Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren
Part 21
De aard van de Adder is, voor zoover wij haar kennen, alles behalve innemend; de blinde, ontoombare woede, die zij in haar gramschap toont, wekt inderdaad afschuw. "Eens", zegt Lenz, "heb ik een Adder een vol uur achtereen geplaagd; zij hield niet op met te blazen en naar mij te bijten en bleef nog doorrazen, toen ik er genoeg van had. Zelfs na het wegnemen van het voorwerp, waarmede men haar plaagde, bijt zij, door woede vervoerd, dikwijls in de lucht, in hoopjes mos enz., op een door de zon beschenen plaats zelfs naar haar eigen of een andere schaduw. Haar lichaam is in dit geval tot een schijf ineengekronkeld; de hals wordt naar het midden van de schijf teruggetrokken en bij elke beet 15, hoogstens 30 cM. ver uitgestoken. Door het terugtrekken van den hals geeft zij altijd het voornemen om te bijten te kennen; zij bijt bijna nooit zonder zich op deze wijze voorbereid te hebben en trekt na het bijten even schielijk den hals terug, tenzij dit onmogelijk is, doordat zij zich vastgebeten heeft. Zelfs wanneer men haar een voorwerp van de grootte van een Muis voorhoudt, bijt zij dikwijls mis; bijna alle Vergiftige Slangen missen niet zelden haar doel. Als de Adder woedend wordt en bijten wil, bepaalt zij zich niet tot het terugtrekken van den hals, maar steekt ook (als het voorwerp, waardoor haar toorn wordt opgewekt, niet in haar onmiddellijke nabijheid is en zij dus den tijd heeft om zich te bedenken) de tong herhaaldelijk snel uit, ongeveer zoo ver als de lengte van den kop bedraagt; intusschen gloeien hare oogen; de tong, die vóór het bijten slechts zelden het voorwerp aanraakt, blijft gedurende het bijten verborgen. De Adder zal, als zij plotseling door een vijand verrast wordt en oogenblikkelijk bijt, slechts zelden vooraf sissen; des te meer en des te heviger hoort men dit geluid, indien zij meer bedenktijd heeft en haar toorn tot grooter hoogte stijgt. Het sissen of blazen geschiedt in den regel met gesloten bek en wordt veroorzaakt door een ongewoon krachtige uit- en inademing; het bestaat uit twee verschillende en toch onderling overeenkomende geluiden, die elkander ongeveer in dezelfde tijdruimte opvolgen als het uit- en inademen van den mensch. Steeds blaast de Adder, als zij toornig is, zich sterk op, zoodat zelfs magere exemplaren er dik en vet uitzien. In nog hoogere mate geschiedt dit, wanneer men haar in 't water werpt; in dit geval wordt door de opgenomen lucht haar soortelijk gewicht verminderd. Zij is altijd op haar hoede en onmiddellijk tot aanval en verdediging gereed. Daarom zal men haar bijna altijd, zelfs bij de minst mogelijke stoornis, met scheef opgeheven kopje te zien krijgen. Hoewel haar gezicht over dag zeer slecht is, maakt zij toch wel degelijk verschil tusschen de voorwerpen, die in haar nabijheid komen; men kan zich licht overtuigen, dat zij het liefst naar warmbloedige dieren en van deze weder het liefst naar Muizen bijt. Wanneer een Adder in een zeer helderen, glazen bak, wordt opgesloten, zal men zien, dat zij veel liever den kop beweegt naar de bloote hand, indien deze tegen den buitenkant van het glas wordt gehouden, dan naar een mouw, een stokje, enz.
"Gevangen Adders, die een ruime kist bewonen, leven in vrede met allerlei kleine dieren behalve met Muizen; Hagedissen, Vorschen en Vogeltjes, die aan het gezelschap van den Adder gewoon waren geraakt, heb ik dikwijls rustig op haar zien zitten om zich in de zon te koesteren; ook in de vrije natuur heb ik wel Adders aangetroffen, waarop Hagedissen zich hadden neergevleid. Andere Slangen en Hazelwormen gaan eveneens gaarne naast, op en onder de Adder liggen en behandelen haar dus als ware zij een soortgenoot. Dat Kevers over haar lichaam loopen, schijnt haar niet te hinderen; van haar kop schudt zij hen af, zonder boos te worden.
