Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren

Part 13

Chapter 133,619 wordsPublic domain

Onder de bewoners van Indië zijn ook thans nog verhalen over deze Slangen in omloop, die aan de sprookjes der ouden herinneren. Uit de nog altijd onvolledige berichten van de natuuronderzoekers en reizigers, die zich beijverd hebben om volkomen betrouwbare feiten mede te deelen, blijkt voldoende, dat de Zuid-Aziatische "Draken" volstrekt niet gevaarlijker zijn dan hunne Amerikaansche verwanten, nagenoeg dezelfde levenswijze hebben, duidelijk de voorkeur geven aan het verblijf in moerassige gewesten, op overstroomde rijstvelden, kortom, in de nabijheid van het water, hoewel zij droge, rotsachtige oorden niet vermijden en hier zoowel als daar jacht maken op kleine Zoogdieren en Vogels. Zeer groote exemplaren vergrijpen zich, naar men zegt, soms aan jonge Muntsjaks en Zwijnsherten, hetgeen waarschijnlijk aanleiding gegeven heeft tot de verhalen, die ons willen doen gelooven, dat de Slangen dieren van de grootte onzer Edelherten verzwelgen. Wel behooren de genoemde Herkauwers tot de familie van de Herten, maar zij bereiken nog niet eens de afmetingen van een Ree. Bovendien moet men hierbij in 't oog houden, dat de in Zuid-Azië levende Dwergmuscusdieren niet slechts door de inboorlingen, maar ook door de Europeanen gewoonlijk "Herten" worden genoemd. Kleine Zoogdieren maken het hoofdvoedsel van deze Slangen uit en slechts oude, volwassen exemplaren vergrijpen zich nu en dan aan biggen of aan de jongen van kleine soorten van Herten. Groote Zoogdieren en menschen loopen nooit gevaar door haar verslonden te worden en zelfs de inboorlingen verzekeren, dat de Pythons niet eens kinderen bedreigen. Mijns inziens hebben de soms voorkomende aanvallen van deze Slangen op menschen nooit opzettelijk, maar bij vergissing plaats. Een dergelijk avontuur is den oppasser Cop in den Londenschen dierentuin overkomen. Hij hield een van zijne hongerige Pythons een Hoen voor, zooals hij bij het voederen dezer dieren gewoon was te doen; de Slang wilde het grijpen, miste het, waarschijnlijk doordat zij weldra zou vervellen en de doorzichtigheid van de huid vóór hare oogen, gelijk in dergelijke gevallen regel is, grootelijks was afgenomen; zij greep daarentegen den linkerduim van den oppasser en wikkelde zich in 't volgende oogenblik om zijn arm en hals. Cop was alleen, maar verloor zijn tegenwoordigheid van geest niet; hij trachtte met de andere hand het dier bij den kop te vatten om het tot loslaten te nopen; ongelukkig had de Slang het hoofd van den oppasser omstrengeld, zoodat deze zijn doel niet kon bereiken en genoodzaakt was op den vloer van het hok te gaan liggen, in de hoop hier krachtiger met zijn aanvaller te kunnen worstelen. Gelukkig schoten toen, nog juist te rechter tijd, twee oppassers den man te hulp, dien zij niet zonder inspanning bevrijdden van het volhardende dier, dat zijn slachtoffer anders misschien het lot van Laokoon had doen ondergaan.

De voortplanting van de Zuid-Aziatische Pythons heeft men bij gevangen exemplaren voor het eerst kunnen nagaan in den "Jardin des Plantes" te Parijs. Daar legde een Pythonwijfje op 6 Mei 1841 achtereenvolgens 15 eieren in 3 1/2 uur en vereenigde ze tot een hoop, waarover zij zich op zulk een wijze ineenrolde, dat de windingen van haar lichaam gezamenlijk een plat gewelf vormden, welks hoogste punt door den kop werd ingenomen. De Slang bleef bijna twee maanden in deze houding; den 3en Juni kwamen 8 jongen van ongeveer 50 cM. lengte te voorschijn; deze bereikten, zonder eenig voedsel te gebruiken, in de eerstvolgende 16 dagen een lengte van ongeveer 80 cM., vervelden voor de eerste maal tusschen 13 en 18 Juli, deden dit nog viermaal tot December van genoemd jaar en begonnen na de eerste vervelling te eten. In 't eerst gaf men haar Musschen, die zij op de gewone wijze dooddrukten; later kregen zij rauw vleesch en kleine Konijnen. Daar haar zooveel voedsel werd gegeven, als zij verlangden, ontwikkelden zij zich zeer voorspoedig; reeds in December van haar geboortejaar was haar lengte 1.50 à 1.55, van één zelfs 2 M. Het laatstgenoemde exemplaar was op den leeftijd van 20 maanden 2.34 M. lang en had in de 6 eerste levensmaanden ruim 13, gedurende het tweede levensjaar 22 KG. voedsel gebruikt.

