Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren

Part 17

Chapter 173,739 wordsPublic domain

De Oelar-boerong is een bewoner van alle Nederlandsch-Indische eilanden, maar komt ook voor op het Maleische Schiereiland en Singapore. Op Java ontmoet men haar in alle wouden (hoewel niet in grooten getale) en zelfs in den plantentuin te Buitenzorg. Bijtlustig als al hare verwanten, maakt zij zich bij de nadering van een vijand onmiddellijk tot den aanval gereed, kronkelt zich, gelijk de Gifslangen, tot een schijf ineen, beweegt trillend den staart heen en weer, buigt den kop zoo ver mogelijk naar achteren, zwaait hem naar links en naar rechts onder aanhoudend uitsteken en terugtrekken van de tong, ontrolt eindelijk eensklaps het voorste deel van den romp, doet in scheve richting een stoot naar voren, maar mist, door het licht verblind, zeer dikwijls haar doel. Op Java vreest niemand haar, daar ieder weet, dat haar beet niet gevaarlijk is; daarentegen wordt een van hare verwanten voor uiterst vergiftig gehouden.

De Holschubbigen (Coelopeltis) zijn Groeftandigen van gerekten, krachtigen lichaamsbouw, welker rolronde romp bekleed is met schubben, die ieder een overlangsche groeve vertoonen. De duidelijk begrensde, groote en hooge kop is in de teugelstreek met een diepe groeve voorzien; de oogen zijn groot en hebben een ronde pupil.

De eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht is de Hagedissenslang (Coelopeltis lacertina), die een lengte van 1.58 M. bereikt, waarvan 35 cM. op den staart komt. De olijfbruine grondkleur van de bovendeelen zweemt bij jonge dieren min of meer naar roodbruin; donkerbruine, geel gezoomde figuren van zeer verschillenden vorm versieren den kop, kleine, langwerpige, zwartachtige vlekken met gele randen de bovenzijde van den romp en den staart; de laatstbedoelde vlekken vormen gewoonlijk vijf overlangsche reeksen en zijn op zulk een wijze gerangschikt, dat iedere reeks met de naburige reeksen afwisselt. Op de schubben van de beide buitenste, overlangsche reeksen van iedere zijde vindt men bovendien een meer of minder groot aantal witachtige of geelachtige vlekken; deze vereenigen zich soms tot een onafgebroken golflijn; bij andere exemplaren is er slechts een smalle zoom van over. De onderzijde van romp en staart is geelachtig wit of bruinachtig geel. Bij deze soort komen vele kleurverscheidenheden voor.

Alle kustlanden van de Middellandsche Zee benevens Portugal, Arabië en Perzië worden door de Hagedissenslang bewoond. Erber vond haar in geheel Dalmatië overal tamelijk veelvuldig. "In de vrije natuur, waar zij onder struiken op Muizen, Hagedissen of Vogels loert, zou men haar dikwijls niet opmerken, als zij haar aanwezigheid niet door een krachtig gesis verried. In de nabijheid van Zara ving ik het grootste dier van deze soort, dat eveneens door een hevig gesnuif mijn aandacht had getrokken. Ik vervolgde het van den eenen struik naar den anderen en kon het gelukkig nog bij den staart vatten, toen het in een gat van den grond sloop. Beschadigen wilde ik de Slang niet; haar onbeschadigd uit den grond trekken was niet mogelijk, daar zij altijd naar beneden trok. Het ging ook niet aan, haar los te laten en vervolgens uit te graven, daar dit in den steenachtigen bodem geen gemakkelijk werk zou zijn geweest. Zoo bleef ik dan, de Slang voortdurend stijf bij den staart trekkend en haar in onrust houdend, twee volle uren zitten. Duim voor duim liet het dier zich terugtrekken, totdat het zich eindelijk snel naar buiten kronkelde. Zijn eerste werk was, onder hevig gesis mij in 't gelaat te springen, waartegen ik mij natuurlijk verweerde; onmiddellijk daarna ledigde het zijn maag, waaruit een sinds kort verzwolgen Wielewaal, vier Muizen en twee Smaragdhagedissen te voorschijn kwamen; weinige uren na deze vermoeiende bezigheid stierf het."

