Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren

Part 25

Chapter 253,701 wordsPublic domain

Deze Slang voedt zich in haar prille jeugd met Hagedissen, later met kleine Vogels, ten slotte hoofdzakelijk met Ratten, welk ongedierte, door Europeesche schepen naar de eilanden overgebracht, zich hier ontzettend vermenigvuldigd heeft. Zij zoekt echter ook onder het pluimvee haar buit en kan in volwassen toestand Huishoenderen en zelfs jonge Kalkoenen, ook Buidelratten, verzwelgen. Hoewel zij zich verdienstelijk maakt door het aantal Ratten te helpen verminderen, zal niemand haar willen sparen: door het vergiftigen van menschen richt zij te veel onheil aan. "Dat zij den mensch bijt, die haar te na komt, is zeker," zegt Rufz; "het komt echter waarschijnlijk nooit of althans hoogst zelden voor, dat zij van verre op hem toeschiet en den vluchteling vervolgt; anders zouden de eilanden, waar zij leeft voor menschen onbewoonbaar zijn. Uit de berichten, die mij in 1843 door geestelijken en ambtenaars verstrekt werden, blijkt, dat gemiddeld in iedere gemeente van het eiland ieder jaar 1 à 3 sterfgevallen door de Lanskopslang veroorzaakt worden. Het aantal personen, die, na gebeten te zijn, in 't leven blijven is wel 10-maal grooter; daar echter in dit gunstigste geval de beet een langdurige ziekte en dikwijls ook verminking van ledematen tengevolge heeft, is er reden om het verlies, dat de Lanskopslang aan de kolonie berokkent, zeer hoog te schatten. In sommige jaren komen sterfgevallen door deze oorzaak veel talrijker voor dan gewoonlijk; met name zijn in dit jaar (1843) de beten zoo gevaarlijk, dat, naar Venancourt mij bericht, in zijn gemeente binnen 7 maanden reeds 18 menschen aan de gevolgen van een slangenbeet bezweken zijn.

"Bij het oogsten van het suikerriet, worden de negers gedurende den arbeid steeds op een rij geplaatst, waarin zooveel mogelijk de mannen met de vrouwen afwisselen; van tijd tot tijd spoort de opzichter allen aan om zich voor de Slang in acht te nemen. Zoodra er een zichtbaar wordt beginnen de vrouwen jammerlijk te schreeuwen en vlucht de geheele rij; de moedigste neger keert vervolgens terug en doodt het vergiftige dier, dat bij al die drukte op dezelfde plaats gebleven of slechts weinig achteruit geweken is."

Bij 't bijten zet de Lanskopslang den bek ontzettend wijd open, werpt den kop met kracht vooruit en bereidt zich dadelijk voor tot een nieuwen aanval door zich na den beet snel ineen te kronkelen. In buitengewoon kwaadaardige stemming bijt zij vele malen achtereen. De gevolgen van den beet zijn vreeselijk: het gewonde lichaamsdeel zwelt op, neemt weldra een blauwachtige kleur aan en wordt door koudvuur aangetast; brakingen, stuiptrekkingen, pijn in de hartstreek, een onoverwinlijke neiging tot slapen leiden na weinige uren of dagen tot den dood; in 't gunstigste geval veroorzaakt de beet ziekteverschijnselen van allerlei aard, die jaren lang aanhouden, duizelingen, pijn in de borst, verlamming, verzweringen, enz. Tallooze geneesmiddelen, voor 't meerendeel aan het plantenrijk ontleend, heeft men beproefd. De gelukkige inval om den Afrikaanschen Secretaris naar Martinique over te brengen heeft geen ander gevolg gehad, dan dat de bewoners zich een tijdlang konden vermaken met op dezen Vogel te schieten. Lenz heeft aangeraden, slangenverdelgende Zoogdieren, vooral Bunzingen, Dassen en Egels, op het eiland te acclimatiseeren; deze zouden niet slechts vele vergiftige Reptiliën dooden, maar ook het aantal Ratten verminderen, die het voornaamste voedsel van de Slangen uitmaken.

Twee andere leden van het geslacht der Hamerkopadders, die op het Zuid-Amerikaansche vasteland leven en ongeveer even gevaarlijk zijn als de Lanskopslang--de Sjararaka en de Labaria--komen in vorm, kleur en aard zoozeer met elkander overeen, dat zelfs slangenkenners ze moeielijk onderscheiden kunnen en sommigen ze als verscheidenheden van één soort beschouwen.

