Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren

Part 12

Chapter 123,696 wordsPublic domain

Langzamerhand ontstaat er tusschen de Slangen en haar verzorger een zekere vriendschappelijke verhouding; zij nemen het voedsel aan, dat hij haar met de handen of met een tang voorhoudt, laten zich aanraken, opnemen, ronddragen en zelfs eenigermate africhten. Van werkelijke gehechtheid aan haar meester blijkt echter niets; eerder zou men nog van het tegengestelde gevoel kunnen spreken bij soorten, die sterk, of althans door het bezit van giftanden weerbaar, zijn. De verhouding van den mensch tot de prikkelbare, kwaadaardige Gifslangen, die hij gevangen houdt, wordt slechts bij uitzondering langzamerhand iets minder gespannen. Toch bijten deze dieren soms ook dan nog, als zij reeds maanden lang voor getemd werden gehouden; in ieder geval blijft de omgang met hen steeds gevaarlijk en vereischt zooveel voorzichtigheid, dat ik, op mijn ervaring afgaande, niemand aanraden mag, zich met hen in te laten.

De Wormslangen, zoo genoemd wegens haar vorm en levenswijze, wijken even sterk af van de overige Slangen als de Ringhagedissen van de overige Hagedissen; vroeger werden zij bij de laatstgenoemde onderorde gevoegd. Haar belangrijkste kenmerk is het bezit van tanden in slechts één van beide kaken--hetzij in de onderste, bij de Smalmuiligen (Stenostomidae), of in de bovenste, bij de Hagedisslangen (Typhlopidae)--en de ongeschiktheid van haar bek om verwijding te ondergaan. Steeds zijn bij haar overblijfselen van den heupgordel aanwezig. Men verdeelt ze in twee familiën (hierboven genoemd).

Bij de Hagedisslangen is de grens tusschen romp en kop onduidelijk, de staart kort, het oog klein, door een doorzichtig schildje overdekt, de tong duidelijk gevorkt. Kleine, rondachtige, gladde, dakpansgewijs geplaatste schubben bekleeden het lichaam, met uitzondering van het voorste deel van den kop, dat grootere schilden draagt. Deze familie is over de keerkrings-gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld verbreid; in het Noordelijke Rijk van de Oude wereld wordt zij door een gering aantal soorten vertegenwoordigd, die, naar het schijnt, uitsluitend, Zuidoost-Europa, West-Azië en Japan bewonen. Alle leven onder den grond als de Wormen, waarmede zij zich voeden en planten zich voort door betrekkelijk zeer groote, langwerpige eieren, welker aantal gewoonlijk gering is. De grootste soort, die men kent, wordt ongeveer 70 cM. lang en heeft een middellijn van 3 cM.

Bij het Zwakoog (Typhlops vermicularis), den eenigen Europeeschen vertegenwoordiger van zijn familie, hebben beide einden van het lichaam gelijke dikte; het onderscheiden van den snuit en den staart kost werkelijk moeite; daar men den mond voor de kloakopening zou kunnen houden, tenzij men acht geeft op de grootere schilden, die den afgeronden snuit bekleeden. Het oog schemert als een nauwelijks zichtbaar stipje door het oogschild heen. De kleur is meer of minder glanzig geelbruin, van boven donkerder, van onderen lichter; op den rug en den staart komt een teekening voor, bestaande uit een donkerbruin stipje op iedere schub bij de spits. Lengte hoogstens 33, dikte 0.8 cM.

Van de levenswijze van dit dier, dat in Griekenland en op verscheidene Grieksche eilanden, in Klein-Azië, Syrië, Steenachtig Arabië en de Kaukasuslanden aangetroffen werd, zijn tot dusver geen bijzonderheden van eenig belang bekend.

Sterk vertegenwoordigd is dit geslacht in het Oostersche en Australische Rijk. Als voorbeeld noemen wij Typhlops nigro-albus, een op de Soenda-eilanden levende soort, die door de Maleiers Oelar-balang (Bonte Slang) wordt genoemd. Snelleman noemt haar: "een klein, zeer beweeglijk Slangetje, dat op den grond voorkomt, maar ook opgerold ligt op de bladen van pisangboomen en andere laag bij den grond staande struiken. In Indië wordt deze soort algemeen als zeer schadelijk beschouwd en haar beet voor gevaarlijk gehouden, hoewel zij inderdaad zeer onschuldig is en zich met Insecten voedt."