Volgens Fischer bewoont de Hagedissenslang woeste, dorre streken en voedt zich met kleine Zoogdieren, Vogels, Kruipende Dieren en zelfs Sprinkhanen. Het gif van deze Slang doodt binnen 3 of 4 minuten Hagedissen, Vogels en Vorschen; het werkt in de eerste plaats op de ademhaling, daarna op de hartwerking en brengt ten slotte een volslagen verlamming teweeg. Voor grootere dieren, Honden b.v., bleek de beet niet gevaarlijk te zijn; de mensch heeft er nog minder last van, omdat de werking van het gif zich eerst na verscheidene minuten begint te openbaren; bovendien bijt de Slang slechts zelden.

Boomslangen, welker achterste bovenkaakstanden gegroefd zijn, komen in de warme landen van beide halfronden in voor hen geschikte oorden zeer talrijk voor. Bijna alle worden door de inboorlingen voor zeer vergiftig gehouden en daarom gevreesd en geschuwd; de ervaring en een zorgvuldig onderzoek van haar gebit hebben echter bewezen, dat haar beet den mensch volstrekt niet schaadt. Deze Slangen wekken door haar schoone gedaante en bevallige bewegingen in hooge mate de belangstelling van den onbevooroordeelden onderzoeker, ook van de Siameezen, zooals blijkt uit den dichterlijken naam "Zonnestraal", dien zij aan een dezer Slangen geven.

De buit der Boomslangen schijnt uit zeer verschillende dieren te bestaan. Zij eten Hazelmuizen, kleine Vogels, bij voorkeur echter allerlei Hagedissen en Amphibiën, die met haar hetzelfde terrein bewonen.

Tot de Groeftandige Boomslangen behoort het in Zuid-Amerika levende, maar ook in West-Indië en op Madagaskar vertegenwoordigde geslacht der Groene Slangen (Philodryas); een der meest verbreide soorten is de 82 cM. lange Groene Slang (Philodryas viridissimus), die in Guyana en het tropische gedeelte van Brazilië overal gevonden wordt. Dit dier heeft een middelmatig grooten, platten kop, een zijdelings samengedrukten romp en een langen staart. Schitterend is het effen groen van de bovenzijde, iets doffer dat van de onderdeelen.

"In het midden van den zomer," schrijft Günther, "werden twee Zuid-Amerikaansche Groene Slangen aan den Zoölogischen Tuin te Londen te koop aangeboden. Hun levenswerkzaamheid was ondanks de destijds zeer hooge temperatuur zeer gering; zij hielden zich zoo stijf, dat men ze met eenigen schroom aanraakte om het slanke lichaam niet te breken. In haar hok bewogen zij zich langzaam naar een hoek, hieven hier het voorste deel van haar lichaam omhoog en bleven bewegingloos in deze houding liggen. "Groene Slangen kan men niet in 't leven houden", was het oordeel van den oppasser, die, naar het scheen, reeds vele leden van verwante Indische soorten had verzorgd. De takken en twijgen, waarmede hij steeds haar hok had voorzien, wilden zij niet als rustplaats gebruiken. Daar het groene kleed van deze Slangen recht gaf tot het vermoeden, dat zij zich alleen op levende en bebladerde planten op haar gemak zouden gevoelen, werden twee flink ontwikkelde hortensia's in haar hok geplaatst. Nauwelijks was dit geschied, of een van de Slangen wendde haar kop naar de planten en scheen achtereenvolgens iederen tak, ieder blad te onderzoeken. Plotseling, zoodat men haar beweging nauwelijks met het oog kon volgen, schoot zij op een van de heesters toe, kronkelde zich eenige malen door de twijgen en rolde zich ten slotte ineen op een plaats, waar haar lichaam bijna geheel op groene plantendeelen kon rusten. Dit alles was zoo snel gebeurd, dat ik, naar de eene Slang kijkend, niet bemerkt had, dat haar gezellin op dezelfde wijze in den anderen heester een schuilplaats had gevonden; hoe klein de ruimte ook was, kon ik haar eerst na eenig zoeken te midden van de bladen onderscheiden. Sedertdien tijd verkeeren beide exemplaren in blakenden welstand; men heeft ze nooit meer op den bodem gezien; slechts nu en dan steekt een der Slangen het voorste deel van 't lichaam boven de plant uit en gelijkt dan veel op een groenen, onbebladerden tak."

Nog duidelijker zijn de Zweepslangen of Snuffelslangen (Dryophis) voor het leven te midden van de boomen ingericht. De romp en de staart zijn buiten verhouding lang en slank; de zeer lange en smalle kop eindigt in een spitsen, niet zelden slurfvormig verlengden snuit; de mondspleet strekt zich tot ver achter de oogen uit; deze zijn groot en hebben een horizontale, spleetvormige pupil; de kleine neusgaten zijn zijdelings geplaatst. Alle bekende soorten van dit geslacht bewonen de keerkringsgewesten van Azië.

