Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren

Part 20

Chapter 203,354 wordsPublic domain

Met den opmerkelijken lichaamsbouw van deze Slangen staan haar verblijfplaats en levenswijze in verband, zoodat deze onderfamilie in alle opzichten een goed gesloten geheel vormt. Alle Zeeslangen leven, zooals haar naam aanduidt, uitsluitend in de zee, komen (behoudens enkele uitzonderingen) nooit op het land en zwemmen evenmin uit eigen beweging de rivieren op. Alle brengen hare jongen levend ter wereld. Zij bewonen den Indischen Oceaan en de Stille Zuidzee, van de Kaap de Goede Hoop en de kusten van Madagaskar tot aan de landlengte van Panama en van Nieuw-Zeeland tot Japan, vooral echter die gedeelten van den Oceaan, welke tusschen de kust van Zuid-China en die van Noord-Australië gelegen zijn. Naar het schijnt, komen zij in aard, zeden en gewoonten onderling overeen.

Bij de Platstaarten (Platurus) is de romp bijna rolvormig, op den rug dakvormig; haar schubben- en schildenkleed gelijkt op dat van de andere Slangen.

Van de drie bekende soorten van dit geslacht komt de Geringde Platstaart (Platurus laticaudatus) het veelvuldigst voor en is het meest bekend. Haar lengte kan 1 M. bedragen. De grondkleur van de bovenzijde is meer of minder helder blauwachtig of groenachtig zwart, die van de onderzijde wisselt af van geelachtig tot guttegomgeel; 25 à 50 zwarte ringen omgeven het geheele lichaam; een zwarte vlek op de kruin is aan weerszijden door een overlangschen band verbonden met dwarse vlekken op den achterkop en den nek.

Volgens Cantor wordt deze soort in de Golf van Bengalen bij de kust van Pondichery, in de buurt van de Nikobaren, Andamanen en Molukken, van Timor, Celebes, Nieuw-Guinea en Zuid-China aangetroffen. Het schijnt, dat zij niet uitsluitend de zee bewoont, daar men verscheidene exemplaren op de kust gevonden heeft.

Bij de Pelamiden (Hydrus) is de kop plat, de snuit zeer lang, de hals dik, de romp kort, sterk zijdelings samengedrukt, van boven stomp en van onderen scherp en kort.

De Tweekleurige Zeeslang of Plaatjesslang (Hydrus bicolor), is van boven donker bruinzwart, aan de onderzijde licht geelbruin, okergeel of citroengeel; beide kleuren zijn scherp van elkander gescheiden, behalve aan het staartgedeelte, waar zij banden of vlekken vormen. Zelden wordt het dier meer dan 85 cM. lang.

Ook de Plaatjesslang is een van de algemeenste en meest bekende soorten van haar onderfamilie, daar haar verbreidingsgebied zich uitstrekt over den Indischen Oceaan en het tusschen de keerkringen gelegen deel van de Stille Zuidzee. Zij komt veelvuldig voor in de nabijheid van de kusten van Bengalen, Malabar, Sumatra, Java, Celebes en Zuid-China, voorts in de Perzische Golf en aan de westkust van Midden-Amerika; men heeft haar echter ook in de buurt van Japan, van Madagaskar en zelfs van de Kaap de Goede Hoop waargenomen.

Bij de Roeistaartslangen (Distira) is de kop klein en langwerpig, de romp lang, van voren dun en rond, van achteren dik en samengedrukt, de staart breed. Het schubbenkleed is bij de verschillende soorten ongelijk; de schubben aan het voorste derde deel van den romp zijn altijd echter dakpansgewijs gerangschikt.

Vermelding verdient de Gestreepte Roeistaartslang (Distira cyanocincta), daar ook zij een van de veelvuldigst voorkomende Zeeslangen is. Zij kan 1.75 M. lang worden. De grondkleur van de bovenzijde is olijfgroen; de onderdeelen zijn groenachtig geel. De teekening bestaat uit 50 à 75 zwarte dwarsbanden, die zeer verschillend kunnen zijn: de jongen hebben ringen, die dikwijls op het midden van den buik ineenvloeien, maar, naarmate het dier ouder wordt, hoe langer hoe meer van de buikzijde terugwijken en hier verflauwen of zich in vlekken verdeelen, in den regel echter ten slotte tot de rughelft beperkt blijven en op het midden van den romp het breedst zijn.