De Pythons worden dikwijls gevangen en zijn bij sommige volken van Zuid-Azië, o.a. bij de Chineezen, geen onwelkome gasten; op de vaartuigen en in de huizen, waar men ze laat begaan, houden zij zich ijverig met de vangst van Ratten bezig.

Van de vier Afrikaansche Pythonslangen zullen wij er twee beschrijven.

De Natalsche Python (Python natalensis) is tot het oostelijke deel van Zuid-Afrika beperkt. De grondkleur van de bovenzijde is op het voorste derde gedeelte van het lichaam fraai geelbruin, overigens donker olijfbruin; de onderzijde heeft een bevallige, roodachtig witte kleur; een groot deel van den bovenkop wordt ingenomen door een zwartbruine vlek; een reeks van kettingvormig met elkander verbonden, langwerpig vierhoekige, ongelijkmatig gerangschikte vlekken van zwartbruine kleur strekt zich over de geheele bovenzijde uit en zet zich (als een donkere streep tusschen twee gele, overlangsche banden) ook over den staart voort.

Bij de Assala, Tenne of Hieroglyphenslang (Python sebae), die over geheel West- en Middel-Afrika verbreid is, beslaat een donkerbruine of zwartachtige pijlvlek bijna den geheelen bovenkop, zoodat er aan weerszijden slechts een smalle, geelachtig witte streep overblijft. De romp vertoont op geelachtig grijzen grond bruinachtige vlekken, ook dwarsbanden, die, evenals de vlekken, uitgaan van de donkere, overlangsche streep, waardoor het lichtgele veld, dat de onderzijde inneemt, begrensd wordt.

De naam "Afgodslang", die gewoonlijk dient tot aanduiding van de Boa constrictor, komt--zooals reeds door Bosmann opgemerkt en door reizigers uit lateren tijd bevestigd werd--eigenlijk aan de Assala toe. Eenige volksstammen aan de kust van Guinea bewijzen haar goddelijke eer; volgens sommigen is dit de reden van een dergelijk huldebetoon aan de Reuzenslangen in Zuid-Amerika door de hier levende afstammelingen van Afrikaansche negers. In de Nieuwe Wereld zou dus de aanbidding van een Slang vroeger niet bestaan hebben, maar met het volk, dat haar vergoodt, ingevoerd zijn.

Naar het schijnt, worden de Natalsche Python en de Assala in het door hen bewoonde gebied nergens veelvuldig aangetroffen, hoewel zij er evenmin tot de zeldzaamheden behooren; uit de door menschen bewoonde streken hebben zij de wijk genomen naar veiliger oorden. Oude exemplaren van 6 of meer M. lengte komen zeer zelden voor. Het zou kunnen zijn, dat het aantal dezer Slangen grooter is dan men meent, daar zij zich meestal schuil houden in moeielijk toegankelijke, met hoogopschietende kruiden en struiken begroeide terreinen en, evenals hare verwanten, in den regel eerst na zonsondergang op roof uitgaan. Gewoonlijk stilt de Assala haar honger met Hazen, Aardeekhoorntjes, Ratten en andere op den bodem levende Knaagdieren. Waarschijnlijk zijn, behalve deze Zoogdieren, verscheidene op den grond verkeerende Vogels het meest aan hare vervolgingen blootgesteld. In de maag van een Assala vond ik een Parelhoen. Drayson bericht iets dergelijks van de Natalsche Reuzenslang. Eens zag hij een kleinen Trap herhaaldelijk opvliegen en bemerkte, toen hij dien kant uitreed, dat de Vogel hardnekkig vervolgd werd door een Python, die het echter geraden achtte zich zoo schielijk mogelijk te verwijderen, toen de Trap door een schot werd neergeveld. De ijverige jager, die reeds lang gewenscht had een Reptiel van deze soort te vangen, achterhaalde het na een kortstondige jacht en slaagde er in het met een stokslag te dooden of althans te verdooven.

