Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren
Part 31
Voorzichtig naderen de jagers van de landzijde de onbewoonde kuststreken, waar de Zeeschildpadden eieren leggen; in kleine booten begeven zij zich naar het strand van de hun als legplaatsen bekende, onbewoonde eilanden; zij houden zich schuil, tot de schroomvallige dieren aan land gekropen en ver genoeg van 't water verwijderd zijn. Zoodra de Schildpadden onraad bespeuren, spoeden zij zich onmiddellijk naar de zee om den vijand te ontkomen; op plaatsen, waar het strand een voldoende helling heeft, slagen zij er dikwijls in, zich snel om te draaien en zich over het zand naar beneden te laten glijden. Wanneer de jagers echter op het juiste oogenblik hun schuilplaats verlaten, verhinderen zij de vlucht van hun buit door dezen om te wentelen, zoodat het rugschild op den grond rust. De Zeeschildpad, die in dit geval verkeert, slaagt er nooit in haar vrijheid te herkrijgen, hoewel zij woedend met de vinnen om zich heen en op haar pantser slaat en zich zoo krachtig inspant, dat hare met bloed doorloopen oogen ver uit hunne kassen puilen. In dezen hulpeloozen toestand blijven zij liggen en komen ellendig om 't leven, indien de jagers wreed genoeg zijn om meer Schildpadden om te wentelen dan zij medenemen kunnen, zooals soms gebeurt. Voor het omwentelen van zeer groote en zware dieren zijn hefboomen noodig. Vele exemplaren worden in netten gevangen, andere met den harpoen buitgemaakt. De jacht geschiedt altijd 's nachts; den volgenden morgen zoekt men de gevangen dieren op en werpt ze in hiervoor bestemde bakken, of brengt ze dadelijk op de schepen, waarmede zij vervoerd zullen worden. In de bakken, die natuurlijk met zeewater gevuld moeten zijn, zwemmen de gevangen dieren langzaam rond, dikwijls drie of vier boven elkander. Zij nemen zelden voedsel aan, vermageren daarom snel en verminderen in waarde. Die, welke men op de Europeesche markten ziet, komen meestal uit West-Indië, vooral van Jamaica. Gedurende de reis liggen zij, met touwen vastgebonden, op een geschikte plaats van het dek op den rug; het stuk zeildoek, waarmede zij bedekt zijn, wordt zoo dikwijls met zeewater overgoten, dat het voortdurend nat of althans vochtig blijft; men steekt elk van deze arme stakkers een met zeewater doortrokken stuk wittebrood in den bek en vertrouwt voor 't overige op de buitengewone taaiheid van hun leven. In de Europeesche havensteden bewaart men ze in groote kuipen met zeewater, dat om de twee of drie dagen ververscht wordt. Het slachten geschiedt door het dier den kop af te houwen en het 1 of 2 dagen lang zoo op te hangen, dat al het bloed er uit druppelen kan. Eerst dan acht men het vleesch geschikt voor de bereiding van de bekende, smakelijke soep.
In sommige tijden schijnt het vleesch van deze Schildpad schadelijke en zelfs vergiftige eigenschappen te hebben. Te Pantoeroe ten zuiden van Colombo werden in October 1840 28 personen, die schildpaddenvleesch gegeten hadden, kort na den maaltijd zwaar ziek; 18 van hen stierven in den volgenden nacht.
De Echte Karetschildpad of Bissa (Chelone imbricata), die met de vorige soort door lichaamsbouw, gestalte en bewegingen veel overeenkomst vertoont, bewoont nagenoeg dezelfde zeeën. Zij is echter aanmerkelijk kleiner; haar bovenkaak is van voren sterk haakvormig omgebogen; tusschen de neusgaten en het voorhoofdsschild komen twee opeenvolgende paren schilden voor; de hoornplaten van het rugschild zijn min of meer dakpansgewijs gerangschikt en liggen dus gedeeltelijk over elkander heen. Van kastanjebruin tot zwartbruin wisselt de grondkleur van deze met gele vlammen gekleurde platen af; die van het borstschild zijn effen geel, de schilden van den kop en van de ledematen zijn donkerbruin met gele randen. De lengte van het pantser zal waarschijnlijk nooit meer dan 84 cM. bedragen.