Zonder eenigen twijfel hebben de ouden met hunne Draken onze tegenwoordige Reuzenslangen bedoeld. De opmerkelijke grootte van deze dieren, hun spierkracht en de algemeen heerschende vrees voor iedere Slang maakt de overdrijving, waaraan de schrijvers der oudheid zich schuldig hebben gemaakt, verklaarbaar. Van een mensch, die zich bedreigd acht door verschrikkelijke monsters en zich te zwak gevoelt om hen te weerstaan, kan het ons niet bevreemden, dat hij aan de bedoelde wezens een veel aanzienlijker grootte toedicht dan zij werkelijk hebben, en zelfs ledematen, die niet bestaan. De zoogenaamde "aarsklauwen" der Reuzenslangen, die men thans als sporen van achterpooten heeft leeren kennen, werden door de ouden niet opgemerkt; daarentegen begiftigde de phantasie deze door hen zoo gevaarlijk geachte schepselen met vreemdsoortige pooten en wonderbaarlijke vleugels. Het wondergeloof der middeleeuwen breidde de attributen der Draken hoe langer hoe meer uit. In dien tijd was de herinnering aan de Reuzenslangen zoo goed als geheel verloren gegaan en ontwikkelden de onbepaalde voorstellingen der Oostersche sprookjes zich allengs tot gestalten, waarin het oorspronkelijk type bijna geheel onkenbaar is geworden.

Tot overdrijving waren echter niet alleen de ouden geneigd, ook bij hedendaagsche berichtgevers vindt men er vele bewijzen van. Ook thans nog wordt gesproken van Reuzenslangen van 15 M. lengte en schroomt men niet te verhalen van Paarden, Runderen en dergelijke dieren, die door deze monsters aangevallen, gedood en verzwolgen zouden zijn. Hoewel men de mogelijkheid kan onderstellen, dat de Reuzenslangen vroeger een aanzienlijker grootte bereikten dan thans, nu de mensch beter uitgerust is voor den strijd met zijne vijanden en met zijne vreeselijke wapens hun leven verkort, is het aan geen twijfel onderhevig, dat zulke Slangen, als door de ouden beschreven worden, nooit bestaan hebben. Uit eigen ervaring weet ik, hoe buitengewoon moeielijk het is de lengte van Slangen zonder meting bij benadering te bepalen. Niet zelden geschiedt dit reeds foutief bij kleine Slangen, die men rustend voor zich ziet liggen en dus goed kan opnemen. Maar al te vaak zal het bij nader onderzoek blijken, dat een lengte van b.v. één meter ruim een derde hooger was geschat; bij Slangen van 3 M. lengte is de moeielijkheid twee- of driemaal zoo groot en bestaat er nog veel grooter verschil tusschen de werkelijkheid en de schatting. Deze is zelfs gladweg onmogelijk, zoodra het dier zich beweegt. Het kan dus geen verwondering wekken, dat de inboorlingen van zuidelijker landen, met hun levendige phantasie veel verder gaande in overdrijving, afmetingen opgeven, die twee- of driemaal zoo groot zijn als de ware. Dezelfde Indiër of Zuid-Amerikaan, die met den schijn van volkomen betrouwbaarheid over een ongeveer 15 M. lange Reuzenslang spreekt, welke hij beweert zelf gezien of geschoten te hebben, zal den nauwkeurig metenden onderzoeker, die een dier van 6 M. doodde, verzekeren, dat dit exemplaar alle wezens van dezelfde soort, die hij vroeger heeft gezien, in grootte ver overtreft.

De familie der Aarsklauwslangen (Boidae), die de "Reuzenslangen" onder hare leden telt, is kenbaar aan de volgende eigenschappen: De platte van achteren meer of minder duidelijk begrensde, driehoekig of langwerpig eivormige kop heeft meestal een zeer grooten muil; de krachtig gespierde romp is zijdelings samengedrukt, de staart betrekkelijk kort; sporen van achterste ledematen zijn aanwezig: aan weerszijden van de kloakopening komt meestal een hoornachtige aarsklauw voor. De bekleeding van den kop bestaat uit schilden, soms uit schubben; de rugzijde van den romp is bedekt met kleine, zeshoekige schubben, de buikzijde met korte, maar breede schilden, die aan den staart soms een enkele, soms een dubbele reeks vormen. Bij zorgvuldige ontleding van het dier merkt men duidelijke overblijfselen van een uit vier beenderen samengestelden heupgordel op. Massieve tanden komen voor aan beide kaakbogen en aan de gehemeltebeenderen. Het oog is betrekkelijk klein en heeft een vertikaal gerichte pupil.

