Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren
Part 16
"Tot de Boomslangen behoort de soort of de soorten, die de Maleiers "Oelar-poenei" noemen, en waarvan zij vertellen, dat zij zich moeielijk bewegen en meestal opgerold op een boomstam liggen. Zij zijn onschadelijk, zeggen zij, eten geen Vogels of andere dieren, maar alleen het voedsel, dat haar gebracht wordt door de Duif, die in het Maleisch "Poenei" heet en waaraan deze dieren haar inlandschen naam ontleenen. Het exemplaar, dat men mij bracht, was op een zeer bijzondere wijze gevangen, n.l. door het een bamboestok voor te houden en te wachten, tot het dier zijn rustplaats verkoos te verlaten, om zich om den stok te kronkelen."
De Zwemslangen (Tropidonotus) houden zich bij voorkeur in de nabijheid van het water op en jagen zoowel in het vochtige element als op het droge; haar voedsel bestaat grootendeels uit Visschen, Salamanders en Vorschen; in tegenstelling met verscheidene Glansslangen en Klimslangen verzwelgen zij haar prooi, zonder deze vooraf dood te drukken. Haar wetenschappelijken naam danken zij aan de duidelijke gekielde rugschubben, die elkander dakpansgewijs bedekken. Aan den ronden, in een tamelijk langen staart eindigenden romp is door een dunnen hals de platte kop verbonden, welks achterste grens duidelijk kenbaar is en die zich onderscheidt door den wijdgespleten muil, de zeer groote of middelmatig groote oogen met ronde pupil, de zijdelings tusschen twee schilden gelegen neusgaten en de regelmatige bedekking met schilden.
Een algemeen bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de Ringslang of Heiaal (Tropidonotis natrix) "de Slang bij uitnemendheid voor ons volk, de soort, die aanleiding heeft gegeven tot zijne oude sagen en nieuwe wondersprookjes, het onschuldig slachtoffer van zijn vrees, van zijn haat, van zijn verdelgingszucht", de meest verbreide van alle inheemsche Slangen. In al onze landprovinciën komt zij voor, hier en daar in tamelijk grooten getale; ook in Zuid- en Noord-Holland zijn nu en dan exemplaren gevonden, doch deze waren er hoogst waarschijnlijk (volgens Schlegel) met hooi gebracht; in de kuststreken komt zij niet voor. Zij bewoont veelal zandige gronden, doch houdt zich steeds op in de nabijheid van stilstaand water, waarin zij dikwijls zwemt. Zij kan 1.58 M. lang worden, maar blijft, althans hier te lande, gewoonlijk voluit een derde deel korter; de mannetjes zijn bovendien steeds korter dan de wijfjes. Twee witte of gele (bij variëteiten uit zuidelijker streken dikwijls levendig roodgele) maanvlekken achter de slapen--de "kroon", waarvan de sagen en sprookjes gewagen--kenmerken haar zoo duidelijk, dat zij nooit met andere inheemsche Slangen verward kan worden. Voorts is zij op grijzen grond met 4 à 6 langs den rug loopende reeksen van zwarte vlekken geteekend, verder benedenwaarts, op de zijden, wit gevlekt en langs het midden van den buik zwart. De kleur van den rug zweemt soms naar bruin, soms naar groen, soms naar blauwgrijs; ook ontmoet men wel eens nagenoeg zwarte exemplaren, waarop de donkere vlekken bijna geheel onzichtbaar zijn. De mannetjes, wijfjes en jongen verschillen zeer weinig in kleur.
In het Zwitsersche heuvelland worden, volgens Tschudi, 2 of 3 verschillende, standvastige variëteiten waargenomen: een olijfkleurig grijze, een meer roodachtig grijze en een gevlekte, die het midden houdt tusschen deze beide. In het zuidoosten en oosten van Europa ontmoet men bovendien nog: de Rouwringslang (T. natrix var. atra) uit het Wolgagebied, die over het geheele lichaam donkerzwart is, behalve aan de onderzijde van den kop, waar enkele lichte vlekken verspreid staan, voorts de Gestreepte Ringslang (T. natrix var. persa), die zich onderscheidt door twee smalle, in den nek beginnende en langs den geheelen rug tot aan den staart reikende, overlangsche strepen van gele of geelachtig witte kleur.