De Bissa is een roofdier in de volste beteekenis van 't woord; zij gebruikt geen ander dan dierlijk voedsel: behalve Weekdieren, waarschijnlijk ook Visschen; door hare vlugge bewegingen is zij misschien in staat om betrekkelijk groote en behendige waterbewoners buit te maken. Ook zij wordt door den mensch fel vervolgd, echter niet om haar vleesch--dat, naar men zegt, ziekteverschijnselen veroorzaakt--en ook niet om hare eieren,--hoewel ook zij het meest gevangen wordt, nadat zij zich aan land begeven heeft om voor haar nakomelingschap te zorgen, waarvoor zij steeds dezelfde oorden opzoekt. Het "schildpad", waarvan een volwassen Bissa 2 à 6 KG. kan opleveren, geeft aanleiding tot de vangst van dit dier. Om dit product te verkrijgen worden afschuwelijke wreedheden gepleegd. De hoornplaten geraken alleen na een sterke verhitting van het rugpantser los; het ongelukkige dier wordt daarom boven een vuur opgehangen en zoo lang geroosterd, totdat het gewenschte doel bereikt is. De Chineezen, inziende, dat het schildpad door droge warmte gemakkelijk bedorven kan worden, maken tegenwoordig gebruik van kokend water om de hoornlaag van het been af te scheiden. Nadat de bewerking afgeloopen is, wordt de Bissa weer in vrijheid gesteld; men laat haar weer naar de zee loopen, in de meening dat het schildpad weer aangroeit.
Het schildpad overtreft niet alleen door fraaiheid en kwaliteit iedere andere soort van hoorn, maar kan ook gemakkelijker verwerkt worden. Om dikke platen te verkrijgen, is het voldoende de ongelijk dikke en brooze platen, die men van het dier verkrijgt, in kokend heet water te verweeken en daarna tusschen metalen pletrollen samen te persen. Bij een voldoende drukking kleven zij zoo vast aaneen, dat men de samenstellende deelen niet meer onderscheiden kan; deze grondstof behoudt den vorm, dien haar door drukking in verweekten toestand werd gegeven, nadat men haar langzaam weer hard heeft laten worden; zij is dus uitmuntend geschikt voor het vervaardigen van dozen en kammen. Het afval wordt gebruikt tot aanvulling van de oneffenheden tusschen de platen, die bij een behoorlijken warmtegraad zoolang geperst worden, totdat alle deelen innig aaneenverbonden zijn.
De tweede groep van de Echte Schildpadden omvat de Halswenders of Rivierschildpadden (Pleurodira); deze trekken den meestal langen hals met den kop in tijden van gevaar niet terug, maar buigen hem zijwaarts en achterwaarts om hem tusschen het rugschild en borstschild te verbergen, zoodat de spits van den snuit op het schouderblad komt te liggen. Een tweede eigenaardigheid van deze dieren is, dat de bekkenbeenderen zoowel met het rugschild als met het borstschild vergroeid zijn. De kop en de hals zijn gewoonlijk plat, de oogen bijna boven op, in plaats van aan de zijden van den kop geplaatst, de kaken nooit getand, de teenen door sterk ontwikkelde zwemvliezen vereenigd.
De eieren van verscheidene Zuid-Amerikaansche leden dezer groep zijn voor vele volksstammen zeer nuttig; over 't algemeen is de beteekenis dezer in moerassen en rivieren levende Schildpadden voor de menschelijke huishouding niet gering. Wat haar levenswijze betreft, kunnen wij volstaan met te verwijzen naar de onderstaande, aan een der grootste natuuronderzoekers van alle tijden ontleende beschrijving van één dezer dieren.
De bedoelde soort--de Arraoe (Podocnemis expansa) van het geslacht der Beenplaatschildpadden (Podocnemis) en van de familie der Pelomedusen (Pelomedusidae)--is een groot dier, welks pantser 77 cM. lang kan worden (het wijfje is ongeveer tweemaal zoo groot als het mannetje). Zij bewoont het geheele tropische Zuid-Amerika ten oosten van den Andes, waar ook de 4 overige leden van haar geslacht voorkomen. Evenals deze, heeft zij de hals en de pooten bijna naakt (het geslacht ontleent den naam aan een reeks van schubben op den voorarm en aan de buitenzijde der achterpooten); groote en dikke schilden bedekken den kop, waaraan een diepe en breede groeve tusschen de oogen de aandacht trekt; van de kin hangen twee baarddraden naar beneden; de rand van het matig gewelfde rugschild steekt in horizontale richting uit.