De Zweepslangen dragen haar naam niet ten onrechte; zij kunnen werkelijk het best vergeleken worden met het koord van een zweep, zóó slank, zóó buitengewoon lang is haar romp. In verband met dezen lichaamsbouw houden zij zich steeds te midden van de groene deelen der boomen op en gevoelen zich nergens anders op haar plaats. Op den bodem zijn hare bewegingen onbeholpen en langzaam, in de boomkroon even bevallig als behendig. Zij maken jacht op Vogels, Hagedissen en Boomvorschen, in haar jeugd ook op Insecten; haar vraatzucht en bijtlust zijn buitengewoon groot; onverwachts schieten zij toe op ieder wezen, dat in haar nabijheid komt en bijten in ieder voorwerp, dat haar voorgehouden wordt; toch geeft men ze hier en daar als speelgoed aan kinderen.

De Donkere Zweepslang (Dryophis pulverulentus), die op Ceylon en op de Anaimalai-bergen van Zuid-Indië op ongeveer 570 M. hoogte leeft, is op bruingrijzen grond van boven en van onderen purperkleurig gemarmerd en met donkerbruine stippels geteekend. Daar de huid tusschen de schubben deels wit, deels zwart is, zal het dier, als het zich strekt, met onderling afwisselende ringbanden van deze kleuren geteekend zijn; een bruine teugelstreep reikt tot aan het oog. Van de totale lengte, die 1.67 M. kan bedragen, komt twee vijfde op den staart.

De Watergroeftandigen (Homalopsinae) verschillen van hare op het land levende verwanten door de plaatsing der neusgaten, die naar de bovenzijde van den snuit verschoven zijn, en door den vertikalen stand van de spleetvormige pupil hare kleine oogen. Zij bewonen het zuiden van China, Oost-Indië, de Molukken, Nieuw-Guinea en het noorden van Australië en leven nagenoeg voortdurend in het water; slechts nu en dan vindt men een enkel exemplaar op vlakke gedeelten van den oever liggen. Verscheidene Indische soorten zwemmen de rivieren af tot in zee en gedragen zich hier als echte Zeeslangen. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit Visschen en zwemmende Schaaldieren met zachte huid. Deze volstrekt niet opvliegende of bijtlustige, kortom aanvallige dieren zijn goedaardiger dan de meeste Colubriden en zouden tot sieraad kunnen strekken voor onze aquariën, indien er kans bestond ze levend over te brengen. Alle leden van deze onderfamilie brengen (evenals alle overige in 't water levende Slangen) levende jongen ter wereld.

Tot het geslacht der Waterslangen (Homalopsis) behoort de Boa-waterslang (Homalopsis buccata), die door haar uiterlijk eenigszins aan een Boa herinnert, maar slechts 1 M. lang wordt. De rug is met kleine, gekielde schubben bekleed en prijkt met breede, donkerbruine, zwart gezoomde dwarsbanden, die met smalle, lichtbruine tusschenruimten afwisselen. De kop is van boven met hoekige figuren, aan weerszijden met een donkerbruine overlangsche streep versierd; aan weerskanten van de witachtige onderzijde van den romp komt een overlangsche reeks van bruine vlekken voor; de onderzijde van den staart is eveneens bruin gevlekt. Deze soort bewoont Achter-Indië, het Maleische Schiereiland en de Groote Soenda-eilanden; zij is vooral op Java veelvuldig, waar men haar Oelar-ajar noemt, evenals andere in zoet water levende Slangen, onverschillig of zij tot het geslacht Homalopsis of tot het geslacht Tropidonotus behooren.

De Giftandigen (Proteroglypha) vormen de derde en laatste reeks van de groote familie der Colubriden. Zij kenmerken zich door het bezit van gegroefde tanden aan het voorste gedeelte van het bovenkaaksbeen; bij sommige geslachten komen in dit been geen andere tanden voor dan deze, bij de overige worden zij gevolgd door eenige kleinere, massieve, ongevoorde tanden. Alle leden van deze groep, geen enkele uitgezonderd, zijn vergiftig. Zij worden in twee onderfamiliën gerangschikt: de Slangadders (Elapinae), die door haar lichaamsbouw voor het verblijf op den grond of in boomen geschikt zijn, en de uitsluitend in zee levende Zeeslangen (Hydrophiinae).