Het verbreidingsgebied van de Ringslang omvat geheel Europa (met uitzondering van het hoogste noorden), voorts een zeer aanzienlijk deel van Vóór-Azië en in Noord-Afrika Algerië. Met struiken begroeide oevers van moerassen en broeklanden, langzaam stroomende beken en rivieren, verwaarloosde dammen van vijvers, vochtige wouden, met biezen en riet begroeide terreinen en het moeras zelf zijn de meest geliefde verblijfplaatsen van de Ringslang, omdat zij hier haar meest gewenschte voedsel vindt. Men ontmoet haar echter ook op tamelijk hooge bergen, ver van ieder water; zij komt hier, volgens Lenz, volstrekt niet toevallig, maar in elken tijd van 't jaar voor, zoodat er reden is om aan te nemen, dat zij deze woonplaats niet verlaat. Niet zelden komt zij dicht bij menschelijke woningen om zich te vestigen in gaten, die zij in hoopen mest en afval zelf graaft, of in holen van Muizen en Mollen of ook wel in kelders en stallen. Struck zag haar in Mecklenburg de voorkeur geven aan eenden- en kippenhokken: vooral in de eendenhokken vond hij oude en jonge Ringslangen bij dozijnen. In den herfst ziet men de Ringslang bij goed en warm weer nog in November op een zonnige plek liggen. Haar winterkwartier verlaat zij in het laatst van Maart of in April, aanvankelijk, naar het schijnt, met geen ander doel dan om zich aan de verkwikkende warmte der zonnestralen bloot te stellen; zij doet dit gedurende eenige weken zonder zich met de jacht bezig te houden en begint eerst daarna haar zomerleven.
Ieder, die de zeer algemeen heerschende, kinderachtige vrees voor Slangen van zich afgeschud heeft, zal, als hij de Ringslang heeft leeren kennen, haar lief en bevallig noemen. Zij maakt zelfs bij vergelijking met de vlugste en beweeglijkste van hare verwanten een goed figuur. Ook voor haar is het een groot genot zich in den zonneschijn uit te strekken en uren lang in deze houding te blijven, hetgeen echter niet belet, dat zij dikwijls rondzwerft, veel vaker althans dan de arglistig loerende, trage Adder, die zelfs des nachts hare uitstapjes tot het kleinst mogelijke gebied beperkt. Wanneer men haar op den met struikgewas begroeiden oever van een stil water bespiedt, zal men getroffen worden door haar levendigheid en beweeglijkheid. Van den oever, aan welks rand zij zooeven in 't zonnetje lag, laat zij zich zonder gedruisch in 't water glijden, om zich met zwemmen te vermaken of een bad te nemen. Gewoonlijk blijft zij zoo dicht bij de oppervlakte, dat haar kopje er boven uitsteekt en beweegt zich met zijwaartsche kronkelingen, voortdurend met de tong tastend, vooruit. Ook zwemt zij dikwijls tusschen den waterspiegel en den bodem, werpt intusschen voortdurend luchtbellen uit en onderzoekt met de tong de voorwerpen in welker nabijheid zij komt. Wanneer men haar verschrikt en bevreesd maakt, vlucht zij geregeld naar de diepte en zwemt hier, hetzij op, of althans dicht bij den bodem, een goed stuk verder, totdat zij meent veilig weer naar de oppervlakte te kunnen stijgen. Soms gaat zij op den bodem van 't water liggen en blijft hier geruimen tijd; uren lang kan zij zich zonder bezwaar onder water ophouden.
Wanneer de Ringslang in 't water een grooten weg heeft af te leggen, b.v. over een breeden stroom of over een meer moet zwemmen, vult zij haar groote long zoo sterk mogelijk met lucht en vermindert hierdoor aanmerkelijk haar soortelijk gewicht; telkens als zij onderduikt, ledigt zij hare ademhalingsorganen. Dat zij werkelijk door groote wateren haar weg neemt, is duidelijk genoeg gebleken. Schinz zag haar bij stil weer midden in het Zurichermeer vlug rondzwemmen; Engelsche onderzoekers hebben haar herhaaldelijk ontmoet in de zee tusschen Wales en Anglesea. De Deensche scheepsgezagvoerder Irminger vond er zelfs één in volle zee op een afstand van 23 KM. van de naastbij gelegen kust, n.l. van het eiland Rugen. Daar zij pogingen deed om aan boord te komen, liet hij een boot strijken, ving het dier en zond het naar Eschricht te Kopenhagen, die het als een Ringslang herkende.