"De Arraoe," schrijft Alexander von Humboldt, "is een groote Zoetwaterschildpad met zwemvoeten, een zeer platten kop, twee vleezige, zeer spitse aanhangsels onder de kin, 5 teenen aan de voorpooten en 4 aan de achterpooten, die van onderen gegroefd zijn. Het rugpantser heeft 5 middel-, 8 zijde- en 24 randschilden, is van boven zwartgrijs, van onderen oranjegeel; de lange pooten hebben dezelfde kleur als het rugschild. Tusschen de oogen is een zeer diepe groeve. De nagels zijn zeer dik en gebogen. De aarsopening bevindt zich aan het laatste vijfde gedeelte van den staart. Het volwassen dier weegt 20 à 25 KG. De eieren, welke in grootte die van een Duif overtreffen, hebben een aangenamen smaak en zijn bij de bewoners van Guyana zeer gezocht; hun kalkschaal is, naar men zegt, zoo stevig, dat de kinderen der Otomaten, die veel van kaatsen houden, ze elkander kunnen toewerpen. (De Terekay is kleiner dan de Arraoe; haar pantser bestaat uit evenveel platen, doch deze zijn eenigszins anders verdeeld.) Deze schuwe, vreesachtige dieren, houden bij 't zwemmen den kop boven water, maar verbergen hem bij 't geringste gedruisch; zij mijden de door menschen bewoonde oevers of de door booten verontruste gedeelten van den stroom. De oevers, waar bijna alle Schildpadden van den Orinoco ieder jaar schijnen bijeen te komen om eieren te leggen, liggen tusschen de uitmonding van de Apoere in den Orinoco en de Raudales of groote watervallen; hier komen de drie terreinen voor, die wegens hun eierenopbrengst het meest beroemd zijn. De Arraoe gaat niet hooger op dan de watervallen; de Terekay komt zoowel in den Boven-Orinoco als beneden de watervallen voor, bovendien in de Apoere, de Oeritoeko en de kleine rivieren, die door de Llanos van Caracas vloeien.
"Tegen 11 uur in den voormiddag kwamen wij met onze boot aan een eiland midden in den stroom en stapten aan wal. Dit eiland, dat door de Indianen van de zendingpost Oeroeana als hun eigendom wordt beschouwd, is beroemd wegens haar Schildpaddenvangst of, zooals men hier zegt, wegens den "eierenoogst", die hier jaarlijks gehouden wordt. Wij vonden er meer dan 300 Indianen in hutten van palmbladen gelegerd. Behalve de Goeanos en Otomakos uit Oeroeana, die beide voor wilde, onbedwingbare stammen worden gehouden, waren hier ook Karaiben en andere Indianen van den Beneden-Orinoco verzameld. Iedere stam had een afzonderlijke legerplaats en was te onderscheiden aan de kleur, waarmede de huid zijner vertegenwoordigers beschilderd was. Te midden van de tierende menigte zagen wij eenige blanken, vooral kooplieden uit Angostura, die de rivier opgevaren waren met het doel, om van de inboorlingen schildpaddenolie te koopen. Ook ontmoeten wij hier de zendeling van Oeroeana, die ons verhaalde, dat hij met de Indianen, die eieren gingen zoeken, medegekomen was, om iederen morgen in de open lucht de mis te lezen en om zich olie voor de altaarlamp te verschaffen, vooral echter om den vrede te bewaren in dezen "vrijstaat van Indianen en Kastilianen," waar ieder voor zich alleen wil hebben, wat God aan allen schenkt.
"Vergezeld door dezen zendeling en door een koopman, die zich er op beroemde, dat hij reeds tien jaren geregeld bij den eierenoogst tegenwoordig was, gingen wij het eiland rond, dat op soortgelijke wijze bezocht wordt, als bij ons de jaarmarkten. Wij kwamen op een effene zandvlakte. Zoover het gezicht reikt, zeide men ons, liggen de schildpaddeneieren onder de bovenste aardlaag van den oever. De zendeling droeg een langen stok in de hand en toonde ons, hoe men hiermede de uitgestrektheid van de eieren-bevattende laag bepaalt, zooals de mijnbouwkundige de grenzen van een laag mergel, ijzeroer of bruinkool onderzoekt. Als de stok loodrecht in den grond wordt gestoken, wijst het plotseling ophouden van den weerstand aan, dat men doorgedrongen is tot in de holte of tot in de losse aardlaag, waarin de eieren geborgen zijn. Het bleek ons, dat deze laag over 't algemeen zoo gelijkmatig verdeeld is, dat de stok over een plek van 20 M. middellijn rondom een gegeven punt haar overal bereikte. Men spreekt daarom hier van vierkante roeden eieren, alsof men het heeft over een terrein, waaronder een ertslaag ligt en dat in vakken is verdeeld om het geregeld te exploiteeren. De eierenlaag strekt zich echter op verre na niet over het geheele eiland uit, maar houdt op overal waar de grond zich verheft, omdat de Schildpad naar deze kleine hoogvlakten niet omhoogkruipen kan.