De Soedaneezen weten zeer goed, dat de Assala niet gevaarlijk is en gebruiken bij de jacht op dit dier geen ander wapen dan een knuppel; een enkele, krachtige slag op den kop van het dier is voldoende om het te dooden. Zijn vleesch wordt in Oost-Soedan met evenveel smaak gegeten als dat van den Krokodil; men kruidt het met zout en roode peper; het is sneeuwwit van kleur, maar na het koken nog zoo taai, dat wij het bijna niet konden kauwen; het smaakt goed, min of meer als het vleesch van Hoenderen. Naar het schijnt, stellen de Soedaneezen nog meer prijs op de bonte huid; deze wordt door hen en door de negers uit het gebied van den Witten en den Blauwen Nijl op zeer smaakvolle wijze tot allerlei versierselen verwerkt, die vooral tot verfraaiïng van messcheeden, amuletrollen, brieftasschen, geldzakjes en dergelijke voorwerpen dienen. Het Python-vet wordt door sommige volken, door de Hottentotten e.a., zeer heilzaam geacht en zorgvuldig bewaard; de zieken, die het innemen, vertrouwen vast op de geneeskracht van dit middel en ondervinden er daarom dikwijls gunstige gevolgen van.

In de dierentuinen en beestenspellen krijgt men de Afrikaansche Reuzenslangen, vooral de Assala, weinig minder vaak te zien dan hare Amerikaansche verwanten. Naar het schijnt, geraken zij even licht als deze aan haar verzorger gewoon, die haar bij doelmatige behandeling niet minder lang in 't leven kan houden.

De meeste eigenlijke Reuzenslangen behooren tot de reeds vroeger omschreven onderfamilie der Boa-slangen (Boinae); deze omvat niet minder dan 20 geslachten met 52 soorten, die voor 't meerendeel de Nieuwe Wereld bewonen; de overige soorten worden op Madagaskar en Mauritius, Australië, Nieuw-Guinea en de Molukken, enkele in dorre zandstreken van de Oude Wereld aangetroffen.

Geen der Reuzenslangen is meer algemeen bekend (althans bij name) dan de Koning- of Afgodslang (Boa constrictor), een der fraaiste leden van de geheele onderorde. Hoewel op haar huid slechts weinige, eenvoudige kleuren voorkomen, vormen deze een zeer sierlijke en bevallige teekening. De grondkleur is fraai roodachtig grijs; over den rug loopt een breede, hoekige, overlangsche streep, bestaande uit groote, bruine vlekken, die een twintigtal geelachtig grijze, eironde velden insluiten; de kop vertoont drie donkere, overlangsche strepen. Dit dier kan een lengte van 6 M. bereiken en, volgens sommige berichtgevers, nog wel langer worden. "Eertijds," zegt de Prins Von Wied, "hebben exemplaren van 20 à 30 voet en misschien nog wel grootere bestaan; in geheel onbewoonde streken worden zij thans nog" (1825) "gevonden. Zij zijn zoo dik als een mansdij en kunnen een Ree vangen en dooddrukken." Ook Schomburgk spreekt van Reuzenslangen van 6 à 10 M. Geen der genoemde onderzoekers heeft echter zulk een exemplaar gemeten: beide gronden hun meening blijkbaar geheel op berichten van inboorlingen, welker geloofwaardigheid niet boven allen twijfel verheven is.

Het niet goed onderscheiden van verwante soorten heeft dikwijls aanleiding gegeven tot een onjuiste omschrijving van het verbreidingsgebied der Koningslang, dat een geringere uitgebreidheid schijnt te hebben dan er gewoonlijk aan toegekend wordt. Het strekt zich ten noorden van Rio de Janeiro en Cabo Frio, over het midden en noorden van Brazilië, geheel Guyana, Venezuela en eenige der kleine Antillen uit; westwaarts omvat het de bovenste gedeelten van het Amazonas-gebied tot aan de Andes van Peru en Ecuador. Volgens den Prins Von Wied en Schomburgk houdt deze Slang zich uitsluitend op in droge, heete gewesten, in wouden en kreupelhoutbosschen. Zij bewoont holen in den grond en rotskloven, schuilhoeken tusschen boomwortels en dergelijke verblijfplaatsen. Niet zelden wordt zulk een woning door 4, 5 of meer van deze dieren gemeenschappelijk gebruikt. Soms beklimmen zij boomen en beloeren van hier hun prooi. In tegenstelling met hunne verwanten, die zich bij voorkeur in 't water ophouden, blijven zij altijd op het droge.