Op den bodem kruipt de Ringslang tamelijk snel; in de vlakte echter kan men haar altijd wel inhalen, zonder zich buitengewoon in te spannen. Langs hellingen schiet zij soms met zoo groote snelheid naar beneden, dat men haar zeer goed met een voortgeschoten pijl kan vergelijken. Ook in 't klimmen is zij volstrekt niet onervaren; soms bereikt zij op deze wijze de kroon van tamelijk hooge boomen.
Men noemt de Ringslang een zachtzinnig dier, omdat zij tegen den mensch slechts uiterst zelden haar gebit gebruikt en met andere Slangen (of met Reptiliën in 't algemeen) en ook met Amphibiën in de vrije natuur en in de gevangenschap in vrede leeft, met de Amphibiën althans zoolang de honger haar niet kwelt. Als roovende Zoogdieren of Roofvogels haar aanvallen, stelt zij zich sissend te weer; zij tracht hen te bijten, maar raakt slechts zelden haar vijand; zoo mogelijk vlucht zij echter voor wezens, die zij gevaarlijk acht, vooral voor die, welke haar vervolgen om haar te verslinden. Tegen menschen gebruikt zij geen ander verdedigingsmiddel dan haar buitengewoon stinkenden drek.
Aan Vorschen geeft de Ringslang de voorkeur boven iederen anderen buit; vooral op den Landkikvorsch maakt zij ijverig jacht. Uit de ervaringen van Lenz en Boettger blijkt, dat zij het meest houdt van Boomkikvorschen, althans, dat men pas gevangen Ringslangen, die andere Vorschen weigerden, gemakkelijk aan 't eten kan krijgen door haar Boomkikvorschen te geven. In de vrije natuur kunnen zij zich deze lekkernij slechts gedurende den paartijd van de bedoelde Amphibiën verschaffen, daar deze zich dan naar den bodem begeven; gewoonlijk zullen Land- of Waterkikvorschen wel haar hoofdvoedsel uitmaken.
Het is een opmerkelijk feit, dat de Ringslang, zelfs in 't donker, de verschillende soorten van Vorschen en Padden goed herkennen en er een keuze uit doen kan; waarschijnlijk wordt zij hierbij door de reukzin geleid. Zonder fout onderscheidt zij de Zuid-Europeesche Springkikvorsch (Rana agilis) van den ook bij ons inheemschen Landkikvorsch (Rana temporaria), hoewel deze beide soorten zelfs door kenners van Amphibiën niet gemakkelijk uit elkander gehouden kunnen worden. Als zij niet genoeg Vorschen kan krijgen, behelpt zij zich ook wel met Padden. Watersalamanders schijnt zij bijzonder graag te eten; alle bij ons voorkomende soorten weet zij zoowel op het land als in het water te vangen. Bovendien valt op te merken, dat zij, evenals hare verwanten, met grooten ijver op kleine Visschen jacht maakt en hierdoor werkelijk nu en dan schade veroorzaken kan.
De wijze, waarop de Ringslang haar buit verslindt, wekt den afkeer van den toeschouwer, omdat zij zich niet de moeite geeft, haar slachtoffer vooraf te dooden, maar het nog levend in haar maag begraaft. Wel is waar tracht zij gewoonlijk den Kikvorsch bij den kop te pakken; wanneer dit haar echter niet gelukt, grijpt zij het dier aan, waar zij kan, b.v. bij de achterpooten en trekt het langzaam in haar keel. Natuurlijk spartelt de Kikvorsch hevig tegen en kwaakt erbarmelijk, zoolang zij den bek nog kan openen. Het vasthouden van dit beweeglijk wild is voor de Slang geen gemakkelijk werk; toch gelukt het den Kikvorsch slechts zelden zich aan haar onverbiddelijke vijandin te ontworstelen, daar deze, als er niets tusschenbeide komt, de ontsnapte prooi onmiddellijk achtervolgt en opnieuw aangrijpt. Het verzwelgen van een grooten Kikvorsch is een zeer vermoeiende arbeid, die soms vele uren vereischt. Kleine Kikvorschen worden met veel minder moeite doorgeslikt; dikwijls pakt en verslindt de Ringslang, als zij een flinke eetlust heeft, er wel een half dozijn, zonder af en toe te rusten. Als de honger haar zeer kwelt, neemt zij in korten tijd wel 100 kikvorschlarven of wel 50 kleine Kikvorschen, welker gedaanteverwisseling juist is afgeloopen, voor haar maal. Wanneer zij verschrikt wordt of angst gevoelt, spuwt zij, evenals andere Slangen, het kort te voren doorgeslikte voedsel in den regel weer uit, waarbij zij, als het in haar maag aanwezige dier zeer groot is, den bek zeer wijd moet opensperren. Het verslinden van kleine Zoogdieren of Vogels is voor haar waarschijnlijk een zeer ongewoon werk; gevangen exemplaren althans versmaden in den regel Muizen of Vogels en vogeleieren; dooiers van gebroken eieren daarentegen slikken zij met blijkbaar welgevallen op. Het kan wel zijn, dat zij zich in haar jeugd nu en dan met Gelede Dieren en Weekdieren moeten behelpen.