"De tijd, waarin Arraoe hare eieren legt, valt samen met dien van den laagsten waterstand. Daar de Orinoco op den dag van de lente-dag-en-nacht-evening begint te wassen, liggen de diepste gedeelten van den oever van het begin van Januari tot den 29sten Maart droog. De Arraoes vereenigen zich reeds in Januari tot groote zwermen, verlaten het water en koesteren zich op den zandigen oever in de zon. Gedurende de maand Februari vindt men de Arraoes bijna den geheelen dag op den oever. In het begin van Maart vereenigen de verspreide troepen zich en zwemmen naar de weinige eilanden, waar zij gewoon zijn hare eieren te leggen: waarschijnlijk kiest iedere Schildpad hiervoor ieder jaar denzelfden oever. Weinige dagen vóór het leggen komen zij bij duizenden in lange reeksen op de oevers van de eilanden Coecoeroeparoe, Oeroeano en Pararoema, strekken den hals en houden den kop boven water, om te zien, of zij hier niet door "Tijgers" of door menschen bedreigd worden. De Indianen, die er het grootste belang bij hebben, dat de vereenigde zwermen bijeenblijven, plaatsen wachten langs den oever om te verhinderen, dat de dieren verstrooid worden en om te bevorderen, dat zij in vrede hunne eieren kunnen leggen. Men beduidt de menschen op de vaartuigen, dat zij 't midden van den stroom moeten houden en de Schildpadden niet door hun geschreeuw moeten verjagen.
"De Indianenkampen op drie bovengenoemde plaatsen worden in de laatste dagen van Maart of in de eerste dagen van April geopend. De eierenoogst heeft steeds op dezelfde wijze plaats. Als het kamp opgeslagen is, benoemt de zendeling een plaatsvervanger, die de landstreek, waar de eieren liggen, naar het aantal Indianenstammen, die aan den oogst deelnemen, in afdeelingen splitst. Hij begint met op de reeds genoemde wijze te onderzoeken, hoe ver de eierenbevattende laag zich in den grond uitstrekt. Volgens onze metingen reikt zij tot 40 M. van den oever en ligt op een gemiddelde diepte van 1 M. De hiervoor benoemde persoon wijst aan, hoe ver iedere stam werken mag. Niet zonder verwondering hoort men den eierenoogst schatten op gelijke wijze als de opbrengst van een korenveld. Het komt voor, dat een terrein van 40 M. lengte en 10 M. breedte 100 kruiken (of voor 500 gulden) olie oplevert. De Indianen graven den grond met de handen open, leggen de ingezamelde eieren in kleine mandjes, "mappiri" genaamd, dragen ze naar het kamp en storten ze uit in groote, met water gevulde, houten troggen. Hier worden de eieren met schoppen vergruisd, omgeroerd en aan de zon blootgesteld, totdat de bovendrijvende, olieachtige bestanddeelen van den eidooier dik geworden zijn. De afgeschepte olie wordt boven een flink vuur gekookt en blijft, naar men zegt, des te beter van kwaliteit, naar mate zij sterker gekookt werd. Goed toebereid, is zij reukeloos, helder en zeer licht geel van kleur. De zendelingen achten haar gelijk aan de beste boomolie. Men gebruikt haar niet uitsluitend als lampolie, maar ook (en wel bij voorkeur) voor de spijsbereiding, daar zij aan de spijzen geen onaangenamen smaak mededeelt. Het is echter moeielijk volkomen zuivere Schildpaddenolie te verkrijgen; de meeste heeft een rotlucht, welke hierdoor veroorzaakt wordt, dat in eenige van de eieren de jongen reeds tot ontwikkeling waren gekomen.