Met uitzondering van de Woel-boa's (Erycinae)--een uit 6 soorten van middelmatige grootte bestaande onderfamilie, welker verbreidingsgebied zich van Zuid-Europa over Noord- en West-Afrika en in Azië tot Sikhim uitstrekt en die wij verder buiten rekening zullen laten om alleen de Reuzenslangen te bespreken--behooren alle Aarsklauwslangen in de tropische gewesten thuis, overschrijden althans de keerkringen niet ver. Tegenwoordig bewonen zij alle heete en waterrijke landen van de Oude en de Nieuwe Wereld, bij voorkeur groote wouden; veelvuldig zijn zij vooral in boschrijke gewesten, die veel water bevatten; enkele soorten komen echter ook in droge streken voor. Er zijn echte waterdieren bij, die met geen ander doel dan om zich in de zon te koesteren en te slapen de door haar bewoonde rivieren, meren en moerassen verlaten; maar steeds in het water, of althans aan den waterkant, jagen; andere schijnen het water te mijden. De inrichting van de oogen verraadt een nachtelijke levenswijze. Wel ziet men de Reuzenslangen in hare wouden ook over dag zich bewegen en soms jagen; haar eigenlijke werkzaamheid begint echter eerst, als de schemering invalt, en eindigt bij 't krieken van den morgen. Des daags liggen zij, op de meest verschillende wijzen ineengekronkeld, bij voorkeur op een zonnige plek te rusten. Enkele kiezen als ligplaats een rotsblok, een zandbank of een boven het water uitstekenden tak; andere beklimmen een boom, hechten zich met haar grijpstaart aan den tak, waarop het lichaam als een kluwen ineengekronkeld is of waarvan het als een touw naar beneden hangt; nog andere zoeken een open plek in het woud, een rotsterras of een helling op en strekken haar lichaam geheel of gedeeltelijk lang uit of kronkelen het tot een vlakke spiraal ineen. Alle bewegen zich niet meer dan noodig is, eigenlijk alleen dan, wanneer zij een gevaar duchten of dit trachten te ontwijken, of wanneer zij lang tevergeefs gejaagd hebben en nu een buit opmerken. Plotseling ontrolt zich dan het kolossale dier, om zich met inspanning van al zijn kracht op het begeerde slachtoffer te werpen, dat, door de stevige tanden gegrepen en door het gespierde lichaam omstrengeld, spoedig den laatsten adem uitblaast.

Hoewel de Reuzenslang in staat is een buitengewoon groote prooi te verzwelgen, is de rekbaarheid van hare kaken toch volstrekt niet onbegrensd. De vreeselijke geschiedenissen, die van haar verhaald en geloofd worden, zijn onwaar: geen enkele Reuzenslang kan een volwassen mensch, een Rund, een Paard, een groot Hert door haar slokdarm stuwen; reeds het doorslikken van een dier ter grootte van een Ree is, zelfs voor de grootste leden dezer familie, een zeer moeielijke arbeid. Geheel uit de lucht gegrepen is het praatje, dat een Reuzenslang bij het verzwelgen van groote dieren wacht, totdat het deel, dat zij niet kan inslikken, door ontbinding verweekt is, en de daarbij gevoegde opmerking, dat het speeksel van de Slangen de rotting zeer bespoedigt. Zeker is het, dat deze dieren, evenals alle overige Slangen, na een overvloedig maal in een toestand van traagheid vervallen, welke aanhoudt, totdat de vertering grootendeels afgeloopen is.