Lang heeft men gemeend, dat de Ringslang niet drinkt. Lenz heeft in de maag van geen der door hem onderzochte exemplaren water gevonden, hoewel hij kort voor het ontleden water in het hok had gebracht van het dier, dat bij heet weer geruimen tijd zonder water was gelaten. Toch is de hieruit afgeleide gevolgtrekking onjuist: een vriend van den zooeven genoemden onderzoeker zag een van zijne gevangenen, die midden in den zomer 14 dagen lang dorst geleden had, een bakje vol water schoon leeg drinken; ook andere slangenvrienden hebben dezelfde ervaring opgedaan. Behalve van water maken sommige exemplaren ook wel gebruik van melk, althans wanneer zij geen ander vocht kunnen krijgen; het kan wel zijn, dat die, welke eens aan deze vloeistof gewoon geraakt zijn, er veel van beginnen te houden. Misschien berust hierop de algemeen verbreide meening, dat de Ringslang aan de uiers van koeien en andere melkgevende huisdieren zuigt om zich een voor haar leven noodzakelijk genot te verschaffen.
Hoewel de Ringslang in gunstige jaren tegen het einde van Maart of in het begin van April haar winterherberg verlaat en kort daarna voor het eerst vervelt, paart zij zelden voor het einde van Mei of het begin van Juni. Op het rijpen van de eieren schijnt de weersgesteldheid niet zonder invloed te zijn; daar men versch gelegde eieren in verschillende jaargetijden aantreft, de eerste in het einde van Juli, de laatste in Augustus en September. Jonge wijfjes leggen 15 à 20, oudere 25 à 36 eieren. Deze komen in vorm en grootte met die van de Huisduif overeen, maar verschillen er van, doordat zij, evenals alle eieren van Reptiliën, een zachte, buigzame, dus weinig kalkhoudende schaal hebben, die een geringe hoeveelheid eiwit bevat, dat slechts een dunne laag vormt om den dooier. Aan de open lucht drogen zij langzamerhand uit en vergaan; in het water bederven zij evenzeer; beide verschijnselen komen voor tot groote schade voor de vermenigvuldiging, die trouwens buitengewoon sterk zou zijn, indien alle kiemen tot ontwikkeling kwamen. Gewoonlijk kiest het wijfje met veel overleg de geschiktste plaatsen voor het bergen van hare eieren: mestvaalten, hoopen bladen, run of zaagsel, losse aarde, vermolmd hout, vochtig mos, enz.; op deze wijze zijn de eieren aan de warmte blootgesteld en behouden toch geruimen tijd een matigen graad van vochtigheid. Het eene ei volgt bij het leggen onmiddellijk op het andere; alle eieren zijn bij wijze van een snoer kralen door een geleiachtige massa verbonden. Zij hebben aanleiding gegeven tot het sprookje van de "haneneieren", die volgens bijgeloovige lieden tooverkracht bezitten. Drie weken na het leggen is de ontwikkeling van de kiem afgeloopen; het jong boort een gat in de eischaal en begint dadelijk de levenswijze van zijne ouders, tenzij een vroeg invallende koude het dwingt om onverwijld beschutting te zoeken tegen het weder, door zich te verschuilen in het voor winterherberg dienende gat. Bij het verlaten van de eischaal zijn de jonge Ringslangen ongeveer 15 cM. lang; hare tandjes zijn echter reeds voor 't grijpen geschikt, zij zelf dus voor een zelfstandig leven voldoende uitgerust. Als de weersgesteldheid haar vóór den aanvang van den winterslaap het jagen en buitmaken van voedsel belet, worden zij door het vet, dat zij uit den kiemtoestand overhielden, en door haar aangeboren levenstaaiheid tot aan het volgende voorjaar voor den hongerdood behoed. De moeder bekommert zich na het leggen der eieren in 't geheel niet meer om haar kroost.