"De geheele opbrengst van de oeverterreinen, waar ieder jaar eieren ingezameld worden, kan men op 5000 kruiken begrooten. Daar 200 eieren een wijnflesch vol olie opleveren, zijn er 5000 noodig voor een kruik. Als men aanneemt, dat iedere Schildpad 100 à 116 eieren legt en dat een derde hiervan gedurende het leggen breekt, zoo komt men tot het besluit, dat, om deze 5000 kruiken met olie te vullen, 330,000 Arraoe-schildpadden op de drie oogstplaatsen 33 millioen eieren moeten leggen. Door deze berekening blijft men echter nog ver beneden het werkelijke aantal Schildpadden in de rivier. De hoeveelheid eieren, waarvan de jongen reeds uitgekomen zijn, voordat de mensch aan 't inzamelen gaat, is zoo verbazend groot, dat ik bij het kamp van Oeroeana den geheelen oever van den Orinoco bedekt zag met een gewemel van jonge 2 1/2 cM. breede Schildpadjes, die met moeite ontsnapten aan de hen najagende kinderen van Indianen. Voeg hier nog bij, dat niet alle Arraoes op de drie genoemde eilanden komen, dat vele tusschen den Orinoco-mond en de samenvloeiing met de Apoere afzonderlijk en een paar weken later eieren leggen, zoo komt men noodzakelijkerwijze tot de slotsom, dat het aantal Schildpadden, die ieder jaar aan de oevers van den Beneden-Orinoco eieren leggen, nagenoeg een millioen moet bedragen.
"De inzameling van de eieren en de bereiding van de olie duren 3 weken; slechts in dezen tijd staan de zendingsposten met de kust en met naburige beschaafde landen in verkeer. De Franciskanen, die ten zuiden van de watervallen gevestigd zijn, komen bij den eierenoogst, niet zoozeer om zich olie te verschaffen, als wel om blanke gezichten te zien. De oliehandelaars behalen een winst van 60 à 70 percent; daar de Indianen hun de kruik olie voor een harden piaster verkoopen en de kosten van verzending slechts 2/5 piaster per kruik bedragen. Alle Indianen, die aan den eierenoogst deelnemen, nemen ook groote hoeveelheden in de zon gedroogde of zacht gekookte eieren mede naar huis. Onze roeiers hadden ze in hunne korven of in katoenen zakjes steeds bij zich. De smaak kwam ons niet onaangenaam voor, zoolang zij nog onbedorven waren.
"Men wees ons groote, door Jagoears geledigde schildpaddenpantsers. De "Tijgers" loeren op de Arraoes, wanneer deze aan den oever komen om eieren te leggen, overvallen ze gedurende haar verblijf op het land en wentelen ze op den rug om ze gemakkelijker te kunnen verslinden. De in dezen toestand gebrachte Schildpadden kunnen niet weer overeind komen; daar de "Tijger" er veel meer omwentelt, dan hij in één nacht opeten kan, doen de Indianen dikwijls hun voordeel met zijn list en boosaardige hebzucht.
"Wanneer men bedenkt, hoeveel moeite het den reizenden natuuronderzoeker kost om het pantser van een Schildpad te ledigen, indien hij het rugschild en het borstschild in hun verband wil laten, kan men zich niet genoeg verwonderen over de behendigheid van den "Tijger", die met zijne klauwen ditzelfde werk zoo flink verricht, alsof de aanhechtingen van de spieren met het mes van een heelmeester waren losgemaakt. De "Tijger" vervolgt de Schildpad zelfs in het water, voor zoover dit niet zeer diep is, graaft ook hare eieren uit, kortom is met den Krokodil, de Reigers en de Raafgieren de vreeselijkste vijand van de pas uit het ei gekomen Schildpadden. Behalve de zooeven genoemde wilde dieren doen ook de wilde Indianen veel afbreuk aan de oliebereiding. Zoodra de eerste, minder belangrijke regenbuien (door hen "schildpaddenregens" genoemd) voorkomen, trekken zij naar de oevers van den Orinoco en dooden met vergiftigde pijlen de Schildpadden, die met vooruitgestoken kop en uitgespreide pooten zich door de zon laten koesteren."
Van Januari tot Juli bewonen de Arraoes de plassen en oevermeren van de overstroomde wouden en eten bijna niets anders dan boomvruchten. Door de felle vervolging, die zij te verduren hebben, is haar aantal reeds merkbaar verminderd.