"Algemeen verbreid is de meening, dat de Adder springen kan en in gramschap haar tegenstander zelfs over een grooten afstand vervolgt. Zoomin ik als mijn slangenvanger hebben ooit iets van dien aard gezien of vernomen van personen, die goed met Adders bekend zijn. Wanneer de Adder plotseling overvallen wordt, terwijl zij uitgestrekt op den grond ligt, kan het voorkomen, dat zij zich den tijd niet gunt om het geheele lichaam schijfvormig op te rollen, maar zich bepaalt tot het terugtrekken van den hals en onmiddellijk daarna met het doel om te bijten den kop schielijk vooruitwerpt; het gebeurt soms, dat deze beweging ook het overige lichaam een weinig vooruit doet gaan.
"De Adder, die tusschen gras of struikgewas verborgen ligt en door den voorbijganger niet opgemerkt zou worden, indien zij zich stilhield, verraadt dikwijls in blinde woede haar aanwezigheid door woest te sissen en te bijten, zoodat de wandelaar haar dikwijls eerst bespeurt, nadat zij hem in 't been of althans in den broek of in de laarzen gebeten heeft. Soms vlucht zij na den eersten of tweeden beet; soms sluipt zij weg zonder eenige daad van vijandschap, zoodra zij menschen in haar nabijheid bemerkt. Des nachts, als zij volkomen wakker is, handelt zij waarschijnlijk in den regel op de laatstgenoemde wijze. Dit verklaart het opmerkelijk feit, dat gedurende den nacht zulke aanvallen veel zeldzamer voorkomen dan men vermoeden zou, al houdt men rekening met het minder drukke verkeer op de liefste verblijfplaatsen der Adders na zonsondergang."
De Adder voedt zich bij voorkeur, maar niet uitsluitend met warmbloedige dieren; Muizen heeft zij liever dan eenigen anderen buit. Het meest hebben de Aard- of Akkermuizen van haar te lijden, "daar zij de langzaamste en goedaardigste van alle inheemsche Muizen zijn, veel minder de vlugge, sluwe Veldmuizen. Spitsmuizen worden niet verschoond. Hoewel ik nog nooit een Mol in de maag van een Adder heb gevonden, twijfel ik er volstrekt niet aan, dat zij bij 't ontdekken van een nestje vol jongen, smakelijk smullen zou van dezen vetten buit." Dat zij de Muizen niet slechts boven, maar ook onder den grond vangt, blijkt uit de onderzoekingen van Lenz, die in de maag van de door hem ontlede Adders dikwijls jonge, volkomen onbehaarde Muizen of Spitsmuizen vond, welke niet anders dan uit het onderaardsche nest verkregen kunnen zijn. Het is volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat de Adder vele nesten plundert van Vogels, die op den grond broeden. Men kan dit afleiden uit het geschreeuw en de van groote onrust getuigende bewegingen der oude Vogels bij het zien van een Adder. Vorschen eet de Adder vermoedelijk slechts in geval van nood, Hagedissen alleen gedurende haar jeugd.
Evenals andere Slangen, kan de Adder zonder bezwaar geruimen tijd vasten; des te meer voedsel gebruikt zij, wanneer haar jacht gelukkig was.
Het zomerleven van de Adder begint eerst in April, ofschoon men haar bij gunstige weersgesteldheid reeds omstreeks het midden van Maart buiten haar winterherberg ziet; bij uitzondering, als het buitengewoon zacht weer is, vertoonen enkele exemplaren zich reeds vroeger, zelfs midden in den winter, in de open lucht. In de als winterverblijf dienende holen vindt men in den regel tamelijk vele Adders bijeen. Een arbeider te Ees bij Assen vond, terwijl hij bezig was veen te hakken, den 7en December 1852, op een plekje grond ter grootte van 1 M2 56 Adders; achtereenvolgens werden op hetzelfde stuk land meer dan 500 Adders gedood. (Maitland.)