Indien men de Koningslang gedurende den nacht kon bespieden, zou men waarschijnlijk van haar aard en levenswijze een geheel andere voorstelling verkrijgen dan wij er nu van geven. Hoewel zij ook over dag een goede gelegenheid om buit te behalen niet ongebruikt laat, begint haar eigenlijke jachttijd ongetwijfeld eerst, als de schemering valt. Dit blijkt duidelijk genoeg uit de wijze, waarop zoowel vrije als gevangen exemplaren zich gedragen. Alle reizigers, die bij het doortrekken van de Zuid-Amerikaansche wouden Koningslangen ontmoetten, verklaren eenstemmig, dat deze dieren op dezelfde plaats bleven of, indien zij zich bewogen, dit zeer traag deden; zij vluchtten eerst, als hun vijand zoo dicht bij hen was, dat hij hen met een knuppel had kunnen doodslaan. Schomburgk ontdekte op een van zijne tochten een groote Afgodslang, die, hoewel zij hem en zijn Indiaanschen gids stellig reeds sinds eenigen tijd had gezien, toch niet gevlucht, maar onbeweeglijk op dezelfde plaats gebleven was. "Indien dit voorwerp vroeger mijn aandacht had getrokken", zegt de reiziger, "zou ik het voor het uiteinde van een vooruitstekenden tak gehouden hebben. Ondanks de tegenwerpingen en de vrees van mijn begeleider en den onwil van mijn Hond, was ik snel besloten om althans een poging te doen tot het bemachtigen van dit dier. Een flinke stok, die als aanvalswapen moest dienen, was spoedig gevonden. Nog altijd verhief de kop van de Slang zich boven de struiken: voorzichtig trachtte ik dicht genoeg bij haar te komen om met mijn wapen een bedwelmenden slag te kunnen toebrengen; juist toen ik dit doen wilde, verdween het dier tusschen het groene loover en kon ik uit het eigenaardige geritsel en de beweging der varens opmaken, dat het de vlucht had genomen. Wegens de dicht opeengegroeide planten was het vervolgen van de Slang niet mogelijk; ik kon echter zien, welke richting zij nam; spoedig kwam zij weer bij den rand van de wildernis, waarlangs ik liep, om in haar nabijheid te blijven. Eensklaps hield de ritselende beweging van het varenkruid op en kwam de kop van de Slang, die waarschijnlijk naar zijn vervolger uitkeek, boven het groene gebladerte te voorschijn. Een goed gemikte slag trof den kop van de Slang met zooveel kracht, dat zij bedwelmd neerstortte; ik liet haar den tijd niet om weer tot bewustzijn te komen, maar sloeg nog verscheidene malen. Als een Roofvogel op een Duif schoot ik toe, ging met de knieën op mijn buit liggen en kneep hem, met beide handen den hals omvattend, de luchtpijp dicht. Op mijn geroep kwam, nu het gevaar geweken was, de Indiaan mij te hulp, hij gebruikte een van mijne bretels om er een strik van te maken, die hij boven mijn hand om den hals van het dier legde en vervolgens zoo stijf mogelijk dichttrok. De krampachtige kronkelingen van de Slang werden door het dichte struikgewas gestuit, zoodat zij het overmeesteren van den buit niet zoo sterk bemoeielijkten, als anders het geval had kunnen zijn".

De Prins Von Wied zegt, dat men in Brazilië de Koningslang gewoonlijk met een knuppel doodslaat, of door een schot hagel neervelt. Ervaren jagers in Brazilië lachen, wanneer men hun vraagt, of deze Slang ook gevaarlijk is voor den mensch; dit praatje wordt alleen door het onwetende volk verhaald en geloofd. Haar voedsel bestaat uit allerlei kleine Zoogdieren en Vogels, vooral Agoetis, Pakas, Ratten en Muizen. Dat zij eieren niet versmaadt, kan men afleiden uit het feit, dat gevangen exemplaren er verlekkerd op zijn. Oude dieren durven, naar men zegt, ook wel dieren aanvallen van de grootte van een Hond of een Ree. De Prins Von Wied sprak een Braziliaanschen jager, wiens Hond het slachtoffer werd van een Afgodslang. Op het geschreeuw van dit dier afgaande, zag hij het in den poot gebeten en omstrengeld door een groote Slang, die het zoo sterk samendrukte, dat het uit den hals bloedde.