Het verbreidingsgebied van deze soort reikt van de Perzische Golf tot aan de Japansche Zee.

Ervaren zeelieden, die den Indischen Oceaan herhaaldelijk doorkruist hebben en steeds nauwkeurig acht gaven op de hier voorkomende verschijnselen, beschouwen de aanwezigheid van Zeeslangen als een kenteeken van de nabijheid van het land, daar deze dieren zich slechts bij uitzondering ver van de kust verwijderen. Het liefst houden zij zich op in de breede zeearmen tusschen de eilanden. Waarschijnlijk trekt het betrekkelijk stille en niet al te diepe water, dat zij hier vinden, haar zeer aan; de belangrijkste reden voor haar voorkeur zal echter wel zijn, dat de dieren, die zij tot voedsel gebruiken in deze gedeelten der zee in overvloed voorkomen. Wel is waar heeft men ze soms in volle zee aangetroffen, maar dan steeds als afgedwaald beschouwd. In het jaar 1837 werden de kolonisten van Nieuw-Zeeland op hoogst onaangename wijze verrast door de ontdekking, dat zich in de nabijheid van hunne eilanden een groot aantal Zeeslangen ophielden. Gelukkig bleek de vrees, die door de verschijning van deze vergiftige dieren opgewekt werd, ongegrond: de vreemde gasten verdwenen spoedig weer; misschien zijn zij teruggekeerd naar de plaatsen vanwaar zij kwamen, misschien in den vreemde omgekomen. Een dergelijk verschijnsel werd, naar men zegt, ook in de nabijheid van Panama en bij Kaapstad waargenomen. Voor zoover bekend, is tot dusver nog nooit een dergelijke Slang naar den Atlantischen Oceaan afgedwaald. Soms komt het voor, dat deze dieren door den vloed tot in de kustrivieren worden gevoerd; ook hier neemt men ze echter altijd slechts gedurende korten tijd waar, daar zij in zoet water niet kunnen leven. Gevangen Zeeslangen sterven na 2 of 3, of hoogstens 10 dagen, zelfs wanneer men ze in zeewater houdt. Ook uit andere waarnemingen blijkt, dat deze Slangen in niet mindere mate zeedieren zijn dan de Cetaceeën en de Oceaanvogels; buiten de zee kunnen zij niet bestaan.

Over haar levenswijze zijn, gelijk licht te begrijpen is, de mededeelingen verre van volledig. In tegenstelling met hare verwanten uit andere familiën ziet men de Zeeslangen gewoonlijk in grooten getale bijeen, soms in troepen, die over een zekere uitgestrektheid het water letterlijk vullen. Zij zwemmen hier met den kop boven water en doen dit op soortgelijke wijze als andere Slangen; hoewel deze, althans voorzoover zij slechts tijdelijk in 't water verblijf houden, verre bij haar achterstaan, wat lichtheid, vlugheid en bevalligheid van beweging betreft. Bij stil weder liggen zij schijnbaar slapend, niet zorgeloos, maar toch ook niet schuw aan de oppervlakte. Soms laten zij zich door een tusschen haar doorzeilend schip nauwelijks storen, terwijl een andere maal het geringste gedruisch, dat haar verdacht voorkomt, de nadering van een boot b.v., tot een algemeene vlucht aanleiding geeft: terwijl zij naar de diepte duiken, ledigen zij de longen; een aantal achtereenvolgens naar boven stijgende luchtbellen is dan het eenige, waaruit haar aanwezigheid blijkt. Dat zij tot aanzienlijke diepten afdalen, blijkt uit den inhoud van haar maag; ook heeft men opgemerkt, dat zij geruimen tijd onder water kunnen blijven.