Volgens de onderzoekingen van Lenz paren de Adders eerst, als zij bijna haar vollen wasdom bereikt hebben; geen van de exemplaren, welker lichaam rijpe eieren bevatte, was korter dan 50 cM. Het aantal jongen hangt af van den leeftijd en de grootte van het wijfje: bij jonge wijfjes bedraagt het 5 of 6, bij anderen 12 à 14 of zelfs 16. Nauwelijks is het ei gelegd, of het daarin aanwezige jong strekt zich, verscheurt de fijne eischaal en kruipt er uit. Bij de geboorte heeft het lichaam een lengte van 18 à 23 cM. of nog iets meer en in 't midden een dikte van ongeveer 1 cM. De kop, de schilden, schubben, tanden, tandscheeden, enz. hebben denzelfden vorm als bij de volwassen dieren; het lichaam is echter met een zeer fijne, doorzichtige, los aanliggende opperhuid bekleed, waardoor de kleur veel lichter schijnt. Weinige minuten of uren na de geboorte wordt deze opperhuid afgeworpen; de vervelling is dus de eerste belangrijke verrichting van het zelfstandige dier. Uit proeven en waarnemingen blijkt, dat Adders, weinige minuten nadat zij uit het ei zijn gekomen, reeds een dier vergiftigen kunnen.
De Adder blijft in de vrije natuur boosaardig tot aan haar einde; hetzelfde geldt van het gevangen dier. Hoewel zij haar zinnelooze woede mettertijd eenigszins bedwingt en minder dikwijls bijt dan in den beginne, laat zij zich nooit werkelijk temmen. Daar men haar nooit kan leeren niet meer naar haar verzorger te bijten, blijft de omgang met de Adder steeds gevaarlijk. Opmerkelijk is het, dat gevangen exemplaren zelfs bij de zorgvuldigste verpleging slechts bij uitzondering voedsel aannemen. Wel geschiedt dit soms, wanneer men haar hok op zulk een wijze inricht, dat het zoo getrouw mogelijk een van hare lievelingsplekjes in de vrije natuur nabootst. In den regel echter wijden deze dieren zich aan den hongerdood; men kan ze zelden langer dan 9 maanden behouden.
Hoewel van alle inheemsche Slangen de Adder het krachtigst medewerkt tot de verdelging van schadelijke dieren, is niemand haar dankbaar voor de diensten, die zij bewijst; ieder tracht haar te dooden waar en hoe hij kan. Geen enkel inheemsch dier verdient deze onmeedoogende vervolging zoozeer als de Adder. Nog steeds komen gevallen voor van menschen, die aan de gevolgen van een adderbeet gestorven zijn of hierdoor in gevaar hebben verkeerd. Vele van deze gevallen blijven onbekend; hun aantal kan dus niet met juistheid opgegeven worden. Linck, die het gemiddeld aantal sterfgevallen van menschen door adderbeten voor Duitschland op 2 per jaar stelt en het aantal van hen, die gebeten worden, maar er het leven afbrengen, op 40 begroot, is waarschijnlijk niet ver van de waarheid. I. Blum deelt mede, dat, volgens geloofwaardige door hem verzamelde berichten, gedurende de jaren 1879-1888 in Duitschland 17 sterfgevallen tengevolge van adderbeten voorgekomen zijn. Vergiftigingen zonder doodelijken afloop komen zeer dikwijls voor; niet zelden brachten zij ernstige ziekteverschijnselen en zelfs een langdurig lijden teweeg. Door een enkel druppeltje addergif kan een lang leven vergiftigd worden.
Ieder, die uit overdreven genegenheid voor de dieren de Slangen in bescherming neemt, bezondigt zich aan de menschen. Beter zou het zijn, dat alle Slangen, de schuldige zoowel als de onschuldige, uitgeroeid werden, dan dat één mensch door den beet van een vergiftige Slang het leven verliest, of door haar helsch vergif tot een onafgebroken lijden wordt gedoemd. Het is daarom dringend noodig, dat bescherming worde verleend aan de natuurlijke vijanden van de Adder, vooral aan de Bunzing, den Egel en den Slangenbuizerd, en dat geen kwartier worde gegeven aan het venijnig ongedierte! Het is wenschelijk, dat ieder onderwijzer zijne leerlingen bekend make met de Adder, hun leere om zonder gevaar voor zichzelf zulk een dier te dooden, als zij het vinden. Ieder vader zou zijne kinderen kunnen vertellen, dat een enkele flinke slag met een stokje op de ruggegraat van de Adder haar het leven doet verliezen, hoe taai dit overigens ook zij! Laten zij echter nimmer de roekeloosheid begaan van het gevelde dier op te nemen, wanneer zij onbekend zijn met de voorzorgsmaatregelen, die hierbij in acht genomen moeten worden; het dier behoudt nog lang nadat het den doodelijken slag ontvangen heeft, het vermogen om zich te bewegen; de gevaarlijkheid van de giftanden blijft onverminderd bestaan, nadat de kop van den romp gescheiden is. De afgehouwen slangenkop bijt nagenoeg even woedend om zich heen als vroeger, toen de Slang nog leefde; minuten, ja zelfs een half uur na de onthoofding richt hij zich nog steeds naar de zijde, van waar hij zich bedreigd acht; hieruit blijkt, dat de weinig omvangrijke en niet zeer ontwikkelde hersenen nog zeer lang haar werkzaamheid behouden. Het gif verliest zijn schadelijke werking volstrekt niet door den dood van het dier; zelfs het gedroogde gif, dat weder geweekt werd, is nog in staat om het bloed van een Zoogdier te bederven. Voorzichtigheid moet dus ingeprent worden aan ieder, die den lust en den wil openbaart om mede te werken tot vermindering van het aantal Vergiftige Slangen.