De Sjararaka (Trimeresurus jararaca) wordt, volgens de metingen van den Prins Von Wied 1.42 M. lang, maar kan, naar aan Tschudi werd medegedeeld, een lengte van 1.8 M. bereiken. Op grijzen of grijsbruinen grond is zij met tamelijk ver uiteenstaande, donkerbruine dwarsbanden geteekend, die soms ieder in twee vlekken verdeeld en meestal door een iets lichteren hof omlijst zijn. Van het oog naar den mondhoek loopt een breede, zwarte, overlangsche streep. De buik is grootendeels geelachtig wit.

De Labaria (Trimeresurus atrox) gelijkt door vorm en lichaamsbouw, door de eigenaardigheden van het schubbenkleed en zelfs door de verdeeling der kleuren op de Sjararaka, maar heeft op den rug donkere, ruitvormige vlekken, die met X-vormige, donkere teekeningen afwisselen; de buik is niet witachtig, maar donkerder en aan weerszijden met een paar reeksen van witte vlekjes versierd.

De Sjararaka is de algemeenste Gifslang van Brazilië en overal verbreid, daar zij zich even gaarne in het droge, heete kreupelhoutgebied als in de hoogstammige, vochtige oerwouden ophoudt. De Labaria komt in geheel Guyana voor, is even veelvuldig aan de kust als in het binnenland en wordt hier en daar ook in de open savanne aangetroffen, ofschoon zij ijle wouden boven de steppe schijnt te verkiezen. Beide slangen worden zeer gevreesd en zijn ook inderdaad uiterst gevaarlijk. "De Indianen en zelfs de Portugeesche jagers," zegt de Prins Von Wied, "gaan altijd blootsvoets op de jacht. Schoenen en kousen zijn hier duur en zeldzaam; de landman gebruikt deze artikelen alleen op feestdagen en is daarom veel meer blootgesteld aan den beet van Slangen, die dikwijls in de droge bladen verscholen liggen; toch komen gevallen van verwonding zeldzamer voor, dan men zou kunnen meenen. Den jager in tropische gewesten zij het dragen van goede, sterke laarzen en zeer wijde broekspijpen aanbevolen, daar zij hem tamelijk goed vrijwaren tegen den beet van Vergiftige Slangen." Deze heeft wel niet altijd den dood, maar toch steeds ernstige ziekteverschijnselen ten gevolge, wanneer niet oogenblikkelijk doelmatige middelen tot verwijdering van het gif worden aangewend.

TWEEDE ORDE.

DE KROKODILLEN (Emydosauria).

Er is een tijd geweest, waarin de Kruipende Dieren op aarde heerschappij voerden; de ontzaglijk groote Reptiliën, die toen de zee en later ook de moerassen en rivieren bewoonden, zijn uitgestorven en verdwenen zonder andere sporen van hun bestaan na te laten dan de versteende beenderen van eenige weinige exemplaren, die in den bodem voor ons bewaard zijn gebleven. Deze fossielen, die eigenaardigheden van Walvisch en Vogel, van Krokodil en Slang in zich vereenigen, bieden, ondanks de scherpzinnige theoriën, waardoor men de waargenomen feiten heeft trachten te verbinden en te verklaren, nog steeds een ruim veld voor onderzoekingen aan. Van enkele dezer monsters heeft men zulke volledige geraamten gevonden, dat hun verwantschap met de thans nog levende dieren aangetoond kan worden; van andere zijn tot dusver zeer weinige overblijfselen ontdekt, ternauwernood voldoende om het vermoeden te wettigen, dat zij aan Reptielen hebben toebehoord.

De naaste, thans nog levende verwanten van de Hagedisachtige reuzen uit den voortijd--van de Ichthyosauriërs, die aan Walvisschen herinnerden, van de Plesiosauriërs met vinnen en een Slangenhals, van de met een vlieghuid uitgeruste Pterodactylen--zijn de Krokodillen. Hoewel ook zij door de hoofdlijnen van hun gestalte op Hagedissen gelijken, wijken zij van deze in zeer belangrijke opzichten af. Zij overtreffen haar en alle overige leden der klasse zoo niet in zwaarte dan toch in grootte. Niet op dezen grond berust echter de scheiding der beide groepen; veel belangrijker redenen hiervoor zijn te vinden in het inwendig samenstel, onder anderen in de ontwikkeling der tanden en den bouw der tong.