De Zeeslangen zijn zeer behendige, opvliegende en kwaadaardige dieren; in haar element bijten zij even woedend als andere Gifslangen op het land naar iederen werkelijken of denkbeeldigen vijand, zoodat ook zij in haar drift soms zich zelf wonden toebrengen. Door de inboorlingen, die het visschersbedrijf uitoefenen, worden zij te recht zeer gevreesd; haar gif is even werkzaam als dat van de overige Giftandige Colubriden.

Het voedsel voor de Zeeslangen bestaat uit Visschen en Schaaldieren; deze vallen aan de jongen, gene aan de volwassenen ten buit. Alle Zeeslangen zijn zeer vraatzuchtig. Gewoonlijk zijn de bovenste waterlagen haar jachtgebied; bij stormachtig weer echter jagen zij op grootere diepten. Bij gevangen exemplaren heeft men kunnen waarnemen, dat de pupil zich sterk kan vergrooten en verkleinen, zoodat het oog op zeer verschillende diepten (bij velerlei lichtsterkten) dienst kan doen. Het volle, niet door het water verzwakte daglicht oefent een zoo hevige werking op haar oog uit, dat de pupil zich tot een stipje samentrekt en zijzelf letterlijk verblind zijn, gelijk uit hare onbeholpen bewegingen blijkt.

Van de voortplanting der Zeeslangen is nog niet veel bekend. De drachtigheidsduur zal waarschijnlijk ongeveer 7 maanden bedragen. De jongen verbreken de eischaal bij hun geboorte en beginnen dadelijk de levenswijze hunner ouders.

Als vijanden van de Zeeslangen heeft men de Oost-Indische Zeearend en de Haaien leeren kennen. In de maag van Haaien vond Peron geregeld overblijfselen van Zeeslangen; deze worden hoogst waarschijnlijk gedurende haar slaap door den Roofvisch gevangen en zonder eenige vrees voor de giftanden door den wijden slokdarm gestuwd. Niet minder gevaar loopen zij bij hevige stormen, waardoor zij dikwijls in menigte op het land geworpen worden. De met ruig gekielde schubben bekleede Zeeslangen zijn dikwijls begroeid met allerlei wieren, Mosdiertjes enz. en voeren soms een drijvend woud mede, dat met allerlei vastgehechte Schaaldiertjes bevolkt is. Dit eigenaardig kleed, dat misschien haar te pas komt bij het verkrijgen van haar voedsel, wekt in hooge mate onze belangstelling, daar het een der middelen is, waarvan de natuur zich bedient om aan laag ontwikkelde zeeplanten en zeedieren een grooter verbreidingsgebied te verschaffen. Naar het schijnt, spelen de Zeeslangen hierbij een belangrijke rol en zijn zij in staat om vele van de wezens, die haar lichaam als woonplaats hebben uitgekozen, over een grooten afstand te vervoeren.

De laatste familie van de Slangen is die der Adders (Viperidae); alle hiertoe behoorende soorten zijn vergiftig en brengen, voorzoover men ze heeft kunnen nagaan, hare jongen levend ter wereld. Zij hebben een dikken romp, een platten, dikwijls driehoekigen kop, een korten, stompen staart, zeer korte bovenkaaksbeenderen, die geen andere tanden dragen dan ongegroefde, doorboorde, haakvormige giftanden, voorts oogen met spleetvormige, loodrecht geplaatste pupil. Door deze kenmerken onderscheiden zij zich doorgaans van de Slangadders, hoewel er overgangsvormen bestaan, die de omschrijving van deze beide groepen bemoeielijken.

Duidelijk zijn de beide onderfamiliën, waarin men de Viperiden verdeelt--de Echte Adders (Viperinae) en de Groefkopadders (Crotalinae)--kenbaar aan de diepe groeve tusschen het neusgat en het oog, die bij laatstgenoemde voorkomt. De Adders bewonen uitsluitend de Oude Wereld en worden vooral in Afrika door een groot aantal soorten vertegenwoordigd. Het verbreidingsgebied van de Groefkopadders omvat Amerika van de Vereenigde Staten tot Patagonië en strekt zich verder over Azië, westwaarts tot aan de grenzen van Europa uit.