Over de behandeling van hen, die het ongeluk hadden door een Adder gebeten te worden, verwijzen wij naar hetgeen hierover vroeger werd medegedeeld.
In het zuidwesten van Europa wordt de Adder gedeeltelijk vervangen door een verwante soort, die meer dan eenige andere aanspraak heeft op den naam "Vipera", daar zij aan de Romeinen der oudheid het meest bekend was en door hen "Vivipara" (de levendbarende) werd genoemd. Zij wordt gewoonlijk als het type van het geslacht Vipera aangezien; de eigenaardigheden, waardoor zij zich van onze Adder onderscheidt, zijn echter van zoo ondergeschikt belang, dat men de slangenkenners, die beide--de Gewone Adder en de Aspis-adder (Vipera aspis, V. Redii)--als onderafdeelingen van dezelfde soort aangemerkt willen hebben, niet terstond ongelijk kan geven. Terwijl bij de Gewone Adder de voorkop met duidelijke schildjes bekleed is, bestaat bij de Aspis-adder de bedekking van dit lichaamsdeel uit platte of een weinig dakvormig uitpuilende schubben, waaronder er zelden meer dan één is, die zich door haar grootte eenigszins van de overige onderscheidt. De Gewone Adder heeft gewoonlijk één rij van kleine schubjes tusschen het oog en de bovenlipschilden; bij de Aspis-adder komen altijd twee dergelijke reeksen van schubjes voor. Bovendien is de spits van den snuit bij de laatstgenoemde een weinig verheven en de kant van den snuit boven de teugelstreek scherper. In deze opzichten verschillen beide Adders standvastig van elkander, overigens komen zij overeen; slechts na nauwkeurige onderzoeking en vergelijking vallen de kenmerken in 't oog, die ons veroorloven de eene van de andere te onderscheiden.
De Aspis-adder bereikt bijna volkomen dezelfde grootte als de Gewone Adder, maar heeft meestal een eenigszins meer gedrongen lichaamsbouw en een breederen kop. Op den rug ziet men niet, of althans veel zeldzamer dan bij de Gewone Adder, een samenhangende, getakte band, maar eenvoudig groote, vaneengescheiden vlekken, die echter geheel op dezelfde wijze gerangschikt zijn als die, welke den rugband van de Gewone Adder vormen. De grondkleur, waarop de donkere teekening uitkomt, kan ook hier verschillende tinten vertoonen, van effen witachtig grijs tot aschgrauw of grijsgroen en van lichtbruinachtig tot koperrood of bruinzwart varieeren. Evenals bij de Gewone Adder, zijn ook bij de Aspis-adder, de mannetjes gewoonlijk lichter van kleur dan de wijfjes.
De Aspis-adder bewoont een groot deel van Frankrijk, komt in Zwitserland veelvuldig voor in de Jura en in eenige deelen van de kantons Waadtland, Wallis en Zuid-Tessino, is in Italië, met inbegrip van Sicilië, doch met uitzondering van Sardinië de algemeenste van alle Vergiftige Slangen, wordt echter reeds in Dalmatië en Griekenland en in Noord-Afrika niet meer aangetroffen. Binnen de grenzen van Duitschland beperkt zich haar verbreidingsgebied tot Lotharingen en het zuiden van het Schwarzwald. In Oostenrijk heeft men haar met zekerheid slechts in Tirol herkend.