De wijze waarop een Reuzenslang een prooi beloert, besluipt, doodt en verzwelgt, wordt door verschillende afbeeldingen, die Mützel naar de natuur geteekend heeft, aanschouwelijk voorgesteld. Tot toelichting diene de volgende op eigen waarneming berustende beschrijving: Zoodra een Reuzenslang, die meestal 's nachts, doch ook wel over dag of in de schemering jaagt, gedurende haar rust een onbezorgd naderenden buit opmerkt, verheft zich haar kop boven den stompen kegel, die door de spiraalwindingen van haar lichaam gevormd wordt. De pupil, die onder den invloed van 't licht tot een smalle spleet was ingekrompen, verwijdt zich, de tong geraakt in beweging, wordt beurtelings uitgestoken en teruggetrokken, nu eens naar deze, dan weer naar een andere zijde gericht; ook uit de beweging van het puntje van den staart blijkt, evenals bij loerende Katten, dat het verlangen naar een prooi in de Slang levendig is geworden. Mützel heeft een Boa constrictor in dezen toestand voorgesteld. Zorgvuldig bespiedt de Slang haar slachtoffer. Nadat dit eenigen tijd, soms lang, soms kort geduurd heeft, ontrolt zij zich en begint haar prooi te besluipen, zooals men in de afbeelding van den Anakonda kan zien. Langzaam wordt het voorste deel van het lichaam voorbij de kronkelingen geschoven, die gedurende den rusttoestand naast en boven elkander liggen; langzaam, doch aanhoudend volgen andere deelen van den wormvormigen romp. Alle spieren zijn in werking, alle ribben zijn tegen den grond gedrukt om de zware massa vooruit te schuiven: tastend onderzoekt de nooit rustende tong het te volgen pad, terwijl de oogen voortdurend op den buit gericht zijn; meer en meer nadert het roofdier zijn doel. Het slachtoffer is onbewust van het dreigende gevaar; daar het de steeds dichterbijkomende Slang niet herkent, als de vreeselijke vijand, die eenige oogenblikken later de oorzaak zal worden van zijn dood. Verbluft door het nog nimmer voorgekomen schouwspel, dat waarschijnlijk zijn nieuwsgierigheid prikkelt, blijft het zitten en doet hoogstens eenige stappen of maakt eenige sprongen, als 't ware om de Slang niet te hinderen bij het vervolgen van haar weg. Het komt weer tot rust en blijft kalm, terwijl de roover, wiens opgewondenheid meer en meer toeneemt, in de onmiddellijke nabijheid van den begeerden buit door het bijtrekken van den romp den hals in kronkels legt om dezen de noodige lengte voor den aanval te geven. Niet zelden blijft het slachtoffer zelfs dan nog zitten, als de spitsen van de gevorkte tong zijn lichaam aanraken. Dikwijls heb ik gezien, dat Konijnen, als 't ware om deze begroeting te beantwoorden, ook van hun zijde nieuwsgierig de Slang besnuffelden. Eensklaps schiet de slangekop vooruit; eerst dan wordt de bek geopend; voordat het slachtoffer weet, in welk gevaar het verkeert, is het gegrepen en door één of twee ringen van de Slang omstrengeld. Dit geschiedt zoo bliksemsnel, dat de toeschouwer vaak geen juiste voorstelling kan verkrijgen van de ware toedracht der gebeurtenis. De Slang grijpt het dier en rolt in 't zelfde oogenblik het voorste gedeelte van haar lichaam op, door den kop met den buit naar voren te richten en met beide zoovele kringen te beschrijven, als zij kronkelingen om haar slachtoffer wil leggen. Vóór het einde van de seconde, bij welker aanvang de stoot plaats had, is de doodelijke omstrengeling van den gegrepen buit reeds een voldongen feit. Zelden hoort men hem schreeuwen; zoo dit voorkomt, wordt het geluid waarschijnlijk op geheel passieve wijze voortgebracht door de lucht, die tengevolge van de vreeselijke drukking op de longen uit de luchtpijp ontwijkt. Hoe onweerstaanbaar deze drukking is, blijkt uit de gelaatstrekken van het omstrengelde dier. De oogen treden uit hunne kassen, een pijnlijke trek verwringt de lip, krampachtig trillen de (toevallig niet omstrengelde) achterpooten. Reeds na weinige oogenblikken echter verliest het slachtoffer zijn bewustzijn; al naar het een meer of minder taai leven heeft, begint de verflauwing van den hartslag vroeger of later; ten slotte staat het hart stil en is het einde daar. Nadat de Slang zich overtuigd heeft van den dood van haar slachtoffer, ontwikkelt zij langzaam hare kronkelingen en onderzoekt nu met de tong den buit, in den regel zonder hem geheel los te laten. Nooit heb ik gezien, dat zij vóór het verzwelgen met de prooi speelde, zooals de ouden beweerd en enkele berichtgevers uit lateren tijd herhaald hebben. Het kwam mij altijd voor, dat het betasten met de tong ten doel had de geschiktste aanvangsplaats voor het verzwelgen van de prooi te zoeken. De bedoelde plaats is de kop; wanneer deze het eerst in den bek komt, zal het groote stuk, dat onverdeeld doorgeslikt moet worden, den geringsten weerstand bieden. Na een langdurige onderzoeking met de tong, wordt het geworgde dier op nieuw gegrepen en met zoo wijd mogelijk opengesperden bek neemt de moeitevolle arbeid van het verzwelgen een aanvang. Beurtelings wordt de eene en de andere kaakhelft vooruitgeschoven, de reeks van achterwaarts gekromde tanden telkens op nieuw in de prooi gedrukt om haar vast te houden, die van den anderen kant vervolgens door een voorwaartsche beweging van de kaakhelft losgemaakt en verderop weer ingehaakt. Door deze vele malen herhaalde, kleine rukken wordt langzamerhand het lijk naar binnen gewerkt. Men ziet intusschen de beide onderkaaksbeenderen eerst van achteren, later ook van voren meer en meer uiteenwijken, waarbij de hen vereenigende banden sterk uitgerekt worden. Van den vroeger slanken vorm van den kop bemerkt men niets meer, slechts het bovenste deel behoudt ongeveer zijn oorspronkelijke gedaante: de huid van onderkaak en keel zet zich verbazend uit, en vormt ten slotte, zoo als door de afbeelding van bladz. 53 wordt toegelicht, een wijden zak met een stijven ring aan zijn bovensten rand, welke aan den totebel van den Pelikaan herinnert. Naarmate de onderkaak zich uitzet, treedt de luchtpijp verder naar voren. Alle speekselklieren scheiden een overvloed van vocht af en bevochtigen de haren of veeren van het slachtoffer, voor zoover dit reeds in het achterste deel van de mondholte is doorgedrongen. Bij het verzwelgen van groote dieren vereischt de doorgang van de schouderbladen of van de vleugels een sterk vermeerderde inspanning. Zoodra de Slang deze moeielijkheid overwonnen heeft, gaan de overige lichaamsdeelen van de prooi opmerkelijk snel door 't keelgat naar binnen. Nu herkrijgt de kop zijn gewonen vorm. De uiteengerukte gewrichtsvlakten komen weer bij elkaar en nadat de Slang eenige malen den muil geopend en gesloten heeft, als om te gapen, is alles weer in orde. Van buiten kan men duidelijk zien, hoe opeenvolgende spierwerkingen de prooi intusschen verder en verder door den slokdarm stuwen, totdat zij in de maag is aangekomen.