Een der vreemdsoortigste leden van de geheele orde is de Matamata (Chelys fimbriata), de eenige vertegenwoordigster van het geslacht der Franjeschildpadden (Chelys) en van de gelijknamige familie (Chelydae). Het zeer weinig gewelfde rugschild vertoont drie overlangsche reeksen van dikke, gekielde knobbels, die door diepe groeven vaneengescheiden zijn. De kop is zeer plat en driezijdig; de oogen zijn buitengewoon klein; de mondspleet strekt zich tot aan de oorstreek uit; de neus is tot een middelmatig langen, dunnen snuit verlengd, aan welks spits de neusgaten voorkomen: de hals is tamelijk lang, maar zeer breed en plat, de staart kort, het zwemvlies tusschen de vijf teenen van de voorvoeten en de vier teenen van de achtervoeten sterk ontwikkeld. Boven elke gehooropening bevindt zich een dun, tamelijk groot, naar boven gericht, driehoekig aanhangsel, dat aan een oorschelp herinnert; de kin is met twee baarddraden voorzien, de keel met een in franjes verdeeld aanhangsel; soortgelijke huidfranjes zijn aan weerszijden van den hals op reeksen geplaatst. Zij bereikt volgens Dumeril een totale lengte van 2.2 M., waarvan op het pantser 1.23 M. en op den hals 72 cM. komt. De bovenzijde is bijna effen kastanjebruin, de onderzijde vuil groenachtig geel.
De Matamata is tot Guyana en Noord-Brazilië beperkt; men heeft haar in den Amazonenstroom en de naburige stilstaande wateren, in de rivieren Essequebo, Roepoenoeni en Takoetoe alsook in de meren en rivieren van de savanna aangetroffen. Daar waar zij voorkomt, schijnt zij talrijk te zijn. "Gewoonlijk," zegt Schomburgk, "had zij zich bij den oever in 't zand gewoeld, zoodat het water ongeveer een vingerbreed hoog boven haar rugschild stond, en scheen daar bewegingloos op een prooi te loeren. Zij liet zich grijpen zonder beweging te maken; wegens den onaangenamen reuk, dien zij verbreidde, deden wij dit echter slechts zelden. Onze Karaïben vielen met een ware woede op haar vleesch aan." Misschien dienen de vreemdsoortige aanhangsels aan den kop als lokaas voor die Visschen, welke gemakkelijk te verschalken zijn.
De derde reeks van de Echte Schildpadden omvat de Rivierlederschildpadden (Trionychoidea). Van alle overige onderscheiden zij zich door het ontbreken der hoornplaten op haar pantser; dit is slechts door een zachte huid bedekt. Het rugschild is zwak gewelfd en onvolledig verbeend: het beenig schijfgedeelte heeft een zachten, lederachtigen zoom, die hoogst zelden door eenige randbeenderen gesteund wordt; in het midden van het borstschild komen groote fontenellen voor. De kaken zijn met vleezige lippen voorzien, doch hebben een hoornachtigen rand; de neusgaten zijn aan de spits van een zachten, beweeglijken snuit geplaatst. De teenen hebben zeer sterk ontwikkelde zwemvliezen; slechts de drie binnenste van elken voet eindigen in scherpe klauwen. De kop en de hals kunnen onder het pantser verborgen worden; bij sommige kan dit ook met de pooten en den korten staart geschieden; ter beschutting van de teruggetrokken organen zijn dan achter aan het borstschild links en rechts eigenaardige kleppen aanwezig; ook het voorstuk is beweeglijk. Naar het schijnt, kunnen de papillen van het slijmvlies, dat de keelholte bekleedt, de rol van kieuwen vervullen; tusschen het bloed van de talrijke haarvaten dezer organen en het hem omgevende water heeft dezelfde uitwisseling van gassen plaats, als in de longen tot stand komt.
Bij de Drieklauwen (Trionyx) zijn in het geheel geen randbeenderen aanwezig en kunnen de achterpooten en de staart niet onder het pantser verborgen worden.
Hoewel de meeste soorten van dit geslacht het Oostersche rijk bewonen en slechts enkele in Noord-China en Japan, in Afrika en in Noord-Amerika gevonden worden, is nog steeds de Woeste Drieklauw (Trionyx ferox), de grootste van de Noord-Amerikaansche soorten, ons het nauwkeurigst bekend. Zij kan een gewicht van 35 KG. bereiken en is dan 1.6 M. lang, waarvan 85 cM. op het pantser komen. Haar rugschild is op donker leigrauwen grond met talrijke, groote oogvlekken en, vooral aan den rand, met donkere stippels geteekend; de onderzijde is vuilwit, de leikleurige kop van boven aan weerszijden donker gevlekt, in de oogstreek met een tot aan den hals reikenden en hier uitvloeiende, lichte, donker gezoomde slaapstreep versierd; de kin, de voeten en de staart zijn zwart en wit gemarmerd; de iris is geel.