In aard en gewoonten gelijkt de Aspis-adder zeer veel op de Gewone. Hare bewegingen zijn langzaam en zeer plomp. Zij is bevreesd voor den mensch, tracht hem te ontvluchten en maakt van hare verdedigingsmiddelen alleen dan gebruik, wanneer men haar vlucht verhindert, haar aanraakt of den voet op haar zet; ook bijt zij in den stok of in andere voorwerpen, die men gebruikt om haar te vangen. Waarschijnlijk gebruikt zij hetzelfde voedsel als de Gewone Adder en maakt dus bij voorkeur op verschillende soorten van Muizen jacht.
Ook in gevangenschap gedraagt zij zich als haar bij ons inheemsche verwante. Nooit slaagt men er in haar eenigszins te temmen; hoewel na een verblijf van eenige maanden in het hok haar opgewektheid verminderd is, tracht zij nog een half jaar na het verlies van haar vrijheid haar verzorger te bijten. Zelden kan men haar bewegen voedsel te gebruiken; eenige van Wyders gevangenen bleven 16 maanden lang zonder voedsel, hoewel zij dikwijls water dronken. Evenals de Gewone Adder spuwt zij, kort nadat men haar gevangen heeft, het nog in de maag aanwezige voedsel uit. Een zeer dik exemplaar, dat bij gebrek aan een andere bewaarplaats in een herberg een waterkaraf tot woning kreeg, had tot verrassing der toeschouwers den volgenden morgen een grooten Mol bij zich. Het verwijderen van dit doode dier kostte meer moeite dan er noodig was geweest om de Adder met den door haar verzwolgen buit in de flesch te brengen. De Aspis-adder leeft in de vrije natuur zoowel als in de kooi met andere Slangen in vrede; deze vreezen haar niet. Tegen Huismuizen en Ratten neemt zij echter dadelijk een dreigende houding aan. De door haar gebeten Muis sterft aan deze enkele wonde binnen 5 minuten, een Rat eerst na 20 minuten en zelden zonder vooraf wraak te nemen op haar vergiftigen vijand.
Francesco Redi (in 1697 als lijfarts van den Groothertog van Toscane te Pisa overleden) heeft de ongegrondheid aangetoond van de meeningen der ouden, die de zetel van het vergif van de Aspis-adder in de galblaas, het speeksel en zelfs in de spits van den staart zochten. Uit zijne proeven bleek de vergiftige werking van het gele vocht, dat bij levende en doode dieren in de slijmvliesscheeden van de groote bovenkaakstanden gevonden wordt. Fontana heeft in het einde van de 18e eeuw deze onderzoekingen voortgezet. Hij liet meer dan 4000 dieren bijten door Aspis-adders, waarvan meer dan 3000 exemplaren voor deze proefnemingen dienst deden. Met alle bekende tegenmiddelen werden proeven genomen, niet slechts bij een enkel dier, maar bij vele te gelijk; de slotsom van al deze onderzoekingen was, dat strikt genomen van geen der bedoelde middelen genezing kan worden verwacht. Fontana was van oordeel, dat de beet van één Aspis-adder niet voldoende zou zijn om een mensch te dooden, maar dat hiervoor wel 5 of 6 beten vereischt worden: ongelukkig is deze meening onjuist gebleken; ons zijn wel niet vele, maar toch eenige gevallen bekend van menschen, die aan de gevolgen van één adderbeet stierven.
Een derde Europeesche Vergiftige Slang, de Zandadder (Vipera ammodytes), is kenbaar aan een eigenaardigheid van de spits van den snuit, die een met schubben bedekt, zacht hoornachtig verlengstuk draagt, dat op een kegelvormige wrat gelijkt. Van onze Adder verschilt zij, door de bedekking van den kop, waarop zich evenals bij de vorige soort, behalve de bovenoogschilden, geen groote platen bevinden. Door gestalte en zelfs door kleur en teekening vertoont deze Adder met de beide vorige soorten een groote overeenkomst. Evenals bij deze, is ook bij haar de grondkleur zeer veranderlijk, meestal geelbruinachtig, doch ook wel grijsachtig wit, bij enkele exemplaren in meerdere of mindere mate rood getint, bij sommige zelfs fraai rozerood. De teekening bestaat uit een bruinen, getakten band, die in den nek begint, zich over den geheelen rug en den staart uitstrekt en uit langwerpige, ruitvormige vlekken is samengesteld, die ieder door twee overstaande hoeken met de vorige en de volgende verbonden zijn. De rugband is aan weerszijden begrensd door een zwarte lijn en komt hierdoor beter uit. De schilden van de onderzijde zijn op geelachtigen grond zwart gestippeld en gevlekt. De grondkleur kan zeer verschillend en de rugband meer of minder duidelijk zijn, steeds echter is de Zandadder gemakkelijk te herkennen aan het uitwas op haar neus. De staart is van onderen bij de spits vurig steenrood van kleur. Exemplaren van 95 cM. lengte behooren tot de zeldzaamheden; toch is deze Adder over 't algemeen eenige cM. langer dan hare reeds genoemde verwanten.