Hoe buitengewoon schielijk de spijsvertering plaats heeft, kan men bij gevangen exemplaren waarnemen. Niet langer dan vier dagen duurt het, vóór het grootste Zoogdier, dat men hun als voedsel gewoon is te geven, op de haren na, die met den drek verwijderd worden, volkomen in het bloed van de Slang is opgenomen. Hoewel zij dan weer eetlust toont, kan zij zonder bezwaar weken en zelfs maanden lang honger lijden, althans indien een onachtzame verzorger haar niet reeds vóór dien tijd te lang heeft laten vasten.

Sommige Reuzenslangen zijn levendbarend; andere leggen eieren, waaruit de jongen eerst na verloop van geruimen tijd te voorschijn komen. De moeder bevordert de ontwikkeling van de kiem op een wijze, die bij geen ander Kruipend Dier werd opgemerkt. Bij gevangen exemplaren heeft men herhaaldelijk waargenomen, dat het wijfje de eieren met haar lichaam bedekt en in zekeren zin uitbroedt. De levendbarende soorten bekommeren zich om het kroost, dat zij ter wereld brengen, even weinig als de andere Reptiliën om hunne eieren. De jongen die bij de geboorte bijna 1 M. lang zijn en zoo dik als een duim, beginnen onmiddellijk de levenswijze hunner ouders, hoewel zij aanvankelijk tot kleine troepen vereenigd blijven, die nog geruimen tijd een gemeenschappelijke woonplaats behouden, hetzij op den grond of in de boomen. Bij gevangen Pythons, heeft men opgemerkt, dat de groei gedurende de 4 eerste levensjaren het snelst is, daarna langzamer en na het 14e jaar onmerkbaar wordt; hieruit leidt men af, dat Reuzenslangen van 6 à 7 M. lengte minstens 28 jaar oud zijn.