In de vrije natuur verslinden de Koningslangen ongetwijfeld geen andere dieren dan die, welke zij zelf gevangen en gedood hebben, doch geen aas; gevangen exemplaren kunnen echter langzamerhand ook aan het laatstgenoemde voedsel gewend worden. Zoo voederde Effeldt zijne Boa's steeds met doode Ratten, omdat de levende te veel last veroorzaakten. Deze spijs werd door de Slangen nooit versmaad en scheen haar zelfs nog beter te smaken, wanneer zij reeds eenigszins tot ontbinding was overgegaan. Hieruit zou men kunnen afleiden, dat deze dieren voor reukprikkels ongevoelig zijn.

Dat de Koningslangen zich soms ook in de gevangenschap voortplanten, is o. a. in "Artis" gebleken. Hier heeft Westerman een zijner Boa's achtereenvolgens verscheidene levende jongen en verscheidene eieren ter wereld zien brengen.

In de oostelijke gewesten van Zuid-Amerika wordt van de gedoode Boa's op velerlei wijze partij getrokken. Het vleesch wordt, naar men zegt, door de negers gegeten, het vet als een beproefd geneesmiddel bij vele ziekten gebruikt; de gelooide huid dient voor het vervaardigen van laarzen, zadelbekleedingen en dergelijke artikels; ook wikkelen de negers een boa-huid als middel tot het afweren van verschillende ziekten om hun lichaam.

De naar Europa vervoerde, levende Afgodslangen worden gewoonlijk in strikken gevangen, die men voor hare schuilplaatsen aanbrengt. Men kan zien, dat een hol bewoond is, aan de gladheid van den ingang, waar het dikke, zware lichaam steeds sporen achterlaat; voor deze opening wordt een strik gezet. Het gevangen dier doet geweldige pogingen om zich te bevrijden en kronkelt zich sterk; zelden loopt het echter gevaar van zich te worgen, daar het tegen drukking en stooten tamelijk goed bestand is, hoewel verwondingen dikwijls zijn dood veroorzaken. Dit bleek o.a. bij de door Schomburgk gevangen Afgodslang, die, uit haar bezwijming ontwaakt, den volgenden morgen vergeefsche pogingen deed om de banden te verscheuren, waarmede zij voorzichtigheidshalve aan de palen van de hut was bevestigd. Een schot maakte een einde aan deze worsteling.

In de pakhuizen van de Braziliaansche planters en kooplieden bewijst de Afgodslang goede diensten door het verslinden van Muizen en Ratten; zij wordt hier bijna als een huisdier beschouwd en zoo weinig gevreesd, dat men niet schroomt met haar in dezelfde ruimte te verkeeren en, zoo noodig, zelfs den nacht door te brengen. Daar zij met weinig voedsel tevreden is en maanden lang zonder bezwaar kan vasten, is het niet moeielijk haar te verzenden; zij wordt eenvoudig in een groote kist gepakt, die men dichtspijkert en met eenige luchtgaten voorziet; onderweg wordt naar haar niet omgezien. Het dier is ten gevolge van deze onheusche behandeling en van den honger, dien het heeft moeten lijden, gewoonlijk zeer slecht geluimd, wanneer het na aankomst op de plaats van bestemming eindelijk zijn nauwe gevangenis verlaat. Het toont dan veel neiging tot bijten; soms blijft het een geruimen tijd pruilen en het voedsel weigeren. In den regel vermindert echter zijn prikkelbaarheid weldra. Nadat het begonnen is te eten, geraakt het langzamerhand aan zijn oppasser gewend en laat zich ten slotte diens behandeling welgevallen. Om gezond te blijven heeft het een ruim en warm hok noodig met stammen en takken om er in te klimmen en een in den vloer bevestigden, grooten waterbak, waarin het kan baden. De kisten, die in de beestenspellen als woningen voor Reuzenslangen dienst doen, zijn hiervoor volstrekt niet geschikt; de wollen dekens, waarin men ze wikkelt, met het doel om ze te verwarmen, brengen soms meer nadeel dan voordeel te weeg. Meer dan eens heeft men n.l. opgemerkt, dat gevangen Reuzenslangen, misschien wel door honger gedreven, haar deken inslikten. Een Afgodslang van den Berlijnschen dierentuin behield de ingezwolgen wolmassa 5 weken en 1 dag in haar maag; zij dronk in dezen tijd zeer veel en gaf duidelijke blijken van onpasselijkheid; eindelijk begon zij 's nachts tusschen 11 en 12 uur het onverteerbare weefsel uit te spuwen; de oppasser hielp haar bij dezen arbeid, die voorspoedig ten einde werd gebracht.