De Slangadders (Elapinae), zoo genaamd, omdat zij door haar gestalte op niet-vergiftige leden van haar familie gelijken, zijn kleinkoppige Slangen met een korten, tamelijk spits eindigenden staart; haar lange romp is op de dwarse doorsnede nagenoeg cirkelvormig of door het uitpuilen van het midden van de rugzijde afgerond driehoekig. De neusgaten zijn aan de zijden van den afgeronden snuit gelegen; de teugelschilden ontbreken altijd; de kop is op regelmatige wijze met groote schilden bekleed; overigens is de bedekking van het lichaam zeer verschillend.

Deze onderfamilie, die zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld vertegenwoordigd is, ontwikkelt op het oostelijk halfrond de grootste verscheidenheid van vormen. De talrijke Gifslangen van Australië behooren alle tot deze groep. Gelukkig bewoont geen van hare leden ons werelddeel. Zij omvat bijna de helft van alle Gifslangen en daaronder verscheidene van de allergevaarlijkste. Op weinige uitzonderingen na leven alle Slangadders op den grond; enkele zijn echter ook in staat om boomen te bestijgen, hoewel zij dit, naar het schijnt, niet dikwijls doen. Alle maken jacht op kleine gewervelde Dieren; haar buit bestaat vooral uit onschadelijke Slangen, maar ook uit Hagedissen. De grootste overvallen haar slachtoffer van uit een hinderlaag, maar vervolgen het soms ook over een korten afstand, wanneer zij het niet dadelijk kunnen grijpen; na den beet wachten zij de uitwerking van het gif af. De kleinere Slangadders schijnen haar prooi op te sporen, te vangen en eerst gedurende het verzwelgen te vergiftigen. De mededeelingen over haar voortplanting zijn nog zeer onvolledig; wat men er van weet, wettigt het vermoeden, dat de ontwikkeling van de kiem na het leggen der eieren haar beslag krijgt.

Hoewel men misschien mag aannemen, dat de Slangadders over 't algemeen bij de niet-vergiftige leden harer familie in kleurenpracht achterstaan, zijn er toch ook, die in dit opzicht naar den prijs kunnen dingen. Het is zelfs niet onmogelijk, dat men de schoonheidsprijs aan de Pronkadders (Elaps) zou moeten toekennen, al namen alle Reptiliën aan den wedstrijd deel.

Dit geslacht, waarvan de meeste soorten in de warmste gewesten van Amerika thuis behooren en de weinige overige Afrika bewonen, bestaat uit kleine, maar lang uitgerekte, eenigszins plompe Slangen met rolronden romp, platten, van achteren niet zeer duidelijk begrensden kop en korten staart. De mondopening is zeer klein en de onderkaakshelften kunnen slechts weinig uiteenwijken.

Aan het bovenkaaksbeen komen achter de groote tanden, die voor het vergiftigen van de prooi dienen, geen massieve tanden voor. Over de aanwezigheid van giftanden heeft langen tijd eenige twijfel bestaan; daar bij sommige soorten geen gifkanaal of gifgroeve aan den tand gevonden werd en bij andere soorten van hetzelfde geslacht wel. Hoewel volgens de laatste onderzoekingen de Pronkadders niet tot de gevaarlijkste Gifslangen gerekend moeten worden, is toch het bewijs geleverd, dat het gif van deze dieren even krachtig werkt als dat van andere, met gevoorde of doorboorde tanden uitgeruste Slangen van gelijke grootte.

Een van de prachtigste soorten is de Koraalroode Pronkadder (Elaps corallinus), een Slang van 60 à 70 cM. lengte, waarvan ongeveer 10 cM. op den staart komt. De schitterend vermiljoenroode grondkleur van dit dier heeft een buitengewoon sterken, op den buik iets dofferen glans. Aan den romp wordt zij op tamelijk regelmatige wijze afgebroken door 16 à 19 zwarte, het geheele lichaam omgevende, ongeveer 10 à 14 mM. breede ringen, die nagenoeg gelijke tusschenruimten overlaten en aan haar voor- en achterrand door een smallen, groenachtig witten ring zeer zuiver gescheiden zijn van de rood gekleurde gedeelten. Alle roode en groenachtig witte ringen zijn zwart gestippeld, daar iedere schub hier een zwarte spits heeft. De voorste helft van den kop is blauwachtig zwart; op de achterhoofdschilden begint een groenachtig witte dwarsband, die zich achter het oog naar beneden ombuigt en de geheele onderkaak kleurt; hierachter ligt een zwarte halsband. De staart is gewoonlijk niet rood van kleur, maar vertoont op zwarten grond ongeveer 8 witachtige ringen en heeft een korte, witte spits. Van deze kleursverdeeling komen, naar het schijnt, weinig afwijkingen voor.