Men kan de Ringslang gemakkelijk in gevangenschap houden, wijl zij zonder bezwaar gebruik maakt van het voedsel, dat men haar biedt. Daar zij hoogst zelden bijt, kan men haar gerust laten verzorgen door kinderen, die van dieren houden. Mij zijn voorbeelden bekend van Ringslangen, die drie of vier jaren in de gevangenschap leefden, hoewel haar geen bijzondere behandeling ten deel viel.
De Zuid-Europeesche Dambordslang (Tropidonotus tesselatus) komt in grootte en vorm vrijwel overeen met de Ringslang; alleen de vorm van den kop, de rangschikking der hierop voorkomende schilden en de teekening verschillen. De meer of minder donkere, olijfkleurig grijze grondkleur is op den kop nagenoeg onbevlekt; de bovenlipschilden zijn echter geelachtig met zwarte randen. Op den romp ziet men vijf overlangsche reeksen van zwarte, meestal vierhoekige, zelden afgeronde vlekken, die als de velden van een dambord met elkander afwisselen. De onderzijde heeft op witten, geelachtigen of oranjekleurigen grond zwarte vlekken, die eveneens bij wijze van een dambord gerangschikt zijn; soms heeft hier de lichte, soms de donkere kleur de overhand. Bij een lengte van 1.2 M. bedraagt de middellijn van het dier 5 cM.
De Dambordslang bewoont een groot deel van het gebied van haar inheemsche verwant, maar blijft meer tot het zuiden en oosten van ons werelddeel beperkt en dringt niet verder noordwaarts door dan Middel-Europa, waar zij slechts op enkele plaatsen aangetroffen wordt; over 't algemeen is zij niet veelvuldig. Met uitzondering van de eilanden ontmoet men haar in geheel Italië; van hier strekt haar verbreidingsgebied zich oostwaarts uit tot Klein-Azië, Syrië, de Kaukasus-landen en de kuststreken van de Zwarte, Asowsche en Kaspische zeeën. Zij houdt zich veel in en bij het water op; haar voedsel bestaat uit Visschen en Salamanders. Gevangen exemplaren worden spoedig tam en kunnen lang in 't leven blijven, als zij hun liefste voedsel in voldoende hoeveelheid ontvangen.
De Adderkleurige Zwemslang (Tropidonotus viperinus) heet zoo, omdat op haar donkergrijze, geelachtig of bruin getinte huid een duidelijk uitkomende, zwartbruine teekening voorkomt, welke dikwijls een merkwaardige overeenkomst heeft met die van de Gewone Adder en van de Aspis. De teekening begint met twee donkere, scheefhoekig vierzijdige vlekken achter den kop, waarop een over den geheelen rug voortloopenden zigzagband volgt, die zich op het laatste deel van den staart in afzonderlijke vlekken verdeelt en hier snel in breedte afneemt. Op elke zijde komt een reeks van ronde, donkere vlekken voor met een kleine, witte of geelachtig witte stip in 't midden; deze oogvlekken laten nagenoeg gelijke tusschenruimten over, maar vloeien soms ineen en vormen dan figuren, die op een liggende 8 gelijken. De onderzijde is geel, bij het midden van den buik donkergeel, verder naar achteren wisselen zwarte, vierkante vlekken met roodachtig gele vlekken van anderen vorm af; de onderkaak is witachtig geel.
Deze soort vervangt de vorige in het westelijke deel van Zuid-Europa. Zij wordt op Sicilië en Sardinië en in het noordwesten van Italië gevonden, bovendien in enkele oorden van 't Zuiden van Zwitserland, in de Fransche kuststreken van den Middellandsche Zee, voorts in nagenoeg geheel Spanje en Portugal en op de Balearen. Vooral in het noordwesten van Afrika komt zij veelvuldig voor.
Deze Slangen maken slechts terloops jacht op Kikvorschen, maar voeden zich hoofdzakelijk met Visschen, waaronder zij eene groote slachting aanrichten.
Door haar uitwendigen vorm en de gekielde schubben stemmen de Keeltandslangen (Dasypeltis)--welker eigenaardige, bij geen ander dier voorkomende slokdarmtanden reeds vroeger ter sprake kwamen--met de Zwemslangen overeen; over haar plaats in 't stelsel heerscht echter verschil van meening. Hare zwakke kaken zijn slechts aan het achtereinde met een gering aantal (4) kleine tanden gewapend. Dit geslacht wordt door slechts twee soorten vertegenwoordigd, waarvan de eene (Dasypeltis abyssinica) West-Afrika, de andere--bij de Kapenaars onder den naam van Eiervreter (Dasypeltis scabra) bekend--Zuid-Afrika bewoont.