De romp van de Krokodillen is gestrekt en veel breeder dan hoog, de kop plat en laag, het snuitgedeelte zeer verlengd, de mondspleet hoekig gebogen, de hals buitengewoon kort, de staart langer dan het overige lichaam en zijdelings sterk samengedrukt, waardoor hij een krachtig zwemorgaan vormt; de korte pooten hebben sterk ontwikkelde voeten, de voorvoeten vijf tot aan den oorsprong gescheiden teenen, de achtervoeten vier teenen, die door geheele of halve zwemvliezen verbonden zijn en waarvan de drie binnenste duidelijke klauwen dragen. De kleine oogen, die door drie leden beschut worden, liggen tamelijk diep in hunne kassen, zijn eenigszins naar boven gericht en hebben een vertikaal geplaatste, langwerpige pupil. De gehooropeningen kunnen door een klepvormige huidplooi, de neusgaten door samendrukking hunner randen gesloten worden. Harde en dikke, min of meer vierhoekige hoornschubben en schilden bedekken de bovendeelen en de onderdeelen van romp en staart. Die van den rug onderscheiden zich door een er boven uitstekende, overlangsche lijst of kiel, die van den staart vormen twee zaagvormig getande randen, die verder achterwaarts tot een enkelen kam ineenvloeien; de schubben van de zijden van 't lichaam zijn meer afgerond. Op den rug verbeent de lederhuid onder de hoornschilden, waardoor de huid de aard van een pantser verkrijgt.

De tanden zijn in holten van de kaakbeenderen bevestigd en hebben een open wortel; in de holte, die de pulpa bevat, dringt de tand door, die later voor de eerst aanwezige in de plaats zal treden. De kegelvormige kroon is zeer weinig naar achteren gekromd en zoowel aan de voor- als aan de achterzijde met een scherpen rand voorzien. Over 't algemeen zijn de tanden gelijk van vorm, doch ten deele verschillend van lengte; de eerste en de vierde van de onderkaak en de derde van de bovenkaak zijn in den regel de langste en dikste. De tanden van de onderkaak komen bij gesloten bek eenvoudig tusschen die van de bovenkaak te liggen; een uitzondering hierop maken evenwel bij de Echte Krokodillen de 1e en de 2e, bij de Kaaimans ook de 4e tand van elke onderkaakshelft, daar deze in kuiltjes van de bovenkaak passen. De tong is kort en plat, over haar geheele lengte aan den bodem van de mondholte bevestigd en verschilt hierdoor zeer van de tong der Hagedissen.--De rechter en de linker hartkamer zijn door een volledig schot van elkander gescheiden. Uit de linkerkamer komt het zuurstofhoudend bloed in den rechter aortaboog, den eenigen, die de slagaders van de vóór het hart gelegen lichaamsdeelen met bloed voorziet. Uit de rechterkamer wordt het zuurstofvrije, koolzuurhoudende bloed zoowel in de longslagader als in den linker aortaboog gestuwd. De beide aortabogen staan met elkander in gemeenschap, waardoor een vermenging van de beide bloedsoorten tot stand komt, welk mengsel zich naar de slagaders van de achter het hart gelegen lichaamsdeelen begeeft, terwijl de voorste gedeelten van het lichaam zuiver (of nagenoeg zuiver) zuurstofhoudend bloed ontvangen.

Men kent tegenwoordig 24 bepaald verschillende soorten van Krokodillen, die in drie natuurlijke groepen gesplitst worden, welke op eigenaardigheden van het gebit gegrond zijn.

De Krokodillen zijn over alle werelddeelen, met uitzondering van Europa, verbreid: het door hen bewoonde gebied beperkt zich tot de tropische gewesten en de daaraan grenzende deelen van den gematigden aardgordel. Ieder werelddeel, Australië uitgezonderd, bezit eigenaardige soorten van Krokodillen: Azië en Amerika hebben ieder twee, nergens anders voorkomende geslachten; Afrika wordt bewoond door één karakteristiek geslacht; in Australië en een aantal daarbij behoorende eilandengroepen leven wel Krokodillen, doch uitsluitend zulke, die ook in Azië voorkomen. Alleen de Krokodillen in de engste beteekenis van 't woord zijn over alle vier genoemde werelddeelen verbreid.

Snavelkrokodillen of Gavialen (Gavialis) noemt men die soorten, welker bovenkaak in 't geheel geen kuiltjes bevat tot berging van tandspitsen der onderkaak en uitsluitend van voren uitsnijdingen vertoont: aan weerszijden drie, waarin de drie voorste onderkaakstanden bij gesloten bek gelegen zijn. Het aantal tanden wisselt af van 27 tot 29 in elke bovenkaakshelft en van 25 tot 26 in elke onderkaakshelft. De snuit is buitengewoon smal en lang en aan het voorste einde knopvormig verbreed.