De Koraalroode Pronkadder bewoont de groote wouden en kreupelhoutbosschen bij Rio de Janeiro, Cabo Frio en aan den Parahyba; zij komt echter evenzeer in West-Indië en Argentinië en veel verder westwaarts in Ecuador, Bolivia en de laag gelegen gewesten van het noordoosten van Peru voor. Op geheel opene plaatsen treft men haar zeldzamer aan, hoewel zij soms ook hier en zelfs in de nabijheid van woningen gevonden wordt. Het schijnt, dat zij in moerassen niet voorkomt en boven alle andere terreinen de voorkeur geeft aan zandgrond of aan den koelen, vochtigen bodem van wouden, waar planten, rottende afgevallen bladen en dergelijke stoffen haar een schuilplaats verschaffen. "De jager, die deze wouden doorkruist, welker bodem met een dikke laag van plantaardige overblijfselen bedekt is, blijft," zegt de Prins Von Wied, "verbaasd en verheugd staan, zoodra hij te midden van het groen, de vuurroode ringen van deze fraaie Slang ontwaart; alleen de onzekerheid over het gevaar, waaraan hij zich blootstelt, doet hem aanvankelijk schroomen, zijn hand naar het fraaie dier uit te strekken. Het bleek ons echter spoedig, dat men zonder gevaar deze Slangen kan opnemen en levend in den zak vervoeren. Haar voedsel bestaat uit kleine Gewervelde Dieren: de geringe wijdte van mond en keel veroorlooft haar niet een grooteren buit te verzwelgen."

"Vaak komt het voor, dat Brazilianen den vreemdeling op deze fraaie Slang opmerkzaam maken, daar ook zij over den ongewonen gloed harer kleuren verrukt zijn; evenals de meeste Slangen, wordt dit dier door hen voor vergiftig gehouden; vele lieden meenen zelfs, dat het een andere kleine Slang in den hals draagt, waardoor de beet wordt toegebracht." De oorsprong van het laatstgenoemde verhaal is niet moeielijk te raden: waarschijnlijk heeft men deze Slang dikwijls waargenomen bij het verzwelgen van haar prooi, die uit Slangen, Ring- en Woelhagedissen en andere kleine Reptiliën bestaat. Ook weet men thans, dat de Brazilianen te recht de Koraalroode Pronkadder vergiftig noemen.

Volgens een mededeeling van Seba wordt een andere soort van Pronkadder--de Schootslang of Meisjesslang (Elaps hygiae)--door vrouwen en meisjes in Zuid-Afrika in het warme jaargetijde als verkoelend middel gebruikt; zij wikkelen zich dit dier om den hals, daar het niet bijt. Ook de Prins Von Wied schijnt iets dergelijks gezien te hebben, daar hij opmerkt: "Als men deze fraaie Slang, nadat zij gedood is, om den donkeren hals van een Neger of van een Indiaan gewikkeld ziet, wordt men herinnerd aan de bonte, van vogelveeren vervaardigde halssnoeren, die de bewoners van Hawaii droegen, toen Kapitein Cook hen bezocht."

Van de prachtige kleur dezer Slangen krijgt men geen juiste voorstelling door het beschouwen van de exemplaren onzer musea. Als men haar de huid aftrekt, verbleeken de fraaie, roode ringen zeer spoedig; ook de in spiritus bewaarde exemplaren verliezen hun rood hoe langer hoe meer en na verloop van eenige jaren geheel en al. Uit het feit dat de vloeistof een lichtroode kleur aanneemt, schijnt te blijken, dat de bedoelde huidkleurstoffen door den alcohol opgelost worden.

Bij het Aziatische geslacht der Buikklieradders (Adeniophis) zijn de gifklieren buitengewoon sterk ontwikkeld, aan weerszijden strekken zij zich over een derde gedeelte van de lengte van den romp uit; zij zijn dus in de lichaamsholte gelegen, waardoor de ligging der overige ingewanden een belangrijke wijziging ondergaat.

De meest bekende soort van dit geslacht, de Buikklieradder (Adeniophis intestinalis), is 57 cM. lang en zeer bont van kleur; zij komt in Birma, op het Maleische Schiereiland en op de eilanden van den Oost-Indischen archipel, van Sumatra tot aan de Philippijnen, veelvuldig voor.