Een tweede groep van Colubriden is met gegroefde tanden uitgerust. Bij al hare leden zijn de achterste tanden van de bovenkaak grooter en krachtiger dan de overige en aan hun voorste oppervlakte voorzien met een diepe, gootvormige groeve. Alle mogen derhalve "verdacht" genoemd worden; van verscheidene is reeds proefondervindelijk gebleken, dat haar beet op de Gewervelde Dieren van alle klassen, die haar tot buit dienen, in weinige minuten een doodelijke werking uitoefent. Deze Groeftandigen (Opisthoglypha) kunnen over twee onderfamiliën verdeeld worden: de Land-Groeftandigen (Dipsadinae) en de Water-Groeftandigen (Homalopsinae).
Een van de weinig talrijke, Europeesche soorten van Landgroeftandigen, de Katslang (Tarbophis vivax), is de eenige vertegenwoordiger van een gelijknamig geslacht. Haar romp is cilindervormig, de kop eenigszins afgeplat en van achteren duidelijk begrensd, de staart betrekkelijk kort. De kleine oogen hebben een spleetvormige pupil. Op vuil bruinachtig gelen of grijzen grond is zij met uiterst kleine, zwarte stipjes geteekend; op de kopschilden komen bovendien kastanjebruine, op den rug reeksen van zwart- of roodbruine vlekken voor, beginnende met een groote vlek van dezelfde kleur in den nek. Een donkere streep strekt zich van het oog naar den mondhoek uit, een reeks van kleine vlekken over iedere zijde van den romp; de onderdeelen zijn geelachtig wit en bruin gemarmerd. De lengte van deze Slang bedraagt hoogstens 1.08 M.
De Katslang is verbreid over verscheidene van de landen, die de Middellandsche Zee omgeven. Men heeft haar aangetroffen in Istrië, Dalmatië, Albanië, Turkije en Griekenland, maar ook in Egypte, Palestina, Klein-Azië, de bergstreken aan de Zwarte Zee en verder tot aan de Kaspische Zee. Rotswanden, met losse steenen bedekte hellingen, zonnige glooiïngen en oude muren verschaffen haar verblijfplaatsen; zij schuwt echter groote hitte zoowel als gevoelige koude en komt daarom gedurende de heete maanden niet anders dan in de morgen- en avonduren uit haar schuilhoek te voorschijn. Hare bewegingen zijn vlugger dan die van de Adders, maar langzamer en trager dan die van de Gladtandige Slangen. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit Hagedissen. Duméril vond in de maag van een door hem ontlede Katslang een half verteerde Gekko.
Wegens haar bijtlust wordt zij in de landen, waar zij voorkomt, dikwijls voor een Adder gehouden, als zeer vergiftig beschouwd en zoo ijverig vervolgd, dat zij tegenwoordig in Dalmatië reeds tamelijk zeldzaam is geworden. Gevangen exemplaren gewennen zich schielijk aan hun verzorger, maken zonder pruilen gebruik van het voedsel, dat hun wordt aangeboden en blijven daarom bij doelmatige verzorging verscheidene jaren leven. Hare bewegingen hebben veel overeenkomst met die van de Gladde Slang. Zij is zeer ervaren in het klimmen en houdt zich zoo stevig vast aan de takken, die zij eens omstrengeld heeft, dat men haar niet losmaken kan, hoe zeer men haar ook plaagt en tot toorn prikkelt. Haar buit doodt zij door zich er om heen te kronkelen, geheel op dezelfde wijze als de Gladde Slang.
O. E. Eiffe heeft de giftige werking van den beet van de Katslang waargenomen bij een kleine Hagedis, die na verloop van 1 1/2 minuut bezweek. Deze uitkomst kon echter slechts éénmaal verkregen worden, daar andere proeven van dezen aard een negatief resultaat opleverden.
Als vertegenwoordiger van de Nachtboomslangen of Takslangen (Dipsas) kiezen wij de prachtig gekleurde en geteekende Dipsas dendrophila, de Oelar-boerong der Maleiers. Bij de glinsterend zwarte grondkleur steken 40 à 90 smalle, naar onderen breeder wordende, lichtgele, ringvormige banden af; de lip- en keelschilden zijn eveneens geel, maar hebben breede, zwarte randen; de buik is effen zwart of geel gemarmerd. Volwassen exemplaren bereiken een lengte van 2 M., waarvan ongeveer een vierde op den staart komt.