zoo wonderbaarlijk vlug, dat hij reeds na weinige oogenblikken een afstand van verscheidene meters onder den grond heeft afgelegd. Volgens de berichten der Arabieren verslindt hij, behalve allerlei Insecten, niet zelden ook Schorpioenen.

De Skink heeft een zeer gedrongen lichaamsbouw en korte ledematen. Alle vier pooten dragen vijf ongelijk lange, van boven naar onderen plat gedrukte teenen, die aan de zijden als 't ware met franjes bezet en tot aan den oorsprong vaneengescheiden zijn. De bovenzijde is grijsgeel en dikwijls met verscheidene dwarsbanden geteekend, die bij het levende dier paars, na den dood bruin zijn. De onderdeelen zijn effen wit met paarlmoerglans. In geheel volwassen toestand is deze Skink 21 cM. lang.

In lengte en dikte komt de Koperslang, de Chalcis der Grieksche, de Seps der latere Romeinsche schrijvers (Chalcides tridactylus), ongeveer overeen met onzen Hazelworm; op eenigen afstand gezien gelijkt zij er ook wel eenigszins op; bij nadere beschouwing kan men haar echter onmiddellijk herkennen aan hare vier rudimentaire pootjes. De kop wordt naar voren smaller en lager en eindigt in een stompen snuit; de romp is rolvormig en zeer langwerpig; de staart neemt tot aan zijn zeer fijne spits gelijkmatig in dikte af. Het lichaam is bedekt met kleine, tegen de huid aangedrukte, glanzige schubben van fraaien vorm, die op den kop door groote schilden vervangen worden en hier een tamelijk groot middelschild omgeven. De bovendeelen zijn glanzig bronskleurig bruin of zilverkleurig grijs, de onderdeelen witachtig en paarlmoerglanzig. Volwassen exemplaren kunnen een lengte van 42 cM. bereiken.

De kustlanden van de Middellandsche zee, die door de Koperslang bewoond worden, zijn Italië, Sicilië, Sardinië, Tunis en Algerië. In sommige gewesten komt zij zoo talrijk voor, "als het verdroogde gras op het land," naar Cetti zegt. Bij voorkeur houdt zij zich in vochtige weilanden op, omdat zij hier het gemakkelijkst haar voedsel kan verkrijgen, dat uit Gelede Dieren, kleine Naakte Slakken en Wormen bestaat.

Het volk beschouwt dit dier als een Slang, daar het op gelijke wijze zich beweegt en om te rusten ineenkronkelt. De kleine pootjes, die in dit geval onopgemerkt blijven, zijn echter niet nutteloos; bij het kruipen zijn zij voortdurend in beweging. Meer dan hare verwanten schuwt zij de koude; nog eerder dan de Schildpadden begeeft zij zich naar haar winterkwartier; na het begin van October krijgt men haar niet meer te zien; men kan haar dan alleen vinden door ter rechter plaatse diep in den grond te graven. Niet voordat het werkelijk lente geworden is, komt zij weder voor den dag en vangt haar zomerleven aan. Zij brengt levende jongen ter wereld.

Evenals onze Hazelworm heeft de Koperslang vele vijanden. Allerlei Zoogdieren, Vogels en Reptiliën maken jacht op haar. Bij de talrijke schaar van belagers, die haar verslinden, voegt zich uit vrees de mensch, die ook thans nog deze onschuldige dieren voor zeer vergiftig houdt en zich verplicht acht er zooveel mogelijk van te dooden.

Tweede Onderorde: WORMTONGIGEN (Rhiptoglossa).