Boengaroem of Boengar noemen de Indiërs eenige groote en uiterst gevaarlijke Gifslangen van hun vaderland. Deze naam, tot Bungarus vervormd, dient in de wetenschap tot aanduiding van een 8 soorten omvattend geslacht, welks leden Oost-Indië en Zuid-China bewonen en de volgende eigenschappen met elkander gemeen hebben. De kleine, eivormige kop is weinig breeder dan de hals en eindigt in een stompen snuit, de romp is op de dwarse doorsnede cirkelvormig of afgerond driehoekig, tot aan den staart nagenoeg gelijk van dikte; de staart is betrekkelijk kort. De mondopening is klein, de onderkaak een weinig korter dan de bovenkaak en met zwakkere tanden gewapend dan deze. Achter de giftanden, die aan de bolle voorzijde een duidelijke groeve vertoonen, maar in verhouding tot de grootte van het dier zeer klein zijn, vindt men 1 à 3 kleine, massieve tanden.

De Pama of Boengaroem-Pama der Indiërs, de Oelar-boelang der Javanen (Bungarus fasciatus), de grootste soort van haar geslacht, bereikt een lengte van 1.75 M.; de romp is op zwarten of blauwzwarten grond geteekend met 25 à 35 gele ringen van ongeveer gelijke breedte, die nagenoeg op gelijken afstand van elkander verwijderd zijn; de blauwzwarte kop heeft een bruinen snuit; een vale streep begint op het midden van het achterhoofdsschild en loopt aan weerszijden scheef naar onderen en naar achteren, waardoor een halsband ontstaat.

Een tweede soort, de Paragoeda of Pakta-poela (Bungarus caeruleus), bereikt een lengte van hoogstens 1.29 M. Haar kleur en teekening zijn zeer ongelijk. In den regel is de bovenzijde blauwzwart of donkerbruin en met een meer of minder groot aantal witte dwarsbanden geteekend, welker breedte meestal niet grooter is dan de lengte van een schub van den rug; soms zijn zij door kleine, witte vlekken vervangen; de onderzijde is wit.

De Pama werd in geheel Voor-Indië, Assam, Birma, Siam, het zuiden van China, op Sumatra en Java waargenomen; de Paragoeda schijnt meer tot Voor-Indië beperkt te zijn en is reeds zeldzaam in Birma, maar komt vooral in Bengalen en aan de kust van Malabar veelvuldig voor. Beide soorten houden zich in droge streken op en maken hier jacht op kleine Zoogdieren en Reptiliën, vooral op andere Slangen en Hagedissen. Cantor zegt, dat zij, ondanks haar ronde pupil, zich over dag dikwijls in hare schuilhoeken verbergen, den zonneschijn vermijden, de schaduw opzoeken en zich op onvaste wijze bewegen; soms maken zij zonder eenige aanleiding zeer onstuimige bewegingen. Sir Joseph Fayrer daarentegen zegt uitdrukkelijk, dat zij dagdieren zijn. Zij vluchten in den regel bij de nadering van een mensch, tenzij deze haar tot toorn prikkelt; in dit geval kunnen zij even gevaarlijk worden als iedere andere vergiftige Slang van gelijke grootte. Vóór den aanval buigen zij, evenals de Adders, den kop ver achterover, strekken daarna in scheeve richting den halven romp naar voren en trachten haar vijand te bijten. De Indiërs beweren, dat de beet van deze Slangen steeds den dood ten gevolge heeft en vreezen haar zeer; wegens de kortheid van de giftanden is echter in dit geval de kans op een gunstigen afloop iets grooter dan na den beet van een Brilslang.

De gevaarlijkheid van den beet der Boengaren is door proefnemingen duidelijk gebleken. Een Hoen, dat door een zeer afgematte Pama gebeten werd, stierf onder stuiptrekkingen na verloop van 25 minuten. Een groote, forsche Hond kreeg van een Paragoeda een beet in de dij, schreeuwde luid op het oogenblik, dat hij gewond werd, hoewel de wonde ternauwernood zichtbaar was, liep daarna echter rond, schijnbaar zonder eenige last te ondervinden; 25 minuten na den beet waren de beide achterpooten verlamd. Gedurende het tweede uur braakte het gewonde dier herhaaldelijk en geraakte meer en meer in een staat van verdooving; het viel overzijde, begon ongeregeld te ademen en stierf voordat het uur om was.