De meest bekende soort van dit geslacht, de Gaviaal of Ganges-gaviaal (Gavialis gangeticus), is in de oogen van vele Indiërs een heilig dier, aan Visjnoe, den schepper en beheerscher van het water gewijd. De bovenzijde is donker bruingroen en vertoont bij jonge exemplaren een teekening, die uit talrijke, kleine, donkerbruine vlekken of dwarsbanden bestaat; de kleur van de onderzijde gaat door groengeel in wit over. Volwassen exemplaren bereiken een lengte van 5.75 M.; in de Europeesche verzamelingen vindt men er echter geen, die meer dan 5 M. lang zijn.

De Gaviaal komt voor in den Ganges en den Brahmapoetra en hunne bijrivieren, voorts in den Indus en volgens de nieuwste berichten ook in den Mahanadi in Orissa en den Kaladyne in Arakan.

Uit den eigenaardigen vorm van den snuit kan men afleiden, dat dit dier, zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk Visschen tot voedsel gebruikt. Ook uit alle overige details van den lichaamsbouw blijkt, dat het er geheel op ingericht is om in het water te verkeeren. Daar geen voorbeeld bekend of althans voldoende gestaafd is van een aanval van den Gaviaal op groote Zoogdieren of op den mensch, mag men hem als een van de weinige ongevaarlijke Krokodillen beschouwen, wien geen andere schadelijke werking kan worden ten laste gelegd dan deze, dat hij door het verslinden van kolossale hoeveelheden visch den voedselvoorraad vermindert van de menschen, die langs de oevers van de door hem bewoonde rivieren gevestigd zijn.

De jongen zijn bij 't verlaten van de eischaal 40 cM. lang, grijsbruinachtig van kleur en met donkere dwarsbanden op den rug en den staart geteekend. Onmiddellijk na het uitkomen zag Andersson ze merkwaardig snel wegloopen; een jong, dat hij van de schaal trachtte te bevrijden, beet reeds flink om zich heen en verwondde hem aan den vinger.

De Gaviaal van Borneo, de Boeaja-Sapit van de Maleiers, de Bedjai-Sampit van de Bejadjoe-Dajakkers (Gavialis Schlegelii), mist den vleezigen knobbel, die bij de vorige soort aan het vooreinde van den snuit voorkomt; zijn snuit is minder versmald en nadert tot die van de eigenlijke Krokodillen door de veel langere, tot aan de tusschenkaaksbeenderen reikende neusbeenderen.

Salomon Müller, de ontdekker van dit merkwaardige dier, zegt van zijn levenswijze het volgende: "Hij is in de binnenlanden van Borneo vrij menigvuldig en bewoont bij voorkeur stille, eenzame meren. Vandaar begeeft hij zich soms naar de zacht vlietende bijrivieren en de met zwart, stinkend water voorziene kreeken, zelden echter in de grootere stroomen, waar het water veel drift heeft. Zijn voedsel bestaat uit Visschen, Waranen, Watervogels, Apen en andere viervoetige dieren. Voor den mensch is hij veel minder gevaarlijk dan de Indische Krokodil.

"In September 1836 vonden wij bij het meer Lamoeda in Zuid-Borneo een nest met 20 eieren. Het lag in het bosch, omtrent 10 passen van den waterkant verwijderd, tegen een grooten boomstam aan. Het bestond uit een eenigszins plat kegelvormigen hoop aarde, die rijkelijk met verrotte bladeren en stukjes dor hout doormengd was. Deze mestachtige hoop was derdehalf voet hoog en van onderen ongeveer 4 voet breed. In het midden was een holte van omtrent 12 duimen doorsnede, in welke de eieren lagen, die bijna een voet hoog overdekt waren. De eieren worden door de broeiing en gisting dezer plantaardige stoffen verwarmd en de jongen hierdoor uitgebroed, want, daar het nest geheel onder den schaduw van den boom verborgen lag, kon geen zonnestraal het bereiken. In de eieren werden bijkans volwassen jongen gevonden, die, volgens het zeggen der ons verzellende inlanders, na 8 à 14 dagen uitgekomen zouden zijn. De eieren zijn langwerpig van vorm en aan beide einden gelijkvormig afgerond, een weinig grooter dan die van een Gans: 98 mM. lang en in 61 mM. breed. Zij verschillen echter onderling een weinig in grootte en ook in vorm. Hun schaal is sterk, ruw, met vele onregelmatig verdeelde poriën voorzien en wit van kleur. Verscheidene Dajakkers en Maleiers verzekerden ons, dat versche Krokodillen-eieren gansch niet slecht van smaak zijn; voor velen van hen zijn zij een ware lekkernij".