Als type van het geslacht der Adders (Vipera) en van de geheele onderfamilie beschouwen wij de inheemsche Adder (Vipera berus). Het geslacht kenmerkt zich, doordat de kruin niet met schilden, maar met schubben bekleed is en er (behoudens zeldzame uitzonderingen) slechts een enkele reeks van schubben voorkomt tusschen het oog en de hieronder gelegen bovenlipschilden. De kleur en teekening van de genoemde soort varieeren zeer sterk: een donkere zigzagstreep, die zich langs den geheelen rug uitstrekt, is bijna altijd aanwezig en daarom als kenmerk van belang.

Door haar gestalte onderscheidt de Adder zich van de overige inheemsche en de meeste Europeesche Slangen; hiervan zijn de naaste verwanten van de Gewone Adder, de Aspisadder en de Zandadder, natuurlijk uitgezonderd. De kop is van achteren aanmerkelijk breeder dan de hals, tamelijk plat en van voren zacht afgerond, de hals duidelijk begrensd en zijdelings een weinig samengedrukt, de romp merkbaar dikker dan de hals en even breed als hoog, de rug eenigszins, de buik sterk afgeplat; de betrekkelijk korte staart wordt in 't laatste derde gedeelte van zijn lengte in 't oog vallend dunner en loopt in een korte, harde spits uit. De romp neemt van den hals tot het midden van 't lichaam langzamerhand in dikte toe en wordt van hier weer dunner tot aan den staart, waarin hij zonder duidelijk merkbare afscheiding overgaat. Bij het mannetje is de romp korter en slanker, de staart daarentegen betrekkelijk langer en dikker dan bij het wijfje. De lengte van het volwassen mannetje bedraagt ongeveer 60 cM., zelden 5 cM. meer, meestal minstens evenveel minder; het volwassen wijfje is in den regel niet meer dan 70, soms echter 81 cM. lang. Alle schubben hebben een meer of minder duidelijke, overlangsche kiel, die echter op de reeks, welke aan de buikschilden grenst, slechts flauw aangeduid is; de onderzijden is met breede dwarsschilden bekleed, die op den staart een dubbele reeks vormen. Een zeer belangrijk kenmerk levert het schild, dat de kloakopening bedekt (het aarsschild), daar het altijd ongedeeld is en dus niet uit twee schubben bestaat; deze eigenaardigheid komt bij geen andere inheemsche Slang voor (en onder de Duitsche Slangen alleen nog maar bij de Aspis-adder). Het aantal en de vorm der kopschilden varieeren sterk.

Waarschijnlijk vindt men slechts bij weinige Slangensoorten even groote individueele verschillen van kleur als bij de Adder. Als regel kan men echter aannemen, dat de grondkleur van het mannetje met lichte, die van het wijfje met donkere tinten genuanceerd is; bij genen hebben dus witte, zilvergrijze, licht aschgrauwe, zeegroene, lichtgele en lichtbruine, bij deze bruingrijze, roodbruine of olijfgroene, zwartbruine en dergelijke kleuren de overhand. Hoe verschillend echter de grondkleur ook zij, een donkere, overlangsche, getakte "rugband" komt er merkbaar op uit en is slechts bij zeer donker gekleurde wijfjes en bij de zuiver zwarte variëteit weinig of niet waarneembaar. Deze band loopt zigzagswijs van den nek tot aan het puntje van den staart over den geheelen rug, aan weerszijden vergezeld door een overlangsche reeks van donkere vlekken. Behalve deze zigzagstreep verdient ook de teekening op den kop, waaraan de Adder den Duitschen naam "Kreuzotter" dankt, vermelding. Twee overlangsche strepen, omgeven door ongeregeld geplaatste vlekken en streepjes, versieren het midden van de kruin en komen hier dikwijls zoo dicht bijeen, dat zij elkander raken; zij beginnen op het oogschild, loopen naar het midden van de kruin, worden hier soms door een vlek van gelijke kleur verbonden, wijken vervolgens weer uiteen en vormen verder achterwaarts een duidelijken hoek, welks top naar voren is gericht; deze hoek neemt als 't ware den eersten scheefhoekigen vierhoek van de rugteekening tusschen zijne beenen op. De onderdeelen van de Adder zijn meestal donkergrijs of zelfs zwart; ieder schild vertoont echter in den regel een aantal geelachtige vlekken van buitengewoon verschillenden vorm.