De Zandadder bewoont Italië, het Oostenrijksche Alpengebied, Istrië, Dalmatië, het zuiden van Hongarije en Zevenburgen, het Grieksche schiereiland en nagenoeg alle Grieksche eilanden, Turkije, Syrië, Klein-Azië en Turksch- zoowel als Russisch-Armenië.
E. Schreiber noemt de Zandadder een volslagen nachtdier; zelfs in oorden, waar zij tot de algemeenste Slangen behoort, ontmoet men haar over dag meestal slechts zelden. Het liefst nog verlaat zij over dag haar schuilplaats na een warmen onweersregen, vooral wanneer deze onmiddellijk gevolgd wordt door zonneschijn. Des nachts daarentegen komt zij geregelder te voorschijn; vooral bij lichte maan kan men haar op geschikte plaatsen dikwijls in grooten getale zien rondkruipen om voedsel te zoeken. Niet overal trouwens kiest deze Slang hetzelfde terrein tot woonplaats; in vele gewesten, o. a. in de Zuidelijke Alpen en den Karst, treft men haar uitsluitend in kalksteengebergten aan, vooral in dorre, met struikgewas schaars begroeide oorden; op het Balkan-schiereiland daarentegen is zij vooral in de wijnbergen veelvuldig. In de echte vlakten zal zij trouwens slechts zelden voorkomen; meer algemeen ontmoet men haar althans in heuvelachtige of bergachtige streken.
Volgens Erber voedt de Zandadder zich met Muizen, Vogels en Hagedissen; de Vogels weet zij zeer listig te besluipen; de argelooze gevederde zanger krijgt dikwijls te midden van zijn gezang een doodelijken beet. "Meestal jammerlijk schreeuwend verheft de gewonde Vogel zich nog eens in de lucht; onmiddellijk daarna stort hij echter ter aarde, sterft binnen weinige minuten en wordt door de Slang verzwolgen."
De eerste Zandadders, die Effeldt kreeg, werden hem toegezonden met de opmerking, dat zij in de gevangenschap nooit voedsel aannemen; het tegendeel bleek echter juist bij deze exemplaren; één van hen greep en verzwolg zonder aarzeling de Muis, die in het hok geworpen werd. Later gebeurde hetzelfde herhaaldelijk; enkele exemplaren onderscheidden zich zelfs door vraatzucht, ontnamen het voedsel aan hunne soortgenooten en verwanten, scheurden zwakkere individuën onder woedend gesis de half verzwolgen Muizen uit den bek en verzadigden zich, terwijl de andere gebrek moesten lijden. Doode Muizen werden niet versmaad, ten slotte geraakten de Slangen zoozeer gewoon aan dit voedsel, dat zij het niet meer noodig achtten hare wapens te gebruiken bij het grijpen van een Muis, om 't even of deze dood was of niet.
De Zandadder leeft in zeer goede harmonie met andere Slangen, ook met de niet-vergiftige; over 't geheel genomen is zij een betrekkelijk vreedzaam dier, dat zich om andere dieren, natuurlijk met uitzondering van Muizen en Vogels, in 't geheel niet bekommert, zoolang men haar met vrede laat. Jegens haar verzorger toont zij van den aanvang af minder lust tot bijten dan de Gewone Adder; bovendien wijzigt zij haar gedrag tot op zekere hoogte naar de omstandigheden, laat zich althans in meerdere mate temmen dan haar inheemsche verwante en behoort derhalve tot de weinige Vergiftige Slangen, die den dierenliefhebber werkelijk eenige voldoening schenken. Toch blijft ook zij altijd gevaarlijk.