Dezelfde of een nauw verwante soort werd in Noord-Australië aangetroffen.

Meer bepaaldelijk wordt de naam van Krokodillen (Crocodilus) gegeven aan die soorten, welke in 't voorste gedeelte van de bovenkaak (in de tusschenkaaksbeenderen) twee diepe kuiltjes hebben tot berging van de spitsen der beide voorste onderkaakstanden en verder achterwaarts, in ieder bovenkaaksbeen, een halvemaanvormige insnijding, waarin bij 't sluiten van den bek de vierde onderkaakstand wordt opgenomen. Het aantal tanden bedraagt 17 à 19 in elke bovenkaakshelft en 15 in elke onderkaakshelft, in 't geheel dus 64 à 68.

De meest bekende Amerikaansche vertegenwoordiger van het genoemde geslacht is de Spitskoppige Krokodil (Crocodilus americanus). Zijn verbreidingsgebied omvat een niet onbelangrijk deel van Zuid- en Midden-Amerika, en van West-Indië; hij bewoont bijna alle landen en groote eilanden tusschen 30° N.B. en 5° Z.B.

A. von Humboldt zag deze Krokodillen in den Orinoko en diens bijrivieren in grooten getale; op plaatsen, waar tusschen den waterkant en het struikgewas een breede grondstrook overblijft, lagen zij dikwijls bij troepjes van 8 à 10 stuks op het zand. "Bewegingloos, den muil zoo ver opengesperd, dat de kaken een rechten hoek vormen, rusten zij naast elkander, zonder eenige van de teekenen van onderlinge genegenheid, die men bij gezellig levende dieren gewoonlijk opmerkt. Zoodra zij zich te water begeven, gaan zij uiteen. Deze kolossale Reptiliën zijn zoo talrijk, dat men den geheelen stroom langs er bijna op ieder oogenblik 5 of 6 kon zien, hoewel het wassen van het water in den Apoere toen nog slechts op een nauwelijks merkbare wijze aangevangen was en dus honderden van Krokodillen nog in het slijk van de savanne begraven lagen."

Ook in den Neveri wemelt het van deze monsters tot aan den mond dezer rivier; zij begeven zich zelfs, vooral bij stil weder, tot ver in zee. "Zij zwemmen uitmuntend en bewegen zich zonder groote inspanning tegen de sterkste strooming op; het kwam mij echter voor, dat zij, den stroom afzwemmend, niet snel omkeeren kunnen. Eens werd een groote Hond, die ons van Caracas af op reis vergezelde, in den stroom door een kolossalen Krokodil vervolgd; het monster was reeds zeer dicht bij den Hond, doch deze ontkwam aan het gevaar door om te keeren en tegen den stroom op te zwemmen. De Krokodil voerde dezelfde beweging uit, maar deed dit veel langzamer dan de Hond, die gelukkig den oever bereikte."

De aard van den Spitskoppigen Krokodil is trouwens, gelijk Von Humboldt op vele plaatsen uitdrukkelijk verzekert, zeer verschillend, al naar de door hem bewoonde streek. In sommige rivieren vreest men hem zeer, en anderen weinig of niet. "De gewoonten van dieren, die oogenschijnlijk tot dezelfde soort behooren," zegt deze geleerde, "vertoonen afwijkingen van plaatselijken aard, die moeielijk te verklaren zijn. In de Boeritoeka-rivier werden wij gewaarschuwd onze Honden niet toe te staan uit den stroom te drinken, omdat hier buitengewoon wilde Krokodillen voorkomen, die niet zelden buiten het water komen en de Honden tot op den oever volgen. Dat zij hier met zooveel driestheid optreden, trekt te meer de aandacht, daar zij in de Tisanao-rivier tamelijk schuw en onschadelijk zijn. Ook in de Rio-Neveri, waar groote "Krokodillen met snoekenkop" talrijk zijn, toonen zich deze niet zoo boosaardig als in den Orinoko.