De onderorde van de Wormtongigen (Rhiptoglossa) omvat slechts één enkele familie, die der Kameleons (Chamaeleontidae). Door den bouw van den schedel verschillen zij aanmerkelijk van de leden der vorige onderorde. Ook hun uiterlijk wijkt in belangrijke opzichten af van dat der Hagedissen. Hun romp is smal, zijdelings zeer sterk samengedrukt, het midden van den sterk gebogen rug verheft zich tot een scherpen, overlangschen kam. De kop is piramidevormig naar boven uitgegroeid of platgedrukt en draagt gewoonlijk een met kammen versierden helm; de snuit is dikwijls door vreemdsoortige, beenige spitsen en vliezige lobben verlengd. De hals is zoo kort, dat de groote kop onmiddellijk op den romp schijnt te volgen. De pooten zijn lang, mager, rolvormig en alle nagenoeg even lang; de korte teenen, ten getale van vijf aan iederen poot, zijn tot aan het voorlaatste lid door een gemeenschappelijke huid bedekt en zóó geplaatst, dat er steeds twee tegenover de drie andere komen te staan; zij vormen dus een soort van tang, die aan de binnenste oppervlakte met een korrelige huid bekleed is en derhalve vast en stevig de twijg omklemt. De overal even krachtige bevestiging van het lichaam aan de standplaats wordt zeer bevorderd, doordat de teenen niet uitsluitend aan de buitenzijde of alleen aan de binnenzijde, maar afwisselend aan deze en aan gene zijde met hun drieën aan elkander verbonden zijn; aan de achterpooten vormen de drie buitenste, aan de voorpooten de drie binnenste het krachtigste blad van de tang. De pooten van de Kameleons zijn in dit opzicht eenig in hun soort. De rolvormige, stevige staart is een grijporgaan, neemt naar de spits zeer gelijkmatig in breedte en dikte af en kan, van daar te beginnen, slakkehuisvormig ineengerold worden. De buitenste huidlaag draagt, in plaats van schubben, kleine korrelige verhevenheden, die door fijne plooien vaneengescheiden zijn; deze inrichting laat een aanzienlijke uitzetting van de huid toe.

Nog opmerkelijker dan de genoemde lichaamsdeelen schijnen, zelfs bij oppervlakkige beschouwing, de oogen van den Kameleon. Zij worden door dikke oogleden als door een doos omhuld en laten slechts een zeer kleine, ronde opening voor de pupil vrij. Beide oogen zijn in hunne bewegingen volkomen onafhankelijk van elkander, zoodat b.v. het rechteroog naar voren of naar boven, het linker te gelijker tijd naar achteren of naar beneden kan kijken. Door deze, bij geen ander Reptiel voorkomende beweeglijkheid is de Kameleon in staat om, ook zonder dat hij zich beweegt, den geheelen omtrek te overzien en zijn buit op te sporen.

Het inwendige samenstel van dit dier is niet minder merkwaardig dan zijn uitwendig voorkomen en herinnert in vele opzichten aan dat van de voorwereldlijke Dinosauriërs en van de Vogels. De zonderlinge, voor de levenswijze van dit dier buitengewoon belangrijke tong verdient een afzonderlijke beschrijving. In den toestand van rust ligt zij teruggetrokken in de keelholte; bij het gebruik kan zij 10 cM. ver en verder, althans over een grooteren afstand dan een halve lichaamslengte, uitgestoken worden. Zoodra dit geschied is, heeft zij de dikte van een ganzeschacht, blijkt bij het betasten elastisch te zijn, laat zich slechts weinig samendrukken en ziet er in het midden rood uit; een witte band bevindt zich aan weerszijden op ongeveer 2 cM. afstand van de spits, nader bij deze ziet men voorts eenige aders, die met bloed overvuld zijn. Door negen paar spieren, die zich van de borstkas tot aan de hoornen van het tongbeen uitstrekken, wordt de tong teruggetrokken. Uitgestoken wordt zij door de drukking van het bloed, dat in hare vaten doordringt, maar niet door het inpersen van lucht, gelijk men vroeger onderstelde. Deze bloedvaten vullen zich ongeveer even snel als die van de wangen van een blozend mensch; de tong kan dus onverwijld dienst doen.