De Reuzenslangen zijn, naar bij gevangen exemplaren niet zelden gebleken is, wel bewust van hun sterkte en laten zich eerder dan vele andere Slangen, tot drift vervoeren. Toch ontwijken zij in den regel den mensch en vallen hem slechts bij uitzondering aan. Hoewel zulk een aanval misschien af en toe in de vrije natuur voorkomt, blijkt echter uit geen enkel volkomen betrouwbaar bericht, dat Reuzenslangen menschen kunnen verslinden. Geen Zuid-Amerikaansche jager, geen schrandere, in de jacht ervaren inboorling van Afrika is ernstig bevreesd voor deze dieren, die ijverig vervolgd worden, omdat men hun vleesch, hun vet en hun huid op velerlei wijzen gebruikt. Het vleesch wordt alleen door de inboorlingen gegeten; aan het vet schrijft men algemeen geneeskracht toe; de huid wordt tot allerlei versierselen verwerkt. De jager doodt de Reuzenslang meestal met het geweer. Een schot hagel in den kop is hiervoor overvloedig voldoende; daar deze Slangen veel minder taai van leven zijn dan men van deze dieren van haar grootte en lichaamskracht zou verwachten.

De Reuzenslangen, die reeds eenigen tijd in gevangenschap hebben verkeerd, zijn beter geschikt om naar Europa verzonden te worden, dan de sinds kort van hun vrijheid beroofde exemplaren. De eerstgenoemde kunnen bij behoorlijke verzorging jaren lang in 't leven blijven. Zoowel in Europa als in Noord-Amerika vinden zij altijd willige koopers in de eigenaars van menagerieën; daar een beestenspel zonder Reuzenslang een van zijne grootste aantrekkelijkheden zou missen. Met angst en beving zien "boeren, burgers en buitenlui" den "dierentemmer", nadat hij een van zijne onovertrefbare voordrachten over de geheele dierenwereld heeft gehouden en het onvermijdelijke drinkgeld ingezameld heeft, een lange kist openen en hieruit de in wollen dekens gehulde Boa voor den dag halen, haar over zijn schouder hangen, om zijn hals slingeren, kortom, met dit monster op zulk een wijze omgaan, dat enkele toeschouwers er kippenvel van krijgen.

Wanneer men de minder belangrijke groep der Woelboa's (Erycinae) buiten rekening laat, kan men de familie van Aarsklauwslangen in twee onderfamiliën splitsen: de Python-slangen (Pythoninae) en de Boa-slangen (Boinae). De eerstgenoemde zijn kenbaar aan hare met tanden gewapende, bij alle overige Slangen tandelooze tusschenkaaksbeenderen. Evenals de Boa-slangen hebben zij een grijpstaart (deze komt bij de Woelboa's niet voor). Van de Erycinae en Boinae verschillen zij door het bezit van een dubbele reeks van schilden aan de onderzijde van den staart, die men ook bij nagenoeg alle overige leden der onderorde aantreft. De Python-slangen zijn geheel tot de Oude Wereld beperkt en vooral op de Molukken, Nieuw-Guinea en Australië sterk vertegenwoordigd.

Het grootste deel van Indië wordt bewoond door de Peddapoda der Bengaleezen, die ook wel Tijgerslang wordt genoemd (Python molurus); zij vertegenwoordigt het geslacht der Rotsslangen, welks leden slechts de voorste helft van den bovenkop met regelmatige schilden, de achterste helft daarentegen met schubben bedekt hebben. De staart is een echte grijpstaart.

Men heeft Tijgerslangen gemeten, die 6 M. lang waren; grootere exemplaren zullen, zoo zij al bestaan, waarschijnlijk buitengewoon zelden voorkomen; de meeste gaan een lengte van 3 1/2 M. niet te boven. De kop is grijsachtig vleeschkleurig, op de kruin en het voorhoofd licht olijfbruin, de rug lichtbruin, op het midden met geelachtig grijze tint, de onderzijde witachtig; een olijfbruine streep loopt van het neusgat door het oog en achter den mondhoek naar beneden; een vlek van dezelfde kleur en van driehoekigen vorm bevindt zich onder het oog, een groote, donkere, Y-vormige of (in plaats van deze) een onvertakte, langwerpige vlek op den achterkop en den nek. De rug prijkt met een reeks van groote, langwerpig vierzijdige, roodachtig bruine vlekken, die zwart gezoomd zijn en een getanden of rechtlijnigen rand hebben; sommige zijn in het midden hooggeel; langs de zijden komen kleinere, overlangsche vlekken voor.

Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich over het geheele Voor-Indische schiereiland tot aan den Himalaja uit. Op Java wordt zij vervangen door den Dubbelgestreepten Python (Python bivittatus) en de Netslang (Python reticulatis), die beide ook wel Oelar-sawa of Rijstvelden-slang worden genoemd.