Het groote, ronde, vurige oog krijgt door het vooruitstekende bovenoogschild, waaronder het gelegen is, een eenigszins valsche (of fiere) uitdrukking en draagt er werkelijk toe bij om de Adder te kenmerken, vooral wanneer men niet vergeet, dat bij geen enkele andere inheemsche Slang de pupil een scheeve, van voren en boven naar onderen en achteren gerichte, overlangsche spleet is. Bij helder zonlicht krimpt deze spleet tot een nauwelijks merkbare lijn ineen; in het donker daarentegen verwijdt zij zich zeer sterk. De kleur van het regenboogvlies is gewoonlijk helder vuurrood, bij donkerkleurige wijfjes licht roodachtig bruin.

De donkere variëteit werd lang voor een afzonderlijke soort (Vipera prester) gehouden. Zorgvuldiger onderzoekers vonden het echter vreemd, dat bijna alle Adders van deze kleur wijfjes waren; toen het bovendien bleek, dat hare jongen zich in geen enkel opzicht van de Gewone Adders onderscheiden, kon er geen sprake meer zijn van soortverschil.

De Adder heeft een uitgestrekter verbreidingsgebied dan eenige andere Europeesche Slang en zelfs dan eenige andere landslang, daar het van Portugal in 't westen tot het eiland Sachalin in 't oosten reikt, in Skandinavië den poolcirkel overschrijdt, terwijl de zuidelijke grens aan de eene zijde door het midden van Spanje, aan de andere door het noorden van Perzië loopt.

De Adder komt bij ons het meest voor in hooge veen- en droge zandstreken van Groningen, Friesland en Drente; ook wordt zij in Overijsel hier en daar, in Gelderland tusschen Arnhem en Wageningen (tamelijk zeldzaam) en in de omstreken van Barneveld, in Utrecht in de omgeving van Zeist en Driebergen, in Noordbrabant nabij Vught en Boxtel aangetroffen.

In de Alpen ontmoet men haar nog op een hoogte van 2000 M., dus boven de grens van den groei der loofboomen, in oorden, waar zij hoogstens gedurende drie maanden van het jaar in de vrije natuur kan verkeeren, drievierde deel van haar leven daarentegen in winterslaap moet doorbrengen. Voorwaarden voor haar gedijen zijn goede schuilplaatsen, een voldoende voeding en zonneschijn; andere eischen schijnt zij niet te stellen aan de streek, die haar een woonplaats zal verschaffen. Al wat noodig is voor haar leven, vindt zij op steenachtige hellingen en rotswanden, indien deze met struikgewas begroeid zijn, op heiden, in het kreupelhout van bosschen, voor zoover dit opene, door de zon beschenen plekken bevat, vooral echter op hoogen veengrond of in steppen. Hier en daar zijn de Adders in zulke oorden uiterst veelvuldig: in het Brennerstädter-woud in Luneburg werden gedurende den hooitijd binnen drie dagen op een terrein van slechts weinige hectaren meer dan 30 van deze Slangen gedood. Om dezelfde reden zijn sommige heidestreken in Noord-Duitschland berucht; in de omstreken van Berlijn komen moerassige boschgronden voor, waar de vrouwen, om zich tegen adderbeten te beveiligen, bij het grasmaaien steeds hooge laarzen dragen. In het echte bergwoud vindt men geen Adders, hoewel zij een met hooge boomen begroeid terrein niet vermijden, wanneer de bodem er met heide begroeid is. Streken, waar zij vroeger niet voorkwamen, worden langzamerhand door haar ingenomen, wanneer de bodem er zulke veranderingen ondergaat, dat zij er veiligheid en buit vinden; het tegenovergestelde verschijnsel heeft plaats, wanneer de omstandigheden voor haar ongunstiger worden.