De zonderlinge gestalte en het ernstig voorkomen van den Kameleon, die langzaam op hooge pooten komt aanstappen en plotseling met zijn vreemdsoortig werktuig een prooi overmeestert, zijn wel geschikt om de aandacht te trekken; zij hebben misschien aanleiding gegeven tot den naam "Chamai-leoon" (= Kleine Leeuw) dien het dier reeds ten tijde van Aristoteles droeg. Eerder dan aan deze eigenaardigheden herinnert de naam Kameleon ons echter aan een ander verschijnsel, dat reeds in overouden tijd de belangstelling van geleerden en leeken wekte en hen ook thans nog boeit, n.l. aan de kleursveranderingen, die dit dier ondergaat. Vroeger meende men, dat het zich iedere kleur kon geven, die het verkoos, en o.a. overal die van zijn omgeving aannam om zich voor zijne vijanden te verbergen. "Kameleon" noemt men daarom een mensch, die door eigenbelang gedreven van meening verandert; de Kameleon is het zinnebeeld geworden van oogendienst, van de slaafsche onderworpenheid van vleiers en hovelingen.

De kleur van het dier hangt af van tweeërlei cellen met gekleurden inhoud (pigmentcellen), die in zijn huid voorkomen. Die van de eene soort vormen de onderste lagen van de opperhuid en zijn grootendeels wit, aan de buitenzijde echter meer of minder duidelijk geel. De andere pigmentcellen, ook wel "chromatophoren" genoemd, komen over de geheele dikte van de huid verspreid voor; zij zijn vertakt, wandloos en sterk samentrekbaar; in den rusttoestand zijn zij ingekrompen en worden wegens haar kleinheid niet opgemerkt. Onder den invloed van de eerstgenoemde pigmentcellen vertoont de huid in dit geval een witte of lichtgele kleur. Daar uiterst fijne zenuwvezeltjes met de chromatophoren in gemeenschap staan en haar beweging regelen, breiden deze cellen zich bij prikkeling van de huidzenuwen uit en overdekken als 't ware met haar donkere kleurstof den lichteren ondergrond. Al naar de graad van verwijding, die de cellen ondergaan, en de eigenaardigheden van de haar bedekkende huidlagen is de tint, die de huid op deze wijze verkrijgt, verschillend. Door opeenvolgende verwijding en inkrimping der chromatophoren wisselt de kleur van de huid af: sommige tinten komen te voorschijn, terwijl andere verdwijnen. De kleur van den Kameleon kan varieeren van stroogeel tot lichtgroen, donkergroen, olijfkleur, violet, donkerblauw en zwart. De kleur van beide zijden kan gelijk zijn of ongelijk; er kunnen vlekken optreden, rond of hoekig, dicht opeengedrongen of meer verstrooid, al of niet tot dwarse of overlangsche reeksen vereenigd, donker op lichten grond of licht op donkeren grond, kortom, het uitzicht van het dier is aan groote afwisseling onderhevig.

Men onderscheidt ongeveer 55 soorten van Kameleons, die alle het oostelijk halfrond bewonen. Meer dan de helft van deze behooren thuis op Madagaskar en de naburige eilanden, de andere helft in de heete en gematigde gewesten van Afrika. Slechts één soort ontmoet men in het gebied van de Middellandsche zee, een tweede op het eiland Socotora, een derde in Zuid-Arabië en een vierde in Indië en op Ceylon. Voor ons doel is het voldoende de soort, die o.a. ook in Europa aangetroffen wordt, te beschrijven.

De Gewone Kameleon (Chameleon vulgaris) kenmerkt zich door een slechts voor de helft getanden, overigens gaafrandigen rugkam, door het ontbreken van een (bij andere soorten van de kin tot den aars reikenden) buikkam en door den driezijdigen, stomp piramidevormigen helm op den achterkop; gelijksoortige, kleine schubben bekleeden den romp, die van den kop zijn grooter. Van de totale lengte (24 à 28 cM.) komt de helft op den staart. Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich van Zuid-Spanje over een groot deel van het kustgebied der Middellandsche zee uit: zij bewoont Andalusië, alle landen van Noord-Afrika, van Marokko tot Egypte, voorts Arabië, Syrië, Cyprus, Samos, Chios en Klein-Azië.