In dezelfde landen als de Afgodslang ontmoet men ook de beroemde Anakonda (Eunectes murinus), die een geheel andere levenswijze heeft dan de genoemde "Landboa" en het geslacht der Waterboa's vertegenwoordigt. Zij heeft een zeer eigenaardige kleur, waarvan weinige afwijkingen voorkomen. De bovendeelen zijn donker olijfkleurig zwart en van den kop tot aan het einde van den staart bezet met twee reeksen van ronde of rondachtige, zwartbruine vlekken; op den hals en bij het begin van den staart staan zij paarsgewijs, overigens afwisselend, soms zeer dicht bij elkander; zelfs vloeien enkele ineen. De zijden van den kop zijn olijfkleurig grijs, de benedenranden van de kaken meer geelachtig; van boven de oogen tot aan den achterkop reikt een breede, vuil geelroode, aan de bovenzijde zwart begrensde streep; hierbij steekt een zwartbruine streep, die, van het oog uitgaande, over den mondhoek scheef naar beneden loopt en vervolgens weer eenigszins naar boven gebogen is, duidelijk af. De onderdeelen van het dier zijn op lichtgelen grond met zwartachtige vlekken bezaaid, die op sommige plaatsen twee afgebrokene, overlangsche lijnen vormen. Aan weerszijden van het lichaam komen twee reeksen van ringvormige oogvlekken voor; deze zijn geel met zwarten rand.

De Anakonda is de grootste van alle Reuzenslangen der Nieuwe Wereld. Een door Günther gemeten Slang van deze soort was 29 voet (8.29 M.) lang. I. von Fischer heeft exemplaren van 7.13 en 7.58 M. lengte gemeten. Kappler zegt, dat een door hemzelf geschoten en gemeten Anakonda, zonder kop en staart 26 Rijnlandsche voeten, in 't geheel dus bijna 30 voet lang was en een man van middelmatige statuur in dikte evenaarde. Zooveel is zeker, dat de Anakonda kolossale afmetingen kan bereiken en in dit opzicht, met de Indische Netslang, alle overige leden van haar onderorde overtreft.

"Deze Slang," bericht de Prins Von Wied, "leeft meestal in het water en kan het in de diepte zeer lang uithouden; zij komt echter dikwijls aan den oever om zich door de zon te laten verwarmen en haar buit te verteren. Met den stroom drijft zij de rivier af, houdt zich met visschen bezig of vleit zich op een rotsblok neder, vanwaar zij op Waterzwijnen, Agoetis, Pakas en dergelijke dieren loert. In de Belmonte-rivier zagen mijne jagers de vier pooten van een Zoogdier, dat zij voor een dood Zwijn hielden, boven den waterspiegel uitsteken; toen zij naderbij gekomen waren, merkten zij een reusachtige Slang op, die een groot Waterzwijn met verscheidene windingen van haar lichaam omstrengeld en gedood had. Oogenblikkelijk losten zij twee schoten op het monster en kreeg het van den Botokoede een pijl in het lichaam. Nu liet de Slang haar prooi los en vluchtte; ondanks hare wonden, geschiedde dit zoo snel, alsof haar niets overkomen was. Mijne lieden vischten het nog versche, pas gedoode Waterzwijn op en keerden terug om mij kennis te geven van het voorgevallene. Daar ik zeer gesteld was op het bezit van de merkwaardige Slang, zond ik de jagers onmiddellijk weer uit om haar te zoeken; alle moeite was echter vruchteloos. De hagelkorrels hadden door het water hun kracht verloren; de pijl werd gebroken teruggevonden aan den oever, waar de Slang hem had losgeschuurd."