"In de maag van een 3.6 M. langen Krokodil, die door Bonpland en mij ontleed werd, vonden wij halfverteerde Visschen en ronde stukken graniet van 8 à 10 cM. middellijn. Men mag niet onderstellen, dat de Krokodillen deze steenen toevallig doorslikken, want bij 't grijpen van de Visschen op den bodem van 't water rust hun onderkaak niet op den grond. Ik geloof, dat zij groote steenen in hun maag opnemen, om hierdoor het fijnmaken van het voedsel op soortgelijke wijze te bevorderen, als vele Vogels doen en om tevens een overvloediger afscheiding van maagsap teweeg te brengen. In den Apoere vinden zij een rijken buit onder de Waterzwijnen, die bij troepen van 50 à 60 stuks aan den oever van den stroom leven. Deze ongelukkige dieren hebben in 't geheel geen wapens om zich te verdedigen; wel zwemmen zij iets beter dan zij loopen, maar toch worden zij in 't water een prooi van den Krokodil, zooals op het land van den Jagoear. Het is bijna onbegrijpelijk, hoe zij, ondanks de vervolgingen van twee zulke gevaarlijke vijanden, zoo talrijk kunnen zijn. Tot onze verbazing zagen wij een kolossalen Krokodil te midden van een troep van deze Knaagdieren bewegingloos en slapend op den grond liggen; hij ontwaakte, toen wij met onze "pirogue" naderden en ging langzaam op het water af, zonder dat de Waterzwijnen onrustig werden. Onze Indianen schreven de onverschilligheid dezer dieren aan domheid toe; waarschijnlijker komt het ons echter voor, dat de Waterzwijnen door langdurige ervaring weten, dat de Krokodil van den Apoere en den Orinoko hen op het land niet aanvalt, tenzij een door hem begeerd dier zich, juist als hij te water gaat, op zijn weg bevindt.

"Voor de bewoners van de Orinoko-oevers vormen de gevaren, waaraan zij blootgesteld zijn, een onderwerp van dagelijksch gesprek. Zij hebben de gewoonten van den Krokodil nagegaan, zooals de stierenbevechter de gewoonten van den stier; zij weten de bewegingen van het gepantserde Reptiel, de wijze, waarop het zal aanvallen, de driestheid, waarmede het dit doet, als 't ware vooraf te berekenen. Als zij zich bedreigd zien, nemen zij met de tegenwoordigheid van geest en vastberadenheid, die den Indianen en Zambo's, kortom, den kleurlingen in 't algemeen, eigen zijn, alle middelen te baat, die zij sedert hunne kinderjaren hebben leeren kennen. In landen, waar de natuur zich zoo machtig en verschrikkelijk toont, is de mensch voortdurend op zijn hoede tegen gevaar. Een jong Indiaansch meisje, dat zich zelf uit de kaken van den Krokodil bevrijd had, zeide: "Ik wist, dat de Kaaiman mij los zou laten, als ik hem de vingers in de oogen drukte." Dit meisje behoorde tot de behoeftige volksklasse, tot die kringen, waar de gewoonte aan lichamelijken nood de geestkracht ontwikkelt."

"Daar de Krokodil wegens het maaksel van zijn strottenhoofd, van zijn tongbeen en van de plooien der tong den buit onder water wel grijpen, maar niet verzwelgen kan, zal dit dier zelden een mensch doen verdwijnen, zonder dat men het zeer dicht bij de plaats, waar het ongeluk voorviel, te voorschijn ziet komen om den buit te verslinden. Toch wordt op deze gevaarlijke roovers zelden jacht gemaakt. Zij zijn zeer sluw en daarom niet gemakkelijk te dooden. Een kogel heeft slechts dan een doodelijke werking, als het dier in de keel of in de okselholte getroffen wordt. De Indianen maken zelden van vuurwapens gebruik, maar vallen den Krokodil met lansen aan, nadat hij zich vastgebeten heeft aan een stevigen, scherpen, ijzeren haak, die met vleesch als lokaas voorzien en met een ketting aan boomstammen bevestigd werd; zij gaan echter het dier niet eerder te lijf, dan nadat het zich lang tevergeefs heeft ingespannen om los te komen."

Van de gedoode Krokodillen weet men in Zuid-Amerika, naar het schijnt, slechts weinig voordeel te trekken. Humboldt zegt hiervan niets anders, dan dat men het vet van den Kaaiman als een uitmuntend purgeermiddel beschouwt en dat het witte vleesch, in sommige streken althans, voor een smakelijk gerecht wordt gehouden.