Alle Kameleons houden zich uitsluitend op in gewesten, waar het van tijd tot tijd regent, of iederen nacht sterk dauwt, zoodat zij te allen tijde een hunner dringendste behoeften, die van water te drinken, kunnen bevredigen. Hoog opschietende planten, boomen of struiken, kunnen zij evenmin ontberen, want zij zijn volslagen boomdieren, die slechts bij uitzondering op den bodem afdalen. Men ziet hen, gewoonlijk in kleine troepen van 3 à 6 stuks, op een struik of in de kroon van een boom zitten, zonder beweging, als waren zij aan den tak vastgegroeid; met de vier klemvoeten en den staart houden zij zich aan een of meer twijgen vast. Dagen achtereen bepaalt hun beweging zich tot het gaan liggen op den tak, dien zij tot rustplaats kozen en het opstaan door het strekken van de pooten; er moet iets bijzonders gebeuren om hen te nopen niet slechts van stand, maar ook van plaats te veranderen.

De Luiaard en ieder ander op boomen levend dier beweegt zich meer en vaker dan de Kameleons, wanneer men de oogen en de tong buiten rekening laat, want gene veranderen onophoudelijk van richting en deze wordt uitgestoken, zoodra een buit binnen haar bereik komt. Geen der overige Gewervelde Dieren loert met zooveel volharding op zijn buit als de Kameleon; men zou hem in dit opzicht kunnen vergelijken met de laagst ontwikkelde Ongewervelde Dieren, die als het ware aan de rotsen vastgegroeid zijn. Ieder, die het geluk heeft, een van deze dieren, welke zoo licht onopgemerkt kunnen blijven, te vinden, zal zien, dat de beide oogen voortdurend, bij rukken en onafhankelijk van elkander, in allerlei richtingen gedraaid worden. De Kameleon behoudt, wanneer zijn zeer krachtige eetlust niet aangewakkerd is door langdurig vasten, ook bij het zien van Insecten zijn gewonen stand en blijft rustig wachten, tot een dezer diertjes zich op een twijg of een blad heeft neergezet. Zoodra dit het geval is, wordt de kop naar het Insect gedraaid, beide oogen richten zich naar voren, de mond wordt langzaam geopend, de tong schiet soms wel 20 cM. ver naar buiten, treft den buit, die er aan vastkleeft, en wordt in den bek teruggetrokken; een oogenblik slechts merkt men een snelle kauwende beweging van de kaken op en het Reptiel is weer in zijn vroegeren, bewegingloozen toestand teruggekeerd. Een Kameleon, die in lang geen voedsel heeft genoten, zal wel het Insect, dat in zijn nabijheid komt, over een afstand van eenige meters vervolgen, maar in geen geval den struik verlaten, waarop hij zich op dat oogenblik bevindt.

Dikwijls wordt beweerd, dat een Kameleon, zelfs wanneer hij zijn best doet, in den loop van een dag slechts weinige schreden vooruit kan komen. Dit is echter volstrekt niet het geval. Als hij wil, kan hij reeds in den tijd van een uur een betrekkelijk grooten weg afleggen.

Van de kleursverandering van de huid maakt men zich dikwijls een verkeerde voorstelling. Men meent, dat het dier plotseling de meest verschillende tinten en nuances van alle denkbare kleuren op zijn huid te voorschijn kan brengen, dat het zonder eenige beperking zijn kleur in overeenstemming kan brengen met die van het voorwerp, waarop het zich toevallig bevindt, dat het in staat is willekeurig iedere kleur, welke dan ook, aan te nemen. Dit alles is echter in meerdere of mindere mate onjuist. Hoewel het dier in den regel groenachtig is en dus bij de bladen weinig afsteekt, kan het zijn kleur volstrekt niet gelijk maken aan die van ieder voorwerp, waarop men het zou willen plaatsen. Van der Hoeven heeft dit verschijnsel zeer nauwgezet nagegaan en Kameleons na allerlei kleurswijzigingen laten schilderen. Steeds ziet men op deze afbeeldingen twee breede, lichte, overlangsche strepen en daartusschen donkere, roode stippels, die zich van den kop tot aan den staart en van den rug tot aan den buik uitstrekken en meer dan andere plaatsen aan kleurswisseling onderhevig zijn.