De eigenlijke woning van de Adder is een hol, dat zij in den grond vindt onder boomwortels of in het gesteente, een gat van een Muis of een Mol, een verlaten woning van een Vos of Konijn, een kloof of iets dergelijks; de voorkeur geeft zij aan een schuilhoek met een klein, open plekje in de buurt, geschikt om er haar naar warmte begeerig lichaam aan de stralen van de zon bloot te stellen. Tenzij de aandrift tot paring haar opwindt en tot omzwervingen op ongewone tijden noopt, blijft zij over dag steeds in de nabijheid van haar woning, waarheen zij in tijd van gevaar terugkeert met een door slaapdronkenheid en traagheid gematigde haast. Wegens haar voorliefde voor zonneschijn hebben sommigen de Adder ten onrechte een dagdier genoemd. Alle nachtdieren, geen uitgezonderd, zijn liefhebbers van zonnewarmte, hoewel zij het licht schuwen; de Kat en de Uil, die zich eveneens door de zon laten koesteren, zijn hiervan duidelijke voorbeelden: gevangen Uilen bezwijken, wanneer men hen gedurende geruimen tijd het genot van zich aan de zonnestralen bloot te stellen geheel onthoudt. Ook de Adder kan er niet buiten. Het is voor dit dier, welks temperatuur met die van de omgeving rijst en daalt, een volstrekte behoefte, uren achtereen languit in den zonneschijn te liggen, een genot om aan het lichaam de warmte te verschaffen, die het traag omloopende bloed niet kan leveren.

Eerst als de schemering aanvangt, begint de Adder haar arbeid, haar kostwinning, haar jacht. Hiervan kan ieder zich overtuigen, die een door Adders bewoond hok zóó inricht, dat men, zonder door de dieren opgemerkt te worden, zien kan, wat zij doen. Ook blijkt dit, wanneer men op plaatsen, waar Adders veelvuldig zijn, 's nachts een vuur aansteekt. De ongewone verlichting trekt de aandacht van de Adders, die, nu wakker zijnde, nader komen om het vreemdsoortige verschijnsel te leeren kennen, dicht bij het vuur kruipen, verwonderd in den gloed kijken en, naar het schijnt, slechts noode zich verwijderen. Des nachts, met behulp van vuur, kan men veel gemakkelijker Adders vangen dan over dag, zelfs op plaatsen, waar men ze 's middags tevergeefs heeft gezocht.

Wie de Adder nooit anders dan over dag heeft nagegaan, noemt haar te recht buitengewoon traag, van beweging afkeerig, stompzinnig en geesteloos, zelfs wanneer men haar met geen andere dieren dan Slangen vergelijkt; nadat men haar des nachts bespied heeft, zal men van meening veranderd zijn. Hoewel de Adder ook dan in behendigheid en snelheid niet wedijveren kan met de slank gebouwde Heiaal of met de Gladde Slang, is toch van de traagheid, die zij over dag toont, 's nachts weinig te bespeuren. Zeer opgewekt en levendig kruipt de gevangen Adder door haar hok of doorkruist, als zij in de vrije natuur verkeert, in alle richtingen haar jachtgebied; in volkomen tegenspraak met haar houding gedurende den dag, let zij op al wat er in haar omgeving voorvalt. Uit waarnemingen en proeven is gebleken, dat zij zich over een vlakken bodem tamelijk snel voortkronkelt; zij kan niet klimmen, maar wel, zich bij scheef gegroeide stammen omhoog werken en weet zich ook in 't water goed te redden. Het water mijdt zij trouwens volstrekt niet in die mate, als gewoonlijk aangenomen wordt. Zij is geen waterdier, zooals de Ringslang en hare verwanten, maar schuwt toch het water in 't geheel niet; in een veenstreek, waar zij niet anders dan zwemmend van de eene droge plek naar de andere kan komen, gevoelt zij zich zeer goed thuis.